Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatscourant 2012, 26995Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, van 12 december 2012, Z-3145629, houdende wijziging van de Regeling zorgverzekering in verband met de inwerkingtreding van de Wet uniformering loonbegrip alsmede ter vaststelling van bedragen en percentages die van belang zijn voor de inkomensafhankelijke bijdrage over het jaar 2013

Handelende in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 18g, vierde lid, 42, eerste, tweede en derde lid, 43, derde lid, 45, derde en vierde lid, 47, 50, derde lid, 52, 53 en 69, tweede en derde lid, van de Zorgverzekeringswet;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling zorgverzekering wordt als volgt gewijzigd:

A

De artikelen 5.1 tot en met 5.9 komen als volgt te luiden:

Artikel 5.1

  • 1. Het in artikel 42, eerste lid, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet bedoelde tijdstip is de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin de verzekeringsplichtige de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, heeft bereikt, met dien verstande dat dit tijdstip gelijk is aan de datum waarop een definitieve vaststelling van een bijstandsuitkering als bedoeld in artikel 5, aanhef, en onder a, van de Wet werk en bijstand, of van een uitkering als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen plaatsvindt, indien dat tijdstip later ligt dan eerstbedoeld tijdstip.

  • 2. De in artikel 42, eerste lid, onderdeel b, van de Zorgverzekeringswet bedoelde bestanddelen van het loon zijn:

    • a. uitkeringen ingevolge een pensioenregeling of regeling voor vervroegde uittreding als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964, niet zijnde een uitkering ingevolge een regeling voor vervroegde uittreding die vóór 1 januari 2006 is ingegaan en op grond waarvan de uitkeringsgerechtigde ingevolge artikel 1, onderdeel g, van het Aanwijzingsbesluit verzekerden Zfw verzekerd was ingevolge de Ziekenfondswet;

    • b. uitkeringen of pensioenen krachtens of vanwege een pensioenregeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder c en d, van de Toeslagwet Indonesische Pensioenen 1956, het Pensioenreglement Nederlands Nieuw Guinea (Gouvernementsblad van Nederlands Nieuw Guinea 1958, 83), de Wet aanpassing Pensioenvoorziening Bijstandskorps, de Garantiewet Surinaamse Pensioenen of de Toeslagregeling pensioenen Suriname en Nederlandse Antillen;

    • c. uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een aanspraak op periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964;

    • d. inkomsten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdelen a, d, f, i, j, k, l, of v van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965;

    • e. uitkeringen ingevolge de Algemene Ouderdomswet;

    • f. uitkeringen als bedoeld in artikel 47a van de Wet werk en bijstand;

    • g. overbruggingsuitkeringen ingevolge een aanspraak op het overbruggingsfonds van de Stichting Contractspelersfonds KNVB en de Stichting Nederlands Wielrennersfonds, en

    • h. uitkeringen ingevolge de derde afdeling van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers die worden ontvangen door een afgetreden lid van de Tweede Kamer van wie de arbeidsverhouding gedurende het lidmaatschap van de Tweede Kamer ingevolge artikel 4, aanhef en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing van die wet als dienstbetrekking werd beschouwd.

Artikel 5.2

  • 1. Het loon, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet, dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van die wet, ten hoogste in aanmerking wordt genomen, wordt voor het jaar 2013 vastgesteld op € 50.853,00.

  • 2. Het bedrag, bedoeld in artikel 42, derde lid, van de Zorgverzekeringswet, dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage per loontijdvak ten hoogste in aanmerking wordt genomen, wordt voor het jaar 2013 vastgesteld op:

    Loontijdvak

    Maximum bijdrage-inkomen

    Dag

    € 195,58

    Week

    € 977,94

    Vier weken

    € 3.911,76

    Maand

    € 4.237,75

    Kwartaal

    € 12.713,25

    Jaar

    € 50.853,00

  • 3. In afwijking van het tweede lid wordt het bedrag, bedoeld in artikel 42, derde

    lid, van de Zorgverzekeringswet, dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage per loontijdvak ten hoogste in aanmerking wordt genomen, voor werknemers als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 vastgesteld op:

    Loontijdvak

    Maximum bijdrage-inkomen

    Dag

    € 222,06

    Week

    € 1.110,32

    Vier weken

    € 4.441,31

    Maand

    € 4.811,52

    Kwartaal

    € 14.434,56

  • 4. In afwijking van het tweede lid wordt het bedrag, bedoeld in artikel 42, derde lid, van de Zorgverzekeringswet, dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage per loontijdvak ten hoogste in aanmerking wordt genomen, voor werknemers als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 vastgesteld op:

    Loontijdvak

    Maximum bijdrage-inkomen

    Dag

    € 207,56

    Week

    € 1.037,81

    Vier weken

    € 4.151,26

    Maand

    € 4.497,47

    Kwartaal

    € 13.492,41

Artikel 5.3

  • 1. Het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43, derde lid, van de Zorgverzekeringswet, dat voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 41 van die wet, ten hoogste in aanmerking wordt genomen, wordt voor het jaar 2013 vastgesteld op het bedrag, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid.

  • 2. Voor zover het bijdrage-inkomen van een verzekeringsplichtige bestaat uit loon als bedoeld in artikel 43, tweede lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet, is artikel 5.2, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4

  • 1. Het percentage, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet, wordt vastgesteld op 7,75.

  • 2. Het percentage, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet, wordt vastgesteld op 5,65.

  • 3. In afwijking van het eerste of tweede lid, wordt het percentage vastgesteld op nihil:

    • a. over bijdrage-inkomen voortvloeiende uit werkzaamheden van een verzekeringsplichtige aan boord van een zeeschip, mits de zeewerkgever of scheepseigenaar het risico als bedoeld in hoofdstuk 3 van de Zorgverzekeringswet, zolang deze verzekeringsplichtige niet is teruggekeerd of heeft kunnen terugkeren naar het land waar hij thuisbehoort, op grond van een verdragsrechtelijke bepaling of een bepaling die daar op stoelt in belangrijke mate voor zijn rekening neemt;

    • b. over belastbare periodieke uitkeringen of verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001, tenzij artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 toepassing vindt, indien deze periodieke uitkering of verstrekking ook in 2005 is genoten.

  • 4. Indien het loon waarover de inhoudingsplichtige inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is meer bedraagt dan het bedrag, genoemd in artikel 5.2, eerste lid, en is samengesteld uit bestanddelen waarover een verschillend bijdragepercentage is verschuldigd, worden de bestanddelen zodanig toegerekend dat het bijdragepercentage van 7,75 het eerst in aanmerking wordt genomen, en daarna het percentage van 0.

  • 5. Indien het bijdrage-inkomen waarover de verzekeringsplichtige inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is meer bedraagt dan het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, en is samengesteld uit bestanddelen waarover een verschillend bijdragepercentage is verschuldigd, worden de bestanddelen zodanig toegerekend dat het bijdragepercentage van 5,65 het eerst in aanmerking wordt genomen, en daarna het percentage van 0.

Artikel 5.5

De inkomsten, bedoeld in artikel 45, vierde lid, van de Zorgverzekeringswet, betreffen voor het berekenen van de bijdragepercentages die met ingang van 1 januari 2013 gelden telkens met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar:

  • a. het geraamde totaalbedrag aan nominale rekenpremies, bedoeld in artikel 1, onderdeel aa, van het Besluit zorgverzekering voor alle zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald, vermeerderd met het geraamde totaalbedrag dat de zorgverzekeraars van hun verzekerden zullen ontvangen ten gevolge van een door hen vast te stellen opslag op deze nominale rekenpremies;

  • b. het geraamde totaalbedrag aan eigen bijdragen, bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Zorgverzekeringswet;

  • c. het geraamde totaalbedrag aan verplicht eigen risico dat door verzekerden zal worden betaald, verminderd met het geraamde totaalbedrag dat het CAK op grond van artikel 118a van de Zorgverzekeringswet zal uitkeren;

  • d. de aan het Zorgverzekeringsfonds toe te voegen rijksbijdrage, bedoeld in artikel 54 van de Zorgverzekeringswet, alsmede bijdragen als bedoeld in artikel 87a van de Wet financiering sociale verzekeringen;

  • e. het geraamde totaalbedrag aan inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 41 van de Zorgverzekeringswet dat van inhoudingsplichtigen en verzekeringsplichtigen geheven zal worden, verminderd met het geraamde bedrag, bedoeld in artikel 42, achtste lid, van die wet.

Artikel 5.6

Een bedrag dat in aanmerking is genomen als loon in de zin van artikel 42, eerste lid, of artikel 43, tweede lid, onderdeel a, van de Zorgverzekeringswet, wordt niet in aanmerking genomen als bijdrage-inkomen in de zin van artikel 43, tweede lid, onderdeel b, van die wet.

Artikel 5.7

  • 1. Voor de toepassing van dit artikel en van artikel 5.8 worden de landen van het Koninkrijk der Nederlanden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden.

  • 2. Tot het loon, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, of het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43 van die wet, behoren niet:

    • a. uitkeringen ingevolge de sociale-zekerheidswetgeving van een andere mogendheid die zijn onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake ziektekosten van die andere mogendheid;

    • b. ten aanzien van degene die verzekeringsplichtig is en die tevens werkzaamheden verricht of heeft verricht buiten het Europese deel van Nederland:

      • het gedeelte van het loon of het bijdrage-inkomen dat onderworpen is aan heffing van inkomensafhankelijke premie als bedoeld in het Besluit zorgverzekering BES,

      • het gedeelte van het loon of het bijdrage-inkomen, waarop ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is,

      • het gedeelte van het loon of het bijdrage-inkomen, dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake ziektekosten van een andere mogendheid;

    • c. ten aanzien van degene die niet is uitgezonderd van de volksverzekeringen op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel a, artikel 13, tweede lid, onderdeel c, artikel 13, derde lid, onderdeel a, artikel 13, vierde lid, onderdeel c, artikel 14, eerste lid, onderdeel a, artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b en c, sub 10, of artikel 16, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 in verband met het verrichten van de in die artikelen bedoelde andere werkzaamheden: het belastbare loon uit de dienstbetrekking uit hoofde waarvan hij zou zijn uitgezonderd van de volksverzekeringen indien hij die andere werkzaamheden niet zou hebben verricht.

Artikel 5.8

  • 1. Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar niet verzekeringsplichtig is ingevolge de Zorgverzekeringswet, wordt voor de bijdrageheffing bij wege van aanslag als bijdrage-inkomen geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het bijdrage-inkomen verminderd met het gedeelte daarvan waarop, ingevolge een internationale regeling inzake sociale zekerheid die tussen Nederland en een of meer andere mogendheden van kracht is, de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is, of dat, bij gebreke van een internationale regeling, is onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake ziektekosten van een andere mogendheid.

  • 2. Ten aanzien van degene die gedurende een deel van het kalenderjaar anders dan door overlijden niet verzekeringsplichtig is ingevolge de Zorgverzekeringwet, wordt voor de bijdrageheffing als bijdrage-inkomen ten hoogste in aanmerking genomen het bedrag dat naar tijdsevenredigheid is afgeleid van het bedrag, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, tenzij toepassing van de bepalingen in de Zorgverzekeringswet of van de overige bepalingen in deze regeling tot een lager bijdrage-inkomen leidt.

Artikel 5.9

Indien voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage bij wege van aanslag het bijdrage-inkomen wordt bepaald door middel van tijdsevenredige vaststelling, wordt daarbij:

  • a. een kalenderjaar op 360 dagen gesteld;

  • b. een kalendermaand op 30 dagen gesteld;

  • c. de dag waarop het tijdvak aanvangt, als een gehele dag in aanmerking genomen;

  • d. de dag waarop het tijdvak eindigt, niet in aanmerking genomen.

B

Artikel 5.10 vervalt.

C

In artikel 5.11, eerste lid, wordt ‘heffings-’ vervangen door: belasting-.

D

Artikel 5.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikel 49, tweede lid’ vervangen door: artikel 49, derde lid.

2. In het tweede lid wordt ‘heffings-’ vervangen door: belasting-.

E

Artikel 5.13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De inspecteur verleent vooruitlopend op een beschikking als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet een voorschot indien:

    • a. het bedrag van de teveel betaalde bijdrage vermoedelijk ten minste € 100 zal bedragen, en

    • b. het bijdrage-inkomen waarover inkomensafhankelijke bijdrage wordt of is ingehouden afkomstig is van verschillende inhoudingsplichtigen.

2. in het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘1 juni’ vervangen door: 1 april.

3. In het vijfde lid vervalt de tweede volzin.

4. Het zesde lid vervalt.

F

Artikel 6.3.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘De voor een persoon, bedoeld in artikel 69, van de Zorgverzekeringwet, verschuldigde bijdrage’ vervangen door: De door een persoon, bedoeld in artikel 69, van de Zorgverzekeringwet, verschuldigde bijdrage.

2. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. een inkomensafhankelijke bijdrage ter hoogte van de inkomensafhankelijke bijdrage die de persoon, bedoeld in artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet op grond van paragraaf 5.2 van die wet verschuldigd zou zijn geweest indien hij verzekeringsplichtig zou zijn geweest,.

3. Het vierde lid vervalt.

4. Het vijfde lid wordt vernummerd tot vierde lid.

5. Na het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. De bijdrage die een pensioen- of renteverstrekkend orgaan als bedoeld in artikel 69, derde lid, van de Zorgverzekeringswet verschuldigd is, is gelijk aan de inkomensafhankelijke bijdrage die dit orgaan over het loon als bedoeld in artikel 42 van die wet verschuldigd zou zijn geweest, indien degene aan wie hij het pensioen of de rente verstrekt, in Nederland zou hebben gewoond, vermenigvuldigd met het getal, bedoeld in het eerste lid.

6. In het zesde lid wordt na ‘van de in het tweede lid bedoeld grondslag’ ingevoegd: en de in het vijfde lid bedoelde bijdrage.

G

In artikel 6.3.7 wordt ‘artikel 69, derde lid’ vervangen door: artikel 69, negende lid.

H

Na artikel 6.5.3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.5.3a

Het College zorgverzekeringen stort over 2011 0%, over 2012 23% en over 2013 23% van de in de desbetreffende kalenderjaren geïnde bestuursrechtelijke premies, bedoeld in artikel 18d van de Zorgverzekeringswet, in 's Rijks kas.

ARTIKEL II

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

  • 2. Artikel I, onderdeel H, werkt terug tot en met 1 januari 2011.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers.

TOELICHTING

Algemeen

Zorgverzekeringen als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw) worden voor de helft gefinancierd uit bij en krachtens de Zvw geheven inkomensafhankelijke bijdragen en voor ongeveer de andere helft uit nominale premies, waarvan de hoogte door de zorgverzekeraars wordt vastgesteld. Tot 1 januari 2013 zijn de inkomensafhankelijke bijdragen verschuldigd door verzekeringsplichtigen. Voor zover zij uit een tegenwoordige dienstbetrekking of – tot zij 65 zijn – uit een vroegere dienstbetrekking loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet Lb 1964) van een inhoudingsplichtige genieten, is hun werkgever of uitkeringsinstantie verplicht hen de over het loon ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage te vergoeden. Over deze vergoeding dient de inhoudingsplichtige vervolgens weer loonbelasting te betalen. Ook verzekeringsplichtigen met ander loon, met winst uit onderneming, belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden of belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen, zijn over deze inkomensbestanddelen inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd. Anders dan mensen die hun loon van een inhoudingsplichtige ontvangen, krijgen zij de inkomensafhankelijke bijdrage echter niet vergoed. Daarom betalen zij een lager percentage over het voor de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage relevante inkomen dan mensen die hun loon of uitkering ontvangen van een inhoudingsplichtige.

Op 1 januari 2013 zal de Wet uniformering loonbegrip (Wul) in werking treden. Die wet maakt een einde aan de hiervoor weergegeven, ingewikkelde heffingssystematiek voor niet-pensioengerechtigden met loon of uitkering van een inhoudingsplichtige. Vanaf laatstbedoelde datum zal de inkomensafhankelijke bijdrage over dergelijk loon in de zin van de Wet Lb 1964 namelijk niet meer door de verzekeringsplichtige maar door de inhoudingsplichtige verschuldigd zijn. Daarmee vervalt voor de verzekeringsplichtige uiteraard het recht op vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage en de plicht om over de vergoeding weer loonbelasting te betalen. De inhoudingsplichtigen zullen over de door hen uitbetaalde lonen en uitkeringen het hoge bijdragepercentage verschuldigd zijn. De voor de verzekeringsplichtigen zelf bestaande plicht om over ander inkomen het lage percentage aan inkomensafhankelijke bijdrage te betalen, blijft bestaan.

De Wul beoogde, op één uitzondering na, geen wijziging aan te brengen in de inkomensbestanddelen waarover het hoge respectievelijk lage percentage aan inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. De uitzondering betreft het percentage inkomensafhankelijke bijdrage dat over uitkeringen in de zin van de Algemene Ouderdomswet (AOW) verschuldigd is. Voor 1 januari 2013 is dit het hoge percentage, vanaf die datum zal dit het lage percentage zijn. Gezien de netto-netto-koppeling van de AOW-uitkeringen, heeft dit overigens geen gevolgen voor de netto-AOW-uitkering die een pensioengerechtigde ontvangt.

Dat niet de verzekeringsplichtigen, maar degene van wie zij hun loon of uitkering ontvangen vanaf 1 januari 2013 de inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd zijn, leidt tot forse wijzigingen in hoofdstuk 5 van de Regeling zorgverzekering (Rzv). Deze worden met voorliggende wijzigingsregeling aangebracht.

Daarnaast zijn in deze wijzigingsregeling de voor 2013 geldende maxima waarover de inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is en de over het loon of het bijdrage-inkomen verschuldigde bijdragepercentages geregeld. Net als over 2012, zijn deze bedragen gelijk aan de maxima die voor de premieheffing van de werknemersverzekeringen gelden. Ten opzichte van de in dat jaar geldende bedragen, zijn ze louter geïndexeerd.

Ten slotte is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een reeds langer bestaand uitvoeringsprobleem ten aanzien van de heffing over aan pensioengerechtigden uitgekeerde bijstand op te lossen en om een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch te verwerken. Voor een toelichting hierop wordt verwezen naar de toelichtingen op de artikelen 5.1 en 5.8.

Artikelsgewijs

Vooraf

Het huidige hoofdstuk 5 van de Rzv regelt in de artikelen 5.1 en 5.2 de belangrijkste onderwerpen, te weten het maximumbijdrage-inkomen en de bijdragepercentages. De artikelen die daar op volgen (artt. 5.3 tot en met 5.13) bevatten uitzonderingen en details.

Omdat de inkomensafhankelijke bijdrage vanaf 1 januari 2013 niet meer slechts door de verzekeringsplichtige verschuldigd is, kon deze volgorde niet zonder meer worden aangehouden. Mede geldt op artikel 104, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, is besloten de inhoud van de nieuwe artikelen van hoofdstuk 5 Rzv meer aan te laten sluiten bij de volgorde van de delegatiebepalingen in de Zvw.

Artikel 5.1

Het is de bedoeling dat, net zoals dat tot 1 januari 2013 het geval was, het hoge percentage aan inkomensafhankelijke bijdrage wordt geheven over loon uit tegenwoordige dienstbetrekking en,

tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin de verzekeringsplichtige de leeftijd bereikt waarop hij recht krijgt op een AOW-uitkering, over loon uit vroegere arbeid. Dit is in het eerste gedeelte van het eerste lid geregeld. Daarbij is overigens de – tot 1 januari 2013 in de Zvw opgenomen – datum van 65 jaar gewijzigd in 'de datum waarop de verzekeringsplichtige de pensioengerechtigde datum, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, AOW, bereikt' omdat de AOW-leeftijd de komende jaren fasegewijs zal worden verhoogd.

Op laatstbedoelde einddatum dient één uitzondering te worden gemaakt. Bijstand is loon uit vroegere arbeid als bedoeld in de Wet Lb 1964, waarover de gemeente tot de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin iemand de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt, de inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. Daarbij geldt dat het recht op bijstand van de gemeente eindigt met ingang van de dag waarop een verzekeringsplichtige de AOW-leeftijd bereikt. Immers, vanaf dat moment bestaat recht op AOW-uitkering. Tot hiertoe levert de bestaande regeling geen probleem op. Echter, in of na de maand volgende op de maand waarin die leeftijd wordt bereikt, zal een eindafrekening van de bijstand volgen. Het is uitvoeringstechnisch lastig, dat niet de gemeente maar de verzekeringsplichtige de inkomensafhankelijke bijstand over het uit de eindafrekening volgende bijstandsbedrag verschuldigd is. Het is gemakkelijker ook hier de gemeente aan te wijzen als degene die de inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. Dit wordt in het tweede deel van het eerste lid geregeld. Een zelfde problematiek geldt voor de uitkeringen als bedoeld in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en daarom is daarvoor dezelfde oplossing gekozen.

Bij ministeriële regeling kunnen loonbestanddelen uit vroegere arbeid worden aangewezen die niet tot het loon behoren waarover het hoge percentage verschuldigd is. Dat is na de inwerkingtreding van de Wul geregeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel b, Zvw. Het tweede lid van artikel 5.1 somt de loonbestanddelen op waarvoor dit geldt. Het artikellid is inhoudelijk grotendeels gelijk aan artikel 5.4, onderdeel b, Rzv zoals dit tot 1 januari 2013 luidt, zij het dat de redactie van de onderdelen op een enkel punt technisch is verbeterd.

Mogelijk behoeft onderdeel e nog een extra toelichting. Over AOW-uitkeringen dient de verzekeringsplichtige zelf inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd te zijn. Aangezien op dergelijke uitkeringen ingevolge artikel 16 AOW recht bestaat vanaf het moment waarop men de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, terwijl inhoudingsplichtigen ingevolge artikel 42, eerste lid, onderdeel b, Zvw inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd zijn tot en met de maand waarin iemand die leeftijd bereikt en de bijdrageplicht van de inhoudingsplichtige ingevolge artikel 43, tweede lid, onderdeel a, Zvw, voorgaat op de bijdrageplicht van de verzekeringsplichtige, zou zonder nadere maatregelen de situatie ontstaan dat de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voor iedereen die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt gedurende maximaal een maand zelf de inkomensafhankelijke bijdrage over de AOW-uitkering verschuldigd zou zijn. Dit zou ertoe leiden dat de AOW-uitkering over deze korte periode hoger zou zijn dan daarna en zou bovendien tot extra uitvoeringskosten bij de SVB leiden. Om dit te voorkomen, worden de AOW-uitkeringen in onderdeel e uitgezonderd van het loon uit vroegere arbeid waarover de inhoudingsplichtige de inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is (op grond van artikel 43, tweede lid, onderdeel a, Zvw is vervolgens automatisch geregeld dat de verzekeringsplichtige er wel inkomensafhankelijke bijdrage over verschuldigd is).

Onderdeel f is nieuw. Iemand met recht op een onvolledig AOW-pensioen kan daarnaast aanspraak hebben op een aanvullende inkomensvoorziening ouderen van de SVB. Dit is geregeld in artikel 47a van de Wet werk en bijstand. Vanaf de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin deze persoon de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, is hij ingevolge de artikelen 42 en 43 Zvw juncto het eerste lid van dit artikel zelf inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd (lage percentage), aangezien de aanvullende inkomensvoorziening loon uit vroegere arbeid als bedoeld in de Wet Lb 1964 is. Door de aanvullende inkomensvoorziening ouderen nu aan te wijzen als loonbestanddeel waarover de inhoudingsplichtige (d.w.z. de SVB) geen inkomensafhankelijke bijdrage verplicht is, wordt bereikt dat ook de inkomensafhankelijke bijdrage over de aanvullende inkomensvoorziening ouderen die wordt verstrekt over de maand waarin iemand AOW-gerechtigd is geworden, door de pensioengerechtigde verschuldigd is (lage tarief).

Iets soortgelijks geldt voor tegemoetkomingen als bedoeld in de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (Wet MKOB). Voor de loonbelasting worden dergelijke tegemoetkomingen beschouwd als loon uit vroegere arbeid (zie artikel 11, eerste lid, onderdeel v, juncto het tweede lid van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965). Op zo'n tegemoetkoming bestaat recht vanaf de eerste dag van de maand waarin men de leeftijd heeft bereikt waarop men in aanmerking kan komen voor een ouderenkorting als bedoeld in artikel 8.17 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 en artikel 22b van de Wet op de loonbelasting 1964. Zonder nadere maatregelen zou de SVB als inhoudingsplichtige over de eerste maand waarover de tegemoetkoming wordt verstrekt (dat is dus de maand waarin betrokkene 65 werd) de inkomensafhankelijk bijdrage moeten betalen, terwijl ingevolge artikel 43 Zvw de verzekeringsplichtige de inkomensafhankelijke bijdrage over alle latere tegemoetkomingen verschuldigd zou zijn. Dit is onwenselijk, en daarom wordt door in artikel 5.1, onderdeel d, ook naar onderdeel v van artikel 11, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 te verwijzen, geregeld dat de SVB over deze eerste maand de inkomensafhankelijke bijdrage niet verschuldigd is.

Opgemerkt wordt overigens dat het feit dat de inhoudingsplichtige geen inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is over de in artikel 5.1 genoemde loonbestanddelen, hem niet vrijstelt van de inhoudings- en afdrachtplicht daarover. Ingevolge artikel 49, tweede lid, Zvw, dient hij namelijk over door hem uitbetaald loon in de zin van de Wet Lb 1964 de inkomensafhankelijke bijdrage in te houden, ook al is niet hij, maar de verzekeringsplichtige de inkomensafhankelijke bijdrage daarover verschuldigd. Wel zal het in dat geval gaan om inhouding met gebruikmaking van het lage percentage (zie art. 5.2 hierna). AOW-uitkeringen en aanvullende pensioenen vormen dergelijk loon in de zin van de Wet Lb 1964.

Artikel 5.2

Het eerste lid regelt het maximumloon of de maximumuitkering waarover een inhoudingsplichtige in 2013 inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is (€ 50.853). Dit bedrag is gelijk aan het bij en krachtens artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) voor het jaar 2013 geregelde maximum-premieloon voor de werknemersverzekeringen.

Het tweede tot en met vierde lid regelt het maximaal in aanmerking te nemen loon per loontijdvak. De inhoud van deze leden was voor 1 januari 2013 opgenomen in artikel 5.10, eerste tot en met derde lid, van de Rzv. Het voortschrijdend cumulatief rekenen dat in artikel 5.10, vierde lid, van dat artikel was opgenomen, staat vanaf 1 januari 2013 in de Zvw zelf.

Artikel 5.3

Het eerste lid van dit artikel regelt het maximum bijdrage-inkomen waarover een verzekeringsplichtige inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. Dit maximum is gelijk aan het maximum, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Rzv, waarover een inhoudingsplichtige inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is.

Indien een verzekeringsplichtige naast een bijdrage-inkomen loon of een uitkering heeft waarover zijn werkgever of uitkeringsinstantie inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is, wordt dat loon of die uitkering overigens in mindering gebracht op het bijdrage-inkomen waarover de inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. Dat zal vanaf 1 januari 2013 geregeld zijn in artikel 43, tweede lid, onderdeel a, aanhef en onder 10, Zvw.

Over loon in de zin van de Wet Lb 1964 (behalve over eindheffingsbestanddelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van die wet) verminderd met loon als bedoeld in artikel 42 Zvw, is de verzekeringsplichtige ingevolge artikel 43, eerste en tweede lid, Zvw zelf inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd. In dat geval dient echter de inhoudingsplichtige deze bijdrage in te houden op het loon en aan de Belastingdienst af te dragen (zie artikel 49, tweede lid, Zvw). De loontijdvakbedragen die voor de door de inhoudingsplichtige zelf verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage gelden, zijn in artikel 5.3, tweede lid, voor deze situatie van overeenkomstige toepassing verklaard.

Artikel 5.4

Het eerste lid stelt het percentage aan inkomenafhankelijke bijdrage dat inhoudingsplichtigen ingevolge artikel 42 Zvw over het loon van hun werknemers verschuldigd zijn, voor het jaar 2013 vast op 7,75 (verder ook 'hoge percentage' genoemd).

Het tweede lid stelt het percentage aan inkomensafhankelijke bijdrage dat verzekeringsplichtigen ingevolge artikel 43 Zvw over hun bijdrage-inkomen verschuldigd zijn, voor het jaar 2013 vast op 5,65 (verder ook 'lage percentage' genoemd). Anders dan voor 1 januari 2013, toen daarvoor het hoge percentage gold, geldt dit lage percentage ook over de AOW-uitkeringen. Daarnaast geldt het voor tegemoetkomingen op grond van de Wet mogelijkheid koopkrachttegemoetkoming oudere belastingplichtigen (Wet MKOB).

In het derde lid wordt, in navolging van artikel 5.2, tweede lid, onderdelen a en c, Rzv zoals dat voor 1 januari 2013 luidt, het percentage op nihil gesteld over inkomsten van zeelieden zolang de reder op grond van verdragsbepalingen het verzekeringsrisico voor zijn rekening heeft genomen en voor voor 1 januari 2006 ingegane alimentatie-uitkeringen, tenzij daarover ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel g, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 loonbelasting wordt geheven. Aangezien rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende alimentatie-uitkeringen ingevolge artikel 1:157 van het Burgerlijk Wetboek maximaal twaalf jaar duren, zal laatstbedoelde uitzondering overigens met ingang van 1 januari 2018, dat wil zeggen twaalf jaar na de inwerkingtreding van de Zvw, zijn uitgewerkt. Zij zal te zijner tijd worden ingetrokken.

In artikel 5.2, tweede lid, onderdeel b, Rzv, zoals dat tot 1 januari 2013 luidt, wordt voor bijdrage-inkomen waarover de inhoudingsplichtige geen vergoeding verschuldigd is, een bijdragepercentage van – voor het jaar 2012 – 5,0 geregeld. Dit wordt vanaf 2013 in artikel 5.4, tweede lid, Rzv, geregeld. Tot 1 januari 2013 geldt het lage percentage ingevolge artikel 5.2, tweede lid, onderdeel b, Rzv zoals dat tot die datum luidt echter niet voor bijdrage-inkomen in de vorm van een AOW-uitkering. Dientengevolge is tot 2013 op AOW-uitkeringen het percentage van – in 2012 – 7,1 van toepassing. Nu over de AOW-uitkering vanaf 2013 het lage percentage verschuldigd dient te zijn, keert deze uitzondering niet terug. Vanaf 1 januari 2013 geldt voor AOW-uitkeringen, die nooit uitkeringen vormen waarover de inhoudingsplichtige (de SVB) inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is1, ingevolge artikel 5.4, tweede lid, Rzv, het lage percentage.

Het vierde lid voorziet in een situatie waarin een zeevarende naast zijn werk op het zeeschip (terzake waarvan voor zijn werkgever het nultarief geldt) voor dezelfde werkgever nog werk aan de wal verricht (waarvoor het hoge percentage geldt). Indien hij met het werk op het zeeschip in 2013 € 40.000 verdient en met het werk aan de wal € 20.000, overschrijdt het totale loon het maximum bijdrageloon. In dat geval dient de werkgever echter aan eigen bijdrage het hoge percentage over de € 20.000 in plaats van over (€ 60.000 – € 50.853) = € 9.147 te betalen, omdat voor de vraag of het maximumbijdrageloon, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, bereikt is, eerst de loonbestanddelen worden betrokken waarover de (hoge) bijdrage verschuldigd is, en dan pas de loonbestanddelen waarvoor het nultarief geldt.

Het vijfde lid ziet op een zelfde soort situatie als het vierde lid, maar dan in de sfeer van de verzekeringsplichtige. Is zij bijvoorbeeld zelfstandige met € 45.000 winst uit onderneming en met een alimentatie-uitkering van € 12.000, dan is zij het lage percentage over € 45.000 verschuldigd. Uiteraard laat het vijfde lid de toepassing van artikel 43, vijfde lid, Zvw, ongemoeid. Als de hiervoor bedoelde zelfstandige derhalve ook nog een deeltijdbaan heeft waarmee ze € 10.000 heeft verdiend, dan is allereerst haar werkgever het hoge percentage verschuldigd over de € 10.000. Vervolgens leidt toepassing van artikel 43, vijfde lid, Zvw ertoe, dat de zelfstandige over maximaal € 50.853 – € 10.000 = € 40.853 zelf inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. Aangezien het vijfde lid van art. 5.4 vervolgens bepaalt dat eerst naar de inkomensbestanddelen wordt gekeken waarover inkomensafhankelijke bijdrage moet worden betaald (d.w.z. naar de winst uit onderneming van € 45.000), en dat inkomensbestanddeel in casu meer is dan het maximuminkomen waarvoor zij kan worden aangeslagen (immers € 40.853), zal zij uiteindelijk over € 40.853 het lage percentage verschuldigd zijn.

Artikel 5.5

Artikel 45, vierde lid, Zvw bevat de zogenoemde 'fuift/fifty-regel': het totaalbedrag aan inkomensafhankelijke bijdragen dient de helft te zijn van het totaalbedrag dat nodig is om het zorgverzekeringssysteem te bekostigen. Artikel 5.5 Rzv bevat de elementen waaruit dit totaalbedrag is opgebouwd. Ten opzichte van artikel 5.3 Rzv dat tot 1 januari 2013 deze opbouw bevat, zijn de eigen bijdragen toegevoegd (onderdeel b). Dit ligt in de rede nu deze de laatste jaren aan belang hebben gewonnen. Daarnaast is met de toevoeging, in onderdeel a, van de woorden 'voor alle zorgverzekeringen waarvoor premie moet worden betaald' een verduidelijking beoogd. Dit hangt samen met het volgende. De definitie van het begrip 'nominale rekenpremie' in artikel 1, onderdeel aa, van het Besluit zorgverzekering, gaat uit van de normale situatie, dat wil zeggen van een situatie waarin een zorgverzekeraar een (volwassen) verzekeringnemer de nominale premie in rekening brengt. Een verzekeringnemer met een premie-achterstand van zes of meer maanden, is echter in plaats van nominale premie aan zijn zorgverzekeraar, bestuursrechtelijke premie aan het College zorgverzekeringen (CVZ) verschuldigd (zie art. 16, tweede lid, onderdeel b, jo. art. 18d, Zvw). Hetzelfde geldt gedurende het eerste verzekeringsjaar voor iemand die door het CVZ is verzekerd omdat hij ondanks aanmaningen niet aan de verzekeringsplicht voldeed (zie art. 16, tweede lid, onderdeel b, jo. art. 18e Zvw). In zulke gevallen zal de verzekeraar bij een (volwassen) verzekeringnemer derhalve geen nominale premie in rekening brengen, wat vervolgens tot de vraag zou kunnen leiden of hun verzekeringen meetellen voor het berekenen van het in onderdeel a bedoelde bedrag. Dat is echter wel degelijk het geval. Aangezien ook voor hun verzekeringen premies moeten worden betaald – zij het bestuursrechtelijke premie – tellen hun verzekeringen mee als waren zij verzekeringen waarvoor de verzekeraar nominale premie in rekening brengt. Dat wil zeggen dat ook voor de verzekering van een wanbetaler wordt uitgegaan van de nominale rekenpremie en een opslag. De aan onderdeel a toegevoegde woorden beogen dit iets duidelijker te maken.

Voorts is aan onderdeel d de bijdrage toegevoegd die de SVB ingevolge artikel 87a Wfsv ten laste van het Ouderdomsfonds naar het Zorgverzekeringsfonds wordt overgeheveld. Deze bijdrage dient ter compensatie van het feit dat over AOW-uitkeringen vanaf 1 januari niet het hoge percentage aan inkomensafhankelijke bijdrage moet worden betaald, maar het lage.

Artikel 5.6

Het is mogelijk dat loon in de zin van artikel 42, eerste lid, of 43, eerste lid, onderdeel a, Zvw voor de inkomstenbelasting tevens winst uit onderneming is. Artikel 5.6 zorgt ervoor dat loon waarover inkomensafhankelijke bijdrage is betaald niet wederom als winst uit onderneming in de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage wordt betrokken.

Artikel 5.7

Zowel in het tweede lid van artikel 5.7 als in artikel 5.8 wordt gesproken over 'andere mogendheden'. Het eerste lid van artikel 5.7 bepaalt, in navolging van artikel 2.1 van de Regeling Wfsv, dat de landen van het Koninkrijk der Nederlanden worden aangemerkt als afzonderlijke mogendheden. Gelet op artikel 1, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden leidt dit ertoe dat Aruba, Curaçao, en Sint Maarten ten opzichte van Nederland als andere mogendheden worden beschouwd. Bonaire, Sint Eustatius en Saba, daarentegen, maken deel uit van het staatsbestel van Nederland.

Het tweede lid van artikel 5.7 is inhoudelijk vrijwel gelijk aan artikel 5.6 Rzv zoals dat tot 1 januari 2013 luidt. Voor een toelichting daarop wordt daarom verwezen naar de toelichting op het oorspronkelijke artikel 5.6, die te vinden is in de Staatscourant van 19 oktober 2005, nr. 203. Wel is het aldaar gegeven voorbeeld van toepassing van artikel 5.6, onderdeel b, verouderd. Dit komt doordat de in het voorbeeld genoemde verordening inmiddels vervangen is door Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (verder Vo. 883/2004 genoemd2), die, anders dan de verordening die zij vervangt, in situaties waarin op zich de wetgeving van twee mogendheden van toepassing zou kunnen zijn, telkens bij uitsluiting de toepasselijke wetgeving aanwijst. Zo werd op grond van artikel 14quater van de oude verordening in een situatie waarin een verzekeringsplichtige in Nederland in loondienst arbeid verrichtte en in een andere lidstaat als zelfstandige werkte, de wetgeving van beide landen aangewezen. In artikel 13, derde lid, van Vo. 883/2004 wordt echter bij uitsluiting het stelsel van het land waarin de arbeid in loondienst wordt verricht, aangewezen. Daarmee is het voorbeeld geen juist voorbeeld meer, omdat in een dergelijk geval artikel 5.6 niet van toepassing is en ook over de Belgische winst uit onderneming inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. Desondanks is de tekst van artikel 5.7, tweede lid, onderdeel b, op dit punt niet gewijzigd. Dat hangt samen met het feit dat in overgangsgevallen de situatie van het tegelijkertijd van toepassing zijn van twee wetgevingsstelsels op grond van artikel 87, achtste lid, van Vo. 883/2004, zoals uitgelegd in de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 3 mei 2012 (LJN: BW8728), nog tot uiterlijk 1 mei 2020 kan blijven gelden.

De enige wijziging van artikel 5.7, tweede lid, ten opzichte van het oude artikel 5.6 betreft de verwerking, in onderdeel b, van het feit dat er met ingang van 1 januari 2011 een verplichte zorgverzekering is gaan gelden voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba (verder de BES-eilanden genoemd). Van degenen die krachtens het Besluit zorgverzekering BES verzekerd zijn, wordt een inkomensafhankelijke premie geheven over een inkomen tot aan het in artikel 24A, zevende lid, van de Wet inkomstenbelasting BES genoemde bedrag (in 2012 bedroeg dit maximum-inkomen 27.953 US dollars). Aangezien het niet uitgesloten is dat iemand zowel verzekeringsplichtig is voor de Zvw als verzekerd is ingevolge het Besluit BES, is in het eerste subonderdeel van onderdeel b geregeld dat de inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zvw niet wordt geheven over loon dat onderworpen is aan de premieheffing als bedoeld in het Besluit zorgverzekering BES. Dit geldt overigens ook voor loon boven het maximum-inkomen waarover op grond van dat Besluit geheven zou worden indien dat maximum niet zou hebben gegolden: ook dat wordt niet in de heffing van de inkomensafhankelijke bijdrage Zvw betrokken (zie ook HR 8 juni 2012, LJN: BV1433).

Artikel 5.8

In de Rzv zoals deze tot 1 januari 2013 luidt, is voor mensen die gedurende een deel van een kalenderjaar niet verzekeringsplichtig zijn, voorzien in drie verschillende mogelijkheden om het inkomen te berekenen waarover inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is. In artikel 5.7, eerste lid, is de zogenaamde tijdsevenredige herleiding van het bijdrage-inkomen neergelegd. Het tweede lid van dat artikel bevat de 'aftrekmethode'. Beide artikelleden gelden slechts voor de bijdrageheffing bij wege van aanslag van de bijdrageplichtige die over de periode waarin hij niet verzekeringsplichtig was, wel belastingplichtig was voor de inkomstenbelasting. In 5.8 staat de derde methode, de 'tijdsevenredige herleiding van het bijdrage-maximum'. Dit artikel geldt zowel voor in te houden inkomensafhankelijke bijdrage als voor op aanslag te betalen bijdrage, en bovendien geldt het ongeacht de vraag of de verzekerde al dan niet buiten de verzekeringsplichtige periode belastingplichtig was. Indien in een situatie meerdere berekeningsmethoden mogelijk zijn, geldt de methode die voor de bijdrageplichtige tot de laagste verschuldigde bijdrage leidt. Voor een toelichting op de drie methoden wordt wederom verwezen naar Stcrt. 2005, 203.

Gelijksoortige berekeningsmethoden gelden ingevolge de Regeling Wfsv voor de premies voor de (overige) volksverzekeringen. Op 4 juni 2010 sprak het Gerechtshof te 's Hertogenbosch echter uit3 dat de wijze waarop het premie-inkomen (overige) volksverzekeringen wordt vastgesteld van niet-inwoners die niet het gehele jaar in Nederland premieplichtig zijn, onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie, omdat zij anders dan inwoners van Nederland die niet het gehele jaar premieplichtig zijn, geen beroep kunnen doen op de tijdsevenredige herleidingsmethode of de aftrekmethode. Dit komt omdat zij over de periode waarover zij niet premieplichtig zijn, ook niet belastingplichtig zijn. Voor hen blijft dientengevolge slechts de tijdsevenredige herleiding van het premie-maximum mogelijk.

De Staat heeft zich indertijd bij deze uitspraak neergelegd, hetgeen betekent dat de artikelen 5.7 en 5.8 van de Regeling Wfsv en de Rzv niet ongewijzigd gehandhaafd kunnen worden. Besloten is om de tijdsevenredige herleiding van het bijdrage-inkomen te schrappen en de aftrekmethode ook voor in het buitenland wonenden die gedurende een deel van het kalenderjaar alhier hebben gewerkt, open te stellen. Aldus zal de ongelijke behandeling van inwoners en niet-inwoners tot een eind komen, terwijl de uitvoeringspraktijk aanzienlijk eenvoudiger kan worden.

De aftrekmethode is nu neergelegd in het eerste lid van artikel 5.8, terwijl de methode van de tijdsevenredige herleiding van het bijdrage-maximum in het tweede lid staat. Omdat de aftrekmethode slechts geldt voor degenen bij wie de bijdrage op aanslag wordt geheven, kan slechts degene van wie op aanslag wordt geheven, een beroep op beide methoden doen. In dat geval wordt dan de voor hem gunstigste methode toegepast.

De wijziging van de Regeling Wfsv zal afzonderlijk plaatsvinden.

Ten slotte wordt nog opgemerkt, dat de in artikel 5.8, tweede lid, geregelde methode van de tijdsevenredige herleiding van het bijdrage-maximum slechts geldt voor de bijdrageheffing van verzekeringsplichtigen (waarbij de bijdrage door een inhoudingsplichtige op het inkomen – veelal pensioen of vut-uitkering – wordt ingehouden en afgedragen, of op aanslag wordt geheven). Voor de inkomensafhankelijke bijdrage die van de inhoudingsplichtigen zelf wordt geheven, geldt immers ingevolge artikel 5.2, tweede tot en met vierde lid, al een tijdsevenredige herleiding.

Artikel 5.9

Artikel 5.9 bevat de inhoud van artikel 5.9 Rzv zoals dat tot 1 januari 2013 luidt, met dien verstande dat het artikel niet meer geldt in geval van een tijdsevenredig heffingspercentage. De wet bevat namelijk geen mogelijkheid voor een dergelijk heffingspercentage.

B

Artikel 5.10 kan vervallen nu de inhoud van het eerste tot en met derde lid daarvan is opgenomen in artikel 5.2, tweede tot en met vierde lid, terwijl het vierde lid van dat artikel vanaf 2013 in de Zvw zelf zal zijn opgenomen (artikel 42, vijfde lid, Zvw).

C

De vervanging van het begrip 'heffingsrente' door het begrip 'belastingrente' vloeit voort uit de invoering, per 1 januari 2012, van een nieuwe renteregeling in de fiscale regelgeving. Voor een nadere toelichting zij verwezen naar de paragraaf 3.4 van de memorie van toelichting op het Belastingplan 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33003, nr. 3).

D

De eerste wijziging hangt samen met het feit dat de inhoud van artikel 49, tweede lid, Zvw ten gevolge van de inwerkingtreding van de Wul met ingang van 1 januari 2013 in het derde lid van dat artikel zal zijn opgenomen.

Voor een toelichting op de tweede wijziging wordt verwezen naar de toelichting op onderdeel C.

E

Ten gevolge van de wijzigingen die de Wul in de Zvw aanbrengt, zal de teruggaveregeling van artikel 50 van laatstgenoemde wet slechts kunnen gelden voor op het loon ingehouden, dat wil zeggen door de verzekeringsplichtige zelf verschuldigde inkomensafhankelijke bijdragen (zij het dat wordt teruggegeven indien het totaal van het loon waarover inkomensafhankelijke bijdrage is geheven, dat wil zeggen inclusief eventueel loon waarover de inhoudingsplichtige de bijdrage verschuldigd was, het maximumbijdrage-inkomen overschreed). De facto zal het vooral gaan om AOW-uitkering en aanvullende pensioenen. Artikel 5.13 bevat de regels die gelden voor het verlenen van een voorschot op de in artikel 50 Zvw bedoelde teruggaaf. Het eerste lid van artikel 5.13 Rzv bevat de voorwaarden waaronder een dergelijk voorschot kan worden verstrekt. Ten opzichte van de voorwaarden die voor 1 januari 2013 golden, zijn er twee wijzigingen. Ten eerste is uiteraard de voorwaarde dat het dient te gaan om bijdrage-inkomen waarover geen vergoedingsrecht jegens de inhoudingsplichtige bestaat (onderdeel d van artikel 5.13, eerste lid, Rzv, zoals dat voor 1 januari 2013 luidt) komen te vervallen. Na inwerkingtreding van de Wul zullen verzekeringsplichtigen immers nooit meer aanspraak hebben op een dergelijke vergoeding. Voorts is de eis dat slechts een voorschot kan worden gegeven indien het bijdrage-inkomen uitsluitend bestaat uit loon uit vroegere dienstbetrekking (onderdeel b van artikel 5.13, eerste lid, Rzv, zoals dat voor 1 januari 2013 luidt) komen te vervallen. Dit is mogelijk nu de teruggaveregeling in die zin aanzienlijk is vereenvoudigd, dat niet meer aan inhoudingsplichtigen hoeft te worden teruggegeven.

Omdat de datum van de ambtshalve bevoorschotting in de praktijk voor 1 juni maar niet voor 1 april ligt, is de dag voor welke een verzekeringsplichtige de inspecteur moet laten weten geen behoefte te hebben aan een voorschot, vervroegd tot laatstgenoemde datum.

De tweede volzin van het vijfde lid alsmede het zesde lid van artikel 5.13 Rzv vervallen, nu het aldaar geregelde na inwerkingtreding van artikel XXI van de Fiscale Verzamelwet 2012 respectievelijk artikel XXXIII van het Belastingplan 2012 in artikel 50 van de Zvw zelf geregeld zal zijn.

F

In het buitenland wonende personen met een inkomen vanuit Nederland kunnen op grond van het Europese recht of de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte recht hebben op ziektekostenvergoedingen naar het recht van hun woonland, voor rekening van Nederland. Het gaat hierbij in de praktijk vooral om mensen met recht op een Nederlands pensioen en hun gezinsleden.

Zij dienen hiervoor krachtens artikel 69 Zvw een bijdrage te betalen. In artikel 6.3.1 Rzv wordt de hoogte van de bijdrage bepaald. Deze komt voor de curatieve zorg neer op een bedrag aan inkomensafhankelijke bijdrage (artikel 6.3.1, tweede lid, onderdeel a) plus een bedrag dat overeenkomt met de geraamde gemiddelde premie die betrokkene zou hebben moeten betalen indien hij een zorgverzekering zou hebben gehad (artikel 6.3.1, tweede lid, onderdeel c), vermenigvuldigd met de zogenoemde 'woonlandfactor'.

De inkomensafhankelijke bijdrage is gelijk aan de bijdrage, zoals deze in paragraaf 5.2 van de Rzv geregeld is, en tegenover de inkomensafhankelijke bijdrage staat, ingevolge het vierde lid van artikel 6.3.1 Rzv) een vergoedingsrecht.

Nu na de inwerkingtreding van de Wul de constructie op grond waarvan slechts verzekeringsplichtigen inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd zijn met een (al dan niet gedeeltelijk) vergoedingsrecht van werkgevers en uitkeringsinstantie vervangen wordt door een systeem waarin de werkgevers en uitkeringsinstanties zèlf inkomensafhankelijke premie verschuldigd zijn (naast een eventueel daarnaast lopende bijdrageplicht van de verzekeringsplichtige over inkomstenbestanddelen waarover zijn werkgever of uitkeringsinstantie niet al inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is), dient ook artikel 6.3.1 Zvw gewijzigd te worden.

De eerste wijziging zorgt er duidelijker voor dat de regels ter zake van de hoogte van de bijdrage, zoals neergelegd in het eerste en tweede lid van artikel 6.3.1 Zvw, slechts van toepassing zijn voor de persoon, bedoeld in artikel 69 Zvw. Ze zijn derhalve niet van toepassing voor de inhoudingsplichtige die loon of uitkering aan deze persoon betaalt waarover die inhoudingsplichtige zelf inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is.

De tweede wijziging zorgt ervoor, dat de persoon, bedoeld in artikel 69 Zvw slechts die inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is, die hij zelf verschuldigd zou zijn geweest indien hij verzekeringsplichtig zou zijn geweest, vermenigvuldigd met, op grond van artikel 6.3.1, eerste lid, Rzv, de woonlandfactor.

De derde wijziging laat het in artikel 6.3.1, vierde lid, Rzv opgenomen recht op vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage vervallen.

In plaats daarvan zullen de pensioen- en renteverstrekkende organen, voor zover zij de persoon, bedoeld in artikel 69 Zvw loon uitkeren waarover zij inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd zijn, deze bijdrage moeten betalen, vermenigvuldigd met de woonlandfactor. Dit wordt geregeld in een nieuw vijfde lid (vijfde wijziging). Opgemerkt wordt overigens, dat dergelijke organen waarschijnlijk niet zo heel vaak zelf inkomensafhankelijke bijdrage over het pensioen of de rente verschuldigd zullen zijn. Immers, het zal doorgaans gaan om loon uit vroegere arbeid aan 65-plussers. Daarover is de verzekeringsplichtige ingevolge artikel 43 Zvw en de persoon, bedoeld in artikel 69 Zvw ingevolge artikel 6.3.1, eerste en tweede lid, Rzv zèlf bijdrageplichtig, zij het dat het orgaan dat het pensioen uitkeert, de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage wèl op het pensioen zal inhouden.

G

Deze wijziging voort vloeit uit het feit dat de inhoud van artikel 69, derde lid, Zvw na de inwerkingtreding van de Wul in het negende lid van dat artikel zal zijn opgenomen.

H

Een deel van de van wanbetalers geïnde bestuursrechtelijke premies dient te worden gebruikt voor de financiering van de inningskosten. Aangezien de inningskosten voor rekening van 's Rijks kas komen, terwijl zonder nadere maatregelen de geïnde bestuursrechtelijke premies in het Zorgverzekeringsfonds terecht zouden komen, is door middel van een wijziging van artikel 18g, vierde lid, Zvw met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011 geregeld, dat bij ministeriële regeling wordt bepaald welk deel van de geïnde premies (ter financiering van bovenbedoelde kosten) door het CVZ in 's Rijks kas worden gestort4. De rest komt dan alsnog toe aan het Zorgverzekeringfonds (zie art. 39, tweede lid, onderdeel g, Zvw). Omdat de wijziging van artikel 18g langzamer tot stand kwam dan oorspronkelijk werd gedacht, is voor het jaar 2011 uiteindelijk gekozen voor een andere oplossing dan het gebruiken van de mogelijkheid van artikel 18g. Omdat desondanks de wetswijziging terugwerkt tot en met 20115, moet toch voor het jaar 2011 een gedeelte van de geïnde bestuursrechtelijke premies worden aangewezen dat in 's Rijks kas wordt gestort. Dit gedeelte is daarom op 0% gesteld. Voor de jaren 2012 en 2013 wordt het gedeelte telkens gesteld op 30/130, dat wil zeggen op 23%, van de bestuursrechtelijke premies die in de respectievelijke kalenderjaren daadwerkelijk zijn binnengekomen.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, E.I. Schippers.


X Noot
1

Immers, de AOW-uitkering is, in termen van de Wet Lb 1964, loon uit vroegere dienstbetrekking. Artikel 42, eerste lid, onderdeel b, Zvw, zorgt er vanaf 2013 voor dat AOW-uitkeringen verstrekt vanaf de maand volgende op de maand waarin de gerechtigde de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, buiten het loon valt waarover een inhoudingsplichtige inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd is, en artikel 5.1, aanhef en onderdeel e, Rzv doet hetzelfde voor de AOW-uitkering waar men in de maand dat men AOW-gerechtigd wordt, recht op heeft.

X Noot
2

Pb EU 2004, L 166, gerectificeerde versie te vinden in Pb EU 2004, 200; sindsdien gewijzigd, zie Pb EU 2009, L 284, Pb EU 2010, L 338 en Pb EU 2012, 149.

X Noot
3

LJN: BN5566.

X Noot
4

Zie artikel IIA, onderdeel C, van de Wet van 2 februari 2012, houdende wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en de Wet toelating zorginstellingen in verband met het regelen van de voorwaarden voor aanspraken op langdurige zorg buiten Nederland en de financiering van deze aanspraken (Wet AWBZ-zorg buitenland), Stb. 2012, 77.

X Noot
5

Zie artikel IV van de in de vorige noot genoemde wet.