Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2012, 25331Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241281, houdende vaststelling beleidsregels voor de sturing van en het toezicht op de Dienst Wegverkeer (Beleidsregels sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer)

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

BESLUIT:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze regels wordt verstaan onder:

de dienst:

de Dienst Wegverkeer;

de Kaderwet:

de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen;

de wet:

de Wegenverkeerswet 1994.

§ 2. Directie van de dienst

Artikel 2 Goedkeuring bestuursreglement

Bij de goedkeuring van het bestuursreglement op grond van artikel 11 Kaderwet io. artikel 4n van de wet bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen:

  • a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van de directie;

  • b. nadere bepaling van de bevoegdheden binnen de directie;

  • c. de schriftelijke goedkeuring van diverse besluiten door de raad van toezicht;

  • d. de besluitvorming in en buiten de vergadering;

  • e. de notulen van de vergadering;

  • f. het hebben en melden van nevenfuncties aan de raad van toezicht;

  • g. de handelwijze in geval van tegenstrijdige belangen van een lid van de directie.

Artikel 3 Procedure benoeming nieuwe leden directie

  • 1. Bij de benoeming van een nieuw lid van de directie worden de volgende processtappen gevolgd:

    • a. de minister verzoekt de raad van toezicht een deskundigheidsprofiel op te stellen voor het nieuwe directielid;

    • b. na goedkeuring van het deskundigheidsprofiel door de minister, al dan niet in aangepaste vorm, verzoekt de minister de raad van toezicht potentiële kandidaten te selecteren en een niet-bindende concept-voordracht van minimaal één kandidaat voor de invulling van de vacature te doen;

    • c. na het akkoord van de minister op de concept-voordracht worden door de secretaris-generaal gesprekken met de kandida(a)t(en) gevoerd, waarin verwachtingen van de minister ten aanzien van de organisatie worden geschetst. Het gaat om voorziene ontwikkelingen in beleid en de verwachte bijdrage van de betreffende organisatie hieraan alsmede de bijdrage van het specifiek te benoemen lid. Evenzo kan hierin worden stilgestaan bij de onderlinge werkwijze en relatie;

    • d. de secretaris-generaal stelt de raad van toezicht op de hoogte van zijn bevindingen en verzoekt de raad van toezicht een met de bevindingen van de secretaris-generaal rekening houdende, niet-bindende voordracht voor een nieuw lid van de directie te doen;

    • e. de minister besluit tot benoeming of gemotiveerd tot afwijzing van de kandidaat;

    • f. in de brief waarmee het benoemingsbesluit wordt toegezonden aan de betrokkene worden onder verwijzing naar het gesprek met de secretaris-generaal de verwachtingen van de minister ten aanzien van de organisatie geschetst.

  • 2. Indien de minister besluit tot afwijzing van de kandidaat, wordt de procedure herhaald.

Artikel 4 Procedure herbenoeming leden directie

  • 1. Bij de herbenoeming van een lid van de directie worden de volgende processtappen gevolgd:

    • a. de minister voert overleg met de raad van toezicht over de herbenoeming van een lid van de directie;

    • b. de raad van toezicht doet een niet bindende voordracht voor de herbenoeming van het betreffende lid van de directie;

    • c. de minister besluit tot herbenoeming van het betreffende lid van de directie of gemotiveerd tot afwijzing.

  • 2. Indien uit het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde overleg blijkt dat er bij de betrokkenen onvoldoende draagvlak bestaat voor de herbenoeming, of de minister besluit tot afwijzing, wordt de procedure van artikel 3 gevolgd.

Artikel 5 Schorsing en ontslag van de directie

Voorafgaand aan schorsing of ontslag van de leden van de directie informeert de minister de raad van toezicht over zijn voornemen.

Artikel 6 Bezoldiging directie

Ten behoeve van het vaststellen van de bezoldiging van de directie conform artikel 14, tweede lid, van de Kaderwet verzoekt de minister de raad van toezicht om een voorstel voor de bezoldiging van de directie op te stellen, rekening houdend met de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector. De raad van toezicht kan binnen een door de minister vastgestelde marge jaarlijks een variabele component toekennen aan de directie, afhankelijk van de prestaties en de realisatie van vooraf tussen de raad van toezicht en de directie overeengekomen doelen. Die marge blijft binnen de grenzen die de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector stelt.

§ 3. Raad van toezicht van de dienst

Artikel 7 Reglement van de raad van toezicht

Bij de goedkeuring van het reglement van de raad van toezicht op grond van artikel 4l, zevende lid, van de wet bekijkt de minister in ieder geval of ten aanzien van de hierna volgende onderwerpen bepalingen zijn opgenomen:

  • a. een nadere omschrijving van de taken van de leden van de raad van toezicht;

  • b. een nadere bepaling van de bevoegdheden van en binnen de raad van toezicht;

  • c. de besluitvorming in en buiten de vergadering;

  • d. de notulen van de vergadering;

  • e. de handelwijze in geval van tegenstrijdige belangen van een lid van de raad van toezicht;

  • f. de instelling en werkwijze van commissies zoals een auditcommissie.

Artikel 8 Benoeming nieuwe leden raad van toezicht

  • 1. Bij de benoeming van een nieuw lid van de raad van toezicht worden de volgende processtappen gevolgd:

    • a. de minister verzoekt de raad van toezicht een deskundigheidsprofiel op te stellen voor het nieuwe lid van de raad van toezicht;

    • b. na goedkeuring van het deskundigheidsprofiel door de minister, al dan niet in aangepaste vorm, verzoekt de minister de raad van toezicht potentiële kandidaten te selecteren en een niet-bindende concept-voordracht van minimaal één kandidaat voor de invulling van de vacature te doen;

    • c. na het akkoord van de minister op de concept-voordracht voert de secretaris-generaal gesprekken met de kandida(a)t(en) waarin de verwachtingen van de minister ten aanzien van de organisatie worden geschetst. Het gaat dan om voorziene ontwikkelingen in beleid en de verwachte bijdrage van de betreffende organisatie hieraan alsmede de bijdrage van het specifiek te benoemen lid. Evenzo kan hierin worden stilgestaan bij de onderlinge werkwijze en relatie;

    • d. de secretaris-generaal stelt de raad van toezicht op de hoogte van zijn bevindingen en verzoekt de raad van toezicht een met de bevindingen van de secretaris-generaal rekening houdende, niet-bindende voordracht voor een nieuw lid van de raad van toezicht te doen;

    • e. de minister besluit tot benoeming of gemotiveerd tot afwijzing van de kandidaat;

    • f. in de brief waarmee het benoemingsbesluit wordt toegezonden aan de betrokkene worden nogmaals de verwachtingen van het ministerie ten aanzien van de organisatie geschetst en verwezen naar het gesprek.

  • 2. Indien de minister besluit tot afwijzing van de kandidaat, wordt de procedure herhaald.

Artikel 9 Procedure herbenoeming leden raad van toezicht

  • 1. Bij de herbenoeming van een lid van de raad van toezicht worden de volgende processtappen gevolgd:

    • a. de minister voert overleg met de raad van toezicht over de herbenoeming van een lid van de raad van toezicht;

    • b. de raad van toezicht doet een niet bindende voordracht voor de herbenoeming van het betreffende lid van de raad van toezicht;

    • c. de minister besluit tot herbenoeming van het betreffende lid van de raad van toezicht of gemotiveerd tot afwijzing.

  • 2. Indien uit het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde overleg blijkt dat er bij de betrokkenen onvoldoende draagvlak bestaat voor de herbenoeming, of de minister besluit tot afwijzing, wordt de procedure van artikel 8 gevolgd.

§ 4. Financieel toezicht

Artikel 10 Tarieven voor taken of taakclusters op grond van de artikelen 4b, eerste lid, en tweede lid, onderdeel a, en 4q, van de wet, alsmede tarieven voor andere op basis van artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, van de wet opgedragen taken, voor zover deze taken mede een andere basis hebben in of krachtens de wet

  • 1. De kostprijzen die ten grondslag liggen aan de tarieven conform het artikel 4b, eerste lid, en tweede lid, onderdeel a, en 4q, van de wet, alsmede aan de tarieven voor andere opgedragen taken op basis van artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, van de wet voor zover deze taken mede een andere basis hebben in of krachtens de wet, worden op basis van bedrijfseconomisch aanvaardbare verdeelsleutels bepaald.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde tarieven kunnen bestaan uit de volgende componenten:

    • a. kosten van de taak of het cluster van taken onder beschouwing;

    • b. structurele overdekking ter dekking van kosten die niet of niet geheel worden getarifeerd;

    • c. over- of onderdekking teneinde de vermogenspositie te wijzigen.

Artikel 11 Prijzen voor andere, op basis van artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, van de wet opgedragen taken, voor zover deze taken niet mede een andere basis hebben in of krachtens de wet

  • 1. Bij andere, op basis van artikel 4b, tweede lid, onderdeel b, van de wet door de minister opgedragen taken, voor zover deze taken niet mede een andere basis hebben in of krachtens de wet, geeft de minister bij het opdragen van die taken aan dat er prijzen voor die taken in rekening worden gebracht en aan welke eisen deze prijzen moeten voldoen.

  • 2. Indien voor deze prijzen een wettelijke basis noodzakelijk is, zorgt de minister hiervoor.

Artikel 12 Inhoud tarievenvoorstel

  • 1. De minister besteedt bij de beoordeling van het voorstel voor de tarieven en tariefwijzigingen van de dienst ten behoeve van de goedkeuring op grond van artikel 17 van de Kaderwet in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten:

    • a. de voorgestelde tarieven per taak dan wel per cluster van taken, alsmede de wettelijke basis voor en de rechtmatigheid van die tarieven;

    • b. de voorgestelde wijzigingen in het tarievenbeleid;

    • c. de invloed van en consequenties voor de vermogenspositie op basis van het jaarverslag van het voorafgaande jaar, de geprognosticeerde realisatie van het lopende jaar en de begroting van het komende jaar;

    • d. de mate van kostendekkendheid en de kostenontwikkeling per taak dan wel per cluster van taken;

    • e. de invloed van efficiëntie-ontwikkelingen;

    • f. de invloed van loon- en prijsontwikkelingen;

    • g. de in artikel 10, tweede lid, genoemde componenten van dit tarief;

    • h. de reactie van de gebruikers, zoals weergegeven door de dienst;

    • i. departementsoverstijgende aangelegenheden;

    • j. maatschappelijke belangen;

    • k. ontwikkeling van de doelmatigheid;

    • l. kostendekkendheid per taakcluster;

    • m. vooruitzicht voor volgende jaren;

    • n. consistentie tussen de tarieven;

    • o. de wijze waarop de tarieven zich verhouden tot de tarieven van het jaar ervoor.

  • 2. Om de minister in staat te stellen de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, uit te voeren, voegt de dienst bij het in het eerste lid bedoelde voorstel een toelichting die aansluit op de artikelen 10 en 11 en ingaat op de consequenties van het streven naar kostendekkendheid per taak of taakcluster.

  • 3. Om de minister in staat te stellen de rechtmatigheid van de tarieven als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, te beoordelen, vermeldt de dienst bij het in het eerste lid bedoelde voorstel bij ieder tarief de wettelijke grondslag.

  • 4. De dienst informeert de minister bij voorgestelde tariefwijzigingen en tarieven voor nieuwe taken of clusters van taken inzake de mogelijk aan het voorstel gekoppelde gevoeligheden.

Artikel 13 Begroting

  • 1. Ten behoeve van de goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de begroting conform artikel 29 van de Kaderwet beoordeelt de minister de begroting, zoals die door de dienst aan de minister is aangeboden na instemming van de raad van toezicht, en besteedt hij daarbij in ieder geval aandacht aan de onderdelen a tot en met f in het tweede lid.

  • 2. De begroting bevat de navolgende elementen, waarbij ter vergelijking bij de onderdelen a, b en c tevens de gerealiseerde gegevens van het laatst afgesloten boekjaar, het lopende jaar, het komende begrotingsjaar en de vier volgende jaren worden vermeld:

    • a. de begroting conform artikel 27 van de Kaderwet, aangevuld met de kosten en opbrengsten, zowel met betrekking tot de gehele exploitatie als onderscheiden per taakcluster;

    • b. de begrote gecomprimeerde balans per ultimo van het begrotingsjaar;

    • c. de wijze van financiering;

    • d. een overzicht en bedrijfseconomische onderbouwing van investeringen van zwaarwegend belang;

    • e. de belangrijkste risico’s voor de continuïteit en de kwaliteit van de taakuitvoering van de dienst, de wijze waarop deze risico’s zijn afgedekt alsmede de financiële consequenties daarvan;

    • f. een toelichting op de onderdelen a tot en met e.

Artikel 14 Financieel meerjarenbeleidsplan

  • 1. Ten behoeve van de goedkeuring van het financieel meerjarenbeleidsplan beoordeelt de minister het plan, zoals dat door de dienst aan de minister is aangeboden na instemming van de raad van toezicht, en besteedt hij daarbij in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten:

    • a. volledigheid van de elementen genoemd in artikel 5, tweede lid, van de Regeling sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer;

    • b. mate van op-/afbouw reserves;

    • c. kostendekkendheid per taakcluster;

    • d. (maximale) omvang van de voorzieningen;

    • e. investeringen van zwaarwegend belang;

    • f. het maatschappelijk draagvlak voor tariefstijgingen, zowel bij de burger als bij de branche;

    • g. de wettelijke basis voor de tarieven en de onderbouwing van die tarieven;

    • h. ontwikkelingen in de kwaliteit van de dienstverlening in relatie tot de ontwikkelingen in de bedrijfsvoering en de voorgestelde tarieven.

  • 2. Indien de beoordeling door de minister daartoe aanleiding geeft, overlegt de minister met de dienst en past de dienst het financieel meerjarenbeleidsplan aan.

§ 5. Taakuitoefening

Artikel 15 Risicoprofiel en kernprestatie-indicatoren

  • 1. De minister stelt een risicoprofiel op mede op basis van de risicoanalyse van de dienst om risicogestuurd toezicht te kunnen houden. Het risicoprofiel wordt besproken met de dienst.

  • 2. De minister maakt gebruik van kernprestatie-indicatoren. De kernprestatie-indicatoren komen tot stand in afstemming tussen dienst en minister mede op basis van het in het voorgaande lid genoemde risicoprofiel.

Artikel 16 Oordeelsvorming

De minister vormt zich een oordeel over de kwaliteit van de taakuitoefening van de dienst. Daarbij baseert hij zich onder meer op:

  • a. de bevindingen voortvloeiend uit de in artikel 19, tweede lid, van de Kaderwet bedoelde voorzieningen;

  • b. de regelmatig door de dienst gehouden klant- en medewerkerstevredenheidsonderzoeken;

  • c. de kernprestatie-indicatoren zoals bedoeld in artikel 15.

§ 6. Opdracht tot en inkadering van taken en activiteiten

Artikel 17 Instemmingstoets minister

  • 1. Bij het toetsen van voorstellen tot taakopdrachten van een ander bestuursorgaan en voornemens van de dienst tot het verrichten van markt- en nevenactiviteiten als bedoeld in artikel 18 van de Regeling sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer, besteedt de minister in ieder geval aandacht aan de volgende aspecten:

    • a. de taken en markt- en nevenactiviteiten zijn verenigbaar met de reeds aan de dienst opgedragen taken en niet in strijd met overige wet- en regelgeving of rijksbeleid;

    • b. er is voorzien in een kostendekkende financiering van de taken en markt- en nevenactiviteiten door de opdrachtgever of gebruikers.

  • 2. Met het oog op de in het eerste lid bedoelde toetsing legt de dienst aan de minister een uitwerking en onderbouwing voor van het voorstel voor een nieuwe taak of voornemen tot een nieuwe marktactiviteit.

  • 3. Voor zover het markactiviteiten betreft die niet voortvloeien uit een verzoek van een andere voorgenomen opdrachtgever onderzoekt de minister, in overleg met de dienst, de markteffecten met het oog op het voorkomen van verstoringen van marktverhoudingen.

  • 4. Voor zover het markactiviteiten betreft die voortvloeien uit een verzoek van een andere voorgenomen opdrachtgever dan de minister onderzoekt die opdrachtgever, in overleg met de minister en met de dienst, de markteffecten met het oog op het voorkomen van verstoringen van marktverhoudingen.

  • 5. De minister toetst tevens of het systeem van doorberekening van kosten van markt- en nevenactiviteiten aan afnemers voldoet aan de eisen van het Besluit markt en overheid.

  • 6. De minister integreert zijn beslissing over instemming met voorstellen en voornemens zoals bedoeld in het eerste en tweede lid in zijn beslissing over goedkeuring van de begroting, tarieven en financieel meerjarenbeleidsplan, indien die hem zijn voorgelegd in het voorstel voor de begroting, tarieven incl. het meerjarenbeleidsplan. In andere gevallen wordt een afzonderlijke instemmingsprocedure doorlopen.

§ 7. Overige onderwerpen

Artikel 18 Evaluatie conform artikel 39 van de Kaderwet

  • 1. De minister voert de evaluatie zoals bedoeld in artikel 39 van de Kaderwet uit conform de op het moment van evaluatie geldende evaluatierichtlijnen van de minister van Financiën.

  • 2. De minister stelt de dienst in kennis van het verslag alvorens de minister het verslag aan de Staten-Generaal zendt, met het verzoek hierop te reageren binnen de bij het verzoek door de minister gestelde termijn.

  • 3. De minister reageert op de visie van de dienst ten aanzien van het verslag en geeft daarbij in ieder geval aan in hoeverre de visie van de dienst is betrokken bij de finale besluitvorming.

Artikel 19 Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer.

Artikel 20 Inwerkingtreding

Deze regels treden in werking met ingang van 1 januari 2013.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.

TOELICHTING

Algemeen

De onderhavige Beleidsregels zijn samen met de Regeling sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer (regeling) het sluitstuk van de implementatie van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Kaderwet) voor de onder de minister van Infrastructuur en Milieu (IenM) ressorterende zelfstandige bestuursorganen (zbo’s).

Met de onderhavige Beleidsregels geef ik aan hoe ik de bevoegdheden uitoefen die de Kaderwet en de instellingswetgeving voor de Dienst Wegverkeer (RDW) mij geven.

De voor de RDW geldende wet- en regelgeving heeft een gelaagde structuur: de Kaderwet, de in instellingswetgeving (opgenomen in hoofdstuk IA van de Wegenverkeerswet 1994, verder te noemen: de wet), de regeling en de onderhavige Beleidsregels. In deze toelichting wordt een overzicht gegeven van de hele governancestructuur van de RDW, ook daar waar in de onderhavige Beleidsregels geen regels gesteld worden aangezien deze al in de Kaderwet dan wel de wet of de regeling worden getroffen. Zodoende biedt deze toelichting een integraal overzicht van de relevante aspecten voor het opdrachtgeverschap en het toezicht op de RDW.

In het algemene gedeelte van deze toelichting wordt ingegaan op zaken van algemene aard voortvloeiend uit de Kaderwet, de wet en de regeling die voor het integrale beeld nodig zijn, ook als de Beleidsregels geen artikelen bevatten. In de artikelsgewijze toelichting worden de bepalingen uit de onderhavige regels toegelicht.

De onderhavige regels hebben geen consequenties voor burgers of het bedrijfsleven.

1. Directie van de dienst

De RDW heeft een directie (artikel 4d van de wet). De directie is belast met de dagelijkse leiding van de dienst (artikel 4f van de wet) en vertegenwoordigt de dienst in en buiten rechte (artikel 4g van de wet). Verder heeft de directie alle bevoegdheden die niet bij of krachtens de wet aan de raad van toezicht zijn opgedragen (artikel 4f, tweede lid, van de wet). Jegens de minister is de directie het formele aanspreekpunt voor de realisatie van de doelstellingen van de organisatie en strategie. De directie informeert de raad van toezicht en legt aan dit orgaan verantwoording af over het gevoerde beleid.

Conform artikel 12 van de Kaderwet benoemt de minister de directie van de RDW en kan hij de directie schorsen en ontslaan.

2. Raad van toezicht van de dienst

Ten aanzien van de raad van toezicht wordt verwezen naar de toelichting op de artikelen 7, 8 en 9 van de regeling.

Op de vaststelling van het bezoldigingsbeleid voor de raad van toezicht is de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector van toepassing. Het wetsvoorstel voor deze wet is op 13 november 2012 met algemene stemmen aangenomen in de Eerste Kamer (Kamerstukken 2011–12, 32600). Het zal naar verwachting met ingang van 1 januari 2013 in werking treden. Indien de inwerkingtreding vertraagt, zal vooruitlopend daarop het regime van het wetsvoorstel worden gehanteerd. Het Besluit tot vaststelling van de vergoeding aan de leden van de raad van toezicht RDW wordt dienovereenkomstig aangepast.

3. Taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden minister

Het ‘opdragen’ van taken door middel van wetgeving aan een zbo heeft gevolgen voor het primaat van de politiek. De wettelijke taken van de RDW worden niet onder volledige, maar onder beperkte verantwoordelijkheid van de minister uitgevoerd. Een zbo kent een gesloten huishouding. De RDW is zelf verantwoordelijk voor de taakuitvoering, zij het binnen door de wet gestelde grenzen aan de taakopdracht. De minister is politiek aanspreekbaar, maar kan niet sturen in afzonderlijke gevallen. De minister is wel politiek aanspreekbaar. De minister is ervoor verantwoordelijk dàt de taken van de RDW worden uitgevoerd en dat ze goed worden uitgevoerd. De minister draagt verantwoordelijkheid voor het functioneren van de RDW en de publieke taakuitoefening door de RDW op het zogeheten systeemniveau.

Op basis van het politiek primaat bepaalt de minister het taakdomein, de mate van zelfstandigheid en de evenwichtigheid van het takenpakket, met het oog op de borging van het publieke belang, onder meer in termen van continuïteit en kwaliteit. De minister bewaakt de algemene kaders voor het verzelfstandigingsbeleid, stelt criteria voor markt- en nevenactiviteiten op de markt en stelt doelen zoals in het kader van de compacte overheid. De minister zorgt ervoor dat er voldoende goed ingerichte checks and balances zijn. De minister is niet gehouden om elk aspect van de publieke taakvervulling of elke individuele beslissing zelfstandig te controleren op kwaliteit en kwantiteit. Daarmee zou afbreuk worden gedaan aan de zelfstandigheid van de RDW. De minister is er tevens voor verantwoordelijk dat het ministeriële toezicht voldoet aan de daaraan gestelde eisen van onafhankelijkheid, herkenbaarheid en functiescheiding. Deze eisen zien op de organisatie, de inrichting en positionering van het toezicht.

a. Verantwoordelijkheden minister

Samenvattend ben ik ten aanzien van de RDW belast met de volgende verantwoordelijkheden:

  • het vaststellen van adequaat en uitvoerbaar beleid;

  • het houden van toezicht op het functioneren van de RDW en het treffen van voorzieningen als het zelfstandig functioneren tekort schiet;

  • het tijdig informeren van de RDW over voorgenomen beleidswijzigingen en regelgeving.

b. Bevoegdheden minister

De zelfstandigheid van het bestuursorgaan laat de (politieke) eindverantwoordelijkheid van de minister voor de vervulling van de publieke taak en de aanwending van de publiek verkregen gelden onverlet. Ik leg hierover ook verantwoording af aan het parlement. Dit heeft tot gevolg dat de onafhankelijkheid van de RDW niet onbeperkt is. Ik moet vast kunnen stellen of er sprake is van een doeltreffende, in de betekenis van effectieve en efficiënte, taakuitoefening. Daartoe heb ik verschillende bevoegdheden tot mijn beschikking. Voor een deel hebben deze bevoegdheden betrekking op de wijze waarop de RDW de taken vervult. Een ander deel van de bevoegdheden richt zich op het zo goed, efficiënt en verantwoord mogelijk laten besturen van de RDW (governance).

Op grond van de Kaderwet en de instellingswetgeving heb ik een groot aantal bevoegdheden. Deze zijn hieronder opgesomd.

  • i. Bevoegdheden ten aanzien van de directie van de RDW

    • het benoemen, schorsen en ontslaan van leden van de directie (artikel 12 van de Kaderwet);

    • het vaststellen van de bezoldiging van de directie (artikel 14 van de Kaderwet);

    • het goedkeuren van het bestuursreglement (artikel 11 van de Kaderwet).

  • ii. Bevoegdheden ten aanzien van de raad van toezicht van de RDW

    • het benoemen, schorsen en ontslaan van leden van de raad van toezicht (artikel 4j, tweede lid, van de wet);

    • het toekennen van een vergoeding aan de leden van de raad van toezicht (artikel 4m, tweede en derde lid, van de wet);

    • het goedkeuren van het reglement van de raad van toezicht (artikel 4l, zevende lid, van de wet).

  • iii. Goedkeurings- en instemmingsbevoegdheden

    • het goedkeuren van de tarieven (artikel 17 van de Kaderwet);

    • het goedkeuren van het financieel meerjarenbeleidsplan (FMB) (artikel 4l, vijfde lid, van de wet);

    • het goedkeuren van het besluit tot vaststelling van de begroting (artikel 29 van de Kaderwet);

    • het goedkeuren van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening (artikel 34 van de Kaderwet);

    • instemmingsbevoegdheden (artikel 4l, derde lid, van de wet);

    • het goedkeuren van overeenkomsten van zwaarwegend belang (artikel 4l, vijfde lid, van de wet).

  • iv. Taakuitoefening

    • het treffen van voorzieningen bij ernstige taakverwaarlozing (artikel 23 van de Kaderwet);

    • de uitbreiding van het takenpakket;

    • het beoordelen van de kwaliteit van de taakuitoefening;

    • het stellen van Beleidsregels met betrekking tot de taakuitoefening (artikel 21 van de Kaderwet);

    • in zeer bijzondere gevallen het vernietigen van besluiten (artikel 22 van de Kaderwet);

    • het uitvoeren van een vijfjaarlijkse evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het functioneren van de RDW (artikel 39 van de Kaderwet).

  • v. Informatie

    • het opvragen van inlichtingen die de minister nodig heeft voor zijn taakuitoefening (artikel 20 van de Kaderwet);

    • het verstrekken van informatie aan de RDW die de RDW nodig heeft voor zijn taakuitoefening artikel 4n, tweede lid, van de wet;

    • het vaststellen van aandachtspunten voor de accountantscontrole (artikel 4t, tweede lid, van de wet);

    • het onderhouden van contact met andere opdrachtgevers van de RDW.

4. Financieel toezicht

De RDW levert een aantal financiële documenten op: het FMB, de begroting, een tarievenvoorstel, de jaarrekening en het jaarverslag. Deze hangen als volgt met elkaar samen. Als onderdeel van het FMB stelt de RDW jaarlijks een begroting op. De begroting vormt de onderbouwing voor het tarievenvoorstel. Als het FMB wordt goedgekeurd, worden ook activiteiten en investeringen goedgekeurd. Ten slotte volgen jaarrekening en jaarverslag waarin verantwoording ten aanzien van eventuele overschotten of tekorten afgelegd wordt.

Egalisatiereserve

De RDW heeft conform artikel 33 van de Kaderwet een egalisatiereserve. Een verplichte reserve is voor alle publiekrechtelijke zelfstandige bestuursorganen, niet behorend tot de Staat, steeds noodzakelijk. Deze betreft het exploitatiesaldo, dat aan het einde van een begrotingsjaar aan de egalisatiereserve moet worden toegevoegd dan wel onttrokken. Door de vorming van de egalisatiereserve kan het saldo van het eerdere jaar ‘meegenomen’ worden naar de toekomst. Voor volgende begrotingen dient de egalisatiereserve als dekkingsmiddel (of als tekort uit het verleden) en speelt zij mede een rol bij de vaststelling van de rijksbijdrage casu quo de tarieven in het volgende jaar. Door de egalisatiereserve kunnen incidentele mee- of tegenvallers en bijvoorbeeld ook niet ieder jaar voorkomende uitgaven worden ‘uitgesmeerd’ over meer begrotingsjaren, waardoor de jaarlijkse rijksbijdrage of de door het zelfstandig bestuursorgaan aan justitiabelen in rekening te brengen tarieven minder of zelfs in het geheel niet zullen behoeven te variëren in de loop van de jaren. De egalisatiereserve zal altijd in de jaarrekening zichtbaar (moeten) worden gemaakt.

Jaarrekening

De jaarrekening wordt bij de minister ingediend, voorzien van instemming van de raad van toezicht en een accountantsverklaring, waarin de accountant ingaat op de getrouwheid van de uitgaven, de rechtmatige inning en besteding van de middelen door de RDW en de vraag of het beheer en de organisatie van de RDW voldoen aan eisen van doelmatigheid. De verklaring inzake de getrouwheid kan worden opgenomen in het jaarverslag, de verklaringen inzake rechtmatigheid en doelmatigheid zullen in de regel separaat aan de minister worden aangeleverd. De jaarrekening is nimmer in strijd met het recht of het algemeen belang en de cijfers zijn in lijn met de eerder ontvangen opgave van aanmerkelijke verschillen of er is rekening gehouden met wat hierover eerder met het ministerie is afgesproken.

Zoals in de artikelsgewijze toelichting op de tarieven is beschreven, maakt de RDW gebruik van een kostprijscalculatiemodel om de toerekening van alle kosten transparant te maken. De accountant controleert of de kostprijs van de taakclusters van de RDW berekend zijn op basis van het vastgestelde kostprijscalculatiemodel.

Het proces van goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening verloopt als volgt:

Nr.

Periode

Onderwerp/actie

01

15 maart

De RDW zendt het jaarverslag en de jaarrekening na instemming van de raad van toezicht vóór 15 maart van het jaar dat volgt op het boekjaar naar de minister.

02

Maart en april

Beoordeling van de jaarrekening met bijbehorende accountantsverklaring door de minister. Bij de beoordeling van de jaarrekening van de RDW zal de minister onder meer afgaan op de voorafgaande toetsing door de raad van toezicht. De minister besluit na overleg met de RDW tot al dan niet goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening en stelt de RDW hiervan schriftelijk op de hoogte.

03

Mei

De RDW maakt de jaarrekening openbaar door deze op zijn website te plaatsen.

Jaarkalender

De figuur op de volgende pagina geeft de jaarkalender van de verschillende financiële documenten weer. De figuur heeft betrekking op één cyclus. Die begint in januari in het jaar voorafgaand aan het betreffende jaar met gesprekken over de begroting en eindigt ruim anderhalf jaar later met de verzending van het jaarverslag en de jaarrekening naar beide Kamers der Staten-Generaal.

5. Opdracht tot en inkadering van taken en activiteiten

De minister is eerstverantwoordelijke voor de wetgeving waarbij de RDW is ingesteld en de publieke (hoofd) taken zijn opgedragen. De RDW heeft een gesloten huishouding. Artikel 17 geeft aan welke Beleidsregels ik hanteer om mijn primaire verantwoordelijkheid voor de bepaling van het taakdomein en de regulering van de taak van de RDW waar te maken. Het gaat om Beleidsregels bij de toepassing van de in de Kaderwet toegekende bevoegdheden en opgelegde verplichtingen uit de artikelen 3, 4, 8, 17, 20, 21, 22 en 29. Als voorbeelden kunnen worden genoemd de bevoegdheid van artikel 21 van de Kaderwet om besluiten van een zbo te vernietigen en de bevoegdheid van artikel 29 van de Kaderwet om goedkeuring aan de begroting te onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Vernietiging van besluiten

Zoals reeds in de memorie van toelichting bij artikel 22 van de Kaderwet aangegeven (Kamerstukken 27426, nr. 3, pag. 16 en 27), is de vernietigingsbevoegdheid een uiterst middel, dat slechts met grote terughoudendheid mag worden gebruikt, zoals dat ook de bestendige praktijk is met de vernietigingsbevoegdheden ten aanzien van besluiten van gemeenten en provincies. Bovendien kan aangenomen worden dat onvolkomenheden in beschikkingen van de RDW veelal geredresseerd kunnen en zullen worden door het aanwenden van hun ter beschikking staande rechtsmiddelen. Artikel 10:43 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een besluit, hangende het onderzoek of er reden is tot vernietiging over te gaan, kan worden geschorst. Het artikel houdt dus tevens een schorsingsbevoegdheid in van de minister. De voorwaarden voor het gebruik van de vernietigingsbevoegdheid zijn geregeld in afdeling 10.2.2 van de Algemene wet bestuursrecht, de schorsing is in afdeling 10.2.3 geregeld. Het vernietigingsrecht betekent niet dat ieder besluit van de RDW moet worden onderzocht op vernietigbaarheid. Vernietiging is een instrument dat alleen achteraf wordt toegepast en geen algemeen toezicht veronderstelt; de RDW is in eerste instantie zelf verantwoordelijk. Dit instrument creëert dan ook geen algemene bemoeienis van de minister met de RDW in individuele gevallen. De toepassingsmogelijkheden van het vernietigingsrecht zijn beperkt; artikel 10:35 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat vernietiging van een besluit alleen mogelijk is wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Ingevolge artikel 10:41 van de Algemene wet bestuursrecht vindt vernietiging niet eerder plaats dan nadat aan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen, gelegenheid tot overleg is geboden. Van belang voor de toepassing van dit artikel is tenslotte dat het de minister weliswaar de bevoegdheid verschaft tot schorsing en vernietiging, maar dat de minister niet verplicht is om deze instrumenten toe te passen.

Informatiebeveiliging

Conform artikel 41 van de Kaderwet draagt de RDW zorg voor een afdoende beveiliging van het gehele proces van informatievoorziening en de gehele levenscyclus van informatiesystemen, ongeacht de toegepaste technologie en ongeacht het karakter van de informatie. De regels over informatiebeveiliging zijn terug te vinden in onder meer meest recente versies van het Beveiligingsvoorschrift Rijksdienst (VIR) en het Voorschrift informatiebeveiliging – bijzondere informatie (VIR-BI). Ook de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) geeft binnen zijn werkingsgebied aanwijzingen voor informatiebeveiliging bij de Rijksdienst. Het staat de RDW vrij om aanvullend strengere normen te hanteren zoals bepaalde ISO-certificering.

Artikelsgewijs

§ 2. Directie van de dienst

Artikel 2 Bestuursreglement

Conform artikel 11 van de Kaderwet juncto de artikelen 4n en 4l, vierde lid, van de wet behoeft het bestuursreglement de goedkeuring van de minister. Nadat de raad van toezicht heeft ingestemd met het reglement, legt de RDW het reglement ter goedkeuring voor aan de minister. In artikel 2 is aangegeven waarop de minister ten behoeve van de goedkeuring zal letten, namelijk of er in ieder geval de voor een ordentelijke werkwijze nodige bepalingen zijn opgenomen. Ten aanzien van onderdeel f wordt voor de volledigheid vermeld dat de leden van de directie op grond van artikel 13, tweede lid, van de Kaderwet het voornemen tot het aanvaarden van een nevenfunctie aan de minister meldt. Ook de raad van toezicht moet op de hoogte zijn van zulke voornemens. Dit kan via het bestuursreglement worden geborgd.

Artikelen 3 en 4 (Her)benoeming directie

Artikelen 3 en 4 geven de processtappen voorafgaande aan de benoeming respectievelijk herbenoeming van een lid van de directie weer. Daarbij hanteert de minister de volgende uitgangspunten:

  • het benoemingsbeleid waarborgt dat de zelfstandige taken zowel onafhankelijk van sectorbelangen als met de gewenste mate van afstand tot het ministerie worden uitgeoefend;

  • bij benoemingen wordt gekeken naar kandidaten uit een zo breed mogelijk maatschappelijk speelveld. Aangesloten kan worden bij ABD-procedures;

  • werving van nieuwe leden gebeurt openbaar – bijvoorbeeld via advertenties in dagbladen – op basis van het deskundigheidsprofiel;

  • kandidaten en leden zijn niet lid van het bestuur dan wel de raad van toezicht van andere onder de minister ressorterende zbo’s;

  • het benoemingsbeleid waarborgt dat er enerzijds continuïteit bestaat binnen de directie en anderzijds een frisse blik op de organisatie behouden blijft, bijvoorbeeld door te werken met overlappende benoemingstermijn en het limiteren van het aantal herbenoemingstermijnen;

  • conform artikel 9 van de Kaderwet zijn in de directie geen ambtenaren in dienst van het Rijk als waarnemer of lid aangewezen;

  • een niet-bindende voordracht vindt plaats door de raad van toezicht op basis van deskundigheidsprofielen;

  • in de benoemingsprocedure is aandacht voor het draagvlak van de kandidaat bij de ondernemingsraad.

Artikel 5 Schorsing en ontslag van de directie

De minister heeft op grond van artikel 12 van de Kaderwet de bevoegdheid tot schorsing of ontslag van een lid van de directie van de RDW. Indien de minister zich genoodzaakt ziet om van deze bevoegdheid gebruik te maken, zal hij daaraan voorafgaand de raad van toezicht informeren in het kader van behoorlijk bestuur. Uiteraard kan ook de raad van toezicht de minister op de noodzaak tot het treffen van maatregelen wijzen.

Artikel 6 Bezoldiging directie

Op de vaststelling van het bezoldigingsbeleid voor de directie is de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector van toepassing. Het wetsvoorstel voor deze wet is op 13 november 2012 met algemene stemmen aangenomen in de Eerste Kamer (Kamerstukken 2011–12, 32600). Het zal naar verwachting 1 januari 2013 in werking treden. Indien de inwerkingtreding vertraagt, zal vooruitlopend op de inwerkingtreding het regime van het wetsvoorstel worden gehanteerd.

§ 3. Raad van toezicht van de dienst

Artikelen 7 Reglement van de raad van toezicht

Het reglement van de raad van toezicht behoeft in gevolge 4l, zevende lid, van de wet de goedkeuring van de minister. In artikel 7 is aangegeven aan welke aspecten de minister ten behoeve van de goedkeuring aandacht zal besteden.

Artikelen 8 en 9 (Her)benoeming leden van de raad van toezicht

Artikelen 8 en 9 geven de processtappen voorafgaande aan de benoeming respectievelijk herbenoeming van leden van de raad van toezicht weer. Daarbij hanteert de minister de volgende uitgangspunten:

  • het benoemingsbeleid waarborgt dat de zelfstandige taken zowel onafhankelijk van sectorbelangen als met de gewenste mate van afstand tot het ministerie worden uitgeoefend;

  • bij benoemingen wordt gekeken naar kandidaten uit een zo breed mogelijk maatschappelijk speelveld. Aangesloten kan worden bij ABD-procedures;

  • werving van nieuwe leden gebeurt openbaar, bijvoorbeeld via advertenties in dagbladen op basis van het deskundigheidsprofiel;

  • kandidaten en leden zijn niet lid van het bestuur dan wel raad van toezicht van andere onder de minister ressorterende zbo’s.

  • twee of meer leden van een raad van toezicht mogen in principe niet tegelijkertijd ook bij een andere organisatie gezamenlijk lid zijn van een raad van toezicht;

  • leden van de raad van toezicht hebben geen nevenfuncties die leiden tot belangenconflicten, noch bij hun aanstelling, noch gedurende hun aanstelling;

  • leden van de raad van toezicht zijn in het verleden niet in dienst geweest van de RDW of langdurig verbonden geweest aan de RDW;

  • in de raad van toezicht zijn geen ambtenaren in dienst van het Rijk als waarnemer of lid aangewezen;

  • in de raad van toezicht worden zoveel mogelijk verschillende deskundigheidsgebieden afgedekt, zoals bijvoorbeeld politiek bestuurlijk, ICT, financiën, pensioenen, klanten, personeel en juridisch;

  • de minister verleent geen vrijwaring aan leden van raden van toezicht; zbo’s kunnen zelf een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering afsluiten;

  • in de benoemingsprocedure is voorts aandacht voor het draagvlak van de kandidaat bij de Ondernemingsraad.

§ 4. Financieel toezicht

Artikelen 10, 11 en 12 Tarieven respectievelijk prijzen

De door de RDW vast te stellen tarieven behoeven op grond van artikel 17 van de Kaderwet de goedkeuring van de minister. Dit geldt ook voor tussentijdse tariefswijzigingen en voor tarieven van nieuwe en gewijzigde producten.

Taakclusters

Tarieven worden vastgesteld per taak dan wel taakonderdeel. De tarieven moeten op het niveau van taakcluster kostendekkend zijn. Een taakcluster is een geheel van taken, die naar hun aard samenhangen als soort taak of naar het doel van de taak. Als voorbeeld kan worden genoemd het geval dat de RDW de expliciete taak heeft om bepaalde erkenningen te verlenen en daarop toezicht te houden. Het totaal van tarieven die betrekking hebben op de erkenningen kan dan als taakcluster worden benoemd.

Daarnaast kan het voorkomen dat niet alle handelingen binnen een taakcluster uit een eigen tarief kunnen worden gedekt. Naar aanleiding van het toezicht op erkenningen kan het bijvoorbeeld nodig zijn om zo'n erkenning in te trekken. Voor het intrekken kan geen afzonderlijk tarief worden geheven. De kosten van intrekking van de erkenning worden dan meegenomen bij de berekening van de kosten voor bijvoorbeeld het toezicht op die erkenning.

De RDW maakt, binnen de grenzen van de wet, met IenM afspraken over de clustering van de taken. Indien er sprake is van een taakcluster, kan het zijn dat voor elke afzonderlijke taak binnen dat cluster een tarief wordt vastgesteld, dan wel dat, bijvoorbeeld op grond van wettelijke bepalingen, er voor een of meer concrete taken een tarief wordt vastgesteld, terwijl dat tarief mede dient ter dekking van de kosten voor die andere taken. Voor de RDW geldt het uitgangspunt van kostendekkendheid op taakclusterniveau. Dit betekent dat de kostendekkendheid van alle taakclusters zich moeten begeven tussen de 95% en 105%. Het aantal taakclusters en de toedeling van activiteiten aan taakclusters wordt door de dienst in afstemming met het ministerie bepaald.

Zoals aangegeven in artikel 12 vermeldt het tarievenvoorstel de wettelijke grondslag voor de tarieven. Dit is niet nodig indien het gaat om een algemene wettelijke grondslag. Bij wijziging van die algemene grondslag moet de gewijzigde grondslag wel worden vermeld. Bij nieuwe tarieven wordt altijd de wettelijke grondslag vermeld.

Gematigd tarievenbeleid

De minister ziet toe op een gematigd tarievenbeleid. Dit betekent dat de tarieven op taakclusterniveau jaarlijks niet meer dan 5% plus de inflatiefactor stijgen of dalen, tenzij, voor zover er sprake is van een grotere stijging, er aantoonbare kwaliteitsverbeteringen tegenover de tariefstijging staan. Er kunnen evenwel redenen zijn om van dit streefpercentage af te wijken. De reden hiervoor zal de RDW dan bij het tarievenvoorstel moeten aangeven. In het FMB maakt de RDW inzichtelijk wat de meerjarige consequenties zijn van de na te streven efficiency en de te behalen besparingen voor de tarieven.

Kostprijscalculatiemodel

Om tot een tarievenvoorstel te komen, maakt de RDW gebruik van een kostprijscalculatiemodel om de toerekening van alle kosten transparant te maken. Het model wordt zodanig ingericht dat meerjarig een consistent beeld wordt gegeven van de kostenstructuur. Het model draagt bij aan de voortdurende optimalisatie van alle processen en activiteiten.

Inhoud tarievenvoorstel

Het tarievenvoorstel gaat vergezeld van een toelichting conform artikel 12. De RDW richt de bedrijfsvoering doelmatig en efficiënt in. De ontwikkeling van de doelmatigheid wordt getoetst op basis van de gemiddelde tariefontwikkeling. Waar besparingen mogelijk zijn, worden deze gerealiseerd, bijvoorbeeld door samenwerking en bundeling van bedrijfsvoeringsactiviteiten om zo synergievoordelen te behalen. In het FMB maakt de RDW de hoogte van de na te streven efficiency en de te behalen besparingen inzichtelijk, zie artikel 5, tweede lid, van de Regeling sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer. De minister betrekt dit bij de beoordeling van het tarievenvoorstel.

Jaarbrief

Met de jaarbrief geef ik invulling aan mijn informatieplicht jegens de RDW door de RDW te informeren over relevante rijksbrede ontwikkelingen en regelgeving die van invloed kunnen zijn op de begroting en beleidsplannen van zbo’s. Daarnaast wil ik vooraf helderheid verschaffen over aspecten waarop bij de goedkeuring van de begroting, het FMB en de tarieven specifiek zal worden gelet. Aldus kan de jaarbrief soms dwingende elementen bevatten (rijksbrede voorschriften waaraan alle zbo’s dienen te voldoen) alsook wensen vanuit de minister die de RDW zelfstandig afweegt tegen andere belangen en die daarom wel, niet of in afgezwakte vorm terugkomen in de begroting of het FMB. In de jaarbrief zal dit onderscheid duidelijk worden aangegeven. De zelfstandigheid van de RDW staat hierbij telkens voorop. Een concept van de jaarbrief wordt tijdig afgestemd met de RDW.

Goedkeuring tarievenvoorstel

Het proces van goedkeuring van het tarievenvoorstel verloopt als volgt:

Nr.

Periode

Onderwerp/actie

01

september

De RDW en het ministerie overleggen over de tarieven.

02

uiterlijk 1 okt

De RDW stuurt een voorstel voor de hanteren tarieven naar het ministerie. Het voorstel bevat onder meer de in artikel 10 bedoelde criteria. Het voorstel is waar nodig voorzien van een toelichting met daarbij ook de reacties van de gebruikers conform artikel 19, tweede lid, van de Kaderwet.

03

uiterlijk half november

De minister beoordeelt het voorstel binnen zes weken met eventueel aanvullend overleg met de RDW.

04

uiterlijk half november

De minister neemt een beslissing en stelt de RDW hiervan schriftelijk op de hoogte.

05

uiterlijk november

Zo nodig gebruikers informeren over nieuwe tarieven.

06

uiterlijk 15 december

De RDW publiceert de nieuwe tarieven.

De in de voorgaande procedureomschrijving opgenomen processtappen worden ook bij tussentijdse tariefaanpassingen doorlopen.

Artikel 13 Begroting

De begroting en het FMB zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De begroting is een financieel sluitende uitwerking van het FMB en specificeert de plannen die de RDW heeft voor het komende jaar. Indien de begroting en het FMB worden goedgekeurd, wordt derhalve ook met deze plannen ingestemd.

De begrotingsposten worden ieder afzonderlijk van een toelichting voorzien. Uit de toelichting blijkt steeds welke begrotingsposten betrekking hebben op de uitoefening van de bij of krachtens de wet aan een zelfstandig bestuursorgaan opgedragen taken dan wel op andere activiteiten. Tenzij de activiteiten waarop de begroting betrekking heeft nog niet eerder werden verricht, behelst de begroting een vergelijking met de begroting van het lopende jaar en de laatst goedgekeurde jaarrekening. De inrichting van de begroting en de begrote gecomprimeerde balans is in beginsel in overeenstemming met de inrichting van de jaarrekening.

Goedkeuring besluit tot vaststelling van de begroting

Het proces van goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de begroting verloopt als volgt:

Nr.

Periode

Onderwerp/actie

01

mei tot en met augustus

Ruim voor het indienen van de begroting bespreekt de RDW met het ministerie de begroting op hoofdlijnen inclusief de relevante zaken die invloed hebben op de begroting en de uit de risico-inschatting voortkomende punten voor het begrotingsjaar. Deze gesprekken vinden op verschillende niveaus plaats, zoals tijdens het periodiek op directieniveau te voeren overleg.

02

1 oktober

De RDW stuurt zijn FMB – waarmee de raad van toezicht heeft ingestemd – met de begroting en tarievenvoorstel vóór 1 oktober van het jaar dat voorafgaat aan het begrotingsjaar naar de minister.

03

november

Het ministerie beoordeelt de begroting. De minister neemt een beslissing en stelt de dienst hiervan schriftelijk op de hoogte. De minister kan conform artikel 29, tweede lid, Kaderwet de goedkeuring onthouden, indien de begroting in strijd is met het recht of het algemeen belang.

04

december

De RDW maakt de begroting openbaar door deze op zijn website te plaatsen. Dit kan in gecomprimeerde vorm, zodat bedrijfsgevoelige informatie niet openbaar wordt.

Omdat de RDW een monopolist is, is transparantie van belang. Het openbaar maken van de begroting, al dan niet in gecomprimeerde vorm, draagt bij aan de doelstelling van de Kaderwet om het publieke inzicht in het functioneren van zbo’s te vergroten.

Als de begroting niet is goedgekeurd, is de directie conform artikel 4wa van de wet gerechtigd gedurende ten hoogste de eerste zes maanden van het nieuwe boekjaar voor iedere maand uitgaven te doen ter grootte van 115% van een twaalfde deel van de begroting van het voorafgaande boekjaar.

§ 5. Taakuitoefening

Artikel 15 Risicoprofiel en kernprestatie-indicatoren
Risicoprofiel

Het ministerie maakt een risicoprofiel vanuit het gezichtspunt van de minister. Dit profiel dient als basis voor het maken van afspraken over KPI’s. Naast dit risicoprofiel kan de dienst periodiek een eigen risicoanalyse maken vanuit het eigen gezichtspunt van de dienst. In dat geval ligt het voor de hand dat deze risicoanalyse geheel of gedeeltelijk wordt betrokken bij het FMB voor de financiële vertaling van de risico’s en de jaarverslaglegging van de dienst.

Kernprestatie-indicatoren

De RDW spreekt met de minister kernprestatie-indicatoren (KPI’s) af, mede op basis van het risicoprofiel. De minister houdt toezicht op en stuurt de RDW aan met behulp van de KPI’s. Een KPI is een grootheid die de toestand van of de ontwikkeling op een bepaald gebied weergeeft en als zodanig een (betrouwbare) indicatie geeft van (het effect van) een proces of product. KPI’s hebben betrekking op de kwaliteit en continuïteit van de taakuitvoering van de RDW en worden in de regel gebruikt om veranderingen in gang te zetten. Ze dienen niet verward te worden met kengetallen – zoals bijvoorbeeld het aantal afgegeven producten – die veelal een informatieve betekenis hebben.

Goed gebruik van KPI’s stelt zowel de RDW als de minister in staat verantwoording af te leggen aan respectievelijk de minister en de Tweede Kamer der Staten-Generaal over de continuïteit en de kwaliteit van de taakuitvoering van de RDW. Ministerie en RDW spreken regelmatig over de KPI’s, zowel over de mate waarop de RDW de KPI’s haalt, als de mate waarin de KPI’s nog actueel zijn.

Artikel 16 Oordeelsvorming

Jaarlijks vormt de minister zich ter zake van de publieke taakuitoefening door de RDW een oordeel over de

  • doeltreffendheid van het beleid;

  • doelmatige en deskundige taakuitvoering;

  • rechtmatigheid van inkomsten en uitgaven;

  • bedrijfsvoering.

Bepalend voor dit oordeel is in hoeverre de taakuitoefening door de RDW voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Daarbij wordt – indien de continuïteit in het geding is – ook gekeken naar de bedrijfsvoering. Dit oordeel wordt gegeven bij de besluitvorming over de jaarrekening van de RDW, maar kan, indien daar aanleiding toe is, ook tussentijds worden gegeven. Het oordeel wordt besproken met de RDW.

Bij de oordeelsvorming maakt de minister onder meer gebruik van de bevindingen uit het horizontaal toezicht.

Ook worden bij het oordeel de uitkomsten van het door de RDW periodiek gehouden klant- en medewerkerstevredenheidsonderzoek betrokken. De RDW informeert de minister hierover in het jaarverslag.

§ 6. Opdracht en inkadering van taken en activiteiten

Artikel 17 Instemmingstoets minister

Artikel 17 werkt uit aan welke criteria getoetst wordt of nieuwe publieke taken respectievelijk markt- en nevenactiviteiten van de RDW voor andere opdrachtgevers verantwoord zijn. Andere opdrachtgevers van publieke taken kunnen zijn andere ministers (op basis van attributie, mandaat of zelfvoorziening binnen de rijksoverheid) respectievelijk medeoverheden of andere zbo’s op basis van mandaat. Opdrachtgevers voor markt- en nevenactiviteiten kunnen zijn medeoverheden, andere zbo’s of private partijen (op basis van een contract).

Verenigbaarheid met bestaande taken van de RDW kan bijvoorbeeld blijken uit het feit dat de taken of markt- en nevenactiviteiten aansluiten bij (unieke) kerncompetenties van de RDW, vanuit publiek belang positieve synergie-effecten kunnen opleveren, bijvoorbeeld op het vlak van realisatie van beleidsdoelstellingen van de rijksoverheid, van innovatie of efficiencyverbetering van dienstverlening. Onverenigbaarheid kan bijvoorbeeld blijken uit risico’s voor de reputatie van de RDW als publieke uitvoeringsorganisatie, voor de continuïteit, de kwaliteit, financierbaarheid, effectiviteit, efficiency, rechtmatigheid van de uitvoering van de bestaande (hoofd)taken. Uitgangspunt is een kostendekkende financiering door de nieuwe opdrachtgever of gebruikers.

Ook moet strijd met overige wet- en regelgeving respectievelijk rijksbeleid worden voorkomen. Relevante algemene kaders zijn er bijvoorbeeld op het punt van algemene regels van behoorlijk bestuur, privacy, mededinging, steun en aanbestedingsrecht, compacte overheid, open data beleid. Ook kunnen er sectorspecifieke kaders relevant zijn. Voor het terrein van het ministerie valt bijvoorbeeld te denken aan regelgeving en beleid die invulling geven aan publieke belangen op het gebied van een veilig, vlot en milieuvriendelijk verkeer.

Het initiatief voor een nieuwe taakopdracht kan ook komen van een ander bestuursorgaan, bijvoorbeeld een andere minister. Het verdient de voorkeur dat het andere bestuursorgaan daarover eerst contact opneemt met de minister. Het vierde lid geeft aan dat de RDW (dit zal als regel in samenwerking met de andere nieuwe opdrachtgever geschieden) aan de minister een uitgewerkt en onderbouwd voorstel moet doen. De uitwerking en onderbouwing zullen moeten ingaan op de gestelde criteria zoals hierboven toegelicht. Dit omvat elementen die vergelijkbaar zijn met de uitvoeringstoets op voorstellen voor nieuwe taken van IenM, maar bevat ook andere elementen, zoals hierboven omschreven bij de toelichting op het criterium dat nieuwe taken verenigbaar moeten zijn met bestaande taken en niet in strijd mogen zijn met regelgeving en rijksbeleid.

Het criterium van verenigbaarheid met zijn publieke hoofdtaken, met overige regelgeving en beleid, geldt ook voor markt- en nevenactiviteiten van een zbo. Een specifiek motief voor markt- en nevenactiviteiten kan zijn het benutten van onvermijdelijke restcapaciteit die beschikbaar is voor de vervulling van publieke taken.

Er zijn voorts aanvullende aspecten relevant voor de beoordeling of de uitvoering van bepaalde markt- en nevenactiviteiten door de RDW wenselijk is, gelet op het effect daarvan op de marktverhoudingen: het is denkbaar dat bestaande marktpartijen een beter alternatief kunnen bieden respectievelijk onevenredig nadeel kunnen lijden als gevolg van concurrentie door de RDW. Om deze aspecten te kunnen beoordelen en meewegen bij het instemmingsbesluit laat de minister een markteffectentoets uitvoeren. Deze kan gepaard gaan met consultatie van relevante marktpartijen.

Een van de hoofdregels van de Mededingingswet is dat voor markt- en nevenactiviteiten waarop de betreffende bepalingen van toepassing zijn ten minste de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht. Het op de Mededingingswet gebaseerde Besluit markt en overheid bevat regels waaraan het systeem van doorberekening van kosten van markt- en nevenactiviteiten (dat zbo’s hanteren richting afnemers) moet voldoen. De minister toetst indien het genoemde besluit van toepassing is of een systeem is uitgewerkt dat aan die eisen voldoet.

Het beleid van IenM is dat – ook al eist de Mededingingswet het niet – alle individuele opdrachten van een zbo sluitend worden gefinancierd. Bij de taakopdracht moet hierover duidelijkheid bestaan.

Het besluit markt en overheid wordt als leidraad gehanteerd.

Het is gewenst dat de overheid expliciet en gescheiden verantwoording aflegt over de markt- en nevenactiviteiten. Dit volgt ook uit diverse onderzoeken van de Algemene Rekenkamer. Hier wordt door de RDW in afstemming met het ministerie invulling aan gegeven op basis van de aan het FMB en de jaarstukken gestelde eisen.

Het bevordert de integraliteit van de afweging en de efficiency van de besluitvorming als voorstellen tot nieuwe taken of markt- en nevenactiviteiten voor andere opdrachtgevers door de RDW worden ingebracht in de jaarlijkse cyclus van voorstel begroting, tarieven, financieel meerjarenbeleidsplan. In dat geval kan het besluit van de minister met betrekking tot de begroting, tarieven en financieel meerjarenbeleidsplan mede omvatten een besluit over de nieuwe taak of marktactiviteit. In andere gevallen zal een afzonderlijke instemmingsprocedure moeten worden gevolgd.

Formele vastlegging van de opdracht van een publieke taak door een andere publieke opdrachtgever volgt daarop bij of krachtens een wet (attributie) of in een mandaatbesluit van het desbetreffende bestuursorgaan. Afhankelijk van de instellings-/taakopdrachtwet van de RDW vindt formele vastlegging van instemming met een marktactiviteit plaats bij of krachtens de instellings/taakopdrachtwet.

§ 7. Overige bepalingen

Artikel 18 Evaluatie conform artikel 39 van de Kaderwet

De minister van Financiën stelt regels ten aanzien van het evaluatieonderzoek bij de rijksoverheid. Deze zijn vervat in de Regeling periodiek evaluatieonderzoek en beleidsinformatie 2006, die te vinden is op de website van de Rijksoverheid. De minister houdt zich in al zijn evaluatieonderzoeken aan de voorschriften van deze regeling. Het ministerie betrekt de RDW bij de evaluatie.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.