Besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 2 juni 2010, nr. DSO/GA-265/10, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring van internationale maatschappelijke organisaties op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en HIV/aids op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Fonds Keuzes en Kansen 2011–2014)

De minister van Buitenlandse Zaken,

Gelet op artikel 6 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken,1

Gelet op artikel 4.9 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;2

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 4.9 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 met het oog op de financiering van internationale maatschappelijke organisaties op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en HIV/aids in het kader van het Fonds Keuzes en Kansen gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

Voor subsidieverlening in het kader van het Fonds Keuzes en Kansen geldt voor de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014 een subsidieplafond van € 40 miljoen.

Artikel 3

Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Fonds Keuzes en Kansen voor activiteiten in het tijdvak vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014 kunnen worden ingediend vanaf het moment van inwerkingtreding van dit besluit tot en met 2 augustus 2010.

Artikel 4

De verdeling van het subsidieplafond vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor subsidieverlening in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 5

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het geplaatst wordt en vervalt met ingang van 1 januari 2015.

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De minister van Buitenlandse Zaken,

namens deze:

de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking,

J.M.G. Brandt.

BIJLAGE

I. Achtergrond

Ter uitvoering van de beleidsnotitie ‘HIV/aids en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in het buitenlands beleid, Keuzes en Kansen’1 wil de minister van Buitenlandse Zaken subsidies verstrekken aan internationale maatschappelijke organisaties die met betrekking tot een aantal Nederlandse prioritaire thema’s op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) en HIV/aids een strategische meerwaarde hebben. Dit betreft vooral het behalen van de doelstellingen van het Actieprogramma van de Internationale Conferentie over Bevolking en Ontwikkeling (1994), de zogeheten Cairo agenda2 en doelen voor universele toegang tot HIV/aids preventie, behandeling, zorg en ondersteuning.3

Het Nederlandse beleid op het gebied van SRGR en HIV/aids is onlosmakelijk verbonden met twee te onderscheiden perspectieven: mensenrechten en preventie. Met de rechtenbenadering wordt aandacht gevraagd voor gender, discriminatie en ongelijke toegang tot preventie, behandeling en zorg, waardoor mensen de mogelijkheid wordt ontnomen op te komen voor hun recht op gezondheid. Nederland richt zich op die onderwerpen en die groepen die in veel landen nog steeds verwaarloosd worden als gevolg van genderongelijkheid, stigma en discriminatie. Het gaat om onderdelen van de Cairo agenda die onder vuur liggen, zoals het recht van jongeren op volledige informatie over seksualiteit en toegang tot voorbehoedsmiddelen en het recht van vrouwen en meisjes om gevrijwaard te zijn van seksueel geweld en ongewenste zwangerschap. Naast aandacht voor jongeren en vrouwen, is het Nederlandse beleid in het bijzonder gericht op gemarginaliseerde groepen die in grotere mate worden geconfronteerd met seksuele en reproductieve gezondheidsrisico’s, waaronder HIV en andere seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s). Het gaat om drugsgebruikers, sekswerkers, gevangenen, vluchtelingen, mannen die seks hebben met mannen en andere seksuele minderheden. Ook in fragiele staten is de problematiek ten aanzien van SRGR en HIV/aids vaak nijpend en de aanpak moeizaam.

Om de doelen van het Nederlandse buitenlandbeleid uit te voeren wordt geïnvesteerd in beleidsvorming, versterking van het maatschappelijk middenveld en capaciteitsopbouw en wordt ingezet op dienstverlening, lobby en pleitbezorging, zowel op nationaal als op internationaal niveau. De Nederlandse inzet bestaat voornamelijk uit:

  • Leveren van een bijdrage aan internationale pleitbezorging en beleidsvorming door deelname aan besturen van internationale organisaties, werkgroepen, internationale beleidsdialoog, politieke dialoog;

  • Inzetten van Aidsambassadeur en Mensenrechtenambassadeur;

  • Samenwerking met multilaterale organisaties zoals: UNFPA, UNAIDS, UNICEF, UNDP, UNODC, UNIFEM, WHO en Wereldbank;

  • Bilaterale samenwerking op de terreinen gezondheid, onderwijs, gender en mensenrechten;

  • Samenwerking op het gebied van SRGR en HIV/aids met Nederlandse en internationale maatschappelijke organisaties, onderzoeksinstellingen en private ondernemingen;

  • Verstrekken van financiële bijdragen aan gouvernementele en maatschappelijke organisaties op het gebied van SRGR en HIV/aids.

II. Fonds Keuzes en Kansen

Voor de periode 2011–2014 bestaat de mogelijkheid om een financiële bijdrage te verstrekken aan een beperkt aantal internationale maatschappelijke organisaties wier activiteiten een aantoonbare toegevoegde waarde hebben met betrekking tot Nederlandse prioritaire thema’s. In totaal is hiervoor voor de periode vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014 € 40 miljoen beschikbaar. Een subsidie uit het Fonds Keuzes en Kansen (hierna aan te duiden als ‘Fonds’) zal niet meer bedragen dan 25% van de jaarlijkse totale inkomsten van de aanvragende organisatie.

III. Doelstellingen Fonds

Met het verstrekken van subsidie aan internationale maatschappelijke organisaties worden de volgende doelstellingen nagestreefd:

  • A. Internationaal draagvlak vergroten voor en uitvoering geven aan voor Nederland prioritaire thema’s op het gebied van SRGR en HIV/aids.

  • B. Bevorderen van integrale benadering van SRGR en HIV/aids in beleid, programmering en uitvoering.

  • C. Vergroten van toegang tot preventie en gezondheidsfaciliteiten voor vrouwen, jongeren en gemarginaliseerde groepen.

  • D. Empowerment van vrouwen, jongeren en gemarginaliseerde groepen.

In aanvulling op de bepalingen van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 geldt gelet op het voorgaande daarom voor subsidieverstrekking in het kader van het Fonds het volgende.

IV. Subsidieverlening in het kader van het Fonds

A. Internationale maatschappelijke organisaties:

Onder internationale maatschappelijke organisaties wordt in het kader van deze beleidsregels verstaan: niet-Nederlandse maatschappelijke organisaties zonder winstoogmerk die werkzaam zijn in en/of voor ontwikkelingslanden4. De organisatie bezit rechtspersoonlijkheid, is niet in Nederland, noch naar Nederlands recht opgericht en niet statutair in Nederland gevestigd (het hoofdkantoor dient dus elders dan in Nederland te zijn gevestigd).

B. Organisaties die niet voor subsidieverlening in aanmerking komen:

  • 1. Volkenrechtelijke organisaties;

  • 2. (Lokale) overheidsorganisaties;

  • 3. Lokale maatschappelijke organisaties;

  • 4. Organisaties die op het moment van de aanvraag rechtstreeks een subsidie ten laste van de begroting van het Ministerie van Buitenlandse Zaken ontvangen, ten behoeve van activiteiten die zullen plaatsvinden in de periode tussen 1 januari 2011 en 31 december 2014.5

C. Prioritaire thema’s:

Om voor subsidieverlening in het kader van het Fonds in aanmerking te komen dienen activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd in hoofdzaak betrekking te hebben op één van de volgende prioritaire thema’s:

  • 1. Adolescenten, jongeren en seksualiteit:

    • a. Bieden van een breed pakket van informatie en educatie op het gebied van seksualiteit, relaties en vaardigheden voor adolescenten en jongeren, waaronder bescherming en bevordering van hun rechten en van gendergelijkheid.

    • b. Inzetten op toegang tot seksuele en reproductieve gezondheidsfaciliteiten, waaronder condoomverstrekking en preventie van HIV en andere soa’s.

    • c. Verlenen van een breed pakket van seksuele en reproductieve gezondheidszorg.

  • 2. Alle facetten van geboorteregeling in de context van SRGR:

    • a. Inzetten op lobby, pleitbezorging en/of dienstverlening voor seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, waaronder geboorteregeling en seksuele oriëntatie.

    • b. Inzetten op soa en HIV preventie en toegang tot behandeling als geïntegreerd onderdeel van programma’s voor seksuele en reproductieve gezondheid en geboorteregeling.

    • c. Leveren van diensten op het gebied van informatievoorziening, voorzieningen voor de gezondheid van vrouwen en moeders en het verstrekken van producten ten behoeve van seksuele en reproductieve gezondheid.

  • 3. Veilige abortus:

    • a. Bieden van informatie en voorzieningen voor veilige abortus, inclusief nazorg.

    • b. Inzetten op preventie van ongewenste zwangerschappen, met name geboorteregeling en counseling.

    • c. Inzetten op decriminaliseren en legaliseren van abortus.

  • 4. Harm reduction:

    • a. Bieden van een breed pakket van maatregelen voor harm reduction ten behoeve van mensen die drugs gebruiken en hun intieme partners en kinderen.

    • b. Ontwikkelen van harm reduction strategieën en programma’s in samenwerking met vertegenwoordigers van de doelgroepen (drugsgebruikers, hun partners, sekswerkers, gevangenen, kinderen die op straat leven en werken).

    • c. Inzetten op capaciteitsopbouw, lobby en pleitbezorging ter bescherming en bevordering van de rechten van gemarginaliseerde groepen.

V. Verdeling middelen

Om voor subsidie in het kader van het Fonds in aanmerking te komen zal allereerst aan een aantal drempelcriteria moeten worden voldaan (zie hierna de paragrafen VI en VII) en zal in voldoende mate moeten worden voldaan aan de beoordelingscriteria (opgenomen in de paragrafen VIII en IX).

Als de beschikbare middelen niet toereikend zijn om alle aanvragen die als voldoende zijn beoordeeld volledig te honoreren, zal de verdeling van de middelen over deze aanvragen plaatsvinden aan de hand van een rangschikking van de aanvragen volgens de maatstaven die in deze beleidsregels zijn neergelegd.

Daarbij wordt ernaar gestreefd de subsidiegelden zodanig te verdelen over de aanvragen, dat in elk van de bij paragraaf IV.C genoemde thema’s wordt voorzien. Het streven is ook om per thema één organisatie te financieren.

Indien de kwaliteit van alle aanvragen die betrekking hebben op een zelfde thema als onvoldoende wordt beoordeeld volgens de in deze beleidsregel neergelegde maatstaven, vindt verdeling van de subsidiegelden plaats over de aanvragen die betrekking hebben op de overige thema’s, voor zover zij wel in voldoende mate aan de criteria voldoen. In dat geval is het mogelijk dat op één of meerdere thema’s meerdere organisaties in aanmerking komen voor een subsidie uit het Fonds.

De kwaliteit van de aanvragen tezamen in relatie tot de met de subsidieverlening te behalen doelen kan er in het licht van artikel 8 Subsidiebesluit BZ toe leiden dat de beschikbare financiële middelen niet evenredig worden verdeeld over de aanvragen die in aanmerking komen voor subsidie in het kader van het Fonds.

In aanvulling op de bepalingen van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 gelden gelet op het voorgaande de volgende criteria.

VI. Drempelcriteria ten aanzien van de aanvragende organisaties:

  • 1. De organisatie bezit rechtspersoonlijkheid, is niet in Nederland noch naar Nederlands recht opgericht, is niet statutair in Nederland gevestigd en is een maatschappelijke organisatie zonder winstoogmerk werkzaam in of voor ontwikkelingslanden.

  • 2. De organisatie opereert op ten minste twee van de hierna genoemde terreinen: beleidsontwikkeling, lobby, pleitbezorging, technische assistentie, dienstverlening en onderzoek.

  • 3. De organisatie ondersteunt maatschappelijke organisaties en/of overheidsinstanties in ontwikkelingslanden en heeft tot doel lokale capaciteit te bevorderen.

  • 4. De organisatie heeft een gezond financieel beleid en beheer en doelmatige inzet van middelen, conform internationale standaarden.

Indien een aanvraag niet voldoet aan één of meer van deze criteria, wordt deze aanvraag afgewezen.

VII. Drempelcriteria ten aanzien van de aanvraag

  • 1. De activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd hebben betrekking op één van de in paragraaf IV. C genoemde thema’s: (1) adolescenten, jongeren en seksualiteit, (2) alle facetten van geboorteregeling in de context van SRGR, (3) veilige abortus of (4) harm reduction.

  • 2. Het voorstel heeft betrekking op meer dan één land.

  • 3. De subsidieaanvraag betreft geen activiteiten die proselitisme (mede) beogen.

  • 4. Een aanvraag voor een subsidie in het kader van het Fonds heeft betrekking op activiteiten die zullen plaatsvinden in het tijdvak vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 december 2014.

  • 5. Een subsidieaanvraag bedraagt ten minste € 1 miljoen per jaar en ten hoogste € 3 miljoen per jaar.

  • 6. Een subsidieaanvraag uit het Fonds bedraagt niet meer dan 25% van de jaarlijkse inkomsten van de aanvragende organisatie.

Indien een aanvraag niet voldoet aan één of meer van deze criteria, wordt deze aanvraag afgewezen.

VIII. Beoordelingscriteria voor de aanvragende organisatie:

  • 1. De organisatie onderschrijft de Nederlandse beleidsprioriteiten en heeft qua visie, doelen en programmering een strategische meerwaarde voor het bereiken van vooruitgang ten aanzien van de in de in paragraaf IV.C genoemde prioritaire thema’s.

  • 2. De organisatie is een toonaangevende internationale speler met betrekking tot één van de in paragraaf IV.C van deze beleidsregels genoemde thema’s, bijvoorbeeld aantoonbare inbreng in internationale beleidsdiscussies.

  • 3. De organisatie biedt een internationaal platform om mensenrechten en specifieke heikele onderwerpen op het gebied van SRGR, incl. HIV/aids, ter discussie te stellen. Voorbeelden van dergelijke onderwerpen zijn het recht op veilige abortus, geboorteregeling, toegang tot volledige informatie over seksualiteit voor jongeren, toegang tot informatie over HIV/aids, behandeling en zorg voor sekswerkers, mannen die seks hebben met mannen en injecterende drugsgebruikers.

  • 4. De organisatie heeft in relatie tot de thema’s genoemd in paragraaf IV.C relevante samenwerkingsrelaties, zowel in de landen waarin de organisatie actief is als regionaal en internationaal, zo mogelijk ook met overheidsinstanties, bedrijven en/of kennisinstellingen.

  • 5. De organisatie is actief op plaatsen en op terreinen waarop Nederlandse NGO’s niet of niet voldoende actief (kunnen) zijn dan wel levert een uniek ‘product’ of hanteert een unieke werkwijze.

  • 6. De organisatie werkt actief aan capaciteitsontwikkeling van maatschappelijke organisaties in de landen waarin de organisatie actief is en beoogt hun verzelfstandiging.

  • 7. De organisatie draagt aantoonbaar bij aan vernieuwing op het betreffende thema.

  • 8. De wijze waarop de organisatie gestalte geeft aan de bewaking van voortgang en kwaliteit van beleid en programma’s: lerende organisatie.

Betrokken wordt het track record van de organisatie inzake de hierboven genoemde punten.

IX. Beoordelingscriteria betreffende de kwaliteit van de aanvraag:

  • 1. De mate waarin het hoofdaccent van de voorgenomen activiteiten bijdraagt aan één van de in paragraaf IV.C van deze beleidsregels genoemde prioritaire thema’s.

  • 2. De mate waarin de beoogde resultaten specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden (SMART) zijn omschreven en aantoonbaar effectief zijn.

  • 3. De kwaliteit van de strategische analyse; deze bevat een probleemanalyse en dient aandacht te besteden aan de internationale context (bijvoorbeeld de landenkeuze), de betrokken actoren, de uitvoeringscapaciteit en de operationele doelstellingen.

  • 4. De doelgerichtheid en doelmatigheid van de inzet van de middelen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd.

  • 5. De wijze waarop resultaten worden gedocumenteerd en beschikbaar worden gesteld.

  • 6. De mate waarin en de wijze waarop de voorgenomen werkzaamheden innovatief zijn.

  • 7. De wijze waarop en de mate waarin de activiteiten duurzaamheid bevorderen.

X. Procedure en informatie

Aanvragen voor een subsidie in het kader van het Fonds dienen uiterlijk op 2 augustus 2010 schriftelijk te zijn ontvangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Sociale Ontwikkeling/Afdeling Gezondheid en Aids, Postbus 20061, 2500 EB Den Haag, Nederland. Bij voorkeur wordt de aanvraag ook op Cd-rom ingediend. De minister zal besluiten over de ingediende aanvragen uiterlijk op 1 november 2010. Het subsidieverleningtijdvak van verleende subsidies gaat in met ingang van 1 januari 2011.

Voor informatie over dit subsidiekader kan contact worden opgenomen met de Directie Sociale Ontwikkeling, Afdeling Gezondheid en Aids, dso-ga@minbuza.nl, telefoon +31(0)70 348 4665.

XI. Bij de aanvraag te voegen stukken:

  • 1. Oprichtingsakte en statuten;

  • 2. Jaarverslagen en jaarrekeningen over de jaren 2007 tot en met 2009;

  • 3. Laatste accountantsverklaring en management letter

  • 4. Organisatiebegroting 2007 tot en met 2010;

  • 5. Organisatieschema;

  • 6. Activiteitenplan met daarin een overzicht van activiteiten, naar aard, omvang, fasering en onderling verband, in relatie tot de daarmee beoogde doelstellingen en resultaten en verwachte effecten voor de eerstvolgende 12 maanden van de periode waarin de activiteiten worden uitgevoerd;

  • 7. Een gedetailleerde en sluitende begroting behorend bij het activiteitenplan genoemd onder punt 6;

  • 8. Liquiditeitsprognose per jaar voor de gehele activiteitenperiode en een overzicht van financiële bijdragen van andere donoren;

  • 9. Meerjarenplan (overzicht van werkzaamheden, doelstellingen, resultaten en verwachte effecten), voor de periode waarop de aanvraag betrekking heeft uitgezonderd de periode waarop het activiteitenplan reeds ziet;

  • 10. Financiële raming, voor de periode waarop de aanvraag betrekking heeft uitgezonderd de periode waarop de begroting behorend bij het activiteitenplan reeds betrekking heeft;

  • 11. Indien beschikbaar de certificering van het kwaliteitsmanagementsysteem, bijvoorbeeld ISO.

Voor de voorwaarden waaraan een activiteitenplan, de begroting en een liquiditeitsprognose moeten voldoen, wordt verwezen naar de artikelen 25 tot en met 27 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.


XNoot
1

Bijlage bij Kamerstukken II 2008/09, 31 250, nr. 45.

XNoot
2

Report of the International Conference on Population and Development, 1994.

XNoot
3

Politieke Verklaring VN over HIV/aids, 2006 (60/262).

XNoot
4

Zie OESO-DAC lijst Official Development Assistance (ODA) ontvangende landen.

XNoot
5

Het gaat dus om organisaties die in de periode 2011–2014 subsidie ontvangen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Niet onder de uitsluiting vallen internationale maatschappelijke organisaties gevestigd buiten de EU aan welke namens de minister van Buitenlandse Zaken of de minister voor Ontwikkelingssamenwerking door Nederlandse vertegenwoordigingen buiten de EU financiële middelen worden verstrekt op basis van privaatrechtelijke bijdrageovereenkomsten.

Naar boven