Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2012, 214Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 december 2011, nr. WJZ/355188 (10156), tot wijziging van de Regeling normen studiefinanciering en tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 2011 en 2012, de Regeling studiefinanciering 2000 en de Regeling tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 6.3 en artikel 11.1 van de Wet studiefinanciering 2000, artikel 17 van het Besluit studiefinanciering 2000, artikel 8.1, eerste lid, en artikel 11.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en artikel 5 van het Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;

Besluit:

ARTIKEL I WIJZIGING VAN DE REGELING NORMEN STUDIEFINANCIERING EN TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN 2011 EN 2012

De Regeling normen studiefinanciering en tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 2011 en 2012 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1’ geplaatst.

2. Er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Met ingang van 1 januari 2012 wordt het bedrag, genoemd in artikel 3.4, tweede lid, van de wet, vastgesteld op € 8.905,50.

B

Artikel 4 wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1’ geplaatst.

2. Er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Met ingang van 1 januari 2012 worden de bedragen, genoemd in artikel 3.9, derde lid, van de wet, vastgesteld op € 17.449,07 respectievelijk € 22.128,18.

C

Ingevoegd wordt een nieuw artikel, luidende:

Artikel 4a

Met ingang van 1 januari 2012 wordt het bedrag, genoemd in artikel 3.17, eerste lid, van de wet, vastgesteld op € 13.362, 53.

D

Artikel 5 wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1’ geplaatst.

2. Er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid, luiden de bedragen voor de maximale aanvullende beurs/lening en de basislening in het hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de wet, van 1 januari 2012 tot 1 januari 2013, als volgt:

     

    Hoger onderwijs

    Beroepsonderwijs

    Maximale aanvullende beurs/lening (of veronderstelde ouderlijke bijdrage)

       

    a. thuiswonend

    € 222,84

    € 309,40

    b. uitwonend

    € 242,76

    € 329,33

    Basislening

    € 285,70

     

E

Artikel 7 wordt gewijzigd als volgt:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1’ geplaatst.

2. In het eerste lid vervalt de zinsnede ‘, eerste lid’.

3. Er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het rentepercentage, bedoeld in artikel 6.3 van de wet, wordt voor het jaar 2012 vastgesteld op 1,39 procent.

F

Artikel 8 vervalt.

G

Onder vernummering van het tweede tot derde lid wordt in artikel 11 een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Met ingang van schooljaar 2012–2013 wordt het grensbedrag toetsingsinkomen, genoemd in artikel 2.23, tweede lid, van de wet, vastgesteld op € 34.806,36.

H

Artikel 12 wordt gewijzigd als volgt:

1. Onder de koppen ‘hoofdstuk 5, afdeling 5.1’, en ‘hoofdstuk 5, afdeling 5.2’, wordt de zinsnede ‘het schooljaren’ telkens vervangen door: de schooljaren.

2. Onder de kop ‘hoofdstuk 10’ wordt in onderdeel c de zinsnede ‘de schooljaren 2011–2012 en 2013’ vervangen door: de schooljaren 2011–2012 en 2012–2013.

I

De artikelen 13, 14 en 15 vervallen.

ARTIKEL II WIJZIGING VAN DE REGELING STUDIEFINANCIERING 2000

Artikel 6.1, derde lid, tweede volzin, van de Regeling studiefinanciering 2000, komt te luiden: Wanneer die maandbetalingen hoger zijn dan € 151,53 naar de maatstaf van 1 januari 2012, geschiedt de verrekening met dat bedrag.

ARTIKEL III WIJZIGING VAN REGELING TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN

Artikel 3.1, derde lid, tweede volzin, van de Regeling tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten komt te luiden: Wanneer die betalingen hoger zijn dan € 57,05 naar de maatstaf van 1 januari 2012, geschiedt de verrekening met dat bedrag.

ARTIKEL IV

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2012.

  • 2. Indien de Staatscourant, waarin deze regeling wordt geplaatst, verschijnt na 31 december 2011, dan treedt deze regeling in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2012.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

H. Zijlstra.

TOELICHTING

1. Algemeen

In de Regeling normen studiefinanciering en tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 2011–2012 (hierna Regeling normen) zijn de bedragen vermeld die, met betrekking tot de Wet studiefinanciering 2000 (hierna WSF 2000) en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (hierna: WTOS), gelden voor de jaren 2011–2012, voor zover zij bij ministeriële regeling moeten worden vastgesteld. De bedoelde bedragen worden jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld om ze te kunnen aanpassen aan loon- en prijsontwikkelingen. In 2011 en 2012 wordt echter een aantal normbedragen niet aangepast vanwege de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in verband met onder meer niet-indexering normbedragen voor 2011 en 2012 en aanpassing aanvullende beurs (Stb. 2010, 807, hierna Wet nina). Ook de Wet van 23 april 2009 tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de verhoging van het collegegeld en de aanpassing van het aflossingssysteem studieschulden (Stb. 2009, 246, hierna Wet cats) zorgde voor tijdelijke niet aanpassing (schooljaren 2010 en 2011), in dit geval van de bijverdiengrens.

Met de onderhavige wijzigingsregeling worden respectievelijk de Regeling normen, de Regeling studiefinanciering 2000 (hierna: RSF 2000) en de Regeling tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (hierna: RTOS) gewijzigd voor wat betreft de normbedragen die niet tijdelijk door de Wet nina worden bevroren en voor het jaar 2012 moeten worden vastgesteld. Het betreft het inkomensgrensbedrag voor de bepaling van de aanspraak op partnertoeslag en het grensbedrag (de vrije voet) voor de bepaling van de veronderstelde ouderlijke bijdrage opgenomen in de WSF 2000 en de grensbedragen voor het toetsingsinkomen opgenomen in de WTOS. Tevens vindt aanpassing plaats van het rentepercentage met betrekking tot rentedragende leningen, evenals van de bedragen waarmee teveel uitbetaalde studiefinanciering, respectievelijk tegemoetkoming, moeten worden verrekend. Daarnaast worden de bedragen voor de maximale aanvullende beurs/lening en het bedrag voor de basislening in de kolom hoger onderwijs aangepast conform de Wet cats en wordt tevens vanaf 1 januari 2012 de bijverdiengrens weer geïndexeerd. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om enkele verschrijvingen in de Regeling normen te corrigeren.

De aanpassingen van de bedragen die weliswaar uit de WSF 2000 en WTOS voortvloeien, maar niet in deze regeling zijn opgenomen worden voor de volledigheid in hoofdstuk 2 toegelicht.

2. Overig WSF 2000 en WTOS

2.1 WSF 2000

In de artikelen 4.8, tweede lid, en 5.3, tweede lid, van de WSF 2000 is bepaald dat het deel van de prestatiebeurs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, gelijk is aan een twaalde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan de minister in rekening wordt gebracht. De betaling aan het vervoerbedrijf gedeeld door het aantal studentenreisproducten leidt tot een realistische weergave van de gemiddelde waarde van de reisvoorziening. Dit deel van de prestatiebeurs bedraagt voor het kalenderjaar 2012 € 91,17 en wordt, overeenkomstig artikel 5.3, tweede lid, laatste volzin, niet uitbetaald of verrekend.

2.2 WTOS

Omdat de WTOS verschillende categorieën van personen bedient, zijn de tegemoetkomingen voor de onderwijsbijdrage gebaseerd op verschillende te betalen onderwijsbijdragen.

Voor leerlingen in het niet bekostigd onderwijs en voor een bepaalde groep deelnemers aan het bekostigd voltijds beroepsonderwijs (artikel 3.3, eerste lid, WTOS) alsmede voor een bepaalde groep deelnemers aan het vavo (artikel 4.4, eerste lid, WTOS) is de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage gelijk aan het lesgeld, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet. Dit bedrag is voor het schooljaar 2012–2013 vastgesteld op € 1.065,– (Regeling vaststelling lesgeld voor het cursusjaar 2012–2013). Een twaalfde deel hiervan is € 88,75.

Voor leerlingen in het deeltijd voortgezet onderwijs en vavo (artikel 5.10 en artikel 10.7, tweede lid, WTOS) is de hoogte van de onderwijsbijdrage afhankelijk van de periode waarin en het aantal minuten per week dat onderwijs gevolgd wordt. De hoogte van de bedragen is nog niet bekend, omdat die afhankelijk is van de hoogte van het cursusgeld 2012–2013 zoals dat uiterlijk per 31 maart 2013 wordt vastgesteld en bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen A en B (artikel 3 en 4 van de Regeling normen)

In de artikelen 3 en 4 van de Regeling normen vindt aanpassing van de loongevoelige WSF-grensbedragen partnertoeslag en ouderbijdrage plaats. Als indexcijfer van de CAO-lonen wordt, op grond van artikel 2, eerste lid, van de Regeling normen, gehanteerd de reeks ‘CAO-lonen per maand inclusief bijzondere beloningen (2006 = 100)’ zoals die wordt berekend en bekendgemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De indexering is bepaald door de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen over de maand december van het tweede jaar voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van de maand december van het daaraan voorafgaande jaar. Bedoeld indexcijfer over december 2009 bedraagt 125,9 en over december 2010 127,3. De procentuele ontwikkeling is 1,11%. De loongevoelige WSF-(grens)bedragen voor het jaar 2012 zijn berekend met gebruikmaking van deze procentuele ontwikkeling.

Onderdeel C (Artikel 4a van de Regeling normen)

De Wet cats regelt onder meer de introductie van een zogenaamde ‘glijdende schaal’ bij de bijverdiengrens in de studiefinanciering, inhoudende dat een studerende, die meer dan de bijverdiengrens heeft bijverdiend, nooit een hogere vordering hoeft te betalen dan het bedrag waarmee de bijverdiengrens is overschreden. De vordering wordt ook nooit meer dan het bedrag dat de studerende heeft ontvangen aan basisbeurs, aanvullende beurs en de waarde van de OV-studentenkaart samen. Nadat de bijverdiengrens twee jaar lang niet is geïndexeerd om de maatregel neutraal in te voeren, wordt in het nieuwe artikel 4a per 1 januari 2012 het bedrag geïndexeerd naar € 13.362,53. De bijverdiengrens is daarmee aangepast aan de hand van de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen over de maand december van het tweede jaar voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van de maand december van het daaraan voorafgaande jaar (zie ook hierboven de toelichting bij de onderdelen A en B).

Onderdeel D (artikel 5 van de Regeling normen)

In artikel 5 worden de normbedragen als volgt aangepast:

  • de bedragen maximale aanvullende beurs/lening in de kolom hoger onderwijs zijn met € 1,84 verhoogd vanwege de maatregelen in de Wet cats;

  • het bedrag basislening in de kolom hoger onderwijs is met € 1,84 verlaagd vanwege de maatregelen in de Wet cats;

  • de bedragen maximale aanvullende beurs/lening in de kolom beroepsonderwijs zijn verhoogd om de indexering van het lesgeld te compenseren (Regeling vaststelling lesgeld voor het cursusjaar 2012–2013).

De verhoging/verlaging van de bedragen in de kolom hoger onderwijs vloeit voort uit de Wet cats en betreft de compensatie voor de stapsgewijze verhoging van het collegegeld. De verhoging van de bedragen in de kolom beroepsonderwijs vloeit voort uit de indexatie van het lesgeld.

Onderdeel E (Artikel 7 van de Regeling normen)

Artikel 6.3, eerste lid, van de WSF 2000 schrijft voor dat jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage wordt vastgesteld ten behoeve van de rentedragende leningen. Daarbij moet worden uitgegaan van een rentepercentage dat gelijk is aan het over de maand oktober van dat jaar bekend gemaakte gemiddeld effectief rendement van openbare leningen, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 3 tot 5 jaar. Het gemiddeld effectief rendement bedroeg in oktober 2011 1,39 procent. Dit percentage is voor het kalenderjaar 2012 van toepassing op leningen aangegaan na 31 december 1991.

Het rentepercentage dat van toepassing is op leningen aangegaan voor 1 januari 1992 is overeenkomstig artikel 12.10a van de WSF 2000 elk jaar 1,65-procentpunt lager dan het hiervoor genoemde percentage. Gelet op het feit dat dat percentage voor 2012 1,39 procent bedraagt, komt dat rentepercentage op 0 procent te staan voor het kalenderjaar 2012.

Onderdeel G (Artikel 11 van de Regeling normen)

Het grensbedrag toetsingsinkomen, genoemd in artikel 2.23, tweede lid, van de WTOS wordt op grond van artikel 10, eerste lid, van de Regeling normen aangepast aan de hand van de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen over de maand december van het tweede jaar voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van de maand december van het daaraan voorafgaande jaar. Bedoeld indexcijfer over december 2009 bedraagt 125,9 en over december 2010 127,3. De procentuele ontwikkeling is 1,11%. Het grensbedrag toetsingsinkomen voor 2012 is berekend met gebruikmaking van deze procentuele ontwikkeling.

Artikel II in samenhang met artikel I, onderdeel F

Op grond van artikel 7.4, zesde lid, van de WSF 2000, worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot de terugbetaling en verrekening van studiefinanciering. Dit is gebeurd in de RSF 2000. In artikel 6.1, derde lid, van de RSF 2000 is het bedrag bepaald waarmee teveel uitbetaalde bedragen worden verrekend. In artikel 6.2 van de RSF 2000 is bepaald dat dit bedrag wordt aangepast met de procentuele wijziging, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het BSF 2000 (indexering aan de hand van de consumentenprijsindex). Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Regeling normen wordt als consumentenprijsindex gehanteerd de reeks ‘consumentenprijsindex alle huishoudens (2006 = 100)’ zoals die wordt berekend en bekendgemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De indexering is bepaald door de procentuele wijziging die het consumentenprijsindexcijfer over het tweede jaar voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van het daaraan voorafgaande jaar. Bedoeld indexcijfer over 2009 bedraagt 105,38 en over 2010 106,72. De procentuele ontwikkeling is 1,27%. Het verrekenbedrag voor 2012 is berekend met gebruikmaking van deze procentuele ontwikkeling.

In artikel 8 van de Regeling normen was de wijziging van RSF 2000 opgenomen waarmee het bovengenoemde verrekenbedrag op basis van de indexcijfers voor het jaar 2011 werd aangepast. Omdat de bepaling is uitgewerkt, kan deze vervallen (artikel I, onderdeel F).

Artikel III in samenhang met artikel I, onderdeel I

Op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de WTOS worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot het uitbetalen en verrekenen van tegemoetkomingen. Dit is gebeurd in de RTOS. In artikel 3.1, derde lid, van de RTOS is het bedrag bepaald waarmee teveel uitbetaalde bedragen worden verrekend. In artikel 3.3 RTOS is bepaald dat dit bedrag wordt aangepast met de procentuele wijziging, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het BTOS (indexering aan de hand van de consumentenprijsindex). Op grond van artikel 10, tweede lid, van de Regeling normen wordt als consumentenprijsindex gehanteerd de reeks ‘consumentenprijsindex alle huishoudens (2006 = 100)’ zoals die wordt berekend en bekendgemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De indexering is bepaald door de procentuele wijziging die het consumentenprijsindexcijfer over het tweede jaar voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van het daaraan voorafgaande jaar. Bedoeld indexcijfer over 2009 bedraagt 105,38 en over 2010 106,72. De procentuele ontwikkeling is 1,27%. Het verrekenbedrag voor 2012 is berekend met gebruikmaking van deze procentuele ontwikkeling.

In artikel 13 van de Regeling normen was de wijziging van RTOS opgenomen waarmee het bovengenoemde verrekenbedrag op basis van de indexcijfers voor het jaar 2011 werd aangepast. Omdat de bepaling is uitgewerkt, kan deze vervallen. In artikel 14 en 15 van Regeling normen zijn uitgewerkte bepalingen opgenomen betreffende de Regeling normen onderwijsbijdrage en schoolkosten 2010 en de Regeling stimulering internationale mobiliteit volledige hoger onderwijsopleidingen 2002. Deze bepalingen kunnen derhalve eveneens vervallen (artikel I, onderdeel I).

De staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

H. Zijlstra.