Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2012, 25315Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 5 december 2012, nr. IENM/BSK-2012/241282, houdende vaststelling van regels in verband met de implementatie van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en de sturing van en het toezicht op de Dienst Wegverkeer (Regeling sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer)

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op de artikelen 26 en 32 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen en de artikelen 4l, derde lid, 4t, tweede lid en 4u, eerste en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

de Kaderwet:

de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.

de dienst:

de Dienst Wegverkeer.

§ 2. Directie en raad van toezicht van de Dienst Wegverkeer

Artikel 2 Ontstentenis directie

De dienst informeert de minister onverwijld over de ontstentenis van een lid van de directie met het oog op de conform artikel 4h van de wet te treffen voorziening.

Artikel 3 Rol raad van toezicht

De raad van toezicht oefent onafhankelijk van bestuur en minister toezicht uit. De raad van toezicht heeft een interne toezichtfunctie en is daarbij gericht op het beleid van de directie en op de algemene gang van zaken in de dienst. De raad van toezicht richt zich bij de vervulling van de taak naar het belang van de dienst en weegt daartoe de in aanmerking komende belangen van de bij de dienst betrokkenen af.

§ 3. Financieel toezicht

Artikel 4 Begroting

De dienst zendt jaarlijks voor 1 oktober de begroting voor het daaropvolgende jaar aan de minister.

Artikel 5 Financieel meerjarenbeleidsplan

  • 1. Het aan de minister voor te leggen financieel meerjarenbeleidsplan omvat de periode van het laatst afgesloten boekjaar, het lopende jaar, het komende begrotingsjaar en de vier volgende jaren.

  • 2. In het financieel meerjarenbeleidsplan komen ten aanzien van het laatst afgesloten boekjaar, het lopende jaar en de volgende vijf jaar aan de orde:

    • a. de interne en externe ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de door de dienst gelegde en te leggen beleidsaccenten in termen van strategie, doelstellingen en resultaten;

    • b. veranderingen in de werkwijze van de dienst voor zover deze politiek relevant worden geacht of financieel van substantiële omvang zijn;

    • c. markt- of nevenactiviteiten;

    • d. de toelichting op de investeringen;

    • e. zwaarwegende technische en juridische aspecten die van invloed kunnen zijn op wet- en regelgeving;

    • f. zwaarwegende veranderingen in het beleid ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden van het personeel;

    • g. de stand van zaken rond de informatiebeveiliging en, indien aan de orde, de verbeteringsmaatregelen, alsmede belangrijke wijzigingen in het informatiebeveiligingsbeleid;

    • h. de ontwikkelingen van de kosten, opbrengsten en tarieven per taakcluster;

    • i. de meerjarencijfers voor de vier jaren na het eerstvolgende begrotingsjaar omtrent de geraamde totale omzet en de totale kosten alsmede de verwachte positie van het eigen en vreemd vermogen;

    • j. wijzigingen ten opzichte van aannames en uitgangspunten in het vorige financieel meerjarenbeleidsplan;

    • k. de hoogte van de na te streven efficiency en de te behalen besparingen.

Artikel 6 Aandachtspunten voor de accountantscontrole

  • 1. De aandachtspunten voor de accountantscontrole zijn uitgewerkt in de bijlage bij deze regeling.

  • 2. De minister informeert de dienst over het voornemen een review van de accountantscontrole te laten uitvoeren door de accountantsdienst van het Rijk. Het besluit tot het uitvoeren van een review van de accountantscontrole wordt vergezeld van een toelichting waaruit de aanleiding blijkt, alsmede de procedure die zal worden gevolgd en de informatie die de dienst ten behoeve van dit onderzoek beschikbaar dient te stellen.

  • 3. Bij de aanwijzing van de accountant, bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de Kaderwet, bedingt de dienst dat de controles en de verklaringen daarover mede betreffen:

    • a. een toereikende scheiding tussen de baten en lasten casu quo ontvangsten en uitgaven uit de bij of krachtens de wet aan de dienst opgedragen taken dan wel andere activiteiten;

    • b. de juiste en volledige hantering van de vastgestelde tarieven;

    • c. dat de kostprijzen van de taakclusters zijn berekend op basis van het vastgestelde kostprijscalculatiemodel.

Artikel 7 Invulling van artikel 4l, derde lid, van de wet juncto artikel 32 van de Kaderwet

  • 1. De dienst behoeft de voorafgaande instemming van de minister voor:

    • a. het oprichten van dan wel deelnemen in een rechtspersoon;

    • b. het in eigendom verwerven, het vervreemden of het bezwaren van registergoederen waarvan de waarde een bedrag van 10 miljoen euro overschrijdt;

    • c. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot verkrijging, vervreemding of bezwaring van registergoederen waarvan de waarde een bedrag van 10 miljoen euro overschrijdt;

    • d. het aangaan en beëindigen van overeenkomsten tot huur, verhuur of pacht van registergoederen waarvan de huur of pacht een bedrag van jaarlijks 10 miljoen euro overschrijdt;

    • e. het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening indien deze afzonderlijk dan wel alle kredietovereenkomsten en overeenkomsten van geldleningen gezamenlijk een bedrag van 9,1 miljoen euro overschrijden;

    • f. het aangaan van overeenkomsten waarbij de dienst zich verbindt tot zekerheidstelling met inbegrip van zekerheidstelling voor schulden van derden of waarbij de dienst zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt of zich voor een derde sterk maakt;

    • g. het vormen van andere fondsen en reserveringen dan de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 33 van de Kaderwet;

    • h. het doen van aangifte tot zijn faillissement of het aanvragen van zijn surséance van betaling.

  • 2. Indien de dienst een beslissing wil nemen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c, d en e, waarvan de bedragen, genoemd in het eerste lid, niet overschreden worden maar waarvan de waarde meer bedraagt dan 5 miljoen euro, informeert de dienst de minister over de beslissing.

  • 3. De dienst legt een voorgenomen beslissing als bedoeld in het eerste lid niet voor dan nadat de raad van toezicht heeft verklaard tegen die beslissing geen bedenkingen te hebben. De dienst behoeft de voorafgaande instemming van de raad van toezicht voor het aangaan van kredietovereenkomsten en van overeenkomsten van geldlening, indien deze een bedrag afzonderlijk dan wel alle kredietovereenkomsten en overeenkomsten van geldleningen gezamenlijk van 1 miljoen euro overschrijden.

  • 4. Voor zover de in het eerste lid genoemde voornemens zijn opgenomen in de begroting, bedoeld in artikel 26 van de Kaderwet, hoeven deze niet afzonderlijk ter instemming aan de minister te worden voorgelegd.

§ 4. Informatie-uitwisseling

Artikel 8 Jaarrekening

Bij de inrichting van de jaarrekening wordt onderscheid gemaakt tussen de baten en lasten, alsook tussen de ontvangsten en uitgaven uit de bij of krachtens de wet aan de dienst opgedragen taken dan wel uit andere activiteiten.

Artikel 9 Jaarverslag

  • 1. In aanvulling op titel 9, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de artikelen 18 en 19 van de Kaderwet bevat het jaarverslag in ieder geval de volgende onderdelen:

    • a. de wijze van toepassing van de in artikel 41, eerste lid, van de Kaderwet bedoelde voorzieningen ter beveiliging van de gegevens van de dienst;

    • b. de relevante gegevens over de gerealiseerde kwantiteit en kwaliteit van de dienstverlening;

    • c. het aantal bezwaar- en beroepsprocedures dat is gevoerd op grond van de Algemene wet bestuursrecht, en de resultaten daarvan;

    • d. het aantal verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, en de resultaten daarvan;

    • e. het aantal ingediende klachten, al dan niet gedaan op grond van hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht, en de resultaten daarvan;

    • f. het aantal klachten op grond van de Wet Nationale ombudsman, en de resultaten daarvan;

    • g. mededelingen omtrent de verwachte gang van zaken, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de omstandigheden waarvan de ontwikkeling van de omzet en van de kwaliteit van de taakuitoefening afhankelijk is.

  • 2. Uit het jaarverslag valt af te leiden op welke wijze de realisatie in het boekjaar overeenkomt met dan wel afwijkt van de begroting en het tarievenvoorstel.

  • 3. Het jaarverslag is voorzien van:

    • a. een verslag van de directie;

    • b. een verslag van de raad van toezicht;

    • c. een in-control-statement van de directie.

  • 4. Bij de aanbieding van het jaarverslag aan de minister informeert de dienst de minister over:

    • a. de toepassing van de arbeidsvoorwaarden van het personeel;

    • b. de gemiddelde loonsom per werknemer over het desbetreffende boekjaar;

    • c. het aantal ingediende schadeclaims, onderverdeeld naar taak, en de resultaten daarvan.

Artikel 10 Toepassing internationale wet- en regelgeving

De dienst informeert de minister ten minste één maal per jaar over de wijze waarop de dienst van toepassing zijnde of wordende internationale wet- en regelgeving toepast en uitvoert respectievelijk gaat toepassen en uitvoeren.

Artikel 11 Uitvoeringstoets Dienst Wegverkeer

  • 1. De minister legt de volgende voornemens tijdig aan de dienst voor met het oog op een uitvoeringstoets:

    • a. voor het functioneren van de dienst relevante beleidsvoornemens;

    • b. voorgenomen wet- en regelgeving;

    • c. overige voornemens tot het opdragen van taken of het stellen van regels met betrekking tot de uitoefening van de taken bij of krachtens een wet waarvoor hij eerste verantwoordelijke is;

    • d. voornemens tot het stellen van beleidsregels in de zin van artikel 21 Kaderwet.

  • 2. De minister reageert op de door de dienst toegezonden rapportage en geeft daarbij in ieder geval aan hoe de rapportage in de besluitvorming is of zal worden betrokken.

  • 3. Indien de minister nalaat tijdig te verzoeken om een uitvoeringstoets, informeert de dienst de minister van de intentie van de dienst om een uitvoeringstoets uit eigen beweging uit te voeren.

  • 4. Indien in de loop van het besluitvormingsproces het aan de dienst voorgelegde voornemen op voor de dienst relevante punten wordt gewijzigd, legt de minister de wijzigingen ten behoeve van een finale uitvoeringstoets voor aan de dienst.

Artikel 12 Uitvoeringsevaluaties

  • 1. De dienst evalueert op een daartoe door de minister gedaan verzoek of uit eigen beweging de uitvoering van nieuw of bijgesteld beleid dan wel nieuwe of bijgestelde wet- en regelgeving.

  • 2. Bij het verzoek formuleert de minister de door de dienst te beantwoorden vragen en wordt de termijn bepaald waarbinnen de rapportage gereed dient te zijn.

  • 3. De minister reageert op de door de dienst toegezonden rapportage en geeft daarbij in ieder geval aan hoe de rapportage in de besluitvorming is of zal worden betrokken.

Artikel 13 ICT-projecten

De dienst verschaft de minister structureel informatie over lopende dan wel in voorbereiding zijnde ICT-projecten waarover aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt gerapporteerd.

Artikel 14 Integriteit

De dienst informeert de minister over het gevoerde integriteitsbeleid.

Artikel 15 Reglement financieel beheer

De dienst verstrekt de minister zijn reglement financieel beheer.

Artikel 16 Onderzoek door derden ten behoeve van toezicht

Indien de minister na overleg met het zbo een derde aanwijst om in het kader van het toezicht op het functioneren van de dienst onderzoek te doen naar een door de minister te bepalen onderdeel van de dienst of van de taakuitoefening door de dienst, verstrekt de dienst aan deze derde op de door de derde te bepalen wijze de ter zake van het onderzoek gevraagde informatie voor zover dit niet beperkt is door de wet of contract.

Artikel 17 Informatieverstrekking van de minister aan de dienst

De minister verstrekt de dienst informatie met betrekking tot:

  • a. aanschrijvingen;

  • b. politieke aangelegenheden en de meningsvorming door de minister of de Staten-Generaal met betrekking tot de dienst en de toekomst van de dienst;

  • c. (inter)nationaal overleg;

  • d. (ontwikkeling van) rechtstreeks werkende EG-regelgeving;

  • e. overleg met andere departementen en resultaten daarvan;

  • f. klachten over het functioneren van de dienst.

Artikel 18 Instemmingstoets van de minister

  • 1. De dienst legt tot hem gerichte voorstellen tot taakopdracht door een ander bestuursorgaan tijdig voor aan de minister met het oog op het verkrijgen van diens instemming.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op voornemens van de dienst tot het verrichten van markt- en nevenactiviteiten, die nog niet bij of krachtens wet of bij een eerder besluit van de minister zijn toegestaan.

§ 5. Overige bepalingen

Artikel 19 Intrekking van regeling en besluiten

  • 1. Het Informatiestatuut Dienst Wegverkeer wordt ingetrokken.

  • 2. De volgende besluiten worden ingetrokken:

    • a. Besluit aandachtspunten accountantscontrole Dienst Wegverkeer;

    • b. Schets raad van toezicht RDW.

Artikel 20 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer.

Artikel 21 Overgangsrecht

  • 1. Op de jaarstukken 2012 worden de artikelen 6, 8 en 9 niet toegepast voor zover deze bepalingen afwijken van de eerdere met de dienst gemaakte afspraken en de dienst heeft aangegeven voor de jaarstukken 2012 niet te kunnen voldoen aan de onderhavige regeling.

  • 2. Indien de dienst heeft aangegeven voor de jaarstukken 2012 niet te kunnen voldoen aan de onderhavige regeling, geldt voor de jaarstukken 2012 artikel 9 van het Informatiestatuut Dienst Wegverkeer.

Artikel 22 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.

BIJLAGE BIJ ARTIKEL 6 VAN DE REGELING STURING VAN EN TOEZICHT OP DE DIENST WEGVERKEER

Aandachtspunten voor de accountantscontrole

De volgende elementen zijn aandachtspunten voor de accountantscontrole:

  • 1. Rechtmatigheid

    • a. controle van de rechtmatigheid van de bestedingen en inning van de middelen door de dienst. Rechtmatigheid houdt in dat een financiële transactie waarvan de uitkomst in de jaarrekening wordt verantwoord in overeenstemming is met de in internationale regelgeving, Nederlandse wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen opgenomen bepalingen die de uitkomst van die financiële transactie beïnvloeden.

    • b. voor de verstrekking van de verklaring over de rechtmatigheid conform artikel 35, derde lid, van de Kaderwet en de kwalificatie van die verklaring gelden ten aanzien van de in de jaarrekening opgenomen financiële stromen en saldi inzake de publieke middelen de volgende tolerantiegrenzen:

     

    Goedkeurende verklaring

    Verklaring met beperking

    Verklaring van oordeelonthouding

    Afkeurende verklaring

    Fouten in de jaarrekening

    Kleiner dan of gelijk aan 1%

    Tussen 1% en 3%

    n.v.t.

    Gelijk aan of meer dan 3%

    Onzekerheden in de controle

    Kleiner dan of gelijk aan 3%

    Tussen 3% en 10%

    Gelijk aan of meer dan 10%

    n.v.t.

  • 2. Tarieven

    • a. controle van de juiste en volledige hantering van de door de minister vastgestelde tarieven;

    • b. beoordeling of kosten en opbrengsten per taakcluster in de administratie zijn toegerekend op basis van het vastgestelde kostprijsmodel. Dit omvat het mogelijk voorkomen van kruissubsidiëring tussen de taakclusters.

  • 3. Niet-financiële informatie

    • a. beoordeling van de consistentie en de controleerbaarheid van het totstandkomingsproces van de in de jaarverantwoording opgenomen niet-financiële informatie.

  • 4. In-control-statement

    • a. beoordeling van de consistentie en de controleerbaarheid van het totstandkomingsproces van de in de jaarverantwoording opgenomen in-control-statement, waaronder de verenigbaarheid daarvan met de jaarrekening én de uitkomsten van de controlewerkzaamheden op de jaarrekening (NBA praktijkstandaard 1109).

  • 5. Informatiebeveiliging

    • a. beoordeling van de wijze van toepassing van de in artikel 41, eerste lid, van de Kaderwet bedoelde voorzieningen ter beveiliging van de gegevens van de dienst.

TOELICHTING

Algemeen

De onderhavige regeling is samen met de Beleidsregels sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer (RDW) het sluitstuk van de implementatie van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen (Kaderwet) voor de onder de minister van Infrastructuur en Milieu (IenM) ressorterende zelfstandige bestuursorganen (zbo’s). Per 1 februari 2007 is de Kaderwet in werking getreden. Deze wet harmoniseert het organisatierecht voor zbo’s en regelt het primaat van de politiek. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Kaderwet is deze wet op zbo’s die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Kaderwet zijn ingesteld, alleen van toepassing indien dit wettelijk wordt bepaald. Met de Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s1 wordt de Kaderwet op de RDW van toepassing verklaard en wordt de instellingswetgeving met de Kaderwet in lijn gebracht. Voor een toelichting wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de Aanpassingswet2.

Met de onderhavige regeling maak ik gebruik van de mogelijkheden die de Kaderwet mij biedt om de data van indiening van de begroting vast te stellen (artikel 26 van de Kaderwet) en, zoals aangegeven in de memorie van toelichting bij het aan de Aanpassingswet3 ten grondslag liggende wetsvoorstel bepaalde rechtshandelingen van de RDW aan mijn voorafgaande instemming te onderwerpen (artikel 32 van de Kaderwet). Daarnaast geef ik invulling aan de bepalingen van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de wet) door regels te stellen over de uitoefening van het toezicht door mij en de raad van toezicht (artikel 4u, eerste lid, van de wet), alsmede over de inrichting van het financieel meerjarenbeleidsplan (FMB). Het op grond van artikel 4u, derde lid, van de wet vast te stellen informatiestatuut maakt integraal onderdeel uit van de onderhavige regeling. Daarbij gaat het niet alleen om paragraaf 4, maar ook om de informatiestromen ten aanzien van de financiële documenten (paragraaf 3).

In de Beleidsregels sturing van en toezicht op de RDW is aangegeven hoe ik de bevoegdheden uitoefen die de Kaderwet en de instellingswet (hoofdstuk IA van de wet) mij geven ten aanzien van de RDW.

Het toezicht op de RDW staat niet op zichzelf. Onder IenM ressorteren nog andere zbo’s. Mijn uitgangspunt is om het opdrachtgeverschap aan en het toezicht op de zbo’s zo uniform mogelijk vorm te geven. Daarvoor heeft mijn ministerie een algemene toezichtvisie IenM op zbo’s en rechtspersonen met een wettelijke taak (rwt’s) opgesteld. De daarin opgenomen uitgangspunten zijn bepalend voor de manier waarop het besturingsmodel en het toezicht op de RDW middels onderhavige regeling en de beleidsregel sturing van en toezicht op de RDW concreet worden ingericht. Naast de onderhavige regeling en de Beleidsregels sturing van en toezicht op de Dienst Wegverkeer zijn er vergelijkbare regelingen en Beleidsregels voor de andere onder IenM ressorterende publiekrechtelijke zbo’s waarop met de bovengenoemde Aanpassingswet de Kaderwet van toepassing wordt (het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, de Luchtverkeersleiding Nederland en de Dienst voor het kadaster en de openbare registers, bedoeld in artikel 2 van de Organisatiewet Kadaster). Al deze regelingen en Beleidsregels zijn op eenzelfde manier vormgegeven. Verschil is alleen gemaakt waar de specifieke context dit vereist, bijvoorbeeld indien sprake is van Europese regels, of maatwerk gewenst is vanwege het verschil in aard van de werkzaamheden van het desbetreffende zbo. Voor de onder IenM ressorterende privaatrechtelijke zbo’s is een vergelijkbare aanpak gekozen, passend bij de op grond van de Kaderwet beperktere bevoegdheden van de minister.

De onderhavige regelgeving heeft geen consequenties voor burgers of bedrijfsleven.

Artikelsgewijs

§ 2. Directie en raad van toezicht van de Dienst Wegverkeer

Artikel 2 Ontstentenis directie

Conform artikel 4h van de wet treft de minister een voorziening in geval van ontstentenis van een lid van de directie.

Om de minister in staat te stellen deze voorziening te treffen, informeert de RDW de minister bijvoorbeeld bij langdurige afwezigheid in geval van ziekte over de ontstentenis.

Artikel 3 Rol raad van toezicht

Conform de artikelen 4d en 4j van de wet heeft de RDW een raad van toezicht waarvan de leden door de minister worden benoemd. In artikel 4l van de wet is verankerd dat de raad van toezicht van de RDW toeziet op de werkzaamheden van de directie en die met raad terzijde staat. Ook is in de wet vastgelegd dat de leden van de raad van toezicht op persoonlijke titel zitting hebben in de raad en hun functie uitoefenen zonder last of ruggespraak (artikel 4j, vierde lid).

De raad van toezicht is als intern toezichtorgaan gericht op de algemene gang van zaken en kijkt daarbij naar het belang van de RDW en alle daarbij betrokken belanghebbenden. Het toezicht van de raad van toezicht omvat ten minste het toezicht op de strategie en de risico’s verbonden aan de taken van de RDW, de opzet en de werking van de interne risicobeheersings- en controlesystemen, het financieel meerjarenbeleidplan, de financiële jaarverslaggeving, de naleving van de toepasselijke wet- en regelgeving, het integriteit- en transparantiebeleid en belangrijke bestuursbesluiten. De relatie tussen raad van toezicht en de directie is een andere dan die tussen de minister en de directie. De minister houdt extern toezicht op de RDW in verband met zijn politieke verantwoordelijkheid. Daarbij is uitgangspunt de vrijheid van de RDW om de bedrijfsprocessen naar eigen inzicht zo goed mogelijk in te richten. De raad van toezicht houdt als intern orgaan van de RDW intern toezicht op onder meer die bedrijfsprocessen. De bevoegdheden van de raad van toezicht staan in het teken van dat interne toezicht. De raad van toezicht legt over zijn toezichtactiviteiten verantwoording af in het jaarverslag en aan de minister.

§ 3. Financieel toezicht

Artikel 4 Begroting

Conform artikel 26 van de Kaderwet zendt de RDW jaarlijks voor een door de minister vast te stellen datum de begroting voor het daaropvolgende jaar aan de minister. Deze datum wordt bij deze regeling vastgesteld op 1 oktober.

Artikel 5 Financieel meerjarenbeleidsplan

Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan artikel 4l, vierde lid, van de wet.

Op grond van artikel 4t, tweede lid, van de wet legt de RDW het FMB voor aan de minister. Het FMB verschaft meerjarig inzicht in de keuzes die de RDW maakt ten aanzien van zijn uitvoeringsbeleid, de onderbouwing en de consequenties van de gemaakte keuzes, alsmede de financiële vertaling daarvan in de begroting en de meerjarencijfers. Inzicht wordt gegeven in kosten en opbrengsten per taakcluster en in de meerjarige ontwikkeling van de tarieven die daarbij horen. Tevens wordt inzicht gegeven in eventuele markt- en nevenactiviteiten. Samen met het jaarverslag geeft het FMB een sluitend beeld over de kwaliteit van de geleverde prestaties in het verleden en de nog te leveren prestaties. De continuïteit van de RDW wordt hiermee inzichtelijk. Op basis van het FMB wordt een begroting opgesteld die vervolgens weer een vertaling krijgt in een dekkingsvoorstel in de vorm van tarieven.

Het aan de minister voor te leggen financieel meerjarenbeleidsplan omvat de periode van het laatst afgesloten boekjaar (t-1), het lopende jaar (t), het komende begrotingsjaar (t+1) en de vier volgende jaren (t+2 tot en met t+5).

Uit het FMB blijkt de efficiency die het bestuur van de RDW zal nastreven. Efficiency heeft hierbij betrekking op een sobere inzet van de productiemiddelen van de zbo in relatie tot de output. De efficiency is het verschil tussen de beoogde inzet van productiemiddelen en de inzet daarvan in voorgaande jaren, uitgedrukt in een percentage of een vast bedrag.

De toelichting op de investeringen bevat een overzicht van die investeringen inclusief de afschrijvingen, de wijze van financiering en de effecten op de liquiditeitspositie.

Artikel 6 en bijlage Aandachtspunten voor de accountantscontrole

Conform artikel 4t van de wet kunnen bij ministeriële regeling aandachtspunten worden vastgesteld voor de accountantscontrole. Hieraan wordt met artikel 6 en de bijlage bij deze regeling invulling gegeven.

De aandachtspunten stellen zeker dat alle relevante aspecten in de controle worden meegenomen, zodat de minister in staat wordt gesteld om zijn bevoegdheid op grond van artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet tot goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening uit te oefenen.

De accountantscontrole op de jaarrekening mondt uit in een accountantsverklaring. De accountant maakt voor de accountantsverklaring gebruik van een de daarvoor in de Handleiding Regelgeving Accountancy voorgeschreven modeltekst. De accountant mag ervoor kiezen om ten behoeve van het ministerie een zogenaamde ‘WG-verklaring’ af te geven, waarbij uitsluitend de naam van de instellingsaccountant met aanduiding w.g. (was getekend) wordt vermeld. De origineel ondertekende verklaring/rapport met de persoonlijke handtekening van de accountant moet in het archief van de instelling worden opgenomen (zie ook Praktijkhandreiking 1103 van het NBA).

Ten aanzien van de in de regeling en de aandachtspunten voor de accountantscontrole genoemde accountantswerkzaamheden geldt een rapportagetolerantie. De rapportagetolerantie geeft aan vanaf welke omvang fouten gemeld moeten worden aan het ministerie in het verslag van bevindingen. Voor alle in de regeling genoemde posten, uitgezonderd de Europese aanbesteding en bezoldiging bestuurders, geldt een standaard rapportagetolerantie van 1% van de financiële stromen en saldi inzake de publieke middelen. Omdat het uitgangspunt wordt gehanteerd dat geconstateerde fouten zoveel mogelijk moeten worden gecorrigeerd, beperkt de accountant zich tot een uitzonderingsrapportage. Hiervoor gebruikt hij het verslag van bevindingen, waarin hij de aard en omvang van de geconstateerde fouten vermeldt. Het verslag van bevindingen moet voldoen aan de daaraan vanuit de Handleiding Regelgeving Accountancy gestelde eisen. De directie van de RDW stuurt de accountantsverklaring en de jaarrekening naar het ministerie.

De specifieke eisen voor de financiële verantwoording en de accountantscontrole liggen vast in artikel 35 van de Kaderwet:

  • Artikel 35, tweede lid, van de Kaderwet bepaalt onder meer dat de jaarrekening vergezeld gaat van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens artikel 35, derde lid, van de Kaderwet heeft de bovengenoemde verklaring mede betrekking op de rechtmatige inning en besteding van de middelen door een zbo (verklaring van getrouwheid en rechtmatigheid bij de jaarrekening van de RDW). Zoals de memorie van toelichting bij de Kaderwet4 aangeeft, wordt rechtmatigheid gedefinieerd als: ‘(...) dat het financieel beheer door het zelfstandig bestuursorgaan in overeenstemming dient te worden gevoerd met wettelijke regelingen, met door de minister gestelde specifieke voorwaarden en met contractuele afspraken met derden.’

  • Conform artikel 35, vierde lid, van de Kaderwet voegt de accountant een verslag van bevindingen bij zijn verklaring over de vraag of het beheer en de organisatie van een zbo voldoen aan de eisen van doelmatigheid (doelmatigheidsverklaring).

De in artikel 35, derde lid van de Kaderwet zbo bedoelde verklaring van de accountant (rechtmatigheidsverklaring) heeft betrekking op de in artikel 6 van onderhavige regeling beschreven aspecten. De in artikel 35, vierde lid, van de Kaderwet bedoelde verklaring van de accountant (doelmatigheidsverklaring) heeft betrekking op de gemiddelde ontwikkeling van de door de dienst in het afgelopen jaar geheven tarieven.

Indien een review wordt uitgevoerd is er sprake van hoor en wederhoor.

Artikel 7 Invulling artikel 4l, derde lid,van de wet juncto artikel 32 van de Kaderwet

Met artikel 7 wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheid die artikel 32 van de Kaderwet biedt om bepaalde beslissingen aan de voorafgaande instemming van de minister te onderwerpen. Tevens wordt hiermee conform artikel 4l, derde lid, van de wet bepaald dat de directie een beslissing als bedoeld in artikel 32 van de Kaderwet eerst aan de raad van toezicht moet voorleggen. Pas als de raad van toezicht geen bedenkingen heeft, kan de beslissing ter instemming aan de minister worden voorgelegd.

Zoals aangegeven in de memorie van toelichting bij de Kaderwet5 strekt dit artikel ertoe de minister de mogelijkheid te geven te bepalen dat hij vooraf zijn instemming moet geven aan het aangaan van de in dit artikel genoemde verplichtingen en transacties, die in het algemeen niet tot de dagelijkse praktijk van een zbo zullen behoren en die bovendien – indien aangegaan – vaak tot langjarige verplichtingen leiden. De meeste hier genoemde transacties – behoudens wellicht die onder b en c indien het gaat om de eigen huisvesting – zullen voor vrijwel alle zbo’s ongebruikelijk zijn en niet onlosmakelijk verbonden zijn met de uitoefening van hun taken. Voor voorgenomen transacties die onder het drempelbedrag vallen maar diens waarde meer is dan 5 miljoen euro is in het tweede lid van artikel 7 een informatieverplichting opgenomen. Daarmee wordt het ministerie in staat gesteld na verloop van tijd te beoordelen of de hoogte van de drempelbedragen juist is.

Omdat een rechtshandeling een grote invloed kan hebben op de kostprijzen van de clusters en daarmee wellicht op de tarieven en de vermogenspositie van de RDW, dient de RDW de minister over voorgenomen beslissingen als bedoeld in het eerste lid te informeren.

Door te bepalen dat de in artikel 7 genoemde transacties aan zijn voorafgaande instemming zijn onderworpen, kan de minister zicht houden op verplichtingen en aanspraken die het zelfstandige bestuursorgaan over een langere termijn heeft of gaat verkrijgen. Daarnaast kan hij erop toezien dat zbo’s zich uitsluitend richten op terreinen die tot hun onmiddellijke taak behoren en kan effectief worden voorkómen dat in beginsel gewenst alert middelenbeheer door zelfstandige bestuursorganen uitgroeit tot ongewenste vermogensvorming en vermogensbeheer met publieke middelen.

Ten aanzien van de registergoederen zoals genoemd in het eerste lid, onderdelen b, c en d, wordt opgemerkt dat in Nederland de vastgoedmarkt sterk onder druk staat. Mede daardoor kampt de Rijksoverheid met overcapaciteit en is het beleid erop gericht om die capaciteit te reduceren. Net als de Rijksoverheid dienen zbo’s zeer terughoudend te zijn met investeringen in onroerend goed. Het is voor zowel het Rijk als voor de zbo’s onwenselijk dat gekozen wordt voor nieuwbouw, indien er binnen de voorraad van (eigendoms)kantoorpanden een doelmatiger alternatief mogelijk is.

Dit artikel behelst in beginsel geen extra belasting van de RDW of van het ministerie. Tenslotte mag ten aanzien van de voorgenomen beslissingen voorondersteld worden dat zij steeds onderdeel uitmaken van het reguliere proces van begrotingsvoorbereiding en overleg over de begroting tussen de RDW en de minister. De goedkeuring van de begroting door de minister omvat dan ook de voorafgaande instemming van de voorgenomen beslissing. Ter verduidelijking is in artikel 7, derde lid, opgenomen dat een voorgenomen beslissing niet afzonderlijk aan de minister voorgelegd hoeft te worden, indien ze is opgenomen in de begroting.

Voor het aangaan van kredietovereenkomsten en geldleningen boven het in het derde lid van artikel 7 bepaalde bedrag van 1 miljoen euro behoeft de RDW de voorafgaande instemming van de raad van toezicht. Indien de beoogde kredietovereenkomst dan wel geldlening het in het eerste lid, onderdeel e, bepaalde bedrag overschrijdt, is de voorafgaande instemming van de minister vereist. De RDW kan de beslissing conform artikel 7, derde lid, in dat geval pas aan de minister voorleggen als de raad van toezicht heeft verklaard geen bedenkingen te hebben.

De beoordeling van een voorgenomen beslissing ten behoeve van de voorafgaande instemming richt zich op de borging van de ministeriële verantwoordelijkheid ten aanzien van de RDW. De volgende aspecten worden daarom telkens in de afweging betrokken:

  • doelmatigheidseisen;

  • continuïteit van de RDW;

  • kwaliteit van de taakuitvoering door de RDW;

  • tariefontwikkeling.

Om de minister tot deze afweging in staat te stellen, dient de RDW bij het voorleggen van een voorgenomen beslissing inzicht te verschaffen in gevolgen van de voorgenomen beslissing op deze aspecten. Evenzo zal bij het voorbeeld van een geldlening de reden voor de lening aangegeven moeten worden en of de geldlening wordt gebruikt voor uitgaven die voldoen aan de doelmatigheidseisen. Ook zal de RDW inzichtelijk moeten maken tegen welke rente en looptijd de geldlening wordt aangegaan. De RDW kan vrijwillig gebruik maken van de leen- of rekening-courant faciliteiten van het Ministerie van Financiën. Het gebruikmaken van die faciliteiten heeft de voorkeur boven het gebruik maken van reguliere bankinstellingen. De aanvraag om gebruik te maken van de faciliteiten wordt conform de regels van het Ministerie van Financiën ingediend bij het Ministerie van Financiën door tussenkomst van de minister. Het aangaan van leningen buiten het Ministerie van Financiën dient met IenM overlegd te worden, indien de beoogde lening boven de in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, bepaalde drempelbedragen uitkomt.

Zekerheidsstellingen door de RDW, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel f, worden niet wenselijk geacht en kunnen niet op instemming van de minister rekenen.

De minister beoordeelt het voornemen tot het vormen van andere fondsen en reserveringen dan de egalisatiereserve, bedoeld in artikel 33 van de Kaderwet, aan de hand van de afweging of deze nodig zijn om risico’s af te dekken dan wel nodig zijn als structurele of conjuncturele reserves. De kwantificering van de risico’s dient zo concreet mogelijk te zijn en zal periodiek geëvalueerd worden.

Ter invulling van het bepaalde in de Kaderwet zbo inzake het houden van reserves, houdt de RDW een structurele reserve, een conjuncturele reserve en een aantal overige bestemmingsreserves. De maximale hoogte van de structurele reserve bedraagt 20% van het balanstotaal. De bestemming en de maximale hoogte van de conjuncturele reserve en de overige bestemmingsreserves behoeven de goedkeuring van de minister.

§ 4. Informatie-uitwisseling

Er is sprake van een aantal informatieverplichtingen:

  • op grond van artikel 20 van de Kaderwet bestaat er een informatieverplichting van de directie jegens de minister;

  • ook is er sprake van een informatieverplichting van de directie jegens de raad van toezicht conform artikel 4i van de wet;

  • op grond van artikel 4k, vijfde lid, van de wet bestaat er voorts een informatieverplichting van de raad van toezicht jegens de minister; en

  • ten slotte is er sprake van een informatieverplichting van de minister jegens de directie. Die vindt haar grondslag in artikel 4u van de wet.

De informatie-uitwisseling tussen ministerie en zbo is tweerichtingsverkeer. Beide organisaties hebben baat bij de uitwisseling: de informatie stelt de minister in staat invulling te kunnen geven aan de ministeriele verantwoordelijkheid, terwijl ze de RDW in staat stelt om te anticiperen op ontwikkelingen.

Er worden drie manieren van informatie-uitwisseling onderscheiden:

  • documenten. Het betreft hier vooral het FMB, de begroting, de jaarrekening en het jaarverslag. Het kan echter ook gaan om – bijvoorbeeld – documenten die nodig zijn ter beantwoording van Kamervragen, ontwikkeling van beleid of verbetering van de taakuitvoering. Bij het opvragen van informatie is het van belang om de vraag naar informatie telkens af te zetten tegen zowel het doel van de informatie (duidelijkheid voor de RDW omtrent de publieke taakuitoefening dan wel oordeels- en eventuele interventiemogelijkheid door de minister) als tegen de aard van de relatie (op afstand waarbij de RDW zelfstandig en met eigen verantwoordelijkheden opereert);

  • formele overleggen. De volgende overleggen vinden in ieder geval plaats:

    • De raad van toezicht en degene die namens de minister toezicht houdt (de toezichthouder) (minimaal eens per jaar). Onderwerp van gesprek zijn in ieder geval de zelfevaluatie en de toezichtbevindingen van de raad van toezicht en het functioneren van het bestuur;

    • de directie en de toezichthouder (minimaal twee maal per jaar);

    • de directie, de raad van toezicht en de minister (minimaal eens per jaar).

    • de directie en de beleidsmaker.

  • informele overleggen. Op ‘werkvloerniveau’ vindt er regelmatig informeel contact plaats, zodat IenM en de RDW goed op de hoogte zijn van wederzijdse ontwikkelingen. Dit zorgt er onder meer voor dat beide organisaties goed kunnen anticiperen op op handen zijnde veranderingen en er in geval van calamiteiten snel een oplossing gevonden kan worden.

Er is niet alleen sprake van onderlinge informatieplicht. Het is ook de bedoeling dat informatie op toegankelijke wijze voor het publiek ontsloten wordt om invulling te geven aan één van de doelstellingen van de Kaderwet, het vergroten van het publieke inzicht in het functioneren van zbo’s. Daartoe wordt alle regelgeving (zoals instellingswet, toezichtvisie, bestuurs- en raad van toezichtreglementen), alsmede een overzicht van de leden van de directie en de raad van toezicht inclusief een rooster van aftreden op de website van het ministerie en de RDW gezet.

Artikelen 8 en 9 Jaarrekening en jaarverslag

Zoals in artikel 35, eerste lid, van de Kaderwet is bepaald, wordt in de jaarrekening rekening en verantwoording afgelegd over het financieel beheer en de geleverde prestaties van de bij of krachtens de wet aan de RDW opgedragen taken dan wel op andere activiteiten over het verstreken boekjaar. Indien sprake is van markt- of nevenactiviteiten of het gebruik van rest- en overcapaciteit geeft de jaarrekening bovendien volledige transparantie over de opbrengsten en kosten van deze activiteiten.

De jaarrekening bevat een voorstel voor de verrekening van het exploitatiesaldo. Uit het jaarverslag is af te leiden op welke wijze de realisatie in het boekjaar overeenkomt met dan wel afwijkt van de begroting en het tarievenvoorstel.

Verschillen tussen begroting en realisatie leiden vanzelf tot de vraag waarom de in de begroting weergegeven aannames niet zijn uitgekomen en welke impact dit heeft op de nabije toekomst. In zowel het FMB als het jaarverslag kan hierop een toelichting gegeven worden. Daarbij zal de RDW gebruik maken van kernprestatie-indicatoren.

De RDW gaat in zijn verslaglegging ook in op de voorzieningen die zijn getroffen om te voldoen aan artikel 19 van de Kaderwet, de adviezen die door die voorzieningen zijn uitgebracht en hoe met die adviezen is omgegaan.

Zoals in artikel 18, eerste lid, van de Kaderwet is bepaald, beschrijft het jaarverslag de taakuitoefening en het gevoerde beleid, alsmede het gevoerde beleid met betrekking tot de kwaliteitszorg. Zoals in artikel 19, derde lid, van de Kaderwet is bepaald, doet de RDW in het jaarverslag verslag van hetgeen de RDW doet ten aanzien van:

  • een tijdige voorbereiding en uitvoering;

  • de kwaliteit van de daarbij gebruikte procedures;

  • de zorgvuldige behandeling van personen en instellingen die met hem in aanraking komen;

  • de zorgvuldige behandeling van bezwaarschriften en klachten die worden ontvangen;

  • voorzieningen, waardoor personen en instellingen, die met de RDW in aanraking komen, in de gelegenheid zijn voorstellen tot verbeteringen van werkwijzen en procedures te doen.

Artikel 10 Toepassing internationale wet- en regelgeving

Dit artikel betreft de informatie van de RDW aan IenM waar het gaat om internationale wet- en regelgeving die niet in de nationale wetgeving hoeft te worden verwerkt. In het kader van de verantwoordelijkheid van de minister voor de totale taakuitoefening van de RDW is het van belang dat de minister voldoende informatie over de wijze van uitvoering van dit type regelgeving van de dienst ontvangt.

Artikel 11 Uitvoeringstoets Dienst Wegverkeer

Er zijn diverse situaties waarbij een uitvoeringstoets door de RDW gewenst is. IenM kan voorstellen van wet voorbereiden waarbij nieuwe opdrachten aan de RDW worden verleend. Attributie bij of krachtens de wet in een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling kan ook de basis zijn. Opdracht van eigen bevoegdheden van de minister aan de RDW in mandaat is ook een mogelijkheid. Bij of krachtens de wet kunnen algemeen verbindende regels worden gesteld voor de taakuitvoering. Op basis van artikel 21 van de Kaderwet kunnen beleidsregels voor de taakuitvoering worden gesteld en in geval van mandaat kunnen instructies worden gegeven in de mandaatregeling.

Beleidsvoornemens en voorstellen voor wet- en regelgeving die van invloed zijn op de RDW of diens taakopdracht of taakuitvoering zullen door IenM aan de RDW worden voorgelegd voor een uitvoeringstoets. De uitvoeringstoets van de RDW zal in de regel ingaan op de vraag hoe doeltreffende, doelmatige en rechtmatige uitvoering van de op te dragen taak of uit te voeren regeling verzekerd kan worden, op de effecten ervan op de overige taakuitvoering van de RDW, op de bedrijfsvoering en financiering, als ook op de gevolgen voor gebruikers en andere stakeholders. De minister zal in zijn verzoek om een uitvoeringstoets ook specifieke vragen kunnen stellen, terwijl de RDW ook uit eigener beweging elementen in een uitvoeringtoets kan opnemen. De uitvoeringstoets kan ook gefaseerd plaatsvinden: een eerste toets op een voornemen en naderhand een definitieve toets op een uitgewerkt of nadien op een deels gewijzigd voorstel. De minister zal in zijn verzoek ook aangeven op welke termijn hij een uitvoeringstoets verwacht en na ontvangst ervan wanneer er welk gevolg aan wordt gegeven. IenM laat aan de RDW weten wat met de uitvoeringstoets wordt gedaan. De RDW heeft ook de mogelijkheid om op eigen initiatief een uitvoeringstoets te doen, indien IenM nalaat hier tijdig een verzoek voor in te dienen.

Het zoveel mogelijk verbinden van het proces van de uitvoeringstoets met de cyclus van voorstellen voor begroting, tarieven, financieel meerjarenbeleidsplan komt de integraliteit van de beoordeling en de efficiency van het besluitvormingsproces ten goede.

Artikel 12 Uitvoeringsevaluaties

Bij het op afstand zetten van de uitvoering van beleid en de uitvoering van wet- en regelgeving is het van belang de wisselwerking tussen beleidsbepaling en beleidsuitvoering te behouden. Wanneer beleid eenmaal in uitvoering is genomen, kan de evaluatie dienen om de effecten te meten en eventueel aanleiding zijn om bestaand beleid en regelgeving aan te passen.

In principe neemt de minister het initiatief tot een uitvoeringsevaluatie. Heeft de minister (nog) geen verzoek gedaan, en mocht naar het oordeel van de RDW een evaluatie nodig zijn dan zal de RDW dit aan de minister melden.

Artikel 13 ICT-projecten

Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan artikel 20 Kaderwet. De rapportageverplichting is beschreven in de brief van de minister van Binnenlandse Zaken aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2009/10, 26 643, nr. 148, blz. 5). Daarin is aangegeven dat niet alleen projecten met een ICT-component van meer dan 20 miljoen euro worden opgenomen in de rapportage aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, maar ook projecten die weliswaar onder die grens liggen, maar wel een hoog risicoprofiel hebben.

Artikel 14 Integriteit

Ook bij zelfstandige bestuursorganen wordt gehecht aan een toereikend integriteitbeleid. Voorbeelden hiervan zijn het hebben van een vertrouwenspersoon integriteit, de aanwezigheid en toepassing van een klokkenluidersregeling, en een gedragscode waarin wordt ingegaan op ongewenste omgangsvormen, omgaan met informatie/geheimhouding/vrijheid van meningsuiting (informatiebeveiliging), geschenken en voordelen, nevenwerkzaamheden en financiële belangen en transacties met effecten.

Artikel 15 Reglement financieel beheer

Conform artikel 4r van de wet stelt de directie een reglement op over ordelijk financieel beheer. Voor het vaststellen van dit reglement is geen instemming van de minister nodig. De RDW biedt op grond van het onderhavige artikel het reglement wel ter informatie aan de minister aan.

Artikel 16 Onderzoek door derden ten behoeve van toezicht

De minister kan een derde aanwijzen om in het kader van het toezicht op het functioneren van de RDW onderzoek te doen naar een door de minister te bepalen onderdeel van de RDW of van de taakuitoefening door de RDW. Hierover zal van tevoren overleg plaatsvinden met de RDW. Doorgaans zal informatieverstrekking door de RDW nodig zijn om dergelijk onderzoek uit te voeren. Ingevolge artikel 16 verstrekt de RDW de derde op de door de derde te bepalen wijze de ter zake van het onderzoek gevraagde informatie voor zover dit niet beperkt is door de wet of contract.

Artikel 17 Informatieverstrekking van de minister aan de Dienst Wegverkeer

Zoals boven aangegeven is de informatie-uitwisseling tussen IenM en de RDW tweerichtingsverkeer. De minister verstrekt de RDW de inlichtingen die deze voor zijn taakuitoefening redelijkerwijs nodig heeft. Artikel 17 geeft daaraan invulling. Daarbij kan het gaan om aanschrijvingen van de Minister van Financiën of de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Een aanschrijving is een vorm van mededeling vanuit een ministerie naar een organisatie. Bijvoorbeeld wanneer er voldaan moet worden aan een bepaalde regel of motie.

Artikel 18 Instemmingstoets van de minister

Artikel 18 verplicht de dienst om tot hem gerichte voorstellen tot taakopdrachten door een ander bestuursorgaan dan wel voornemens tot het verrichten van markt- en nevenactiviteiten tijdig aan IenM voor te leggen voor een instemmingstoets. Dit artikel is als onderdeel van de informatieverstrekking van de dienst in de regeling opgenomen. De beoordeling die IenM voorneemt ten behoeve van de instemming is in artikel 17 van de Beleidsregels sturing van en toezicht op de Dienst Wegvervoer opgenomen.

§ 5. Overige bepalingen

Artikel 19 Intrekking van regeling en besluiten

Het van toepassing verklaren van de Kaderwet op de RDW was aanleiding om de gehele governancestructuur van de RDW door te lichten en waar nodig aan te passen. De Kaderwet, de in de wet opgenomen instellingswetgeving en de onderhavige regeling vormen vanaf het moment van van toepassing worden van de Kaderwet grotendeels het kader voor de RDW. De in dit artikel opgesomde documenten worden door het nieuwe kader vervangen.

Het Besluit departementale uitgangspunten tarievenbeleid Dienst Wegverkeer (Stcrt. 1996/234) vervalt van rechtswege als gevolg van de wijziging van de artikelen 4c en 4l van de Wegenverkeerswet 1994. Ook het Besluit vaststelling bedrag goedkeuring geldleningen Dienst Wegverkeer (Stcrt. 1996/234) vervalt van rechtswege als gevolg van de wijziging van artikel 4l van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 21 Overgangsrecht

Voor de jaarstukken 2012 worden de oude afspraken ten aanzien van de vastlegging en de accountantscontrole geëerbiedigd voor zover deze inhoudelijk afwijken van de in onderhavige regeling opgenomen bepaling en de RDW heeft aangegeven hieraan niet te kunnen voldoen.

Artikel 22 Inwerkingtreding

De artikelen I en II van de wet van 13 september 2012 tot wijziging van een aantal wetten, houdende regels betreffende zelfstandige bestuursorganen die onder de Minister van Infrastructuur en Milieu ressorteren en enige wijzigingen ter actualisatie, vereenvoudiging en verduidelijking (Aanpassingswet zbo’s IenM aan de Kaderwet zbo’s6) zullen met ingang van 1 januari 2013 in werking treden. Ook de onderhavige regeling zal per die datum in werking treden. Van de in het systeem van vaste verandermomenten opgenomen minimale invoeringstermijn van twee maanden tussen publicatie en inwerkingtreding wordt afgeweken. Deze regeling heeft alleen gevolgen voor de RDW en die is door deze afwijkende publicatiedatum niet geschaad, omdat hij al bekend is met deze datum.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.


X Noot
1

Stb. 2012, 442.

X Noot
2

Kamerstukken II 2011/12, 33 250, nr. 3, bladzijden 2 tot en met 6 en 19 tot en met 22.

X Noot
3

Kamerstukken II 2011/12, 33 250, nr. 3, bladzijde 4.

X Noot
4

Kamerstukken II 2000/01, 26 426, nr. 3, blz. 32.

X Noot
5

Kamerstukken 2000/01 27 426, nr. 3, pag. 31.

X Noot
6

Stb. 442.