Besluit opsporingsvergunning aardwarmte Pijnacker-Nootdorp

20 april 2010

Nr. ETM/EM/10062400

Procesverloop:

  • De gemeente Pijnacker-Nootdorp (hierna genoemd aanvrager) heeft per schrijven van 16 december 2008, ontvangen op 17 december 2008, een aanvraag ingediend om een opsporingsvergunning voor aardwarmte, ingevolge artikel 6 van de Mijnbouwwet, in het gebied, genaamd , gelegen in de gemeenten Pijnacker-Nootdorp, Den Haag, Zoetermeer en Delft. Het door de gemeente Pijnacker-Nootdorp aangevraagde gebied heeft een oppervlakte van 25,96 km2. De aangevraagde geldigheidsduur van de vergunning is 5 jaar;

  • De aanvraag is aangevuld per brief van 9 maart 2009, ontvangen 10 maart 2009;

  • In de Staatscourant van 27 maart 2009 (Stcrt. 2009, nr.60) is een uitnodiging geplaatst voor het indienen van concurrerende aanvragen voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte in een deel van het aangevraagde gebied genaamd Pijnacker-Nootdorp;

  • Bovengenoemde aanvraag van de gemeente Pijnacker-Nootdorp is gedeeltelijk aangevraagd in concurrentie met de volgende aanvragen voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte:

    • 1. De heer G. Kahlman, in zijn functie van directeur Facilitair Management en Vastgoed van de TU Delft (de TU), heeft, per schrijven van 22 augustus 2008, ontvangen op 25 augustus 2008, een aanvraag om een opsporingsvergunning voor aardwarmte ingediend ingevolge artikel 6 van de Mijnbouwwet, voor de duur van 5 jaar, voor een gebied gelegen in de gemeenten Delft, Pijnacker-Nootdorp, Midden-Delfland, Rijswijk, Lansingerland, Rotterdam en Den Haag, genaamd Delft. Naar aanleiding van de onderhavige aanvraag is in de Staatscourant van 19 september 2008 (Stcrt. 19-9-2008, nr. 182) een uitnodiging geplaatst voor het indienen van concurrerende aanvragen. Per brief van 15 juli 2009 heeft de gemeente Pijnacker-Nootdorp aangegeven haar aanvraag, voor zover in concurrentie met de aanvraag van de TU Delft in te trekken;

    • 2. T. en R. Bekkers hebben per brief van 10 oktober 2008, ontvangen op 15 oktober 2008, een aanvraag ingediend voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte – in het gebied genaamd Berkel en Rodenrijs 2, gelegen in de gemeenten Pijnacker-Nootdorp, Lansingerland en Zoetermeer – ingevolge artikel 6 van de Mijnbouwwet. De aanvraag is aangevuld op 12 december 2008 en 2 maart 2009. De aangevraagde geldigheidsduur van de vergunning is 4 jaar. De oppervlakte van het aangevraagde gebied bedraagt 6,26 km2. Naar aanleiding van de onderhavige aanvraag is in de Staatscourant van 10 december 2008 (Stcrt. 2008, nr. 240) een uitnodiging geplaatst voor het indienen van een concurrerende aanvraag. Bij mijn beschikking van 2 maart 2010, kenmerk: ET/EM/10027821, is aan T. en R. Bekkers een opsporingsvergunning voor aardwarmte verleend voor het door hen aangevraagde gebied voor de duur van 4 jaar;

  • Binnen de periode van 91 dagen na plaatsing van de hierboven genoemde uitnodiging in de Staatscourant van 27 maart 2009 is ook de volgende deels concurrerende aanvraag ingediend:

    • 1. G.J. van de Sande, P.G.H. van de Sande, J.M. van de Sande, Kwekerij van Schie B.V. en V.E. Orchidee B.V. tezamen (hierna tezamen genoemd SSO) hebben bij schrijven van 18 juni 2009, ontvangen op 24 juni 2009, een aanvraag ingediend. Deze concurrerende aanvraag betreft het gebied genaamd Pijnacker-Nootdorp 3 en is gelegen in de gemeenten Pijnacker-Nootdorp, Den Haag en Zoetermeer. De oppervlakte van het concurrerende deel van het gebied bedraagt 13,83 km2. De aangevraagde geldigheidsduur van de vergunning is 4 jaar. Bij mijn beschikking van 13 april 2010, kenmerk: ET/EM/10059859, is aan SSO een opsporingsvergunning voor aardwarmte verleend voor het door hen aangevraagde gebied voor de duur van 4 jaar;

  • TNO Bouw en Ondergrond, adviesgroep EZ (TNO), heeft op verzoek van de Minister van Economische Zaken adviezen uitgebracht over bovengenoemde aanvragen op 27 maart 2009 en 10 september 2009;

  • Staatstoezicht op de mijnen (Sodm) heeft op verzoek van de Minister van Economische Zaken adviezen uitgebracht over bovengenoemde aanvragen op 7 april 2009 en 6 oktober 2009;

  • Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland (GS) is op grond van artikel 16 van de Mijnbouwwet om advies gevraagd. GS heeft per brief van 18 juni 2009 en 9 oktober 2009 advies uitgebracht;

  • De Mijnraad heeft op 16 november 2009 advies uitgebracht (kenmerk: MIJR/9189429 en MIJR/9184411) op grond van artikel 105, derde lid, van de Mijnbouwwet.

Gelet op:

De artikelen 2, derde lid, 6, 7, 9, 11, eerste tot en met derde lid, alsmede eerste volzin vierde lid, 12, 15, 16, 17, en 105, derde lid, van de Mijnbouwwet, alsmede artikel 1.3.1. van de Mijnbouwregeling.

Besluit:

Artikel 1

Aan de gemeente Pijnacker-Nootdorp (hierna te noemen de vergunninghouder), wordt een opsporingsvergunning voor aardwarmte verleend voor het gebied Pijnacker-Nootdorp.

Artikel 2

De vergunning geldt voor een gebied in de gemeenten Den Haag, Pijnacker-Nootdorp en Delft dat wordt begrensd door de volgende punten en de rechte lijnen daartussen. De coördinaten van deze punten zijn:

Punt

X

Y

1

86770,000

449326,000

2

84517,000

449326,000

3

84120,000

450958,000

4

86472,000

453453,000

5

86770,000

453396,811

Bovenstaande coördinaten zijn weergegeven volgens het coördinatenstelsel van de Rijksdriehoekmeting zoals vermeld in Artikel 1.2.2, onder a, van de Mijnbouwregeling (Stcrt. 19-12-2002, nr. 245).

Op basis van deze grensbeschrijving is de oppervlakte 7,67 km2.

Artikel 3

De vergunninghouder geeft uitvoering aan het werkprogramma dat onderdeel uitmaakt van de op 17 december 2008 ontvangen aanvraag, zoals aangevuld op 10 maart 2009.

Artikel 4

De vergunninghouder wijst tijdig voor de aanvang van de opsporingsactiviteiten een persoon aan met boortechnische en operationele ervaring, die leiding geeft aan boor- en aanverwante activiteiten en doet hiervan schriftelijk mededeling aan Staatstoezicht op de mijnen. Bovendien moet die persoon de bevoegdheid hebben om uitvoering te geven aan instructies van inspecteurs van Staatstoezicht op de mijnen. De vergunninghouder houdt Staatstoezicht op de mijnen van eventuele wijzigingen schriftelijk vooraf tijdig op de hoogte.

Artikel 5

De vergunninghouder neemt bij de uitvoering van het werkprogramma de volgende voorwaarden in acht:

  • binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning deelt de vergunninghouder schriftelijk mee aan de Minister van Economische Zaken, onder vermelding van tijdstip, geologische structuur en diepte, de plaats waar de boringen zullen worden verricht;

  • Uiterlijk in het derde jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning worden twee boringen (1 doublet) geplaatst.

Artikel 6

De vergunning geldt, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding nadat zij onherroepelijk is geworden, gedurende een tijdvak van 4 jaar.

Artikel 7

De vergunning treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beschikking is bekendgemaakt.

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Van deze beschikking wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

De Minister van Economische Zaken,

P. Jongerius,

themacoördinator mijnbouw en mijnbouwklimaat directie Energiemarkt.

Tegen dit besluit kan degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken binnen 6 weken na verzending van dit besluit een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Economische Zaken, Directie Wetgeving en Juridische Zaken (ALP: L/L204), Postbus 20101, 2500 EC ’s-Gravenhage. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef vermelde datum.

Naar boven