Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 13 mei 2011, nr. DJZ/BR-0370/11, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Fonds Politieke Partijen II 2012–2015)

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken,1

Gelet op artikel 4.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;2

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 4.8 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van het Fonds Politieke Partijen II met het oog op de financiering van activiteiten op het gebied van goed bestuur die strekken tot structurele armoedebestrijding gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

Voor subsidieverlening in het kader van het Fonds Politieke Partijen II geldt voor de periode 1 januari 2012 tot en met 31 december 2015 een subsidieplafond van € 32 miljoen.

Artikel 3

  • 1. Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Fonds Politieke Partijen II worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 5 augustus 2011.

  • 2. Aanvragen worden ingediend aan de hand van het daartoe door de Staatssecretaris vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.3

Artikel 4

De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt en vervalt met ingang van 1 januari 2016 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage, uitgezonderd de annexen, in de Staatscourant worden geplaatst. De annexen bij de bijlage zullen op internet, http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken,

namens deze:

de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,

J.M.G. Brandt.

BIJLAGE

April 2011

Subsidiebeleidskader Politieke Partijen II (2012–2015)

1. Inleiding

Voor u ligt het Subsidiebeleidskader Politieke Partijen II (PP-II) voor de periode 2012–2015. Het beleidskader vormt het richtsnoer voor de beoordeling van de aanvragen voor subsidies onder dit kader. Samen met het verplicht te hanteren aanvraagstramien (zie annex I) vormt het tevens de leidraad bij het opstellen van de subsidieaanvraag voor de periode 2012–2015.

Een goed functionerend democratisch bestel levert een belangrijke bijdrage aan menselijke ontplooiing en ontwikkeling. Politieke partijen en bewegingen vervullen hierin een sleutelrol. Vanuit deze achtergrond heeft Nederland de afgelopen decennia geïnvesteerd in versterking van inhoudelijk gedreven politieke partijen en bewegingen in partnerlanden en het stimuleren van overleg en samenwerking tussen partijen en bewegingen op lokaal niveau. De Nederlandse voortrekkersrol op dit gebied is onomstreden en krijgt internationaal veel erkenning.

De afgelopen jaren is de internationale erkenning van het belang van politieke partijen en bewegingen als dragers van duurzame en pluriforme democratie en de opbouw van de democratische rechtsstaat verder toegenomen. Voor Nederland reden om de samenwerking met politieke actoren ook in de toekomst voort te zetten. Om deze reden is besloten om een meerjarige subsidietender uit te zetten, die per 1 januari 2012 effectief zal worden.

De voorliggende tender is vastgesteld onder het Standaardkader ontwikkelingssamenwerking (SO).1 De hoogte van het budget bedraagt 32 miljoen Euro over een periode van 2012 t/m 2015. Deze tender wordt opengesteld voor nationale en internationale non-gouvernementele organisaties. Bedrijven komen niet in aanmerking voor een subsidie in het kader van deze tender.

In dit Subsidiebeleidskader worden in hoofdstuk 2 allereerst de beleidsuitgangspunten geschetst die de basis vormen voor PP II. De uitgangspunten zijn vertaald in voorwaarden die gelden om voor subsidieverlening in het kader van PP II in aanmerking te kunnen komen: de drempelcriteria. Vervolgens zijn op basis van de beleidsuitgangspunten beoordelingscriteria opgesteld. De beoordelingscriteria vormen de basis voor de beoordeling van de subsidieaanvragen die aan de drempelcriteria voldoen.

Voordat deze criteria uiteen worden gezet in hoofdstuk 4, beschrijft dit Subsidiekader in hoofdstuk 3 hoe de beoordelingsprocedure van subsidieaanvragen zal verlopen. De beoordeling gebeurt in twee achtereenvolgende fasen, steeds aan de hand van toetsen die de verschillende beoordelingscriteria bevatten.

De eerste beoordelingsfase bestaat, naast de toets op de drempelcriteria, uit een organisatietoets (O-toets) aan de hand waarvan een oordeel wordt gevormd over de kwaliteit en doelmatigheid van de aanvragende organisatie.

De tweede beoordelingsfase bestaat uit de beoordeling van de kwaliteit van het programma door middel van een programmatoets. Deze komt in hoofdstuk 4 aan bod.

Bij dit Subsidiebeleidskader behoort een aantal annexen. Het betreft Landenlijsten Focusbrief (Annex I), omschrijving ODA criteria (Annex II), Definities ‘Outcomes’ en ‘Outputs’ door DAC/OECD (Annex III) en de DAC lijst voor ODA ontvangers (Annex IV).

2. Beleidsuitgangspunten van het PP II

2.1. Beleidsintensiveringen en landenprofielen

De Focusbrief Ontwikkelingssamenwerking van 18 maart 2011 (hierna: Focusbrief OS) bevat de beleidsvoornemens van het huidige kabinet voor Ontwikkelingssamenwerking.2 Op basis van een analyse van de snel veranderende omstandigheden in de wereld die vanzelfsprekend ook gevolgen hebben voor ontwikkelingssamenwerking, worden in de focusbrief vier thematische speerpunten voor de bilaterale ontwikkelingssamenwerking benoemd:

  • 1. Water

  • 2. Voedselzekerheid

  • 3. Veiligheid en rechtsorde

  • 4. Seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR)

Activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen ten laste van het PP II, zullen voor het meerjarige en structurele deel (categorie 1; zie omschrijving in hoofdstuk 2.2) mede beoordeeld worden op de aansluiting bij de in de Focusbrief gestelde prioriteiten.

Daarnaast heeft de Staatssecretaris van OS in bovengenoemde Focusbrief het aantal partnerlanden waar Nederland een ontwikkelingsrelatie mee heeft, verminderd van 33 naar 15, ingedeeld naar drie landenprofielen. Het gaat, kort samengevat, om de volgende drie profielen:

  • 1. Profiel I landen: hier staat versneld realiseren van de millennium ontwikkelingsdoelen centraal. De landen zijn overwegend politiek stabiel en beschikken in meer of mindere mate over gevestigde instituties, maar hebben met hardnekkige en grootschalige armoede te maken.

  • 2. Profiel II landen: het zwaartepunt van de problematiek in deze landen ligt bij fragiliteit, ongelijkheid en conflictgevoeligheid. Deze landen hebben te kampen met een dominant veiligheidsprobleem.

  • 3. Profiel III landen: met deze landen onderhoudt Nederland een ‘brede relatie’. Zij hebben de meeste vooruitgang geboekt met de millennium ontwikkelingsdoelen en zijn in staat armoedebestrijding steeds meer zelfstandig aan te pakken.

Voor een overzicht van de landen die onder de specifieke profielen vallen, wordt verwezen naar annex IV: Landenlijsten.

2.2. Doelstelling en beleidsthema’s van het PP II

De overkoepelende beleidsdoelstelling van het PP II is het leveren van een bijdrage aan het functioneren van het democratische bestel in ontwikkelingslanden door de versterking van politieke partijen en bewegingen, als bouwsteen voor structurele armoedevermindering. Voor subsidiëring van activiteiten die hieraan bijdragen heeft de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken voor de periode 2012–2015 € 32 miljoen ter beschikking gesteld.

Om voor subsidieverlening in het kader van PP II in aanmerking te kunnen komen dienen de aanvragende organisaties strategische samenwerkingsverbanden met partners in het Zuiden te hebben en moeten zij op een effectieve en efficiënte wijze werken aan de opbouw en versterking van het politieke partijenstelsel in OS-landen.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie in het kader van het PP II dienen activiteiten betrekking te hebben op één van de volgende twee categorieën:

  • 1. Structurele meerjarige programma’s in Partnerlanden die aansluiten bij de speerpunten en landen zoals vastgelegd in de Focusbrief OS en die betrekking hebben op:

    • het stimuleren en begeleiden van meerpartijen dialoog.

    • capaciteitsversterking van politieke partijen, gericht op versterking van het democratisch proces.

    • verbetering van de samenwerking tussen de politieke partijen, private sector en maatschappelijke organisaties.

  • 2. Incidentele en katalyserende activiteiten in niet-partnerlanden (maar wel DAC-landen) waarbij duidelijk aanwijsbaar wordt aangesloten bij de prioriteiten van het Nederlands buitenlands beleid: a) stabiliteit, vrede en veiligheid, b) economische belangen, welvaart en voorspoed en c) mensenrechten, door:

    • het stimuleren van meerpartijen dialoog.

    • hulp aan politieke partijen/groeperingen bij het vormgeven en uitvoeren van democratiseringsprocessen.

    • verbetering van de samenwerking tussen politieke partijen, de private sector en maatschappelijke organisaties.

Een aanvraag dient in elk geval activiteiten uit Categorie 1 te behelzen. Daarnaast kunnen activiteiten worden voorgesteld uit Categorie 2.

Activiteiten onder Categorie 1 dienen aan te sluiten bij de in de Focusbrief OS uitgewerkte contouren van de bilaterale ontwikkelingssamenwerking. Dit geldt zowel ten aanzien van de thematische prioriteiten als de landenkeuze. Ten minste 60% van de bestedingen binnen het programma waarvoor financiering wordt aangevraagd dient te worden gedaan voor activiteiten uit Categorie 1.

Onder Categorie 2 kunnen incidentele en katalyserende activiteiten worden ondernomen die afwijken van de in de Focusbrief OS gestelde prioriteiten, als kan worden aangetoond dat de voorgestelde activiteiten aansluiten bij de prioriteiten van het bredere buitenlandse beleid: a) stabiliteit, vrede en veiligheid, b) economische belangen, welvaart en voorspoed en c) mensenrechten.

Activiteiten die niet volgens de OESA-DAC-criteria toerekenbaar zijn voor ODA-uitgaven komen niet in aanmerking voor een subsidie in het kader van PP II3.

2.3 Voor wie zijn de subsidies bestemd

PP II subsidies zijn bedoeld voor programma’s van zelfstandige Nederlandse of internationale maatschappelijke organisaties met rechtspersoonlijkheid, zonder winstoogmerk, die op resultaatgerichte wijze werken aan de versterking van het functioneren van het democratische bestel via samenwerking met politieke partijen en bewegingen in DAC-landen, om zo een bijdrage te leveren aan structurele armoedebestrijding. Zij richten zich daarbij op activiteiten zoals gespecificeerd in 2.2.

Aanvragers kunnen voor de uitvoering van (onderdelen van) het programma een samenwerkingsverband aangaan met andere organisaties zonder winstoogmerk.

3. Beoordelingsprocedure

3.1. Beoordelingscriteria

Organisaties die een subsidie aanvragen in het kader van het PP II moeten aan bepaalde criteria voldoen om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Er zijn drie soorten criteria:

  • 1. Drempelcriteria: criteria waaraan elke aanvraag zonder meer moet voldoen. Indien een aanvraag niet voldoet aan één of meerdere drempelcriteria, wordt de aanvraag afgewezen.

  • 2. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van de aanvragende organisatie (organisatietoets, O-toets).

  • 3. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het programma (programmatoets, P-toets).

Nadere uitwerking van deze criteria is opgenomen in hoofdstuk 4 en 5.

3.2. Beoordeling

Uiteraard zijn de bepalingen van de Algemene Wet Bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van PP II. De aanvragen zullen worden beoordeeld met inachtneming van de toepasselijke regelgeving en overeenkomstig de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd. Daarnaast zijn de beleidsregels van toepassing zoals vastgesteld in het Standaardkader ontwikkelingssamenwerking4. Indien de beleidsregels voor het PP II afwijken van het Standaardkader ontwikkelingssamenwerking hebben de beleidsregels voor het PP II voorrang.

De beoordeling van de aanvragen en de toekenning en verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats via een tender: van alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven van deze beleidsregels, wordt de kwaliteit beoordeeld volgens dezelfde criteria. De aanvragen die het beste voldoen aan de criteria komen als eerste voor subsidie in aanmerking. De Staatssecretaris besluit tot subsidieverlening overeenkomstig deze rangorde.

Besluitvorming over de subsidieaanvragen door de Staatssecretaris vindt plaats op uiterlijk 1 oktober 2011.

3.3. Toetsing en verdeling beschikbare middelen

De beoordeling van de aanvragen voor het PP II zal getrapt plaatsvinden, resulterend in een besluit over de toekenning van de PP II middelen over de ingediende aanvragen.

De eerste fase bestaat uit een controle op de drempelcriteria en de organisatietoets. Voor de tweede fase worden alleen de voorstellen bekeken die voldoen aan de drempelcriteria en waarvan de organisaties een voldoende score op de O-toets hebben behaald.

3.3.1. Toetsen in fase 1

De drempelcriteria zijn criteria waaraan aanvragen voor PP II-bijdrage zonder meer moeten voldoen. Er worden geen punten toegekend; bij het niet voldoen aan één of meerdere criteria volgt een afwijzing en wordt de aanvraag verder buiten behandeling gelaten.

De organisatietoets bevat criteria die een oordeel geven over de kwaliteit en doelmatigheid (intern management, beheer en) van de aanvragende organisatie. Aanvragen van organisaties van wie de kwaliteit en doelmatigheid als onvoldoende wordt beoordeeld, worden afgewezen en niet verder beoordeeld.

3.3.2. Toets in fase 2

In fase 2 wordt de kwaliteit van het programma beoordeeld. Indien de kwaliteit van het programma als onvoldoende wordt beoordeeld, komt de aanvraag niet voor subsidie in het kader van PP II in aanmerking.

3.3.3. Verdeling beschikbare middelen

De verdeling van de beschikbare middelen vindt plaats aan het einde van fase 2, dus op basis van de uitkomsten van de kwalitatieve beoordeling, aan de hand van bovenvermelde programmatoets, van de aanvragen welke de drempelcriteria en de organisatietoets zijn doorgekomen.

Om voor een subsidie in het kader van PP II in aanmerking te kunnen komen zal een toetsing aan de criteria van dit beleidskader met een voldoende resultaat moeten zijn afgesloten.

Als de beschikbare middelen niet toereikend zijn om alle aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld volledig te honoreren, zal de verdeling van de middelen over deze aanvragen vervolgens plaatsvinden aan de hand van een rangschikking van de aanvragen naar aanleiding van de uitkomsten van de P-toets. Bij de uiteindelijke verdeling van de middelen zal de mate waarin een aanvraag wordt gehonoreerd gerelateerd zijn aan de mate waarin aan de criteria wordt voldaan.

3.4. Aanvraagprocedure

Aanvragen voor een subsidie dienen, met gebruikmaking van het daartoe door de Staatssecretaris vastgestelde en ter beschikking gestelde aanvraagstramien5 uiterlijk op vrijdag 5 augustus 2011, 16.30 uur te zijn ontvangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, DHM/EM, Bezuidenhoutseweg 67 te Den Haag. Aanvragen dienen compleet en zonder voorbehoud te worden ingediend, rechtsgeldig ondertekend, in tweevoud op papier en op CD-rom. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen. De aanvraag dient te worden opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal.

Mochten er vragen ontstaan naar aanleiding van dit document of andere zaken dan kunt u deze op twee momenten indienen waarna de vragen geanonimiseerd en beantwoord worden. Volledige vragen en antwoorden worden dan verzonden en gepubliceerd.

De eerste deadline voor het indienen van vragen is op 22 juni 2011 om 16.30. De tweede deadline voor het indienen van vragen is op 11 juli om 12.00. In beide gevallen volgt een publicatie van de antwoorden een week later. Vragen kunnen ingediend worden per e-mail op het adres: dmh-tender@minbuza.nl

3.5. Uitvoering en planning van de besluitvorming

De beoordeling van de aanvragen vindt ambtelijk plaats aan de hand van de voor subsidieverlening door de Staatssecretaris geldende wet- en regelgeving, het Standaardkader ontwikkelingssamenwerking en dit Subsidiebeleidskader. De Staatssecretaris neemt uiterlijk 1 oktober 2011 een besluit over de aanvragen.

4. Beoordeling van de aanvragen

4.1. De drempelcriteria

Voor drempelcriteria geldt dat indien een aanvraag niet aan één of meerdere criteria voldoet, deze wordt afgewezen en niet verder in behandeling wordt genomen. Deze criteria worden hieronder vermeld en indien nodig toegelicht.

De drempelcriteria voor PP II-aanvragen zijn:

Criterium D.1De aanvrager is een organisatie zonder winstoogmerk en bezit rechtspersoonlijkheid. Dit blijkt uit bijgevoegde statuten van de organisatie.

Criterium D.2De aanvrager werkt grensoverschrijdend en zet zich in voor structurele armoedevermindering in DAC-landen, door samenwerking met maatschappelijke organisaties, en heeft tot doel opbouw van lokale capaciteit met het oog op verzelfstandiging van deze organisaties. 6 De doelstellingen van de organisatie zoals vermeld in de statuten, dienen dit van de organisatie duidelijk te maken. Indien de organisatie een algemener karakter heeft, moet via het track-record worden aangetoond dat zij substantiële ervaring heeft met werk in DAC-landen dat direct of indirect gericht is op armoedebestrijding door samenwerking met maatschappelijke organisaties zonder winstoogmerk in deze landen.

Criterium D.3De aanvrager maakt aannemelijk dat vanaf 1 januari 2012 ten minste 25% van de jaarlijkse inkomsten afkomstig is uit bronnen anders dan BZ-bijdragen. PP II subsidies zullen nooit meer bedragen dan 75% van de jaarlijkse inkomsten van de organisatie. De aanvrager onderbouwt de aannemelijkheid hiervan aan de hand van de inkomsten over de periode 2008–2010 zoals vastgelegd in de jaarrekeningen van die jaren.

Indien de aanvrager voor de uitvoering van zijn programma een samenwerkingsverband is aangegaan met een andere organisaties zonder winstoogmerk, mogen de inkomsten van deze organisatie worden betrokken bij het bepalen van de eigen inkomsten. Dat wil zeggen dat indien de maatschappelijke organisatie minder dan 25% van de jaarlijkse inkomsten uit andere dan BZ bijdragen verwerft, dit kan worden gecompenseerd door een andere partij uit het samenwerkingsverband. Gelden die direct of indirect worden verkregen ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (bijvoorbeeld een subsidie of bijdrage van een Nederlandse ambassade) tellen niet mee bij het bepalen van de omvang van de eigen inkomsten.

Criterium D.4 Het bruto salaris van management en bestuur van de aanvragende organisatie staat niet later dan met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt verleend in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie. De aanvrager specificeert de hoogte van de salarissen inclusief toeslagen van het management en bestuur.

Criterium D.5De aanvrager is in staat tot een adequaat financieel beheer. De aanvrager kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten als waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.

Criterium D.6Het programma betreft geen initiatieven die proselitisme (mede) beogen. Dit blijkt uit het programma en bijbehorende begroting en meerjarenraming.

Criterium D.7Het programma heeft substantiële activiteiten in minimaal twee DAC-landen. Dit blijkt uit het programma en bijbehorende begroting en meerjarenraming.

Criterium D.8Het programma betreft geen commerciële dienstverlening, investeringen of commerciële activiteiten. Dit blijkt uit het programma en bijbehorende begroting en meerjarenraming.

Criterium D.9Het programma betreft activiteiten die toe te rekenen zijn aan de ODA-middelen volgens de OESO/DAC-criteria.7 Dit blijkt uit het programma en bijbehorende begroting en meerjarenraming.

Criterium D.10Politieke binding: de aanvrager is geen organisatie die institutioneel verbonden is met, of bestuurd wordt door Nederlandse of buitenlandse politieke partijen, of waar (gedetacheerde) medewerkers van politieke partijen deel uit maken van het personeel. Dit blijkt uit de statuten van de organisatie en een verklaring ten aanzien van het personeel.

Criterium D.11Het programma richt zich ten minste op de eerste van de volgende twee categorieën van activiteiten en kan daarnaast activiteiten uit de tweede categorie omvatten:

  • 1) Structurele meerjarige programma’s in Partnerlanden8 die aansluiten bij de speerpunten en landen zoals vastgelegd in de Focusbrief OS en die betrekking hebben op:

    • het stimuleren en begeleiden van meerpartijen dialoog.

    • capaciteitsversterking van politieke partijen, gericht op versterking van het democratisch proces.

    • verbetering van de samenwerking tussen de politieke partijen, private sector en maatschappelijke organisaties.

  • 2) Incidentele en katalyserende activiteiten in niet-partnerlanden waarbij duidelijk aanwijsbaar wordt aangesloten bij de prioriteiten van het Nederlands buitenlands beleid, a) stabiliteit, vrede en veiligheid, b) economische belangen, welvaart en voorspoed en c) mensenrechten, die betrekking hebben op:

    • het stimuleren van meerpartijen dialoog.

    • hulp aan politieke partijen/groeperingen bij het vormgeven en uitvoeren van democratiseringsprocessen.

    • verbetering van de samenwerking tussen politieke partijen, de private sector en maatschappelijke organisaties.

Criterium D.12Ten minste 60% van de bestedingen binnen het programma waarvoor financiering wordt aangevraagd dient te worden gedaan voor activiteiten uit Categorie 1. Dit blijkt uit het programma en bijbehorende begroting en meerjarenraming.

Criterium D.13De subsidieaanvraag bedraagt minimaal €1 miljoen en heeft een looptijd van maximaal 4 jaar. Bij een kortere looptijd is het minimale bedrag van de subsidieaanvraag naar rato lager. De minimale looptijd van de activiteit bedraagt 24 maanden. Dit blijkt uit het programma en bijbehorende begroting en meerjarenraming.

4.2. De organisatietoets

De organisatietoets is onderdeel van de beoordeling van de aanvrager in de eerste fase. Doel van deze toets is dat de Staatssecretaris zich een oordeel kan vormen over de kwaliteit en doelmatigheid van de aanvragende organisaties.

Beoordeling in het kader van de organisatietoets vindt plaats op grond van de mate waarin de organisatie voldoet aan de volgende criteria:

  • Track record van de afgelopen drie jaar: De aanvrager is op grond van de door zijn inspanningen in de afgelopen drie jaren behaalde resultaten in staat om geplande ‘outcomes9’ en ‘outputs10’ te realiseren, om de bijdragen van derden die noodzakelijk waren voor de uitvoering van de programma’s daadwerkelijk te verkrijgen, en om de duurzaamheid van de programma’s te verankeren bij de uiteindelijke doelgroep.

  • Planning, monitoring en evaluatie: De gehanteerde PM&E systematiek is toereikend voor het bewaken van de voortgang t.a.v. outputs, outcomes en duurzaamheid op programma- en organisatieniveau. De organisatie laat periodiek onafhankelijke evaluaties uitvoeren over (delen van) programma’s en het functioneren van de eigen organisatie. De organisatie heeft een goed verankerd systeem voor kwaliteitsbeheer t.a.v. de hoofdprocessen.

  • Financieel en administratief management: De organisatie heeft een adequaat beleid t.a.v. het financieel toezicht op organisaties met wie zij een financieringsrelatie heeft, zij maakt gebruik van een adequate toets om de kwaliteit van (partner)organisaties waarmee zij een financiële relatie heeft te toetsen, zij heeft een financieel monitoringssysteem dat haar in staat stelt om (dreigende) verliezen of overschotten vroegtijdig te signaleren en hier met adequate maatregelen op te anticiperen. De organisatie heeft een brede donorbasis.

Indien de kwaliteit van de organisatie onvoldoende is, wordt de aanvraag afgewezen en niet verder beoordeeld.

4.3. De programmatoets

Bij het programma wordt de kwaliteit van het programma beoordeeld. Dit gebeurt aan de hand van de volgende criteria:

  • Beleidsrelevantie: de mate waarin het programma beleidsmatig relevant is. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende factoren:

    • a) Ontwikkelingsrelevantie: de mate waarin de activiteiten bijdragen aan structurele armoedebestrijding in ontwikkelingslanden.

    • b) Relevantie voor het doel van deze tender: de mate waarin de activiteiten bijdragen aan het functioneren van het democratische bestel in ontwikkelingslanden door de versterking van politieke partijen en bewegingen.

    • c) De mate waarin de activiteiten aansluiten bij de speerpunten zoals neergelegd in de Focusbrief OS.

    • d) De landen waarin de activiteiten worden uitgevoerd.

    • e) Complementariteit: de mate waarin de activiteiten zijn afgestemd op het ontwikkelingsbeleid van Nederland en ander donoren in de landen waarin de activiteiten worden uitgevoerd.

  • Innovatief karakter: de mate waarin het programma vernieuwend is, in thematische zin, door verbeteringen in de gehanteerde interventiestrategie (verhoging van de effectiviteit van de programma’s) en door efficiencywinst in de uitvoering van programma’s.

  • Contextanalyses: de mate waarin het programma, in het bijzonder de probleemstelling en doelstelling, is afgestemd op de uitkomsten van een analyse van de context.

  • Positie van de partners en de doelgroep in het programma: de mate waarin het programma bijdraagt aan de institutionele capaciteitsopbouw van de partners en de mate waarin deze dan wel de doelgroep effectieve invloed hebben op de sturing van het programma.

  • Uitwerking van Outcomes, Outputs, Activiteiten en Middelen: de mate waarin het programma is uitgewerkt in outcomes, beoogde outputs, voorgenomen activiteiten en middelen en zijn voorzien van een helder verband tussen de te bereiken outputs en de daarvoor benodigde middelen.

  • Uitwerking van beoogde outcomes, outputs en middelen in SMART-systematiek: de mate waarin de outcomes en outputs en middelen Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden zijn uitgewerkt.

  • Risico’s, monitoring en bijsturing: de mate waarin sprake is van adequaat risicomanagement, bestaande uit een adequate risicoanalyse en een adequaat systeem voor monitoring en bijsturing, en de mate waarin de middelen zijn gewaarborgd die complementair aan de gevraagde subsidie nodig zijn voor de uitvoering van het programma.

  • Duurzaamheid: de mate waarin het programma een blijvend effect voor de uiteindelijke doelgroep heeft en bijdraagt aan de institutionele duurzaamheid van de partners en de eigen organisatie van de aanvrager.


X Noot
3

Het aanvraagformulier is geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties.

X Noot
1

Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 1 december 2010, nr. DJZ/BR/0874-10, tot vaststelling van beleidsregels houdende algemene bepalingen voor subsidieverlening ten behoeve van activiteitei in het kader van ontwikkelingssamenwerking (Standaardkader ontwikkelingssamenwerking), Stcrt. 2010, nr. 19701.

X Noot
2

Kamerstukken II 2010/11, 32 605, nr. 2.

X Noot
3

Voor omschrijving ODA criteria zie; http://www.oecd.org/dataoecd/21/21/34086975.pdf en Annex II.

X Noot
4

Besluit van de Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken van 1 december 2010, nr. DJZ/BR/0874-10, tot vaststelling van beleidsregels houdende algemene bepalingen voor subsidieverlening ten behoeve van activiteiten in het kader van ontwikkelingssamenwerking (Standaardkader ontwikkelingssamenwerking), Stcrt. 2010, nr. 19701.

X Noot
5

Het aanvraagformulier is geplaatst op http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/subsidies-voor-ontwikkelingssamenwerking-en-europa/subsidies-maatschappelijke-organisaties.

X Noot
6

Voor de DAC-landen lijst, zie annex IV; http://www.oecd.org/dataoecd/32/40/43540882.pdf

X Noot
7

Voor omschrijving ODA criteria zie Annex II; http://www.oecd.org/dataoecd/21/21/34086975.pdf

X Noot
8

Partnerlanden zoals door de regering benoemd in de Focusbrief OS zie Annex I, Kamerstukken II 2011/11, 32 605, nr. 2.

X Noot
9

Zoals gedefinieerd door DAC/OECD; zie Annex III; http://www.oecd.org/dataoecd/29/21/2754804.pdf

X Noot
10

Zoals gedefinieerd door DAC/OECD; zie Annex III; http://www.oecd.org/dataoecd/29/21/2754804.pdf

Naar boven