Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, van (PM) nr. 188752, tot wijziging van de Regeling LNV-subsidies en het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2011

De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Gelet op:

  • verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L214);

  • de artikelen 2, 4 en 7 van de Kaderwet LNV-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling LNV-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

In de eerste zin van artikel 2:1a wordt voor ‘landbouwonderneming’ de zinsnede ‘onderneming,’ ingevoegd.

B

Na artikel 2:36 wordt een paragraaf toegevoegd aan titel 5. Onderzoek en ontwikkeling, luidende:

§ 3. Onderzoek naar emissiearm veevoeder

Artikel 2:36a. Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

diervoeders:

alle stoffen en producten, inclusief additieven, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om te worden gebruikt voor orale vervoedering aan dieren;

industrieel onderzoek:

industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 30 van de verordening (EG) nr. 800/2008;

onderzoeksproject diervoeders:

industrieel onderzoek naar diervoeders of naar de productiemethode van diervoeders met het oog op persistente reductie van de methaanvorming in de pens of dikke darm van melkvee met minimaal behoud van de melkproductie, met dien verstande dat het onderzoek zich richt op:

  • a. het vaststellen van de potentie van diervoeders of van de productiemethode van diervoeders, middels in vivo experimenten, of

  • b. het vaststellen van het werkingsmechanisme van diervoeders of van de productiemethode van diervoeders, indien de potentie van de diervoeders of van de productiemethode van diervoeders reeds is vastgesteld;

onderneming:

iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

onderzoeksorganisatie:

een onderzoeksorganisatie als bedoeld in artikel 30 van de verordening (EG) nr. 800/2008;

productiemethode van diervoeders:

het fysisch, mechanisch of chemisch bewerken van diervoeders gericht op het beïnvloeden van de eigenschappen ervan.

Artikel 2:36b. Subsidiabele activiteiten
  • 1. De Minister kan subsidie verstrekken voor de uitvoering van een onderzoeksproject diervoeders aan een onderneming of een samenwerkingsverband van ondernemingen onderling, dan wel met een onderzoeksorganisatie.

  • 2. Geen subsidie wordt verstrekt aan een onderzoeksproject gericht op:

    • a. de ontwikkeling van mathematische modellen die de effectiviteit van diervoeders of van de productiemethode van diervoeders voorspellen onder uiteenlopende omstandigheden;

    • b. het primair verhogen van de melkproductie per eenheid nutriëntenaanbod;

    • c. onderzoek naar de potentie van weidegras, graskuil, snijmais, maiszetmeel, graanzetmeel of zetmeelrijke producten uit de aardappelverwerkende industrie op het vlak van de reductie van methaanemissie in de pens of dikke darm van melkvee.

  • 3. De Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie zonder belangrijke vertraging zouden worden uitgevoerd.

Artikel 2:36c. Indiening aanvraag subsidieverlening en subsidievaststelling

Aanvragen tot subsidieverlening en subsidievaststelling voor een onderzoeksproject worden in afwijking van artikel 1:8, eerste lid, ingediend bij Agentschap NL met gebruikmaking van een daartoe door Agentschap NL verstrekt formulier en gaan vergezeld van een projectplan respectievelijk eindverslag.

Artikel 2:36d. Nadere voorschriften projectplan en eindverslag
  • 1. In het projectplan is ten minste opgenomen:

    • a. een onderbouwde hypothese of in vitro onderzoeksgegevens van de potentie van de te onderzoeken diervoeders of productiemethode van diervoeders of een onderbouwde hypothese of in vitro onderzoeksgegevens van het werkingsmechanisme van de te onderzoeken diervoeders of productiemethode van diervoeders;

    • b. verwachte gegevens omtrent de afwenteling naar andere (milieu)effecten, waaronder in ieder geval wordt begrepen: stikstofemissie, de kwaliteit en kwantiteit van de melkproductie, gezondheid van mens of dier, het milieu, en de dierlijke productie;

    • c. verwachte netto-effect op de broeikasgasemissies.

  • 2. In aanvulling op artikel 1:14, vierde lid, moet in het eindverslag worden opgenomen:

    • a. een wetenschappelijke rapportage van de gegevens gegenereerd in het onderzoeksproject;

    • b. gegevens over het werkingsmechanisme of hypotheses over het werkingsmechanisme van het onderzochte diervoeder of productiemethode van diervoeder;

    • c. gegevens over de afwenteling naar andere (milieu) effecten, waaronder in ieder geval wordt begrepen: stikstofemissie, de kwaliteit en kwantiteit van de melkproductie, gezondheid van mens of dier, het milieu, en de dierlijke productie;

    • d. een analyse van het netto-effect op de broeikasgasemissies.

Artikel 2:36e. Subsidiabele kosten
  • 1. In aanvulling, onderscheidenlijk afwijking van artikel 1:15 zijn de subsidiabele kosten van een onderzoeksproject de volgende rechtstreeks aan de uitvoering van het onderzoeksproject toe te rekenen kosten:

    • a. loonkosten van direct bij het project betrokken personeel;

    • b. kosten van aanschaf van verbruikte materialen en hulpmiddelen, gebaseerd op historische aanschafprijzen;

    • c. afschrijvingskosten van machines en apparatuur op basis van de technische levensduur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode uitgaande van de historische aanschafwaarde verminderd met de restwaarde, met dien verstande dat in geval van lease wordt uitgegaan van de contante waarde van de gedurende de projectperiode betaalde leasetermijnen naar rato van het gebruik van de machines en apparatuur voor het project onder aftrek van de in de leasetermijnen begrepen vergoedingen voor financiering en afschrijving;

    • d. huurkosten van machines en apparatuur naar rato van het gebruik voor het project gedurende de projectperiode;

    • e. aan derden verschuldigde kosten ter zake van studies en onderzoeksactiviteiten en ter zake van de aanschaf van kennis en intellectuele eigendomsrechten alsmede ter zake van bescherming van die rechten.

  • 2. Voor subsidie komen alleen de kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van de verordening (EG) nr. 800/2008.

Artikel 2:36f. Hoogte subsidie
  • 1. De subsidie bedraagt per onderzoeksproject 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 250.000.

  • 2. De subsidiabele kosten bedragen ten minste € 250.000 per onderzoeksproject.

Artikel 2:36g. Verplichtingen subsidieontvanger
  • 1. De subsidieontvanger voert het onderzoeksproject in Nederland uit, behoudens toestemming van de Minister tot gedeeltelijke uitvoering buiten Nederland.

  • 2. De subsidieontvanger voert het onderzoeksproject uit binnen een periode van twee jaar na datum van subsidieverlening.

  • 3. De Minister kan de subsidieontvanger verplichten de gegevens genoemd in artikel 2:36d, tweede lid, onderdelen a en b te verstrekken aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu voor de Nederlandse emissieregistratie.

Artikel 2:36h. Adviescommissie Onderzoek naar emissiearm veevoeder
  • 1. Er is een Adviescommissie Onderzoek naar emissiearm veevoeder die tot taak heeft de Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie op grond van artikel 2:36b, eerste lid.

  • 2. De voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van één jaar.

Artikel 2:36i. Rangschikking naar geschiktheid
  • 1. De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate het onderzoeksproject waarop de aanvraag betrekking heeft:

    • a. meer bijdraagt aan de doelstelling van deze subsidiemodule;

    • b. van een betere kwaliteit is en de slaagkans van het project groter is;

    • c. wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband dat beter gericht is op het behalen van de doelstelling van deze subsidiemodule;

    • d. een hogere kosteneffectiviteit kent;

    • e. meer internationale uitwisseling van ervaringen, kennis en resultaten genereert.

  • 2. Voor de rangschikking weegt het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde criterium, waarbij maximaal 35 punten te behalen zijn, mee voor 35/100, het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde criterium, waarbij maximaal 30 punten te behalen zijn, mee voor 30/100, het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde criterium, waarbij maximaal 15 punten te behalen zijn, mee voor 15/100, het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde criterium, waarbij maximaal 15 punten te behalen zijn, mee voor 15/100, het in het tweede lid, onderdeel e, genoemde criterium, waarbij maximaal 5 punten te behalen zijn, mee voor 5/100. Er geldt een drempel van 60 punten.

  • 3. Aanvragen voor onderzoeksprojecten met minder dan 60 punten komen niet in aanmerking voor subsidie en zullen door de Minister worden afgewezen.

Artikel 2:36j. Aanwijzing toezichthouders

In afwijking van artikel 6:1 worden de ambtenaren van Agentschap NL voor deze paragraaf aangewezen als personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kaderwet LNV-subsidies.

ARTIKEL II

A

In het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2011 wordt na artikel 30 een titel ingevoegd, luidende:

TITEL 5a. ONDERZOEK NAAR EMISSIEARM VEEVOEDER

Artikel 30a

Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een onderzoeksproject als bedoeld in artikel 2:36b, eerste lid, van de Regeling kunnen worden ingediend in de periode 21 maart 2011 tot en met 20 mei 2011.

Artikel 30b

Het subsidieplafond bedraagt voor aanvragen als bedoeld in artikel 30a € 1.000.000.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst

De regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker.

TOELICHTING

§ 1. Inleiding

Deze wijzigingsregeling strekt tot wijziging van de Regeling LNV-subsidies (hierna: de Regeling) en het Openstellingsbesluit 2011. De wijzigingsregeling strekt tot het introduceren van een nieuwe subsidiemodule in de Regeling waarmee onderzoek naar emissiearm veevoeder wordt gestimuleerd.

§ 2. Onderzoek naar emissiearm veevoeder

§ 2.1. Achtergrond

In het Convenant Schone en Zuinige Agrosectoren (hierna: convenant) hebben de rijksoverheid en de agrosectoren afspraken gemaakt om te werken aan energiebesparing, duurzame energie en reductie van broeikasgassen in het belang van het klimaat, een duurzame energievoorziening en economische groei.

Het gas methaan (CH4), dat in grote hoeveelheden vrijkomt in de melkveehouderijsector ten gevolge van de spijsvertering van melkvee is een broeikasgas dat invloed heeft op ons klimaat. In het licht van de reductie van broeikasgassen zijn met de melkveehouderij in het convenant de volgende afspraken gemaakt over methaanreductie:

  • 1. De melkveehouderijsector streeft naar het in de Europese Unie bereiken van de laagste emissie aan overige broeikasgassen per liter melk; en

  • 2. De melkveehouderijsector streeft naar reductie van tenminste 5% methaanemissie per melkkoe in 2020 t.o.v. 2007 door inzet op rantsoenoptimalisatie die rekening houdt met de emissie van methaan en door gebruik specifieke voederadditieven.

In het convenant is ook opgenomen dat de rijksoverheid zich zal inzetten voor medefinanciering van een innovatieprogramma ten behoeve van de ontwikkeling van ‘emissiearm veevoeder’. De methaanemissie in de pens of dikke darm van melkvee kan namelijk worden gereduceerd door aanpassingen of toevoegingen aan het voederrantsoen. Er is echter nog weinig kennis beschikbaar over betrouwbare methodes om reductie van methaanemissie via aanpassingen of toevoegingen aan veevoeder te bereiken.

§ 2.2. Doelstelling

Deze nieuwe subsidiemodule ‘onderzoek naar emissiearm veevoeder’ heeft als doel het bevorderen van de ontwikkeling van bruikbare kennis op het gebied van de reductie van methaanemissie in de pens of dikke darm van melkvee via aanpassingen of toevoegingen aan veevoeder. De subsidiemodule wordt uitgevoerd als onderdeel van het innovatieprogramma en draagt bij aan de hiervoor genoemde doelstellingen in het convenant.

§ 2.3. Staatssteun

Deze nieuwe subsidiemodule valt onder de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L214). In artikel 30 van de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie geregeld. De steun voor de onderzoeksprojecten wordt verleend op grond van artikel 30 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

§ 3. Subsidiemodule emissiearm veevoeder

In deze paragraaf worden de artikelen van de nieuwe module nader toegelicht.

Artikel 2:36a

In dit artikel worden de definities van de in deze paragraaf gebruikte termen gegeven. De begrippen diervoeders, onderzoeksproject diervoeders en productiemethode van diervoeders worden onder artikel 2:36b nader uitgelegd.

Artikel 2:36b

In dit artikel worden de verschillende criteria geformuleerd waaraan een onderzoeksproject diervoeders moet voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen. Ten eerste moet het project vallen onder de definitie van een onderzoeksproject diervoeders, zoals omschreven in artikel 2:36a, van de Regeling.

Onderzoek naar diervoeders en de productiemethode van diervoeders kan zich zowel richten op diervoeders als op de grondstoffen van diervoeders. Voor het in deze subsidiemodule beoogde onderzoek naar diervoederadditieven is de term ‘toevoegingsmiddelen’ in de Kaderwet Diervoeders te nauw gedefinieerd. Onder andere stoffen van natuurlijke samenstelling vallen niet onder de definitie van ‘toevoegingsmiddelen’. Deze stoffen vallen wel onder de definitie van ‘diervoeders’ in de verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PbEG L 31) (hierna: verordening (EG) nr. 178/2002). Bij de definiëring van ‘diervoeders’ is daarom aansluiting gezocht bij de brede definitie genoemd in verordening (EG) nr. 178/2002.

Volgens artikel 1:12, van de Regeling voert de subsidieontvanger het onderzoek uit met inachtneming van overige wettelijke voorschriften die van toepassing zijn op de activiteiten en volgens artikel 1:15 van de Regeling wordt geen subsidie verleend voor kosten voor activiteiten die worden uitgevoerd in strijd met EG-maatregelen of nationale voorschriften die daarop van toepassing zijn. Hierbij moet worden gedacht aan de Kaderwet Diervoeders, Besluit Diervoeders, Regeling Diervoeders 2010 en diverse Europese verordeningen betreffende diervoeders, zoals de hiervoor genoemde verordening (EG) nr. 178/2002.

Artikel 2 van de Kaderwet Diervoeders is één van de van belang zijnde wettelijke voorschriften die van toepassing zijn. In dit artikel is opgenomen dat diervoeders, toevoegingsmiddelen en voormengsels (zoals gedefinieerd in de Kaderwet Diervoeders) gezond, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit dienen te zijn en geen gevaar mogen opleveren voor de gezondheid van mens of dier, milieu of de dierlijke productie ongunstig beïnvloeden. Ingevolge het eerste lid is het onder meer verboden dergelijke voeders te bereiden of in het verkeer te brengen. Diervoeders, toevoegingsmiddelen en voormengsels zijn ingevolge het tweede lid in elk geval niet gezond, deugdelijk of van gebruikelijke handelskwaliteit indien ze niet voldoen aan de wettelijke regels. Andere van belang zijnde wettelijke voorschriften zijn artikel 28 van het Besluit Diervoeders en de artikelen 58 tot en met 60a van de Regeling diervoeders 2010 waarin de bepalingen staan over het verlenen van een proefontheffing voor onderzoeksdoeleinden.

De doelgroep van deze subsidiemodule zijn ondernemingen (in het bijzonder voederfabrikanten). Het te ontwikkelen methaanreducerend diervoeders zal uiteindelijk door de markt moeten worden geleverd. De subsidie kan daarom worden ingediend door een onderneming of een samenwerkingsverband van ondernemingen. Een onderzoeksorganisatie kan alleen deelnemen aan een samenwerkingsverband, indien één van de deelnemers een onderneming is.

In het tweede lid van artikel 2:36b van de Regeling wordt aangegeven in welke gevallen er geen subsidie wordt verleend. Allereerst wordt geen subsidie verleend aan onderzoeksprojecten die zich richten op de ontwikkeling van mathematische modellen die de effectiviteit van diervoeders of de productiemethode van diervoeders voorspellen onder uiteenlopende omstandigheden. Deze subsidiemodule richt zich namelijk alleen op het achteraf valideren van reeds bestaande hypotheses en kennis in de praktijk met als doel een eerste stap te zetten richting de uiteindelijke ontwikkeling van praktisch toepasbare diervoeders met methaanreducerende werking. De klassieke voerefficiëntieverbetering is geen onderdeel van deze subsidiemodule. Projecten moeten zich primair richten op verlaging van eenheid methaan per eenheid nutriëntenaanbod, per liter melk en/of per koe. Verhoging van de melkproductie per eenheid nutriëntenaanbod mag echter wel optreden als bijeffect van methaanreducerende maatregelen. Deze subsidiemodule richt zich op de ontwikkeling van emissiearm voeder dat geleverd kan worden door de veevoederindustrie. Het gaat hier om zogenaamd ‘krachtvoer’. De effecten van ‘ruwvoer’ waaronder gras- en maissoorten zullen via publieke middelen elders in het innovatatieprogramma ten behoeve van de ontwikkeling van ‘emissiearm veevoeder’ worden onderzocht. Ook onderzoek naar de effecten van verschillende zetmeelbronnen zal elders worden belegd. Wel is het effect van productiemethoden van zetmeelbronnen onderdeel van het beoogde onderzoek in deze subsidiemodule.

Artikel 2:36c

De subsidiemodules in de Regeling worden volgens de hoofdregel in artikel 1:8 van de Regeling uitgevoerd door Dienst Regelingen. De uitvoering van deze subsidiemodule is in afwijking van voornoemd artikel in handen van Agentschap NL.

Een aanvraag tot subsidieverlening of subsidievaststelling voor een onderzoeksproject wordt ingediend bij Agentschap NL.

Contactgegevens:

AgentschapNL

NL Energie en Klimaat

T.a.v.: Secretariaat Klimaatbeleid Nationaal

o.v.v. Regeling Onderzoek naar emissiearmveevoeder

Bezoekadres:

Croeselaan 15

 

3521 BJ Utrecht

Postadres:

Postbus 8242

 

3503 RE Utrecht

Website: www.agentschapnl.nl/emissiearmveevoeder

Artikel 2:36d

De gegevens die in ieder geval in het projectplan en eindverslag moeten zijn opgenomen worden aangegeven in dit artikel. In het projectplan moet een onderbouwde hypothese of in vitro onderzoeksgegevens van de potentie en/of werkingsmechanisme van de te onderzoeken diervoeders of productiemethode van diervoeders op de methaanemissie opgenomen zijn. Deze onderbouwing blijkt bij voorkeur uit wetenschappelijke publicaties van onbesproken kwaliteit. Bij het verstrekken van de subsidie is de subsidieontvanger ook verplicht om in het projectplan de verwachte gegevens op te nemen omtrent de afwenteling naar andere (milieu)effecten, zoals stikstofemissie, de kwaliteit en kwantiteit van de melkproductie, gezondheid van mens of dier, het milieu, en de dierlijke productie.

Tot slot moet het projectplan een analyse van het netto-effect op de uitstoot van broeikasgassen bevatten. Hierbij moet de werking van het diervoeder op de reductie van methaanvorming in de pens en darmen worden afgezet tegen de uitstoot van broeikasgassen elders in de keten, waarbij ook de herkomst van veevoedergrondstoffen moet worden meegenomen.

Het eindverslag moet een volledige en wetenschappelijke rapportage bevatten van hetgeen onderzocht is in het onderzoeksproject diervoeders. Het gaat hierbij om de (meet)gegevens gegenereerd in het project en een omschrijving van het werkingsmechanisme van het onderzochte diervoeder of productiemethode van diervoeder. Hiernaast kan het gaan om metaboliseerbaarheid, samenstelling van de melk, kwantiteit en kwaliteit van de melk etc. Ook moet het eindverslag de gegevens bevatten omtrent de afwenteling naar andere (milieu) effecten, zoals stikstofemissie, de kwaliteit en kwantiteit van de melkproductie, gezondheid van mens of dier, het milieu, en de dierlijke productie. Tot slot moet het eindverslag een analyse van het netto-effect op de uitstoot van broeikasgassen bevatten. Hierbij moet de werking van het diervoeder op reductie van methaanvorming in de pens en darmen worden afgezet tegen uitstoot van broeikasgassen elders in de keten, waarbij ook de herkomst van veevoedergrondstoffen moet worden meegenomen.

Artikel 2:36f

In het eerste lid van dit artikel wordt het subsidiebedrag per onderzoeksproject bepaald. De subsidie bedraagt ten hoogste € 250.000 en bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidiabele kosten ten minste € 250.000 per onderzoeksproject bedragen.

Artikel 2:36g

De subsidieontvanger voert het onderzoeksproject in Nederland uit. De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan met toepassing van artikel 2:95, tweede lid, ontheffing verlenen om het onderzoeksproject gedeeltelijk in het buitenland uit te voeren. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn, wanneer gebruik moet worden gemaakt van onderzoeksfaciliteiten in het buitenland. Een verzoek voor ontheffing wordt ingediend bij Agentschap NL.

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan de subsidieontvanger verplichten de gegevens genoemd in artikel 2:36b, tweede lid, onderdelen a en b, te verstrekken aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Deze gegevens worden beschikbaar gesteld voor de Nederlandse emissieregistratie ten behoeve van de ontwikkeling van een methode om de nationale methaanreductie in kaart te brengen.

Artikel 2:36i

In het eerste lid van artikel 2:36i wordt bepaald dat de Adviescommissie Emissiearm veevoeder de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie adviseert over de rangschikking. De rangschikkingscriteria zijn:

  • a. het onderzoeksproject draagt meer bij aan de doelstelling van deze subsidiemodule: Het beoogde resultaat van het onderzoeksproject moet bijdragen aan het beleidsdoel van deze subsidiemodule, zoals hiervoor uiteengezet onder de paragraaf 2.2;

  • b. het onderzoeksproject is van een betere kwaliteit en de slaagkans van het project is hoger: Onderzoeksprojecten moeten van hoge wetenschappelijke kwaliteit zijn, zodat de betrouwbaarheid van de resultaten wordt geborgd, resultaten kunnen worden opgenomen in de Nederlandse emissieregistratie en formeel de status van ‘methaan reducerend voeder’ kunnen krijgen. Elementen die bij kunnen dragen aan de mate van wetenschappelijke kwaliteit zijn: gebruik van klimaatrespiratiecellen als gouden standaard voor meting van methaanemissie, volledigheid van de verzamelde set meetgegevens zoals de metaboliseerbaarheid (om het effect te bepalen per eenheid verteerd voer) en de melkproductie/samenstelling van de melk (voor het ontwikkelen van een indicator elders in het innovatieprogramma ‘emissiearm veevoeder’ waarmee wordt beoogd methaanemissie te meten via de melksamenstelling), betrouwbaarheid van de onderzoeksvraag en proefopzet. Beoordeeld wordt verder in hoeverre de informatie is gebaseerd op wetenschappelijke publicaties van onbesproken kwaliteit en/of in hoeverre inhoudelijke aspecten van rapportage en onderbouwing voldoen aan de eisen van helderheid, controleerbaarheid en betrouwbaarheid.

    Het is verder niet de bedoeling dat er een afwenteling naar andere (duurzaamheids)kwesties zoals stikstofemissie, de kwaliteit en kwantiteit van de melkproductie, gezondheid van mens of dier, het milieu, en de dierlijke productie plaatsvindt. Onderzoeksprojecten worden hoger gerangschikt als ze een significant milieuvoordeel kennen en de hiervoor genoemde (duurzaamheids)kwesties niet ongunstiger beïnvloeden.

  • c. het onderzoeksproject wordt uitgevoerd in een samenwerkingsverband dat beter gericht is op het behalen van de doelstelling van deze subsidiemodule: Samenwerking draagt bij aan het behalen van de projectdoelstellingen indien er bijvoorbeeld wordt samengewerkt met instellingen die wat betreft onderzoek naar methaanemissie en publiceren een aantoonbare ‘track-record’ hebben of indien er wordt samengewerkt met andere ondernemingen of onderzoeksorganisaties die relevante expertise inbrengen;

  • d. de kosteneffectiviteit van het onderzoeksproject is hoger: Kosteneffectiviteit betreft de doelmatigheid waarmee de voorgestelde onderzoeksmethoden of activiteiten en de daaraan gerelateerde kosten de verwachte resultaten bereiken;

  • e. er is sprake van meer internationale uitwisseling van ervaringen, kennis en resultaten: Met de internationale uitwisseling wordt bedoeld de mate waarin ervaringen, kennis en resultaten internationaal wordt gedeeld. Internationale uitwisseling positioneert en versterkt het Nederlandse onderzoek in internationale context. Elementen die hieraan bijdragen zijn bijvoorbeeld internationale samenwerking met onderzoeksorganisaties of ondernemingen en publicatie in internationale tijdschriften.

De voorstellen die de hoogste score behalen én boven de drempelwaarde van 60 punten eindigen, komen in aanmerking voor de subsidie voor zover er budget is.

§ 4. Administratieve lasten

De administratieve lasten voor een subsidie voor een onderzoeksproject diervoeder voor ondernemingen zijn € 49.000. Dit is 4.9% van het totale subsidieplafond van € 1000.000. Hiermee is de relatieve administratieve last lager dan de 5% norm die Actal hanteert als een acceptabele relatieve administratieve last per subsidieregeling.

§ 5. Vaste Verandermomenten

In afwijking van vaste verandermomenten voor regelgeving (zie kamerstukken II 2007–2008, 29 515 en 31 201, nr. 243) treedt deze wijziging van de Regeling en het Openstellingsbesluit 2011 in werking op de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Voor die afwijking van het systeem van vaste verandermomenten is gekozen wegens het voordeel voor de doelgroep van deze subsidiemodule.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

H. Bleker.

Naar boven