Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2011, 20015Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 31 oktober 2011, nr. IENM/BSK-IENM/BSK-2011/145875, houdende vaststelling van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op de artikelen 130, eerste en derde lid, 131, eerste en derde lid, 132, tweede lid, 132a, tweede, derde en vijfde lid, 132b, vijfde lid, 132c, vijfde, zesde, zevende en negende lid, 132d, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 133, vierde en vijfde lid, 134, tweede, derde, zevende en achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

Besluit:

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

ademalcoholgehalte:

ademalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, of derde lid, onderdeel a, van de wet;

beginnende bestuurder:

bestuurder van een motorrijtuig, voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is, indien sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken, dan wel, indien het voor het eerst afgegeven rijbewijs een rijbewijs betreft dat de bevoegdheid geeft tot het besturen van bromfietsen en dit rijbewijs is afgegeven aan een persoon die op het ogenblik van die afgifte de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, indien nog geen zeven jaar zijn verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden;

bloedalcoholgehalte:

bloedalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of derde lid, onderdeel b, van de wet;

directeur:

directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR);

handset:

handset als bedoeld in artikel 1 van bijlage XII bij de Regeling voertuigen;

hertest:

in het kader van het alcoholslotprogramma tijdens de rit afgeven van een ademmonster in het in het motorrijtuig ingebouwde alcoholslot;

initieel ademmonster:

initieel ademmonster als bedoeld in artikel 1 van bijlage XII bij de Regeling voertuigen;

vaste eenheid:

vaste eenheid als bedoeld in artikel 1 van bijlage XII bij de Regeling voertuigen;

wet:

Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2

  • 1. Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

  • 2. Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder B, onderdeel III, ‘Drogerende stoffen Alcohol’, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.

Artikel 3

  • 1. Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:

    • a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie;

    • b. gegevens afkomstig van de officier van justitie, of

    • c. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.

  • 2. Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen voor zover het de geschiktheid betreft bovendien blijken uit:

    • a. gegevens door de directeur verkregen in het kader van aanvragen van verklaringen van geschiktheid als bedoeld in artikel 97 van het Reglement rijbewijzen;

    • b. gegevens, door de directeur van een arts verkregen, of

    • c. gegevens, door de directeur uit andere bron verkregen.

  • 3. Het meest recente feit, bedoeld in artikel 2, is ten tijde van de mededeling niet langer dan zes maanden geleden geconstateerd. Indien het een mededeling betreft van de officier van justitie inzake bijlage 1, onder IV, dient de mededeling uiterlijk binnen zes maanden nadat de laatste afdoening onherroepelijk is geworden, te worden gedaan. Een uitzondering is slechts mogelijk, indien in de aard van de zaak gelegen omstandigheden dit rechtvaardigen.

Artikel 4

  • 1. De mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet kan schriftelijk worden gedaan volgens het model, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2, of op andere wijze, mits daarbij dezelfde gegevens als in dat model worden vermeld. Hieronder wordt tevens verstaan aanlevering via geautomatiseerde systemen, dan wel via digitale gegevensdragers.

  • 2. De in artikel 130, derde lid, van de wet bedoelde toezending aan het CBR van een ingevorderd rijbewijs geschiedt bij aangetekende brief.

§ 2. Vordering tot overgifte van het rijbewijs en schorsing geldigheid

Artikel 5

Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:

  • a. betrokkene heeft een motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol;

  • b. betrokkene heeft een poging tot zelfdoding met een motorrijtuig ondernomen;

  • c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;

  • d. betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);

  • e. betrokkene heeft binnen een periode van een jaar ten minste drie aanrijdingen veroorzaakt;

  • f. betrokkene is als bestuurder van een motorrijtuig rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt;

  • g. betrokkene is niet in staat het motorrijtuig in bedwang te houden;

  • h. betrokkene heeft een aanrijding veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of door het niet intrappen van het juiste pedaal;

  • i. betrokkene is bewust ingereden op een andere weggebruiker;

  • j. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;

  • k. bij betrokkene wordt, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;

  • l. betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de wet;

  • m. ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar ten minste vier maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij de laatste overtreding moet zijn begaan als houder van een rijbewijs;

  • n. betrokkene heeft drie maal als beginnende bestuurder een of meer van de in bijlage 1, onderdeel IV, opgenomen feiten begaan en voor deze feiten is hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk veroordeeld, dan wel is voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijke strafbeschikking uitgevaardigd;

  • o. ten aanzien van betrokkene is tijdens de duur van het alcoholslotprogramma proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, derde juncto vierde lid, van de wet of artikel 9, negende lid, van de wet.

Artikel 6

In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het rijbewijs ongeldig wordt verklaard op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet.

§ 3. Lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer

Artikel 7

Het CBR besluit tot een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

  • a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;

  • b. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, maar lager is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰.

Artikel 8

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

  • a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;

  • b. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;

  • c. hij de afgelopen vijf jaar aan een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;

  • d. hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;

  • e. hij de afgelopen vijf jaar aan het alcoholslotprogramma heeft deelgenomen;

  • f. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol;

  • g. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt;

  • h. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of

  • i. het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.

Artikel 9

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij:

  • a. de kosten van de educatieve maatregel niet heeft voldaan binnen de termijn of op de wijze die is vastgelegd bij het besluit waarbij de verplichting tot het zich onderwerpen aan die maatregelen is opgelegd;

  • b. onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de desbetreffende cursus verschijnt;

  • c. demonstratief niet aan de cursus deelneemt;

  • d. zich tijdens de cursus agressief gedraagt, of

  • e. tijdens de cursus op andere wijze het groepsproces verstoort.

Artikel 10

  • 1. De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer worden onderscheiden in:

    • a. kosten van het opleggen van de maatregel, die € 300,– bedragen en

    • b. kosten van de uitvoering van de maatregel, die € 80,– bedragen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde bedragen worden telkenjare voor het komende kalenderjaar vastgesteld met toepassing van de volgende rekenformule:

    bedrag voor het huidige kalenderjaar

    =

    bedrag voor het komende kalenderjaar

    Voor de toepassing van deze rekenformule wordt verstaan onder:

    • C1: het CBS-prijsindexcijfer (totaal, zonder verrekeningen) van de gezinsconsumptie over de maand juni van het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin;

    • Cv: het CBS-prijsindexcijfer (totaal, zonder verrekeningen) van de gezinsconsumptie over de maand juni van het kalenderjaar voorafgaande aan het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin;

    • R1: het CBS-indexcijfer van regelingslonen voor de particuliere bedrijven over de maand juni van het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin;

    • Rv: het CBS-indexcijfer van regelingslonen voor de particuliere bedrijven over de maand juni van het kalenderjaar voorafgaande aan het lopende kalenderjaar zoals dat is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin.

  • 3. Alle in het eerste lid bedoelde kosten worden betaald binnen vijf weken nadat het besluit tot oplegging van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij die bekendmaking.

  • 4. De in het derde lid bedoelde termijn kan niet worden verlengd.

§ 4. Educatieve maatregel alcohol en verkeer

Artikel 11

  • 1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

    • a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;

    • b. bij betrokkene in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;

    • c. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste twee maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder,

    • d. betrokkene op grond van artikel 8, onderdeel c, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer.

  • 2. Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:

  • a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht,

  • b. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de educatieve maatregel alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;

  • c. hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;

  • d. hij de afgelopen vijf jaar aan het alcoholslotprogramma heeft deelgenomen;

  • e. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol;

  • f. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt,

  • g. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of

  • h. dat het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.

Artikel 13

  • 1. De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van de educatieve maatregel alcohol en verkeer worden onderscheiden in:

    • a. kosten met betrekking tot het opleggen van de maatregel, die € 300,– bedragen en

    • b. kosten met betrekking tot de uitvoering van de maatregel, die € 432,– bedragen.

  • 2. Artikel 10, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Alle in het eerste lid bedoelde kosten worden betaald binnen tien weken nadat het besluit tot oplegging van de educatieve maatregel aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij die bekendmaking.

  • 4. Indien betrokkene zich in een dusdanig financiële situatie bevindt dat betaling binnen de termijn redelijkerwijs niet mogelijk is, kan voor de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de in het derde lid genoemde termijn worden verlengd.

§ 5. Educatieve maatregel gedrag en verkeer

Artikel 14

  • 1. Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

    • a. betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag;

    • b. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;

    • c. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een bromfiets een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;

    • d. ten aanzien van betrokkene als bestuurder van een motorrijtuig een overschrijding is geconstateerd van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden,.

    • e. de uitslag van het ingevolge artikel 23, tweede lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.

  • 2. Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15

Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel gedrag en verkeer indien:

  • a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;

  • b. hij bewust op een andere weggebruiker is ingereden;

  • c. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de educatieve maatregel gedrag en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;

  • d. hij de afgelopen vijf jaar reeds twee maal aan de educatieve maatregel gedrag en verkeer heeft deelgenomen;

  • e. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt;

  • f. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of

  • g. dat het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen gebruikt.

Artikel 16

  • 1. De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van de educatieve maatregel gedrag en verkeer worden onderscheiden in:

    • a. kosten met betrekking tot het opleggen van de maatregel, die € 300,– bedragen en

    • b. kosten met betrekking tot de uitvoering van de maatregel, die € 510,– bedragen.

  • 2. De artikelen 10, tweede lid, en 13, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 6. Alcoholslotprogramma

Artikel 17

Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan het alcoholslotprogramma indien:

  • a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

  • b. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

  • c. betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • d. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste drie maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder, of waarbij hij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in dat artikel;

  • e. betrokkene op grond van artikel 8, onderdelen a, b, d of h, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer;

  • f. betrokkene op grond van artikel 12, onderdelen a, b, c of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel alcohol en verkeer, of

  • g. de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, tenzij er naar het oordeel van het CBR sprake is van een bijzondere omstandigheid.

Artikel 18

Betrokkene komt niet in aanmerking voor het alcoholslotprogramma indien:

  • a. hij de afgelopen vijf jaar aan het alcoholslotprogramma heeft deelgenomen, tenzij de doorverwijzing naar het alcoholslotprogramma plaatsvindt op basis van de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek;

  • b. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, tenzij de doorverwijzing naar het alcoholslotprogramma plaatsvindt op basis van de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek;

  • c. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt, of

  • d. dat het bij de politie bekend is dat hij regelmatig drogerende stoffen, anders dan alcohol, gebruikt;

  • e. hij uitsluitend de beschikking had over een rijbewijs voor de categorie A, het rijbewijs voor de categorie AM niet meegerekend.

Artikel 19

  • 1. Het alcoholslotprogramma omvat de volgende onderdelen:

    • a. de inbouw van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;

    • b. de periodieke uitlezing van de gegevens uit het alcoholslot door de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet;

    • c. het volgen van het begeleidingsprogramma.

  • 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt het alcoholslotprogramma verdeeld in perioden van zes maanden.

  • 3. Bij de aanvang van het alcoholslotprogramma bepaalt het CBR dat de periodieke uitlezing van het alcoholslot uiterlijk elke 46 dagen dient plaats te vinden. Het CBR doet van de data waarop de uitlezingen uiterlijk moeten hebben plaatsgevonden mededeling aan betrokkene.

  • 4. In afwijking van het derde lid bepaalt het CBR dat na de eerste periode van zes maanden de periodieke uitlezing van het alcoholslot uiterlijk elke 92 dagen plaatsvindt, indien:

    • a. bij de laatste uitlezing in de eerste periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma is gebleken dat er ten hoogste driemaal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l;

    • b. bij een uitlezing in de tweede periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma is gebleken dat er ten hoogste tweemaal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l

    • c. bij een uitlezing in de derde periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma ten hoogste één maal een blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.

    • d. bij een uitlezing in de vierde periode van zes maanden van het alcoholslotprogramma, dan wel bij de laatste uitlezing tijdens een verlenging, géén blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.

    Het CBR doet van de data waarop de uitlezingen uiterlijk moeten hebben plaatsgevonden mededeling aan betrokkene.

  • 5. Indien bij de eerstvolgende uitlezing na de uitlezing, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a, b of c, blijkt dat betrokkene niet aan de in het vierde lid bedoelde eisen voldoet, dan stelt het CBR de uitleesperiode vast op uiterlijk elke 46 dagen. De laatste volzin van het vierde lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 6. De betrokkene dient, in aanvulling op de periodieke uitlezingen zoals vastgesteld door het CBR overeenkomstig het derde, vierde of vijfde lid, het alcoholslot extra te laten uitlezen, indien:

    • a. minder dan 10 % van de geheugencapaciteit voor de opslag van gegevens resteert;

    • b. het alcoholslot bij zelfdiagnose constateert dat er onregelmatigheden of technische mankementen zijn;

    • c. het alcoholslot na de laatste uitlezing tenminste drie keer een spanningsonderbreking heeft geregistreerd;

    • d. het motorrijtuig is gestart zonder dat vooraf een geldig ademmonster is afgegeven of nadat uit het ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger is dan 88 µg/l;

    • e. de bestuurder niet heeft voldaan aan het verzoek een hertest af te leggen;

    • f. een hertest is afgelegd, maar uit het bij de hertest afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan 88 µg/l.

Artikel 20

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de wet aan het alcoholslotprogramma indien:

  • a. hij de kosten, bedoeld in artikel 132c, zesde en zevende lid, van de wet niet, niet binnen de gestelde termijn of niet op de voorgeschreven dan wel overeengekomen wijze voldoet;

  • b. hij niet of niet binnen de gestelde termijn meewerkt aan de uitlezing van de gegevens uit het alcoholslot, met uitzondering van de in artikel 19, zesde lid, onderdelen a, b of c, genoemde gevallen;

  • c. hij niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan de vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken in het kader van het alcoholslotprogramma zonder dat daarvoor tijdig een geldige reden van verhindering is opgegeven;

  • d. hij onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de vastgestelde periodieke bijeenkomsten of begeleidingsafspraken verschijnt;

  • e. hij demonstratief niet aan de vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken deelneemt;

  • f. hij zich tijdens de vastgestelde bijeenkomsten of begeleidingsafspraken agressief gedraagt;

  • g. hij tijdens de vastgestelde bijeenkomsten op andere wijze het groepsproces verstoort;

  • h. hij tijdens het alcoholslotprogramma een motorrijtuig bestuurt waarvoor een rijbewijsplicht geldt, met uitzondering van een bromfiets:

    • I. dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, of

    • II. waarin een zodanig alcoholslot is ingebouwd waarvan door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen is geconstateerd dat het niet functioneert, of

    • III. waarin wel een alcoholslot is ingebouwd, maar waarvan het kenteken niet in het kader van het alcoholslotprogramma aan de bestuurder is gekoppeld;

    • IV. en door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen proces-verbaal is opgemaakt op basis van eigen constatering, dan wel op basis van een bekentenis van de bestuurder of van een verklaring of verklaringen van getuigen, dat een ander dan de bestuurder heeft geblazen in het alcoholslot, bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;

  • i. ten aanzien van hem, tijdens het alcoholslotprogramma, bedoeld in artikel 132b, eerste lid, van de wet na een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰, dan wel indien hij tijdens de duur van het alcoholslotprogramma heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • j. ten aanzien van hem tijdens het alcoholslotprogramma een rijontzegging van kracht is geworden;

  • k. het op zijn naam gestelde rijbewijs van rechtswege ongeldig is geworden op grond van artikel 123b van de wet of indien een aantekening is gemaakt op grond van artikel 123b, derde lid, van de wet;

  • l. tijdens het alcoholslotprogramma vier of meer foutieve hertesten zijn geregistreerd;

  • m. hij de meting of de werking van het alcoholslot heeft omzeild;

  • n. indien tijdens het alcoholslotprogramma uitbouw van het alcoholslot heeft plaatsgevonden zonder dat een ander alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, van de wet is ingebouwd;

  • o. indien tijdens de duur van het alcoholslotprogramma is geconstateerd dat:

    • I. de bij de installatie aangebrachte verzegeling van de behuizing van het alcoholslot of van de bedrading van het alcoholslot is verbroken,

    • II. een voorziening is aangebracht waardoor het alcoholslot geheel of gedeeltelijk buiten werking is gesteld, dan wel is gebleken dat het motorrijtuig op andere wijze is gestart dan met gebruikmaking van het alcoholslot of dat met het motorrijtuig is gereden zonder dat periodiek een hertest is afgelegd;

    • III. de software van het alcoholslot zodanig is aangepast of omzeild dat het motorrijtuig kan worden gestart zonder het afleggen van een initieel ademmonster of

    • IV. kan worden gereden zonder dat periodiek een hertest moet worden afgelegd;

  • p. indien tijdens het alcoholslotprogramma is gebleken dat voor de tweede keer bedrading is onderbroken of beschadigd, de behuizing van het alcoholslot is beschadigd of onregelmatigheden zijn geconstateerd betreffende de aansluitpunten tussen de vaste eenheid en de uitleesapplicatie.

Artikel 21

  • 1. De ten laste van betrokkene komende kosten verbonden aan het opleggen van het alcoholslotprogramma, voor zover niet betrekking hebbend op de kosten van het huren of kopen, de inbouw, het uitlezen, het testen, het kalibreren, het onderhoud en de uitbouw van het typegoedgekeurde alcoholslot worden onderscheiden in:

    • a. kosten met betrekking tot het opleggen van het alcoholslotprogramma, die € 300,– bedragen;

    • b. kosten met betrekking tot de uitvoering van het alcoholslotprogramma voor de in artikel 132c, vierde lid, van de wet bedoelde periode, die € 700,– bedragen;

    • c. kosten met betrekking tot de uitvoering van het alcoholslotprogramma voor de in artikel 132d, tweede of vierde lid, van de wet bedoelde verlenging, die per verlenging € 270,– bedragen;

    • d. kosten verbonden aan het in stand houden van het alcoholslotregister, welke kostenbij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994zijn vastgesteld.

  • 2. Artikel 10, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c.

  • 3. De kosten, bedoeld in het eerste lid, worden betaald in termijnen op de wijze zoals door het CBR aangegeven bij het besluit, bedoeld in artikel 132c, eerste lid, van de wet, dan wel bij het besluit, bedoeld in artikel 132d, tweede of vierde lid, van de wet.

  • 4. De in het derde lid bedoelde termijnen kunnen niet worden verlengd.

Artikel 22

Het CBR besluit tot verlenging van het alcoholslotprogramma indien uit de in artikel 132d, eerste of derde lid, van de wet bedoelde evaluatie is gebleken dat in de laatste zes maanden dan wel tijdens de verlenging van het alcoholslotprogramma tenminste één blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 88 µg/l.

§ 7. Onderzoeken

Artikel 23

  • 1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:

    • a. bij betrokkene, al dan niet in hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;

    • b. betrokkene op grond van artikel 8, onderdelen e, f, g, of i, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer;

    • c. betrokkene op grond van artikel 12, onderdelen d, e, f of h, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel alcohol en verkeer, of

    • d. betrokkene op grond van artikel 18 niet in aanmerking komt voor een alcoholslotprogramma.

  • 2. Het CBR besluit voorts dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid, meer in het bijzonder het rijgedrag, indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdeel d, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.

  • 3. Het CBR besluit ten slotte dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de rijvaardigheid dan wel geschiktheid:

    • a. in geval van feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, anders dan die vermeld onder A, onderdeel III, Rijgedrag, of onder B, onderdeel III, Drogerende stoffen ‘Alcohol’, alsmede

    • b. indien betrokkene op grond van artikel 15, onderdelen a, b, c, e, f of g, niet in aanmerking komt voor een educatieve maatregel gedrag en verkeer.

  • 4. Indien de mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet is gedaan op basis van feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, vermeld onder A, onderdeel IV, Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens, kan het CBR besluiten af te zien van het opleggen van een onderzoek, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 24

Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid indien hij:

  • a. de kosten bedoeld in artikel 25, eerste lid, niet, niet tijdig of niet op de voorgeschreven dan wel overeengekomen wijze voldoet, of

  • b. geen gehoor geeft aan oproepen voor het onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, zonder dat daarvoor tijdig een geldige reden is opgegeven.

Artikel 25

  • 1. De kosten verbonden aan een onderzoek naar de geschiktheid komen voor rekening van de betrokken rijbewijshouder:

    • a. in de in artikel 23, eerste lid, bedoelde gevallen, en

    • b. in de in artikel 23, derde lid, onderdeel a, bedoelde gevallen, voor zover het de gevallen betreft, bedoeld in bijlage 1, onder B, onderdeel III, Andere drogerende stoffen.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde kosten worden onderscheiden in:

    • a. kosten met betrekking tot het opleggen van het onderzoek, die € 300,– bedragen;

    • b. kosten met betrekking tot de uitvoering van die maatregel, die € 666,– bedragen.

  • 3. De artikelen 10, tweede lid, en 13, derde en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 26

  • 1. De kosten van het tweede onderzoek, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet bedragen voor 2011 € 618,–. artikel 10, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De kosten van het tweede onderzoek worden betaald binnen twee weken na de mededeling van het CBR, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, op de wijze zoals bij die mededeling is aangegeven. Deze termijn wordt niet verlengd.

§ 8. Ongeldigverklaring van het rijbewijs

Artikel 27

Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:

  • a. niet de rijvaardigheid bezit voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen;

  • b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.

§ 9. Slotbepalingen

Artikel 28

De Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid wordt ingetrokken.

Artikel 29

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen I, onderdelen A, E tot en met DD, en GG tot en met PP, en II tot en met VIII, van de wet van 4 juni 2010 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma (Stb. 259) in werking treden.

Artikel 30

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.

BIJLAGE 1 BIJ DE REGELING MAATREGELEN RIJVAARDIGHEID EN GESCHIKTHEID 2011

Feiten dan wel omstandigheden, die een vermoeden rechtvaardigen dat betrokkene niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven, dan wel, met uitzondering van de categorie AM, over de vereiste lichamelijke of geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen waarvoor een rijbewijs is afgegeven:

A. RIJVAARDIGHEID EN RIJGEDRAG

I. Vaardigheid in het omgaan met het motorrijtuig

I.1 Bediening van het motorrijtuig
  • 1. Een onjuiste bediening van het koppelingspedaal dan wel het gaspedaal, zich manifesterend in het bij herhaling afslaan van de motor dan wel schokkend en slingerend rijden en bochten te ruim nemen dan wel het intrappen van het onjuiste pedaal of het niet intrappen van het juiste pedaal;

  • 2. een onjuiste bediening van het versnellingsmechanisme, al dan niet in combinatie met het koppelings- of het gaspedaal, waardoor hoorbaar regelmatig de verkeerde versnelling wordt gekozen, langdurig in een te hoge of te lage versnelling wordt gereden en met een te laag of te hoog toerental;

  • 3. een onjuiste bediening van de rem, waardoor bij herhaling abrupt wordt vertraagd en gestopt of met blokkerende wielen wordt geremd;

  • 4. een onjuist gebruik of nalaten van het gebruik van mechanismen en apparatuur van het motorrijtuig die van belang zijn voor de verkeersveiligheid, zoals ruitenwissers, richtingaanwijzers, verlichting en voorruitverwarming.

I.2. Beheersing van het motorrijtuig
  • 1. Gebrek aan stuurvastheid waardoor, al dan niet in combinatie:

    • a. slingerend wordt gereden;

    • b. bij herhaling van de juiste koers wordt afgeweken;

    • c. bij het richting veranderen bochten niet vloeiend worden genomen;

    • d. bij het volgen van bochten in het wegverloop het motorrijtuig uit de bocht ‘zeilt’.

  • 2. Onvoldoende rekening houden met de omvang van het motorrijtuig waardoor bijvoorbeeld bochten te ruim of te krap worden genomen.

  • 3. Overige feiten of omstandigheden waaruit een gebrek in de vaardigheid in de beheersing van het motorrijtuig blijkt:

    • a. het motorrijtuig niet onder controle houden;

    • b. bij herhaling op onjuiste wijze keren, achteruitrijden of parkeren;

    • c. bij herhaling veroorzaken van aanrijdingen.

II. Bedrevenheid in het deelnemen aan het verkeer

  • 1. Niet adequaat kijkgedrag

    Hanteren van een verkeerde kijktechniek en een slecht kijkgedrag al of niet met gebruikmaking van spiegels waardoor in gevaarlijke situaties niet of niet voldoende op het overige verkeer wordt gelet, zich onder meer manifesterend bij het:

    • a) wegrijden;

    • b) naderen en oprijden van kruispunten;

    • c) voorsorteren;

    • d) inhalen en het wisselen van rijstrook;

    • e) invoegen en het uitvoegen;

    • f. dan wel zich manifesterend door slecht kijkgedrag in het algemeen.

  • 2. Gebrekkige rijvaardigheid

    Gebrekkige rijvaardigheid die blijkt uit:

    • a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

    • b. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

    • c. onjuist invoegen en uitvoegen;

    • d. onnodig remmen en stoppen;

    • e. naar links of rechts afslaan op een wijze waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht;

    • f. rakelings passeren van andere weggebruikers en obstakels;

    • g. onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere deelnemers;

    • h. niet adequaat reageren op bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;

    • i. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe of interne factoren.

III. Rijgedrag

  • 1. Gevaarzettend rijgedrag waardoor:

    • a) andere weggebruikers of obstakels rakelings worden gepasseerd;

    • b) andere weggebruikers worden klem gereden of de weg wordt afgesneden.

  • 2. Gebrek aan inzicht in risico’s in het verkeer, zoals:

    • a) onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere weggebruikers;

    • b) niet adequaat reageren op bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;

    • c) niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van de vervoerde lading, of wegwerkzaamheden, of van interne factoren zoals het ‘hand held bellen’, afleiding door audiovisuele middelen of vermoeidheid;

    • d) uitvoeren van gevaarlijke inhaalmanoeuvres of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen, waarbij voetgangers duidelijk in gevaar zijn gebracht;

    • e) met een te hoge snelheid naderen van of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen of in andere onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en spoorwegovergangen;

    • f) aanhouden van, gelet op de snelheid waarmee gereden wordt, een te korte en derhalve onveilige volgafstand;

    • g) geen rekening houden met de belangen van andere weggebruikers, zoals het:

      • 1) geen gelegenheid geven tot invoegen bij een rijbaanversmalling, na inhalen, vanaf de invoegstrook;

      • 2) blokkeren van doorgangen of dubbel parkeren.

  • 3. Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

    • a) rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

    • b) onnodig remmen en stoppen;

    • c) snijden: het niet juist afmaken van de inhaalmanoeuvre door te snel en te abrupt naar rechts of naar links te gaan;

    • d) op te korte afstand volgen van voorliggers;

    • e) onjuist invoegen of onjuist uitvoegen.

  • 4. Duidelijk een gedrag tentoonspreiden dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

    • a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

    • b. het inhalen;

    • c. het verlenen van voorrang;

    • d. het naar links of rechts afslaan;

    • e. het gebruik van lichten en geven van signalen;

    • f. het rijden op auto(snel)wegen: bijvoorbeeld het rijden op de vluchtstrook of het negeren van het rode kruis boven een rijstrook;

    • g. het negeren van een rood verkeerslicht;

    • h. het als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;

    • i. het als bestuurder van een motorrijtuig overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden;

    • j. het als bestuurder van een bromfiets overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom.

IV. Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens

In de hoedanigheid van beginnende bestuurder, onverminderd het overigens in deze bijlage bepaalde, drie maal een of meer van de navolgende feiten hebben begaan waarvoor hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk is veroordeeld, dan wel indien voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden strafbeschikking is uitgevaardigd:

  • a. overtreding van artikel 5 van de wet;

  • b. overtreding van artikel 6 van de wet;

  • c. overtreding van artikel 19 van het RVV 1990;

  • d. overtreding van de artikelen 20, 21 en 22 RVV 1990;

  • e. overtredingen van artikel 62 juncto de borden A1 en A3 van het RVV 1990;

  • f. overige overtredingen van het RVV 1990 indien daarbij letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

B. GESCHIKTHEID

I. Lichamelijke geschiktheid

  • a. bewusteloosheid of stoornis in het bewustzijn;

  • b. wegraking / black-out;

  • c. hevige duizeligheid;

  • d. evenwichtsstoornis;

  • e. coördinatiestoornis, ongecontroleerde bewegingen;

  • f. stoornis in het gebruik van één of meer ledematen;

  • g. duidelijk verminderd gezichtsvermogen;

  • h. betrokkene verklaart geneesmiddelen te hebben ingenomen die, al dan niet in combinatie met alcohol, de rijvaardigheid beïnvloeden;

  • i. lichamelijk gebrek of functieverlies terwijl op het rijbewijs niet is vermeld dat betrokkene slechts:

    • een motorrijtuig mag besturen dat aan bijzondere eisen voldoet die zijn gericht op dat gebrek of functieverlies;

    • een motorrijtuig mag besturen onder gebruikmaking van kunst- of hulpstukken;

  • j. uit een medische verklaring blijkt van sterke aanwijzingen voor een verhoogd risico op een situatie als bedoeld onder a tot en met i.

II. Geestelijke geschiktheid

  • a. verwardheid, geheugenstoornissen, oriëntatiestoornissen;

  • b. ernstig gestoord inzicht of gedrag;

  • c. ernstig onaangepast rijgedrag;

  • d. agressiviteit in het verkeer;

  • e. paniekaanvallen;

  • f. abnormale opwindingstoestanden;

  • g. poging tot zelfdoding in het verkeer.

III. Drogerende stoffen

Alcohol
  • a. bij betrokkene is een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰;

  • b. bij betrokkene is in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰;

  • c. ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar tenminste twee maal proces-verbaal is opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, of dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰, indien tenminste een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder;

  • d. betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • e. uit een verklaring van een medisch deskundige blijkt dat betrokkene alcoholafhankelijk is;

  • f. bij betrokkene is, als deelnemer aan het alcoholslotprogramma, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ of betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een alcoholonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet, of

  • g. betrokkene heeft tijdens de duur van het alcoholslotprogramma:

    • een motorrijtuig bestuurd waarvoor een rijbewijsplicht geldt, met uitzondering van een bromfiets, dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;

    • een motorrijtuig bestuurd, niet zijnde een bromfiets, waarvan het kenteken in het in artikel 129a bedoelde register aan hem is gekoppeld, terwijl het motorrijtuig is voorzien van een niet functionerend alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;

    • een motorrijtuig bestuurd, niet zijnde een bromfiets, waarin wel een zodanig alcoholslot is ingebouwd, maar waarvan het kenteken niet in het kader van het alcoholslotprogramma aan de bestuurder is gekoppeld, of

    • een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, bestuurd, terwijl door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen is geconstateerd dat een ander dan de bestuurder heeft geblazen in het alcoholslot, bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet.

Andere drogerende stoffen
  • a. betrokkene is in het bezit van benodigdheden voor het gebruik van drogerende stoffen en uit een door betrokkene aan de politie afgelegde verklaring blijkt dat deze voor eigen gebruik zijn;

  • b. betrokkene is in het bezit van een gebruikershoeveelheid drogerende stoffen en uit een door betrokkene aan de politie afgelegde verklaring blijkt dat deze voor eigen gebruik is;

  • c. betrokkene staat bij de politie bekend als gebruiker van drogerende stoffen;

  • d. betrokkene is staande gehouden of aangehouden onder invloed van drogerende stoffen.

BIJLAGE 2 BIJ DE REGELING MAATREGELEN RIJVAARDIGHEID EN GESCHIKTHEID 2011

Model mededeling

Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen

Divisie Vorderingen

Postbus 3012

2280 GA RIJSWIJK (ZH)

Regiopolitie / Openbaar Ministerie / CBR:

Afdeling / district:

PL-code:

Contactpersoon:

Adres:

Postcode + Plaatsnaam:

Telefoonnummer:

Ons kenmerk:

Mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994

  • De korpschef, bedoeld in artikel 24, onderscheidenlijk artikel 38 van de Politiewet 1993 en de door hem voor dit doel aangewezen plaatsvervangers,

  • De commandant, bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Politiewet 1993 en de door hem voor dit doel aangewezen plaatsvervangers,

  • De officier van justitie,

  • De directeur van de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, doet mededeling van het vermoeden dat de hierna genoemde houder van een rijbewijs verder genoemd betrokkene) niet langer beschikt over de rijvaardigheid vereist voor het besturen van categorie(ën) /.. /.. /.. / van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van categorie(ën) /.. /.. /.. / van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven.

Gegevens betrokkene

Naam:

Voornamen:

Geslacht:

Geboortedatum:

Geboorteplaats:

Adres:

Postcode:

Woonplaats:

Rijbewijsgegevens

Rijbewijsnummer:

Burger Service Nummer:

Afgifte autoriteit:

Afgegeven op:

Geldig tot:

Categorie(ën): /.. / ../.. /

Datum feit of feiten

Het vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de vereiste geschiktheid is gebaseerd op de volgende, aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:

  • bij betrokkene wordt een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰;

  • bij betrokkene is in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰;

  • ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar tenminste twee maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, of dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰, indien tenminste een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder;

  • betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • uit een verklaring van een medisch deskundige blijkt dat betrokkene alcoholafhankelijk is;

  • bij betrokkene is, als deelnemer aan het alcoholslotprogramma, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ of betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een alcoholonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • betrokkene heeft tijdens de duur van het alcoholslotprogramma:

    • een motorrijtuig bestuurd waarvoor een rijbewijsplicht geldt, met uitzondering van een bromfiets, dat niet is voorzien van een alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet;

    • een motorrijtuig bestuurd, niet zijnde een bromfiets, waarvan het kenteken in het in artikel 129a van de wet bedoelde register aan hem is gekoppeld, terwijl het motorrijtuig is voorzien van een niet-werkend alcoholslot als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, of

    • een motorrijtuig bestuurd, niet zijnde een bromfiets, waarin wel een zodanig alcoholslot is ingebouwd, maar waarvan het kenteken niet in het kader van het alcoholslotprogramma aan de bestuurder is gekoppeld, of

    • een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, bestuurd, terwijl door een van de in artikel 159, onderdeel a, van de wet bedoelde personen is geconstateerd dat een ander dan de bestuurder heeft geblazen in het alcoholslot, bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet.

       

Datum:

Ademalcoholgehalte:

Bloedalcoholgehalte:

Weigering:

....

....

....

....

....

....

....

....

....

....

....

....

Het vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid of zodanig rijgedrag heeft vertoond dat daardoor het vermoeden is ontstaan dat hij niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid, is gebaseerd op de volgende, niet aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:

  • Betrokkene heeft blijk gegeven van een gebrekkige rijvaardigheid, die blijkt uit:

    • a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

    • b. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

    • c. onjuist invoegen en uitvoegen;

    • d. onnodig remmen en stoppen;

    • e. naar links of rechts afslaan op een wijze waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht;

    • f. rakelings passeren van andere weggebruikers of obstakels;

    • g. onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere deelnemers;

    • h. niet adequaat reageren op bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;

    • i. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe of interne factoren.

  • Betrokkene heeft gevaarzettend rijgedrag tentoongespreid waardoor:

    • a. andere weggebruikers of obstakels rakelings worden gepasseerd;

    • b. andere weggebruikers worden klem gereden of de weg wordt afgesneden, of

  • Betrokkene heeft blijk gegeven van gebrek aan inzicht in risico's in het verkeer, zoals:

    • a. onvoldoende anticiperen op het gedrag van andere weggebruikers;

    • b. niet adequaat reageren op bijzondere verkeerssituaties, zoals filevorming;

    • c. niet tijdig onderkennen van de invloed van externe factoren, zoals het weer, de toestand van de weg, het tijdstip, de aanwezigheid van scholen, voetgangersoversteekplaatsen, de specifieke eigenschappen en de toestand van het eigen motorrijtuig en van andere voertuigen en van de vervoerde lading, wegwerkzaamheden, of van interne factoren, zoals het ‘hand held’ bellen, afleiding door audiovisuele middelen of vermoeidheid;

    • d. uitvoeren van gevaarlijke inhaalmanoeuvres of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen, waarbij voetgangers duidelijk in gevaar zijn gebracht;

    • e. met een te hoge snelheid naderen van of inhalen nabij voetgangersoversteekplaatsen of in andere onoverzichtelijke situaties, zoals kruisingen en spoorwegovergangen;

    • f. aanhouden van, gelet op de snelheid waarmee gereden wordt, een te korte en derhalve onveilige volgafstand;

    • g. geen rekening houden met de belangen van andere weggebruikers, zoals het:

      • 1. geen gelegenheid geven tot invoegen bij een rijbaanversmalling, na inhalen, vanaf de invoegstrook;

      • 2. blokkeren van doorgangen of dubbel parkeren, of

  • Betrokkene heeft blijk gegeven van incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit:

    • a. rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid;

    • b. onnodig remmen en stoppen;

    • c. snijden: het niet juist afmaken van de inhaalmanoeuvre door te snel en te abrupt naar rechts of naar links te gaan;

    • d. op te korte afstand volgen van voorliggers;

    • e. onjuist invoegen of onjuist uitvoegen op autowegen en autosnelwegen;

    • f. onjuist invoegen of onjuist uitvoegen bij vermindering van het aantal rijstroken, of

  • Betrokkene heeft duidelijk een gedrag tentoongespreid dat in strijd is met de essentiële verkeersregels en verkeerstekens ter zake van:

    • a. de plaats op de weg, waaronder begrepen spookrijden;

    • b. het inhalen;

    • c. het verlenen van voorrang;

    • d. het naar links of rechts afslaan;

    • e. het gebruik van lichten en geven van signalen;

    • f. het rijden op auto(snel)wegen: bijvoorbeeld het rijden op de vluchtstrook of het negeren van het rode kruis boven een rijstrook;

    • g. het negeren van een rood verkeerslicht;

    • h. het als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 50 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom;

    • i. het als bestuurder van een motorrijtuig, niet zijnde een bromfiets, overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom bij wegwerkzaamheden;

    • j. het als bestuurder van een bromfiets overschrijden van de toegestane maximumsnelheid met 31 kilometer of meer op wegen binnen de bebouwde kom.

Het vermoeden dat betrokkene niet beschikt over de vereiste rijvaardigheid of geschiktheid is gebaseerd op de volgende, niet aan alcohol gerelateerde, feiten en omstandigheden:

Het vertoonde gedrag is:

  • nader omschreven in bijgaande afschriften van het proces-verbaal

  • nader te bekijken op bijgaande kopie van een video-opname.

Vordering in het kader van begeleid rijden

  • Betrokkene die voor zijn achttiende verjaardag in het kader van begeleid rijden een rijbewijs voor de categorie B heeft behaald, heeft in de periode tot zijn achttiende verjaardag een motorrijtuig bestuurd zonder een op de begeleiderspas geregistreerde begeleider, dan wel met een begeleider van wie hij weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een stof, waarvan het gebruik – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kan verminderen, dat deze niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.

Indien van toepassing:

Invordering als bedoeld in artikel 130, tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft op grond van het volgende plaatsgevonden:

  • betrokkene heeft een motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol;

  • betrokkene heeft een poging tot zelfdoding ondernomen in het verkeer;

  • er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;

  • betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);

  • betrokkene heeft binnen een periode van een jaar tenminste drie aanrijdingen veroorzaakt;

  • betrokkene is rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt;

  • betrokkene is niet in staat het motorrijtuig in bedwang te houden;

  • betrokkene heeft een aanrijding veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of door het niet intrappen van het juiste pedaal;

  • betrokkene is bewust ingereden op een andere weggebruiker;

  • bij betrokkene wordt als bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l respectievelijk 1,3‰;

  • bij betrokkene wordt in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan dan wel hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;

  • betrokkene heeft geweigerd mee te werken naar een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;

  • ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar tenminste vier maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij betrokkene ten tijde van de laatste verdenking houder van een rijbewijs was;

  • betrokkene heeft drie maal als beginnende bestuurder een of meer van de strafbare feiten begaan die worden genoemd in bijlage 1, onderdeel IV, bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid en voor deze feiten is hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, van die regeling genoemde termijn onherroepelijk veroordeeld, dan wel voor deze feiten tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijke strafbeschikking uitgevaardigd;

  • ten aanzien van betrokkene is tijdens de duur van het alcoholslotprogramma proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, derde juncto vierde lid, van de wet of van artikel 9, negende lid, van de wet;

  • betrokkene die voor zijn achttiende verjaardag in het kader van begeleid rijden een rijbewijs voor de categorie B heeft behaald, heeft in de periode tot zijn achttiende verjaardag een motorrijtuig bestuurd zonder een op de begeleiderspas geregistreerde begeleider, dan wel met een begeleider van wie hij weet dat deze onder zodanige invloed verkeert van een stof, waarvan het gebruik – al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof – de rijvaardigheid kan verminderen, dat deze niet tot behoorlijk begeleiden in staat moet worden geacht.

Overige:

  • het rijbewijs is bij de mededeling gevoegd.

  • betrokkene beheerst de Nederlandse taal (van belang voor de verschillende educatieve maatregelen).

  • betrokkene beheerst de volgende taal of talen (alleen invullen indien betrokkene de Nederlandse taal niet beheerst): ...........

Aantal bijlage(n) meegestuurd:

...........

Plaats:

...........

Datum:

...........

Handtekening:

...........

Naam:

...........

Functie:

...........

TOELICHTING

Inleiding

In de wet van 4 juni 2010 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de aanpassing van de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma (Stb. 259, verder te noemen de wet alcoholslotprogramma) wordt voorzien in een aanpassing van de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma. Doel hiervan is om de deelnemer te leren een scheiding aan te brengen tussen het gebruik van alcohol en het besturen van een motorrijtuig. Het alcoholslot bestaat uit een ademtester die in een motorrijtuig wordt ingebouwd, een startonderbreker en een registratie-eenheid. De bestuurder kan de startblokkering alleen opheffen door met goed gevolg een initiële ademtest af te leggen. Ook onderweg zal periodiek met onregelmatige tussenpozen moeten worden geblazen (de hertests). Het alcoholslot geeft daartoe een signaal af. Betrokkene heeft dan een aantal minuten de tijd om op verkeersveilige wijze hieraan gehoor te geven. Het alcoholslot vormt dus een fysieke barrière voor de bestuurder om met alcohol op te gaan rijden. Aan de verplichting tot inbouw van een alcoholslot wordt de verplichting gekoppeld om het alcoholslot periodiek te laten uitlezen en om een begeleidingsprogramma volgen. Hierbij worden de gegevens uit het slot periodiek uitgelezen en wordt betrokkene gemotiveerd zonder alcohol te gaan rijden.

Voor een toelichting op de overwegingen die hebben geleid tot het besluit tot invoering van het alcoholslotprogramma over te gaan en de gekozen inbedding in de vorderingsprocedure, wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het aan de wet alcoholslotprogramma ten grondslag liggend wetsvoorstel (Kamerstukken II 2008/09, 31 896, nr. 3).

Op een aantal gebieden biedt de wet de basis voor een nadere uitwerking bij ministeriële regeling. Een van die gebieden betreft de nadere uitwerking van de vorderingsprocedure van de artikelen 130 en volgende van de Wegenverkeerswet 1994. Zo zal bijvoorbeeld bij ministeriële regeling worden bepaald welke maatregel in welke gevallen zal worden opgelegd, wanneer er sprake is van het niet meewerken en in welke gevallen het alcoholslotprogramma zal worden verlengd of beëindigd. Onderhavige nieuwe regeling strekt hiertoe. De onderhavige regeling vervangt de reeds bestaande Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid. In de nieuwe regeling zijn grote delen van de oude regeling overgenomen. Verder bevat zij aanvullingen op de oude regeling waar het gaat om de invoering van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer voor de ervaren bestuurders (lichte ema) en het alcoholslotprogramma voor alle bestuurders. Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt om te komen tot een logische opzet van de regeling. In de artikelsgewijze toelichting zal op de nieuwe onderdelen worden ingegaan.

Handhaving

Voor de consequenties voor de handhaving wordt verwezen naar hetgeen hieromtrent is opgemerkt in de hoofdstukken 7 en 8, § 3, van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.

Consequenties voor het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR)

Voor de consequenties voor het CBR, de administratieve lasten en voor de voorlichting wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij de wet alcoholslotprogramma.

Voor de administratieve lasten wordt verwezen naar hetgeen hieromtrent is opgemerkt in de memorie van toelichting bij het aan de wet van 4 juni 2010 ten grondslag liggende wetsvoorstel (Kamerstukken II 2008/09, 31 896, nr. 3).

Voor de reden waarom wordt afgeweken van de vaste verandermomenten wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het besluit van 8 november 2010 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met de aanpassing van de vorderingsprocedure en de invoering van het alcoholslotprogramma (Stb. 777).

Artikelsgewijs

Artikelen 1 tot en met 4

Deze artikelen zijn letterlijk overgenomen uit de oude Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid en bevatten een aantal definities (artikel 1), de gevallen waarin sprake is van een vermoeden van het ontbreken van de vereiste rijvaardigheid of geschiktheid (artikel 2), hoe dit vermoeden kan blijken (artikel 3) en de wijze waarop de mededeling aan het CBR kan worden gedaan (artikel 4).

Aan artikel 1 zijn in verband met de invoering van het alcoholslotprogramma enkele nieuwe definities toegevoegd, namelijk die van de handset, het initiële ademmonster, de hertest, en de vaste eenheid en het begeleidingsprogramma. Voor de eerste vier definities is aangesloten bij de definities zoals die zijn opgenomen in artikel 1 van bijlage XII bij de Regeling voertuigen.

Artikel 5

Dit artikel betreft een uitwerking van artikel 130, tweede lid, van de wet en geeft aan in welke gevallen de politie moet overgaan tot een invordering tot overgifte van het rijbewijs.

Nagenoeg alle gevallen zijn verder letterlijk overgenomen uit artikel 5 van de oude Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid. Alleen is bij de onderdelen j en k een lagere limiet opgenomen, namelijk de limiet die gelijk is aan de grens voor de invordering op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (verder te noemen: de wet) (respectievelijk 570 µg/l of 1,3‰ (voor de ervaren bestuurder) en 435 µg/l of 1,0‰ (voor de beginnende bestuurder; voor de leesbaarheid zal verder alleen worden gesproken over promillages). De reden hiervoor is gelegen in de verkeersveiligheid. Op deze wijze kan immers, als de mededeling op grond van artikel 130, eerste lid, van de wet is uitgebracht, de geldigheid van het rijbewijs worden geschorst door het CBR. De politie zal in deze gevallen verplicht zijn tot invordering van het rijbewijs op grond van artikel 164, eerste lid, van de wet en het rijbewijs toezenden aan de officier van justitie. De officier van justitie zal vervolgens op grond van artikel 164, vierde lid, van de wet kunnen beslissen tot inhouding van het rijbewijs. In die gevallen waarin hij besluit tot teruggave en de geldigheid van het rijbewijs overeenkomstig artikel 6 is geschorst, zal hij het rijbewijs moeten doorgeleiden naar het CBR en zal hij het rijbewijs niet kunnen teruggeven aan de betrokkene. Bovendien betreft het hier de ondergrens voor de instroom in het alcoholslotprogramma. In dat kader zal het CBR het rijbewijs ongeldig verklaren en zal betrokkene het rijbewijs moeten inleveren. Het zou niet consequent zijn als de officier van justitie dat rijbewijs zou teruggeven aan de houder als hij op grond van artikel 164 WVW 1994 zou besluiten het rijbewijs niet in te houden.

Verder is als nieuw geval opgenomen het weigeren van medewerking aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet. De reden hiervoor is gelegen in de wens om bestuurders die weigeren mee te werken niet te bevoordelen boven bestuurders die wel meewerken en boven de toegestane wettelijke limiet blijken te zitten. Tenslotte zijn als nieuwe gevallen opgenomen als ten aanzien van betrokkene tijdens de duur van het alcoholslotprogramma proces-verbaal is opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, derde juncto vierde lid, van de wet of artikel 9, negende lid, van de wet.

Artikel 6

Dit artikel is een uitwerking van artikel 131, eerste lid, van de wet en bepaalt in welke gevallen het CBR overgaat tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs. Dit is het geval in alle in artikel 5 genoemde gevallen, tenzij het CBR in die gevallen de verplichting heeft opgelegd tot deelname aan het alcoholslotprogramma of een educatieve maatregel. In het eerste geval wordt het rijbewijs immers meteen ongeldig verklaard op grond van artikel 132b, tweede lid, van de wet. Teruggave vindt dan uiteraard niet plaats als het rijbewijs in het kader van het strafrecht is ingevorderd en ingehouden of in beslag is genomen. In het tweede geval is er geen reden om over te gaan tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. De verplichting tot het volgen van een educatieve maatregel heeft in beginsel geen gevolgen voor het rijbewijs.

Artikelen 7, 8, 9 en 10

Deze artikelen betreffen de lichte ema en zijn nagenoeg letterlijk overgenomen uit de oude regeling. Omdat de lichte ema ook zal kunnen worden opgelegd aan de ervaren bestuurders, is artikel 7 aangevuld met de gevallen waarin de lichte ema aan die categorie bestuurders zal worden opgelegd.

Omwille van de leesbaarheid zijn de contra-indicaties nu in een apart artikel opgenomen (artikel 8). Voor deze contra-indicaties is aangesloten bij de reeds in de oude regeling opgenomen contra-indicaties voor de lichte ema. In aanvulling daarop zijn enkele nieuwe contra-indicaties opgenomen: als betrokkene in de vijf jaar voorafgaand aan de mededeling al eerder een lichte ema, een ema of een asp opgelegd heeft gekregen of een onderzoek naar zijn geschiktheid wegens alcohol heeft moeten ondergaan, dan zal hij, ondanks het promillage, niet nog een keer een lichte ema opgelegd krijgen. Afhankelijk van het promillage van de vorige alcoholovertreding en de in verband daarmee opgelegde maatregel, zal hem de naast hogere maatregel worden opgelegd. Heeft betrokkene al eerder een lichte ema gevolgd, dan krijgt hij de keer daarna een ema opgelegd; was de eerste keer een ema, dan wordt het de keer daarna het asp en was het de eerste keer een asp of een onderzoek, dan wordt het de keer daarna een onderzoek naar de geschiktheid in verband met alcohol.

In artikel 9 is aangegeven in welke gevallen sprake is van niet meewerken aan een educatieve maatregel. Dit artikel is overgenomen uit de oude regeling. Bij de formulering van artikel 10 is rekening gehouden met het onderscheid tussen de kosten van oplegging van de maatregel (onderdeel a) en de kosten van de uitvoering ervan (onderdeel b). De in onderdeel a opgenomen kosten zullen door iedereen aan wie de verplichting tot deelname aan de lichte ema is opgelegd, moeten worden betaald en zullen ook via een dwangbevel kunnen worden geïnd. Als iemand evenwel, om welke reden dan ook, zou afzien van deelname aan een educatieve maatregel, zijn er ook verder geen kosten die moeten worden betaald. In deze gevallen zal dan vervolgens wel het rijbewijs van betrokkene ongeldig worden verklaard op grond van artikel 132, tweede lid, van de wet. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij de eerste nota van wijziging bij het aan de wet alcoholslotprogramma ten grondslag liggende wetsvoorstel (Kamerstukken II 2009/10, 31 896, nr. 8).

De kosten van oplegging zijn vastgesteld op € 300,–. Dit bedrag is gebaseerd op het gemiddelde van de kosten van het opleggen van alle maatregelen en onderzoeken in het kader van de vorderingsprocedure. De kosten van het uitvoering van de maatregel zijn dan de kosten prijspeil 2011, vermeerderd met de indexatie overeenkomstig de daarvoor bestaande formule, verminderd met het bedrag van de oplegkosten.

Artikelen 11, 12 en 13

Deze artikelen betreffen de educatieve maatregel alcohol en verkeer (ema) en ook deze zijn wat opzet betreft nagenoeg gelijk aan de oude regeling. Als gevolg van de aanpassing van de instroomgrenzen in de vorderingsprocedure en de invoering van de lichte ema ook voor de ervaren bestuurders en het alcoholslotprogramma zijn de instroomgrenzen voor deze maatregel aangepast.

Een van de instroomgevallen betreft het geval waarin betrokkene wel vaker onder invloed van alcohol een motorrijtuig heeft bestuurd, maar toch niet in aanmerking komt voor een lichtere maatregel, zoals een van de educatieve maatregelen. Het gaat dan om gevallen waarin ten aanzien van iemand binnen een periode van vijf jaar voor de tweede keer een proces-verbaal wordt opgemaakt op verdenking van rijden onder invloed van alcohol met een laag promillage (bijvoorbeeld voor de tweede keer een promillage van 0,6). Rekening houdend met de pakkans, moet het in deze gevallen voor worden gehouden dat dit een signaal kan zijn voor een regelmatig patroon waarin de betrokken bestuurder het gevaar loopt geen scheiding te kunnen aanbrengen tussen het gebruik van alcohol en het besturen van een motorrijtuig. Omdat het ook in deze gevallen wenselijk wordt geacht te proberen een dergelijk patroon in een zo vroeg mogelijk stadium te doorbreken, zal in deze gevallen betrokkene de verplichting worden opgelegd tot deelname aan de ema.

Ook hier geldt dat omwille van de leesbaarheid de contra-indicaties in een apart artikel zijn opgenomen (artikel 12) en zijn enkele nieuwe contra-indicaties opgenomen. Mutatis mutandis geldt hier hetzelfde als hierboven bij de nieuwe contra-indicaties bij de lichte ema is toegelicht. artikel 9 over wat moet worden verstaan onder niet meewerken is van overeenkomstige toepassing verklaard.

Voor een toelichting op de onderverdeling van de kosten wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt in de toelichting op de artikelen 7, 8, 9 en 10.

Artikelen 14, 15 en 16

Deze artikelen betreffen de educatieve maatregel gedrag en verkeer (emg) en zijn overgenomen uit de oude regeling. Ook hier geldt dat omwille van de leesbaarheid de contra-indicaties in een apart artikel zijn opgenomen (artikel 15). De artikelen zijn niet inhoudelijk gewijzigd. artikel 9 over wat moet worden verstaan onder niet meewerken is ook voor de emg van overeenkomstige toepassing verklaard.

Voor een toelichting op de onderverdeling van de kosten wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt in de toelichting op de artikelen 7, 8, 9 en 10.

Artikel 17

In dit artikel zijn de gevallen opgenomen waarin het CBR besluit tot oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma. Het betreft niet alleen gevallen waarin het aangegeven alcoholpromillage is geconstateerd, maar ook gevallen, waarin betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet. Op die manier wordt voorkomen dat bestuurders onder het alcoholslotprogramma uit kunnen komen door die medewerking te weigeren. Tevens zijn opgenomen de gevallen waarin betrokkene niet in een lema of een ema instroomt vanwege het feit dat een contra-indicatie van toepassing is.

Verder is ook hier, net zoals bij de ema, een vangnetbepaling opgenomen. Het betreft de gevallen waarin betrokkene niet in aanmerking komt voor een lichtere maatregel, zoals een van de educatieve maatregelen. Het gaat dan om gevallen waarin ten aanzien van iemand binnen een periode van vijf jaar voor de derde keer een proces-verbaal wordt opgemaakt op verdenking van rijden onder invloed van alcohol, maar er telkens sprake is van een lichte overschrijding van de wettelijke limiet. Rekening houdend met de pakkans, moet het in deze gevallen voor worden gehouden dat sprake is van een regelmatig patroon van gevallen waarin de betrokken bestuurder heeft getoond geen scheiding te kunnen aanbrengen tussen het gebruik van alcohol en het besturen van een motorrijtuig. Dit wordt zodanig ernstig geacht dat deelname aan het alcoholslotprogramma noodzakelijk wordt geacht.

Tijdens het VAO van 10 december 2010 is door de Kamerleden De Rouwe en Monasch een motie ingediend om de bovengrens voor de directe instroom in het alcoholslotprogramma te verlagen tot 1,8‰ (Kamerstukken II 2010/11, 29893, nr. 257). Ter uitvoering van deze, door de Tweede Kamer aanvaarde, motie is in artikel 17 de bovengrens voor de directe instroom in het alcoholslotprogramma gesteld op 1,8‰. Instroom in het alcoholslotprogramma boven dat promillage is mogelijk, maar dan wel op basis van een onderzoek naar de geschiktheid. Dit is geregeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel a. In zeer bijzondere gevallen kan het CBR hierop een uitzondering maken. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel 18.

Artikel 18

In dit artikel zijn, net zoals het geval is bij de educatieve maatregelen, de contra-indicaties opgenomen. Als betrokkene in de voorafgaande periode van vijf jaar al eerder heeft deelgenomen aan het alcoholslotprogramma, dan wel in die periode een onderzoek naar de geschiktheid heeft ondergaan, volgt geen oplegging van het alcoholslotprogramma, maar doorverwijzing naar het onderzoek naar de geschiktheid. Mocht uit dit onderzoek blijken dat betrokkene niet ongeschikt wordt geacht, volgt alsnog oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma. Andere contra-indicaties zijn bijvoorbeeld de gevallen waarin betrokkene naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt of bij de politie bekend staat als gebruiker van drugs. Tenslotte is als contra-indicatie opgenomen het, naar verwachting niet heel vaak voorkomende geval, dat iemand die alleen de beschikking had over een rijbewijs voor de categorie A (dus zonder dat hij tevens een rijbewijs had dat geldig was voor de categorie B), in aanmerking zou moeten komen voor het alcoholslotprogramma. Een alcoholslot kan immers vooralsnog alleen worden ingebouwd in een motorrijtuig van de rijbewijscategorie B. Maar betrokkene heeft geen rijbewijs en kan dit ook niet halen: artikel 9, tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 verbieden immers na een ongeldigverklaring van het rijbewijs het volgen van rijles of het afleggen van een rijexamen voor een andere categorie dan waarop die ongeldigverklaring betrekking had. Deze categorie personen zal derhalve niet de mogelijkheid hebben om te voldoen aan de eis van rijden met een alcoholslot. Daarom zullen deze personen een onderzoek opgelegd krijgen. Als uit dit onderzoek blijkt dat ze niet ongeschikt zijn, kunnen ze het rijbewijs A behouden. Bij gebleken ongeschiktheid volgt alsnog ongeldigverklaring van het rijbewijs.

Als een of meer van deze contra-indicaties van toepassing zijn, dan zal het CBR betrokkene de verplichting opleggen zich te onderwerpen aan de naasthogere maatregel, het onderzoek naar de geschiktheid.

Artikel 19

In dit artikel zijn in het eerste lid de verschillende onderdelen van het alcoholslotprogramma opgenomen. Het eerste onderdeel betreft de verplichting tot inbouw van het alcoholslot (een van de verplichtingen om een verklaring van geschiktheid (met beperkende codering) geregistreerd te krijgen die weer nodig is voor het aanvragen van het rijbewijs met beperkende codering).

Het tweede onderdeel betreft de verplichting het alcoholslot periodiek te laten uitlezen. Gedurende de eerste zes maanden van het alcoholslotprogramma valt iedereen onder het zogenaamde ‘strenge uitleesregime’: het alcoholslot zal gedurende deze periode uiterlijk elke 46 dagen moeten worden uitgelezen. Na die eerst zes maanden kan het CBR een soepeler uitleesregime vaststellen. Hiervoor zijn de concrete uitleesgegevens van de laatste uitlezing in die eerste periode bepalend, waarbij het dan gaat om de gegevens betreffende de startpogingen. De eerste periode wordt immers gezien als een leerperiode. Voldoet de betrokken deelnemer vervolgens bij die volgende uitlezing aan de vereisten voor die periode van het alcoholslotprogramma, dan komt hij in het soepeler uitleesregime. Het slot moet dan uiterlijk na 92 dagen zijn uitgelezen. Blijkt hij bij een volgende uitlezing (dan na maximaal 92 dagen) evenwel toch te vaak in de fout te zijn gegaan, dan zal het CBR hem weer terugzetten in het strengere uitleesregime. Als betrokkene dan weer bij de volgende uitlezing (in dit geval de korte periode van maximaal 46 dagen) heeft voldaan aan de eisen voor de desbetreffende periode in het alcoholslotprogramma, dan valt hij weer in het soepeler uitleesregime.

Een registratie van een foutieve hertest zal niet leiden tot aanpassing van uitleesregime. Dit wil evenwel niet zeggen dat zo’n registratie zonder gevolgen zal blijven. De eerste drie foutieve hertests (dat zijn dus hertests met een te hoog promillage of een weigering van een hertest), zullen leiden tot de verplichting het alcoholslot een extra keer te laten uitlezen binnen het de door het alcoholslot daarvoor aangegeven termijn. Het gaat hier dus om een extra uitlezing, los van de periodieke uitlezingen van het alcoholslot. Vanaf de vierde foutieve hertest met een te hoog promillage volgt beëindiging van het alcoholslotprogramma en ongeldigverklaring van het rijbewijs. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat voor de toepassing van het zesde lid, onderdeel f, meerdere onjuiste blaaspogingen, geregistreerd in een rit, moeten worden aangemerkt als één onjuiste blaaspoging. Onder het begrip ‘tijdens een rit’ moet dan bijvoorbeeld worden verstaan een nagenoeg aaneengesloten periode gedurende welke betrokkene een motorrijtuig bestuurt. Daaraan doet niet af dat de rit kort kan worden onderbroken, bijvoorbeeld voor het tanken of het doen van een boodschap.

Het derde onderdeel tenslotte betreft de verplichting het door het CBR bepaalde begeleidingsprogramma te volgen. Voor de opzet van dit begeleidingsprogramma wordt verwezen naar § 5.3.i van de memorie van toelichting.

Het tweede tot en met vijfde lid van dit artikel bevat de uitwerking van het uitleesregime. In het zesde lid is aangegeven in welke gevallen de deelnemer het alcoholslot in aanvulling op de door het CBR vastgestelde uitleesmomenten, extra moet laten uitlezen. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als nog maar 10% van de opslagcapaciteit voor gegevens resteert of als de deelnemer heeft geweigerd een hertest uit te voeren.

Artikel 20

In dit artikel is aangegeven in welke gevallen er sprake is van het niet meewerken aan de verplichtingen opgelegd in het kader van het alcoholslotprogramma. Als een of meerdere van deze gevallen worden geconstateerd, dan wordt het alcoholslotprogramma beëindigd en wordt het rijbewijs ongeldig verklaard. Dit vaststellen kan op verschillende manieren plaatsvinden.

Dat een alcoholslot niet functioneert, kan bijvoorbeeld worden vastgesteld doordat de opsporingsambtenaar de betrokkene heeft laten blazen in het ingebouwde alcoholslot. De politie heeft op grond van artikel 160, zesde lid, van de wet de bevoegdheid een bestuurder in het ingebouwde alcoholslot te laten blazen. Dit zal alleen van belang zijn voor de bestuurder aan wie deelname aan het alcoholslotprogramma is opgelegd.

In onderdeel o kan het bijvoorbeeld gaan om het aanbrengen van een voorziening, waardoor het alcoholslot geheel of gedeeltelijk buiten werking is gesteld, of is gebleken dat het motorrijtuig op andere wijze is gestart dan met gebruikmaking van het alcoholslot of is met het motorrijtuig gereden zonder dat periodiek een hertest is afgelegd. Dit betekent dat het motorrijtuig niet op de een of andere manier buiten het alcoholslot om is gestart zonder dat het vereiste initiële ademmonster is afgegeven. Ook valt hieronder het feit dat de bestuurder, bijvoorbeeld om het motorrijtuig te kunnen starten, een andere persoon heeft laten blazen. Voor een deel kunnen de hierboven bedoelde gegevens blijken uit periodieke controles bij het uitlezen van de gegevens uit de registratie-eenheid van het alcoholslot. De auto kan bijvoorbeeld zijn gestart door deze aan te duwen; in de registratie-eenheid zal dan geen initieel blaasmonster zijn geregistreerd, maar vervolgens wel hertesten. Verder kunnen deze gegevens blijken uit de periodieke controles bij de het uitlezen van de gegevens. Of er sprake is van het laten blazen door een ander zal moeilijker vaststelbaar zijn. De opsporingsambtenaar heeft bijvoorbeeld ter plekke geconstateerd dat een ander dan de bestuurder heeft geblazen.

Ook is er sprake van niet meewerken als de deelnemer de kosten niet betaalt of zonder reden niet komt opdagen bij of demonstratief niet deelneemt aan gesprekken of bijeenkomsten die zijn voorgeschreven in het kader van het begeleidingsprogramma of zich dan agressief gedraagt.

De foute hertesten worden bij het beoordelen van de uitleesgegevens door het CBR vastgesteld. Hierbij is de aard van de foute hertest niet van belang, maar gaat het om het aantal foutieve hertests. Er kan derhalve sprake zijn van verschillende mogelijkheden: er kan sprake zijn van vier foutieve hertest als gevolg van een te hoog ademalcoholgehalte of van vier foutieve hertests wegens het vier maal niet uitvoeren van de hertest. Maar ook zijn combinaties mogelijk, bijvoorbeeld twee maal niet uitvoeren van een hertest en twee te hoge uitslagen.

Ten slotte kan er sprake zijn van onregelmatigheden aan het alcoholslot. Deze onregelmatigheden worden bij de visuele controle van het alcoholslot door de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet geconstateerd, bijvoorbeeld bij gelegenheid van de periodieke uitleesbeurt van het slot. De erkenninghouder doet hiervan dan melding aan de RDW die vervolgens ervoor zorg draagt dat er binnen 90 minuten na die melding een toezichthouder komt voor een controle. De toezichthouder maakt vervolgens rapport op van zijn bevindingen. Bij deze onregelmatigheden kan het gaan om onregelmatigheden met betrekking tot de behuizing (bijvoorbeeld beschadiging of een verbroken verzegeling), de bedrading (bijvoorbeeld doorgeknipt of een verbroken verzegeling) of de software van het alcoholslot (het opstarten van het alcoholslot gaat niet op de juiste wijze) of met de aansluitpunten (er is bijvoorbeeld een andere handset geïnstalleerd). Sommige van deze onregelmatigheden (zie onderdeel o) worden als dermate ernstig aangemerkt dat zij direct leiden tot beëindiging van het alcoholslotprogramma. Van andere onregelmatigheden (de onregelmatigheden in onderdeel p) kan worden gesteld het niet onmogelijk is dat deze zich een keer kunnen voordoen. Als deze zich echter vaker voordoen, dan is een poging tot manipulatie aannemelijk.

Artikel 21

In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan het onderscheid tussen de kosten van oplegging, de kosten van uitvoering van het alcoholslotprogramma en de kosten verbonden aan de verlenging van het alcoholslotprogramma. Voor een toelichting op de onderverdeling van de kosten wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgemerkt in de toelichting op de artikelen 7, 8, 9 en 10. Bij de kosten voor de uitvoering van de maatregel gaat het om de kosten van het CBR in verband met de monitoring en het geven van feedback aan de deelnemer en de kosten van het motivatieprogramma. Bij de kosten voor de verlenging betreft het naast de kosten in verband met monitoring en feedback ook de kosten van het CBR verbonden aan het opmaken van het besluit tot verlenging en eventuele bezwaren en beroepen.

Artikel 22

In dit artikel wordt aangegeven in welke gevallen het CBR besluit tot verlenging van het alcoholslotprogramma. Het begeleidingsprogramma zal bestaan uit een aantal periodes die gezamenlijk tot doel hebben de deelnemer te begeleiden naar de uiteindelijk gewenste uitkomst dat hij heeft geleerd een scheiding aan te brengen tussen het gebruik van alcohol en het besturen van een motorrijtuig. Tegen deze achtergrond zullen in de eerste periode meer foute blaaspogingen worden geaccepteerd dan in de daarop volgende periodes, terwijl in de laatste periode van zes maanden (of tijdens de verlenging) betrokkene echt moet laten zien dat hij geleerd heeft die scheiding aan te brengen. Is dat niet het geval, dan wordt derhalve besloten tot (verdere) verlenging. In het kader van het begeleidingsprogramma zal het CBR betrokkene tijdig aangeven wat er van hem wordt verwacht voordat het alcoholslotprogramma zal kunnen worden beëindigd.

Artikelen 23 en 24

Deze artikelen betreffen het onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid en zijn voor de opzet op hoofdlijnen dezelfde als in de oude regeling. In artikel 23 zijn de gevallen opgenomen waarin het CBR de verplichting oplegt een onderzoek te ondergaan.

In artikel 24 is nader geconcretiseerd in welke gevallen betrokkene geacht wordt niet te hebben meegewerkt aan een onderzoek. Is dat het geval, dan wordt zijn rijbewijs ongeldig verklaard.

Artikelen 25 en 26

Artikel 25 is overgenomen uit de oude regeling en bepaalt in welke gevallen de kosten van het onderzoek voor rekening van de betrokken rijbewijshouder zelf komen. Alleen zijn in het tweede lid de kosten opnieuw vastgesteld, waarbij voor de onderzoeken die voor rekening van betrokkene komen, onderscheid wordt gemaakt tussen de kosten van oplegging (tweede lid, onderdeel a) en de kosten van uitvoering (tweede lid, onderdeel b).

Voor een toelichting op de kosten van oplegging wordt verwezen naar de toelichting op de artikelen 7, 8, 9 en 10. Voor de berekening van de kosten van de uitvoering van het onderzoek moet voor een groot deel worden uitgegaan van vaststaande tarieven, namelijk de kosten van het door de keurend arts te declareren onderzoek, de kosten van het CBR en de kosten van het laboratorium. De kosten van het door de keurend arts te declareren onderzoek en de laboratoriumkosten worden door de Zorgautoriteit vastgesteld. De kosten zijn vastgesteld, uitgaande van het prijspeil van 2011 en vermeerderd met de indexatiekosten. Op deze kosten zijn de kosten van de oplegging in mindering gebracht.

Artikel 26 betreft de kosten van het tweede onderzoek. Ook dit artikel is overgenomen uit de oude regeling en bepaalt in welke gevallen de kosten van het onderzoek voor rekening van de betrokken rijbewijshouder zelf komen. Alleen zijn in het tweede lid de kosten opnieuw vastgesteld waarbij rekening is gehouden met de indexering.

Artikel 27

Artikel 27 bevat de gevallen waarin het CBR overgaat tot ongeldigverklaring van het rijbewijs na een onderzoek naar de rijvaardigheid respectievelijk de geschiktheid. Ook dit artikel is overgenomen uit de oude regeling.

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.