Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 10 mei 2010, nr. 130204, houdende wijziging van de Regeling LNV-subsidies en het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010 in verband met de instelling van een subsidiemodule voor ondernemingen in moeilijkheden ten gevolge van de bestrijding van dierziekten of schadelijke organismen bij planten en overige wijzigingen van technische en inhoudelijke aard

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

Gelet op:

  • Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 september 2005 inzake steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) (PbEU L 277);

  • Verordening (EG) nr. 1857/2006 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, en tot wijziging van verordening (EG) nr. 70/2001 (PbEU L 358);

  • de artikelen 2 en 4 van de Kaderwet LNV-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling LNV-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2:9 komt te luiden:

Artikel 2:9. Rangschikking in volgorde van ontvangst

Artikel 1:6 is van toepassing.

B

Artikel 2:11, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a vervalt ‘of’.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door ‘, of’ wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. het verkrijgen of vergroten van kennis op het gebied van klimaatverandering, hernieuwbare energie, kwantitatief en kwalitatief waterbeheer (grond- en oppervlaktewater) dan wel biodiversiteit en innovaties op deze terreinen.

C

Artikel 2:46 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 100.000’ vervangen door: € 150.000.

2. In het derde lid wordt ‘20%’ vervangen door: 35%.

D

Na artikel 2:69 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 3. Tegemoetkoming ondernemingen in moeilijkheden als gevolg van maatregelen ter bestrijding van dierziekten en schadelijke organismen bij planten

§ 3.1 Algemeen
Artikel 2:69a. Begripsbepaling

Voor de toepassing van paragraaf 3 van titel 11 wordt verstaan onder communautaire richtsnoeren: Mededeling van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 1 oktober 2004 aangaande communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PbEU C 244).

Artikel 2:69b. Toepassingsbereik subsidieontvangers

Artikel 2:1a, onderdeel a, is niet van toepassing.

Artikel 2:69c. Subsidiabele activiteiten
  • 1. De minister kan subsidie verstrekken aan een onderneming die zodanig ernstig is getroffen door maatregelen ter bestrijding van:

    • a. een dierziekte als bedoeld in de artikelen 2 tot en met 8 van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s, of

    • b. een schadelijk organisme als bedoeld in artikel 3 van de Regeling aanwijzing schadelijke organismen 1998,

    dat zij als rechtstreeks gevolg daarvan als een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in paragraaf 2.1 van de communautaire richtsnoeren is aan te merken.

  • 2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt verstrekt in de vorm van reddingssteun of herstructureringssteun.

  • 3. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstrekt:

    • a. aan ondernemingen waar 50 of meer personen werkzaam zijn of waarvan de omzet of het balanstotaal meer bedraagt dan € 10.000.000,– per jaar;

    • b. aan andere ondernemingen dan landbouwondernemingen die niet voldoen aan punt 10 van de communautaire richtsnoeren;

    • c. aan ondernemingen die korter dan drie jaar actief zijn;

    • d. indien er een mogelijkheid bestaat voor de onderneming zich te verzekeren tegen de gevolgen van de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b;

    • e. indien een onderneming deel uitmaakt van een concern of wordt overgenomen door een concern;

    • f. indien een onderneming in staat is met eigen middelen, met middelen van haar eigenaren of aandeelhouders of met op de markt verkregen kapitaal haar herstel te verwezenlijken;

    • g. indien de gevraagde subsidie minder dan € 5.000,– bedraagt;

    • h. aan ondernemingen die actief zijn op een markt waarbij sprake is van een structureel overschot aan productiecapaciteit, of

    • i. aan ondernemingen die in aanmerking kunnen komen voor steun op grond van titel IV, hoofdstuk I, II en III, van verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van de Europese Unie van 20 maart 2006 inzake het Europees Visserijfonds (PbEU L 223).

Artikel 2:69d. Rangschikking in volgorde van ontvangst

Artikel 1:6 is van toepassing.

Artikel 2:69e. Hoogte subsidie

De subsidie, bedoeld in artikel 2:69c, eerste lid, bedraagt per onderneming in moeilijkheden ten hoogste € 100.000,– met inbegrip van subsidie uit eventuele andere bronnen of op grond van andere regelingen.

§ 3.2 Reddingssteun
Artikel 2:69f. Reddingssteun
  • 1. Subsidie zijnde reddingssteun is een subsidie die eenmalig wordt verstrekt in de vorm van een lening of een leninggarantie die afloopt binnen zes maanden na de uitkering van het eerste bedrag.

  • 2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstrekt:

    • a. indien de onderneming reeds eerder reddings- of herstructureringssteun heeft ontvangen, of

    • b. indien deze niet wordt gerechtvaardigd door ernstige sociale moeilijkheden of buitengewoon ongunstige spill-overeffecten als bedoeld in de communautaire richtsnoeren heeft naar andere lidstaten.

Artikel 2:69g. Eenmalige verstrekking
  • 1. Artikel 2:69f is van toepassing ongeacht wijzigingen in eigendomsstructuur van de onderneming na verstrekking van de subsidie, of eventuele gerechtelijke of administratieve procedures die tot gevolg hebben dat de vermogenspositie van de onderneming wordt gesaneerd, haar passiva worden verminderd of vroegere schulden worden aangezuiverd, zolang het dezelfde onderneming is die de exploitatie voortzet.

  • 2. Indien een onderneming activa van een andere onderneming heeft overgenomen en de overgenomen onderneming heeft reddings- of herstructureringssteun ontvangen, kan overeenkomstig deze regeling eenmalig reddingssteun aan de onderneming worden verstrekt mits:

    • a. de onderneming duidelijk los staat van de overgenomen onderneming;

    • b. de onderneming de activa van de overgenomen onderneming tegen de marktprijs heeft verworven, en

    • c. de liquidatie of het beheer onder gerechtelijk toezicht of overname van de activa niet louter middelen zijn om te ontsnappen aan de toepassing van artikel 2:69f, ingeval de overgenomen onderneming aan een collectieve insolventieprocedure of aan een van de in het eerste lid genoemde procedures is onderworpen.

Artikel 2:69h. Verplichtingen ontvanger reddingssteun
  • 1. De ontvanger van subsidie zijnde reddingssteun:

    • a. betaalt de subsidie in de vorm van een lening binnen zes maanden na verstrekking terug, of

    • b. dient binnen twee maanden na verstrekking van de subsidie een herstructureringsplan ter goedkeuring in bij de Directeur van de Dienst Regelingen. Op het herstructureringsplan is artikel 2:69n van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien de ontvanger, bedoeld in het eerste lid, een herstructureringsplan heeft ingediend, zijn de artikelen 2:69m en 2:69o van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Indien een onderneming nadat de subsidie zijnde reddingssteun is ontvangen, binnen de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, haar bedrijfsvoering beëindigt, doet de ontvanger daarvan melding aan de Directeur van de Dienst Regelingen en geeft de ontvanger desgevraagd alle informatie aan de Directeur van de Dienst Regelingen.

Artikel 2:69i. Aanvraag
  • 1. De aanvrager van subsidie zijnde reddingssteun verstrekt bij de aanvraag in ieder geval de volgende gegevens aan de Directeur van de Dienst Regelingen:

    • a. naam van de onderneming;

    • b. de code van de bedrijfstak waartoe zij behoort, overeenkomstig de uit twee cijfers bestaande NACE-code;

    • c. het aantal werknemers van de onderneming;

    • d. een recente balans, de jaarrekeningen van de afgelopen 3 jaren en een recent fiscaal rapport;

    • e. een bankverklaring waarin de bank verklaart dat alle gebruikelijke financieringsmogelijkheden zijn benut;

    • f. in voorkomend geval, gegevens over in het verleden verleende herstructureringssteun of daarmee vergelijkbare steun.

  • 2. In zijn aanvraag geeft de aanvrager aan wat de oorzaken zijn van de moeilijkheden en onderbouwt hij de hoogte van de aangevraagde subsidie.

  • 3. De aanvrager geeft desgevraagd aan de Directeur van de Dienst Regelingen alle informatie omtrent zijn financiële situatie.

Artikel 2:69j. Hoogte subsidie reddingssteun
  • 1. Onverminderd artikel 2:69e bedraagt de subsidie per onderneming in moeilijkheden niet meer dan het bedrag, berekend volgens de in de bijlage bij de communautaire richtsnoeren beschreven formule.

  • 2. De subsidie bedraagt niet meer dan het bedrag dat nodig is om de exploitatie van de onderneming voort te zetten gedurende een periode van ten hoogste zes maanden.

  • 3. Het rentepercentage op de verstrekte lening is vergelijkbaar aan het rentepercentage dat van toepassing is op leningen aan gezonde ondernemingen en met name aan de referentiepercentages, bedoeld in punt 25, onderdeel a, van de communautaire richtsnoeren.

§ 3.3 Herstructureringssteun
Artikel 2:69k. Herstructureringssteun
  • 1. Subsidie zijnde herstructureringssteun is een subsidie die eenmalig wordt verstrekt in de vorm van een gekapitaliseerde rentesubsidie voor een lening bij een bank.

  • 2. De lening, bedoeld in het eerste lid, heeft een looptijd van ten hoogste 10 jaar.

  • 3. De subsidie zijnde herstructureringssteun wordt niet verstrekt indien de onderneming eerder reddings- of herstructureringssteun heeft ontvangen, tenzij de subsidie is aangevraagd in vervolg op de verstrekking van reddingssteun als bedoeld in artikel 2:69h, eerste lid.

Artikel 2:69l. Eenmalige verstrekking herstructureringssteun
  • 1. Artikel 2:69k is van toepassing ongeacht wijzigingen in de eigendomsstructuur van de onderneming na verstrekking van de subsidie, of eventuele gerechtelijke of administratieve procedures die tot gevolg hebben dat de vermogenspositie van de onderneming wordt gesaneerd, haar passiva worden verminderd of vroegere schulden worden aangezuiverd, zolang het dezelfde onderneming is die de exploitatie voortzet.

  • 2. Indien een onderneming activa van een andere onderneming heeft overgenomen en de overgenomen onderneming heeft reddings- of herstructureringssteun ontvangen, kan overeenkomstig deze regeling eenmalig herstructureringssteun aan de onderneming worden verstrekt mits:

    • a. de onderneming duidelijk los staat van de overgenomen onderneming,

    • b. de onderneming de activa van de overgenomen onderneming tegen de marktprijs heeft verworven, en

    • c. de liquidatie of het beheer onder gerechtelijk toezicht of overname van de activa niet louter middelen zijn om te ontsnappen aan de toepassing van artikel 2:69k, ingeval de overgenomen onderneming aan een collectieve insolventieprocedure of aan een van de in het eerste lid genoemde procedures is onderworpen.

Artikel 2:69m. Verplichtingen ontvanger herstructureringssteun
  • 1. De onderneming ten behoeve waarvan subsidie zijnde herstructureringsteun is ontvangen:

    • a. werkt volgens het door de Minister goedgekeurde herstructureringsplan en voert het plan volledig uit;

    • b. neemt, indien het een landbouwonderneming betreft, compenserende maatregelen als bedoeld in punt 38 tot en met 42 van de communautaire richtsnoeren waarbij de levensvatbaarheid van de onderneming niet in gevaar komt.

  • 2. Gedurende de looptijd van het herstructureringsplan is het ondernemingen niet toegestaan om de productiecapaciteit van de desbetreffende onderneming te verhogen.

  • 3. De subsidie wordt niet gebruikt voor de financiering van activiteiten die met het herstructureringsproces geen verband houden of voor nieuwe investeringen die niet noodzakelijk zijn voor herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming.

Artikel 2:69n. Herstructureringsplan
  • 1. De aanvrager dient bij zijn aanvraag een herstructureringsplan in dat is gericht op herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn, als bedoeld in punt 34 tot en met 37 van de communautaire richtsnoeren.

  • 2. Het herstructureringsplan houdt rekening met de actuele situatie en de verwachte ontwikkeling van vraag en aanbod aan de hand van best-case, worst-case en neutrale scenario’s, alsmede de specifieke sterke en zwakke punten van de onderneming en stelt de onderneming in staat de overgang te maken naar een nieuwe structuur die uitzicht biedt op levensvatbaarheid op lange termijn.

  • 3. Om voor subsidie in aanmerking te komen bevat het herstructureringsplan, bedoeld in het eerste lid, ten minste de volgende gegevens:

    • a. prijzen van producten en diensten onderbouwd door een onafhankelijke marktstudie;

    • b. een analyse van de oorzaken van de moeilijkheden van de onderneming;

    • c. een uiteenzetting van de toekomststrategie van de onderneming en hoe deze tot levensvatbaarheid zal leiden;

    • d. een overzicht en beschrijving van de voorgenomen herstructureringsmaatregelen en de daaraan verbonden kosten;

    • e. de termijnen voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen en de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan;

    • f. informatie over de productiecapaciteit van de onderneming, met name over de bezetting van deze capaciteit en eventuele capaciteitsverminderingen;

    • g. een beschrijving van de financiële regelingen met het oog op de herstructurering, waarbij ingegaan wordt op:

      • gebruik van eventuele beschikbare eigen middelen;

      • verkoop van activa of dochterondernemingen om bij te dragen aan de financiering van de herstructurering;

      • financiële toezeggingen van aandeelhouders en derden;

      • het gewenste bedrag van de overheidssteun en de motivering van de noodzaak van deze steun;

    • h. de verwachte resultatenrekeningen voor de eerstkomende vijf jaar met een raming van de rentabiliteit van het eigen vermogen en een gevoeligheidsanalyse op basis van de in het tweede lid bedoelde scenario’s, en

    • i. naam van de opsteller van het herstructureringsplan en de datum waarop dit is opgesteld.

  • 4. In zijn aanvraag geeft de aanvrager aan wat de oorzaken zijn van de moeilijkheden en onderbouwt hij de hoogte van de aangevraagde subsidie.

  • 5. Bij zijn aanvraag verstrekt de aanvrager een bankverklaring waarin de bank verklaart dat alle gebruikelijke financieringsmogelijkheden zijn benut.

  • 6. De aanvrager geeft desgevraagd aan de Directeur van de Dienst Regelingen alle informatie omtrent zijn financiële situatie.

Artikel 2:69o. Verplichtingen subsidieontvanger en wijziging herstructureringsplan
  • 1. Het herstructureringsplan vormt onderdeel van de beschikking tot subsidieverstrekking en wordt door de subsidieontvanger volledig uitgevoerd.

  • 2. De minister kan goedkeuring verlenen aan tussentijdse wijzigingen van het herstructureringsplan.

  • 3. De goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, wordt uitsluitend verleend, indien wijziging van het plan, voor zover van toepassing, in overeenstemming is met punt 52 en 53 van de communautaire richtsnoeren.

Artikel 2:69p. Hoogte herstructureringssteun
  • 1. Onverminderd artikel 2:69e bedraagt de subsidie niet meer dan het bedrag dat strikt noodzakelijk is voor uitvoering van de herstructurering van de onderneming, in samenhang met eerder toegekende reddingssteun en de voorhanden zijnde financiële middelen van de onderneming of van haar aandeelhouders.

  • 2. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de onderneming met eigen middelen of door externe financiering een financiële bijdrage aan het herstructureringsplan levert die zo hoog mogelijk is, minstens 25% bedraagt van de kosten die aan het herstructureringsplan verbonden zijn, en reëel en actueel is onder uitsluiting van alle voor de toekomst verwachte winst en kasstromen van de onderneming.

  • 3. In aanvulling op het eerste lid wordt de subsidie op een zodanig bedrag vastgesteld dat daarmee uitgesloten is dat de subsidie mede kan worden gebruikt voor financiering van activiteiten die met het herstructureringsproces geen verband houden of voor nieuwe investeringen die voor het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming niet onmisbaar zijn.

E

Artikel 2:80, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. investeringen in een Groen Label Kas, die is bestemd voor het bedrijfsmatig telen van gewassen, en is aangewezen op grond van de artikelen 3.31, eerste lid, of 3.42a, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;.

F

Artikel 3.4, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De Minister kan aan stichtingen, verenigingen of samenwerkingsverbanden daarvan, subsidie verstrekken voor de uitvoering van een project dat een geheel van afgebakende en eenmalige activiteiten vormt of van een programma, welk project of programma is gericht op versterking van het draagvlak voor de natuur in de Nederlandse samenleving en wordt uitgevoerd in meer dan twee provincies.

G

Artikel 4:17, eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. een meer duurzaam karakter heeft waaronder tevens wordt verstaan het bijdragen aan dierenwelzijn;.

H

Aan artikel 4a:3, tweede lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. het op waarde schatten van elders ontwikkelde nieuwe kennis en het benutten en overdragen van deze kennis aan docenten, studenten en andere kenniskringleden.

I

Artikel 4a:4 komt te luiden:

Artikel 4a:4. Rangschikking naar geschiktheid

De Minister rangschikt een aanvraag overeenkomstig artikel 1:4 hoger naarmate de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft:

  • a. qua thema waarop het groene-plus lectoraat betrekking heeft, beter aansluiten bij de strategische beleidsprioriteiten van LNV van de beleidsagenda in de begroting van LNV;

  • b. qua werkveld meer vernieuwend zijn ten opzichte van de werkvelden van bestaande lectoraten op het gebied van landbouw en natuurlijke omgeving;

  • c. een grotere bijdrage leveren aan de doelstelling en subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 4a:3;

  • d. meer kwaliteitswinst in de groene kennisinfrastructuur opleveren en een betere borging van een landelijke doorwerking van verworven kennis;

  • e. een goede benutting van eerder gedane investeringen in de groene kennisinfrastructuur bewerkstelligen;

  • f. beter uitvoerbaar zijn;

  • g. een grotere betrokkenheid van het bedrijfsleven of maatschappelijke organisaties in de regio van de subsidieaanvrager bewerkstelligen;

  • h. meer vertrouwen geven dat na afloop van de subsidieperiode een structurele verankering van de resultaten plaatsvindt binnen de instelling.

J

Artikel 4a:5 vervalt.

K

Artikel 4a:7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede tot en met het zevende lid tot het derde tot en met het achtste lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. De subsidieontvanger vangt met de activiteiten aan binnen zes maanden na de datum van subsidieverlening.

2. In het zesde lid, wordt ‘Directeur van de Directie Kennis en Innovatie’ vervangen door: Directeur van de Dienst Regelingen.

3. In het zesde lid, wordt ‘vierde lid’ vervangen door: vijfde lid.

L

Bijlage 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na onderdeel B, sub 4, wordt ingevoegd:

  • 5. De lokale groep van de provincie Zuid-Holland bestaat uit:

    • 1 vertegenwoordiger van de provincie Zuid-Holland;

    • 1 vertegenwoordiger van de gemeente Kop van Goeree;

    • 1 vertegenwoordiger van de gemeente Kop van Voorne-Putten;

    • 1 vertegenwoordiger van de visafslag Stellendam;

    • 1 vertegenwoordiger van de visserijvereniging Zuid-West;

    • 1 vertegenwoordiger van coöperatie Westvoorn;

    • 1 vertegenwoordiger van de visserijschool Stellendam

    • 1 vertegenwoordiger van de vissersvrouwen;

    • 1 vertegenwoordiger van de jonge vissers;

    • 1 vertegenwoordiger van Productschap Vis;

    • 3 vertegenwoordigers van het bedrijfsleven;

    • 1 vertegenwoordiger van het Innovatieplatform Goedereede;

    • 1 vertegenwoordiger van de milieuorganisaties.

2. Onderdeel C, sub 3, wordt vervangen door de bij deze regeling gevoegde bijlage A.

3. Na onderdeel C, sub 4, wordt de bij deze regeling gevoegde bijlage B toegevoegd.

ARTIKEL II

Het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 13 komt te luiden:

Artikel 13

  • 1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen, met dien verstande dat een samenwerkingsverband uit minimaal twee deelnemers bestaat.

  • 2. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor de uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2:11, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen of kennisinstellingen, met dien verstande dat een samenwerkingsverband uit minimaal acht deelnemers bestaat.

  • 3. De aanvragen, bedoeld in het eerste lid, kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel b, van de regeling en hebben een duur van ten hoogste twee jaar.

  • 4. De aanvragen, bedoeld in het tweede lid, kunnen uitsluitend worden ingediend voor projecten als bedoeld in artikel 2:11, tweede lid, onderdeel c, van de regeling en hebben een duur van ten hoogste drie jaar.

  • 5. De aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden ingediend in de periode van 15 september tot en met 29 oktober 2010.

B

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. de samenstelling van het samenwerkingsverband beter past bij het project;.

2. In onderdeel d wordt de puntkomma aan het slot vervangen door een punt.

3. Onderdeel e vervalt.

C

Artikel 15 komt te luiden:

Artikel 15

  • 1. De subsidie bedraagt voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, 80% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 40.000.

  • 2. De subsidie bedraagt voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, tweede lid, 70% van de subsidiabele kosten, en bedraagt ten minste € 100.000 en ten hoogste € 500.000.

D

Artikel 16 komt te luiden:

Artikel 16

Het subsidieplafond bedraagt:

  • a. voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, eerste lid, € 1.200.000;

  • b. voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 13, tweede lid, € 3.600.000.

E

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het derde lid tot het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 2:32, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend door samenwerkingsverbanden van landbouwondernemingen onderling of met agro-MKB-ondernemingen, met dien verstande dat het innovatieproject past binnen één of meerdere van de nieuwe uitdagingen: klimaatverandering, waterbeheer, hernieuwbare energie en biodiversiteit.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. De aanvragen, bedoeld in het derde lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 juni tot en met 15 juli 2010.

F

In artikel 18, eerste lid, wordt ‘bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid’ vervangen door: bedoeld in artikel 17, eerste, tweede of derde lid.

G

Artikel 21 komt te luiden:

Artikel 21

Het subsidieplafond bedraagt:

  • a. voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 17, eerste lid, € 3.250.000;

  • b. voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 17, tweede lid, € 3.750.000;

  • c. voor aanvragen om subsidie als bedoeld in artikel 17, derde lid, € 5.600.000.

H

Artikel 39 komt te luiden:

Artikel 39

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 5.750.000.

  • 2. In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:

    • a. €  1.387.500 voor landbouwondernemingen die gevestigd zijn in de provincie Overijssel;

    • b. €  1.156.250 voor landbouwondernemingen die gevestigd zijn in de provincie Noord-Brabant.

I

Artikel 43 komt te luiden:

Artikel 43

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 7.200.000.

  • 2. In aanvulling op het subsidieplafond, bedoeld in het eerste lid, geldt een additioneel subsidieplafond ten bedrage van:

    • a. €  186.047 voor jonge landbouwers gevestigd in Friesland;

    • b. €  159.070 voor jonge landbouwers gevestigd in Drenthe;

    • c. €  291.125 voor jonge landbouwers gevestigd in Overijssel;

    • d. €  679.070 voor jonge landbouwers gevestigd in Gelderland;

    • e. €  51.163 voor jonge landbouwers gevestigd in Utrecht;

    • f. €  232.558 voor jonge landbouwers gevestigd in Noord-Holland;

    • g. €  55.814 voor jonge landbouwers gevestigd in Zeeland;

    • h. €  279.070 voor jonge landbouwers gevestigd in Noord-Brabant;

    • i. €  93.023 voor jonge landbouwers gevestigd in Limburg.

J

Na artikel 43 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 43a

  • a. De subsidiabele kosten bedragen nooit meer dan € 100.000.

  • b. De subsidie bedraagt ten minste € 5000 en ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten.

K

De artikelen 49e en 49f worden vernummerd tot 49h en 49i.

L

In Hoofdstuk 3. Natuur, landelijk erfgoed en recreatie wordt onder vernummering van de titels 1, 2, 3, 4* en 4 tot 2 tot en met 6 een titel ingevoegd, luidende:

TITEL 1. DRAAGVLAK NATUUR

Artikel 49e

Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in hoofdstuk 3, titel 2, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 31 juli 2010.

Artikel 49f

Voor de aanvraagperiode, bedoeld in artikel 49e, bedraagt het subsidieplafond:

  • a. voor projecten als bedoeld in artikel 3:4, eerste en tweede lid, van de regeling: € 800.000;

  • b. voor programma’s als bedoeld in artikel 3:4, eerste en derde lid, van de regeling: € 1.700.000.

Artikel 49g

  • 1. Voor zover na de periode voor indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 49e het subsidieplafond, bedoeld in artikel 49f, aanhef en onderdeel a, niet wordt bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, bedoeld in artikel 49f, aanhef en onderdeel b.

  • 2. Voor zover na de periode voor indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 49e het subsidieplafond, bedoeld in artikel 49f, aanhef en onderdeel b, niet wordt bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, bedoeld in artikel 49f, aanhef en onderdeel a.

M

Het opschrift van ‘Titel 1 van hoofdstuk 4 Maatregelen van gemeenschappelijk belang: innovatieprojecten’ wordt vervangen door:

TITEL 1. MAATREGELEN VAN GEMEENSCHAPPELIJK BELANG

N

Na titel 1 en voor artikel 56 wordt het volgende opschrift ingevoegd:

§ 1. Innovatieprojecten

O

Artikel 56 komt te luiden:

Artikel 56

  • 1. Aanvragen tot verlening van een subsidie voor innovatieprojecten als bedoeld in artikel 4:15, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus 2010.

  • 2. De subsidie bedraagt 60% van de subsidiabele kosten en ten hoogste € 250.000.

  • 3. Het subsidieplafond bedraagt € 1.000.000.

P

Het opschrift ‘Titel 2. Maatregelen van gemeenschappelijk belang: collectieve acties’ wordt vervangen door:

§ 2. Collectieve acties

Q

In artikel 58 wordt ‘in de periode van 1 maart tot en met 31 maart 2010’ vervangen door: in de periode van 1 augustus tot en met 31 augustus 2010.

R

Artikel 59 komt te luiden:

Artikel 59

De subsidie bedraagt:

  • a. 80% van de subsidiabele kosten voor aanvragers als bedoeld in artikel 4:22, tweede lid, onderdeel a en b, van de regeling;

  • b. 100% van de subsidiabele kosten voor aanvragers als bedoeld in artikel 4:22, tweede lid, onderdeel c, van de regeling, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 250.000 bedraagt.

S

Artikel 60 komt te luiden:

Artikel 60

Het subsidieplafond bedraagt €1.000.000.

T

Na artikel 60a wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 3. Kwaliteit, rendement en nieuwe markten

Artikel 60aa
  • 1. Aanvragen tot verlening van een subsidie als bedoeld in artikel 4:27, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend voor het volledig doorlopen van een beoordeling door onafhankelijke deskundigen in het kader van een traject ter certificering van visserijproducten die zijn gevangen of gekweekt met milieuvriendelijke productiemethoden, voor zover die beoordeling van gemeenschappelijk belang is voor een unieke vorm van zee-, kust- of binnenvisserij, schelpdier- en viskweek, gedefinieerd aan de hand van:

    • a. de doelsoort;

    • b. de vis- of kweekmethode, en

    • c. het vis- of kweekgebied.

  • 2. Een traject ter certificering als bedoeld in het eerste lid, voldoet naar het oordeel van de Minister, voor binnenvisserij en schelpdier- en viskweek voorzover van toepassing, aan de ‘Guidelines for the ecolabelling of fish and fishery products from marine capture fisheries’ van de Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde Naties, waarbij de volgende thema’s van belang zijn:

    • a. structuur en procedures voor het opstellen van de standaard voor certificering;

    • b. participatie van belanghebbenden bij het opstellen van de standaard voor certificering;

    • c. accreditatie en certiferingsstructuren, en

    • d. accreditatie en certiferingsprocedures.

  • 3. Op verzoek van de Minister maakt een aanvrager aannemelijk dat het traject ter certificering, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de guidelines, bedoeld in het tweede lid.

  • 4. Het gemeenschappelijke belang, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit het voor de eerste maal doorlopen van de beoordeling door onafhankelijke deskundigen, bedoeld in het eerste lid, dat een toegevoegde waarde heeft voor de desbetreffende unieke vorm van zee-, kust- of binnenvisserij, schelpdierkweek en aquacultuur.

  • 5. Onder vismethode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt verstaan de vismethoden, bedoeld in:

    • a. de internationale statistische standaardindeling van vistuig (ISSCFG);

    • b. bijlage I van Verordening (EU) nr. 1342/2008 van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 423/2004 (Pb L 348), of

    • c. artikel 1 van het Reglement voor de binnenvisserij.

  • 6. onder kweekmethode als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b wordt verstaan:

    • a. een open aquacultuurvoorziening, of

    • b. een gesloten aquacultuurvoorziening.

  • 7. Het vis- of kweekgebied, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, kan bestaan uit:

    • a. het IJsselmeer, bedoeld in artikel 1, onderdeel t, van de Uitvoeringsregeling visserij;

    • b. de binnenwateren, bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van de Uitvoeringsregeling visserij, met uitzondering van het IJsselmeer;

    • c. één van de kustwateren, bedoeld in artikel 2 van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970, of

    • d. een deelgebied of sectorgebied van een internationaal vastgesteld statistisch zeevisserijgebied.

  • 8. In afwijking van artikel 4:27, tweede lid, van de regeling komen een erkende beroepsorganisatie, een samenwerkingsverband van visserijondernemingen of een combinatie daarvan in aanmerking voor de subsidie.

Artikel 60ab
  • 1. Aanvragen als bedoeld in artikel 60aa, eerste lid, kunnen worden ingediend in de periode van 1 september tot en met 30 september 2010.

  • 2. Het subsidieplafond voor aanvragen met betrekking tot zee- en kustvisserij en schelpdierkweek bedraagt € 800.000.

  • 3. Het subsidieplafond voor aanvragen met betrekking tot binnenvisserij en viskweek bedraagt € 200.000.

Artikel 60ac
  • 1. Voor zover na de periode voor indiening van aanvragen, bedoeld in artikel 60ab, tweede lid, het subsidieplafond, bedoeld in dat artikel, niet is bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, bedoeld in artikel 60ab, derde lid.

  • 2. Voor zover na de periode voor indiening van aanvragen, bedoeld in artikel 60ab, derde lid, het subsidieplafond, bedoeld in dat artikel, niet is bereikt, wordt het resterende bedrag opgeteld bij het subsidieplafond, bedoeld in artikel 60ab, tweede lid.

Artikel 60ad

In afwijking van artikel 4:29 van de regeling is artikel 1:5 van de regeling van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 60aa, eerste lid.

Artikel 60ae
  • 1. In afwijking van artikel 4:31 van de regeling komen de volgende kosten in aanmerking voor de subsidie:

    • a. kosten voor een procesbegeleider voor het certificeringstraject;

    • b. aan derden verschuldigde kosten ter zake van noodzakelijke studies en onderzoeksactiviteiten ten behoeve van het certificeringstraject;

    • c. de overige kosten van het certificeringstraject, zoals overeengekomen met en in rekening gebracht door de certificeerder.

  • 2. De kosten van offertes en voorstudies komen niet in aanmerking voor subsidie.

  • 3. De kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, kunnen loonkosten of kosten van eigen arbeid omvatten.

  • 4. Een aanvraag tot subsidieverlening als bedoeld in artikel 60aa, eerste lid, gaat vergezeld van offertes of prijsopgaven van de kosten, bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van liquiditeitsbehoefte.

Artikel 60af

De subsidie bedraagt 80% van de subsidiabele kosten, met dien verstande dat de subsidie ten hoogste € 100.000 bedraagt.

U

Het opschrift ‘Titel 3. Duurzame ontwikkeling visserijgebieden’ wordt vervangen door:

§ 4. Duurzame ontwikkeling visserijgebieden

V

Artikel 61 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘in de periode van 1 januari tot en met 31 januari 2010’ vervangen door: in de periode van 1 juli tot en met 31 augustus 2010.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het subsidieplafond bedraagt voor het visserijgebied opgenomen in:

    • a. bijlage 5, onderdeel a, onder 1, van de regeling € 600.000;

    • b. bijlage 5, onderdeel a, onder 3, van de regeling € 1.223.390;

    • c. bijlage 5, onderdeel a, onder 4, van de regeling € 500.000.

3. Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten waarvan de subsidiabele kosten in totaal minder bedragen dan € 100.000.

W

Na artikel 61 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 61a

Artikel 1:2, tweede lid, van de regeling is niet van toepassing op aanvragen als bedoeld in artikel 61 met dien verstande dat de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend niet zijn aangevangen voor 1 januari 2007.

X

Na artikel 62 wordt een titel ingevoegd, luidende:

TITEL 2. INVESTERINGEN

§ 1. Investeringen in verwerking en afzet
Artikel 62aa
  • 1. Aanvragen tot verlening van subsidie als bedoeld in artikel 4:47, eerste lid, van de regeling kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli tot en met 30 juli 2010.

  • 2. Het subsidieplafond bedraagt € 2.000.000.

Artikel 62ab

Een aanvraag tot voorschotverlening gaat vergezeld van een overzicht van gemaakte en betaalde kosten.

Y

Het opschrift ‘Titel 4. Investeringen in elektronische registratie- en meldapparatuur’ wordt vervangen door:

§ 2. Investeringen in elektronische registratie- en meldapparatuur

Z

Het opschrift ‘Titel 5. Maatregelen voor de kust- en binnenvisserij’ wordt vervangen door:

TITEL 3. MAATREGELEN VOOR DE KUST- EN BINNENVISSERIJ

AA

Na hoofdstuk 4 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 4a. ONDERWIJS

TITEL 1. GROENE PLUS LECTORATEN
Artikel 62bc

Aanvragen tot verlening van een subsidie voor een lectoraat als bedoeld in artikel 4a:3 van de regeling, kunnen worden ingediend in de periode 1 juli 2010 tot 15 september 2010.

Artikel 62bd

De hoogte van het subsidiebedrag bedraagt maximaal € 120.000 per jaar.

Artikel 62be

De duur van de subsidieverlening bedraagt maximaal 4 jaar.

Artikel 62bf

Het subsidieplafond bedraagt € 1.920.000.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2010 met uitzondering van artikel I, onderdeel D en artikel II, onderdelen E t/m G, die in werking treden met ingang van 1 juni 2010.

De regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van bijlage A, deze wordt ter inzage gelegd in het provinciehuis van de provincie Noord-Holland, Dreef 3 in Haarlem en bijlage B, deze wordt ter inzage gelegd in het provinciehuis van de provincie Zuid-Holland, Zuid-Hollandplein 1, Den Haag.

Den Haag, 10 mei 2010

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg.

TOELICHTING

§ 1. Inleiding

Deze wijzigingsregeling strekt tot wijziging van de Regeling LNV-subsidies (hierna: de Regeling). De Regeling is het integrale stelsel voor de subsidies die door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) kunnen worden verstrekt. Het algemene oogmerk van de integrale opzet van de Regeling – welke bestaat uit subsidiemodules – is vermindering van regeldruk, eenduidigheid van begrippen, stroomlijning van procedures en vereenvoudiging van de uitvoering. Met de onderhavige wijziging van de Regeling wordt in de Regeling in Hoofdstuk 2 (Concurrerende landbouw) en in titel 11 (Risico- en crisisbeheer) een nieuwe subsidiemodule ingevoegd. Ingevolge de nieuwe subsidiemodule kan de minister een tegemoetkoming verstrekken aan ondernemingen die in moeilijkheden zijn gekomen als gevolg van maatregelen ter bestrijding van dierziekten en schadelijke organismen bij planten. In paragraaf 2 van deze toelichting wordt nader op deze nieuwe subsidiemodule ingegaan.

Naast de hiervoor genoemde nieuwe subsidiemodule, strekt deze wijzigingsregeling tevens tot enkele aanpassingen, zowel van technische als inhoudelijke aard, in bestaande subsidiemodules en tot enkele aanpassingen van het Openstellingsbesluit LNV-subsidies 2010 (hierna: Openstellingsbesluit 2010). In het Openstellingsbesluit 2010 is met name bepaald welke subsidiemodules in 2010 open staan voor subsidieaanvragen en welk subsidieplafond daarop van toepassing is. Met deze wijziging worden de volgende subsidiemodules (naast bovengenoemde) opengesteld:

  • de subsidiemodule Groene plus lectoraten;

  • de subsidiemodule Draagvlak natuur;

  • de subsidiemodule Investeringen in verwerking en afzet;

  • de subsidiemodule Kwaliteit, rendement en nieuwe markten.

Hiernaast worden met deze wijziging de reeds opengestelde subsidiemodules Praktijknetwerken en Samenwerking bij innovatie uitgebreid en extra opengesteld.

In paragraaf 3 zullen de hierboven genoemde en de overige aanpassingen artikelsgewijs worden toegelicht.

§ 2. Tegemoetkoming ondernemingen in moeilijkheden als gevolg van maatregelen ter bestrijding van dierziekten en schadelijke organismen bij planten

§ 2.1. Algemeen

Naar aanleiding van de uitbraak van bluetongue in 2008 heeft de minister de Tweede Kamer toegezegd een voorziening te treffen voor bedrijven die als rechtstreeks gevolg van door de overheid getroffen bestrijdingsmaatregelen in continuïteitsproblemen zijn geraakt (Kamerstukken II 2008–2009, 30 669, nr. 16). De subsidie heeft tot doel een vangnet te vormen. Bedrijven die op zichzelf perspectief hebben, doch door de gevolgen van maatregelen ter bestrijding van een dier- of plantenziekte in continuïteitsproblemen zijn geraakt, krijgen door de subsidie de mogelijkheid voort te bestaan.

Zoals hiervoor aangegeven, wordt met deze wijzigingsregeling in de Regeling een paragraaf ingevoegd op grond waarvan subsidie kan worden verstrekt aan ondernemingen die in continuïteitsproblemen zijn geraakt als rechtstreeks gevolg van door de overheid getroffen bestrijdingsmaatregelen. Dit kunnen maatregelen zijn, getroffen ter bestrijding van een dierziekte, maar ook ter bestrijding van een schadelijk organisme op plantaardig gebied. De subsidie wordt verstrekt in de vorm van zogenoemde reddings- of herstructureringssteun. Uitgangspunt voor deze subsidiemodule zijn de Communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (hierna: communautaire richtsnoeren)1.

Deze subsidiemodule is ter goedkeuring voorgelegd aan de Europese Commissie. De goedkeuring is verleend op 24 maart 2010. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd bij brief van 7 april 2010 (Kamerstukken II 2009–2010, 32 123 XIV, nr. 192). Daarin is aangekondigd de subsidiemodule open te stellen voor bedrijven die zijn getroffen door maatregelen ter bestrijding van de Q-koorts. Op korte termijn zal daartoe een wijziging van het Openstellingsbesluit 2010 worden voorbereid.

§ 2.2. Subsidie

De minister kan subsidie verstrekken aan ondernemingen in moeilijkheden. Voor de omschrijving hiervan is aangesloten bij de omschrijving van bedrijven in moeilijkheden als bedoeld in de communautaire richtsnoeren. De omschrijving komt erop neer dat de onderneming continuïteitsproblemen heeft. De continuïteitsproblemen moeten ingevolge artikel 2:69c van de Regeling een rechtstreeks gevolg zijn van de maatregelen ter bestrijding van een dierziekte of een plantenziekte. De onderneming moet zodanig ernstig getroffen zijn door deze maatregelen dat zij de bedrijfsvoering niet meer op eigen kracht kan voortzetten.

In artikel 2:69c, derde lid, van de Regeling is aangegeven wanneer geen subsidie wordt verstrekt. Deze gronden sluiten eveneens aan bij voornoemde richtsnoeren. Er wordt geen subsidie verstrekt aan ondernemingen waar 50 of meer personen werkzaam zijn of aan ondernemingen waarvan de omzet of het balanstotaal meer bedraagt dan € 10.000.000,–. Verder komen andere ondernemingen dan landbouwondernemingen die niet voldoen aan punt 10 van de communautaire richtsnoeren, niet in aanmerking voor subsidie. Genoemd punt 10 bevat een omschrijving van enkele gevallen waarin een onderneming als een onderneming in moeilijkheden wordt beschouwd. Ondernemingen die korter dan 3 jaar actief zijn, komen evenmin in aanmerking voor subsidie. Deze regel geldt niet voor een onderneming die recent is overgenomen. Voorts wordt geen subsidie verstrekt indien het een verzekerbaar risico betreft. Daarnaast komen ondernemingen die onderdeel uitmaken van een concern of worden overgenomen door een concern, niet in aanmerking voor subsidie. Verder wordt geen subsidie verstrekt indien de onderneming in staat is met eigen middelen, met middelen van haar eigenaren of aandeelhouders of met op de markt verkregen kapitaal haar herstel te verwezenlijken. De subsidie wordt ook niet verstrekt aan ondernemingen die actief zijn op een markt waarbij sprake is van een structureel overschot aan productiecapaciteit. Tot slot komen ondernemingen in de visserijsector en de aquacultuursector die in aanmerking kunnen komen voor steun op grond van titel IV, hoofdstuk I, II en III, van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake het Europees Visserijfonds (PbEU L 223), evenmin voor subsidie in aanmerking.

Eenmalige verstrekking

In beginsel wordt geen subsidie verstrekt, indien de onderneming eerder reddings- of herstructureringssteun heeft ontvangen (artikel 2:69f, tweede lid, onderdeel a). De subsidie is eenmalig. Dit ongeacht wijzigingen in de eigendomsstructuur van de onderneming na verstrekking van de subsidie, of eventuele gerechtelijke of administratieve procedures die tot gevolg hebben dat de vermogenspositie van de onderneming wordt gesaneerd, haar passiva worden verminderd of vroegere schulden worden aangezuiverd, zolang het dezelfde onderneming is die de exploitatie voortzet.

Indien een onderneming activa van een andere onderneming heeft overgenomen en de overgenomen onderneming heeft reddings- of herstructureringssteun ontvangen, dan kan onder voorwaarden eenmalig reddings- of herstructureringssteun worden verstrekt. Deze voorwaarden houden in dat slechts steun kan worden verstrekt, als:

  • a. de onderneming duidelijk los staat van de overgenomen onderneming;

  • b. de onderneming de activa van de overgenomen onderneming tegen de marktprijs heeft verworven, en

  • c. de liquidatie of het beheer onder gerechtelijk toezicht of overname van de activa niet louter middelen zijn om te ontsnappen aan de regel dat de subsidie zijnde reddings- of herstructureringssteun eenmalig wordt verstrekt, ingeval de overgenomen onderneming aan een collectieve insolventieprocedure of aan een van bedoelde gerechtelijke of administratieve procedures is onderworpen (artikelen 2:69g en 2:69l van de Regeling).

Hoogte subsidie

De subsidie bedraagt ingevolge de artikelen 2:69c, derde lid, onderdeel g, en 2:69e van de Regeling per onderneming ten minste € 5.000,– en ten hoogste € 100.000,–. Er is voor de ondergrens van € 5.000,– gekozen, omdat bij een lager bedrag de uitvoeringslasten naar verhouding te hoog worden. De bovengrens van € 100.000,– is gekozen, omdat in het verleden is gebleken dat dit het maximale bedrag is dat een onderneming nodig kan hebben om er in een dergelijk geval bovenop te komen. Bij dit maximum wordt tevens de subsidie meegerekend uit eventuele andere bronnen of op grond van andere regelingen die de onderneming ontvangt.

§ 2.3. Openstelling

Om effectief te zijn moet de desbetreffende paragraaf worden opengesteld door de minister in het Openstellingsbesluit 2010. Bij het besluit om deze specifieke voorziening open te stellen, zal onder meer worden meegenomen of de subsidieverlening wordt gerechtvaardigd door ernstige sociale moeilijkheden en of er geen buitengewoon ongunstige spill-over effecten naar andere lidstaten ontstaan. In het Openstellingsbesluit 2010 zal de reikwijdte van de voorziening worden aangegeven: welke vorm van steun betreft het en door welke maatregelen moeten de continuïteitsproblemen zijn veroorzaakt? Zo kan de subsidie beperkt worden tot continuïteitsproblemen als gevolg van maatregelen ter bestrijding van een bepaalde dierziekte of een bepaalde plantenziekte. Bij de openstelling kunnen nadere voorwaarden worden gesteld. Zoals gesteld zal op korte termijn een wijziging van het Openstellingsbesluit 2010 worden voorbereid. Daarbij zal bedoelde voorziening worden opgesteld voor bedrijven die zijn getroffen door maatregelen ter bestrijding van de Q-koorts.

§ 2.4. Reddingssteun

Subsidie zijnde reddingssteun is een subsidie die wordt verstrekt in de vorm van leningen of leninggaranties tegen een rente die op zijn minst vergelijkbaar is met de rentepercentages die voor leningen aan gezonde ondernemingen gelden en met name aan de referentiepercentages, bedoeld in punt 25, onderdeel a, van de communautaire richtsnoeren. Onverminderd de bovengrens van € 100.000,– bedraagt de subsidie niet meer dan het bedrag dat nodig is om de exploitatie van de onderneming voort te zetten gedurende een periode van ten hoogste zes maanden (artikel 2:69f en artikel 2:69j, tweede lid). Reddingssteun is naar zijn aard tijdelijk en omkeerbare steun. De onderneming krijgt door de financiële steun de tijd om de omstandigheden die tot de continuïteitsproblemen hebben geleid, te analyseren en een passend plan uit te werken. Dit betekent dat de ontvanger de subsidie binnen zes maanden na verstrekking van de subsidie dient terug te betalen. Indien hij dit niet doet, moet hij binnen twee maanden na de subsidieverstrekking ter goedkeuring een herstructureringsplan indienen bij de directeur van de Dienst Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Hierna: ministerie van LNV). De minister beoordeelt het herstructureringsplan en keurt dit al dan niet goed. Als een onderneming, nadat zij reddingssteun heeft ontvangen, binnen zes maanden na ontvangst haar bedrijfsvoering beëindigt, meldt de onderneming dit aan de Dienst Regelingen. Desgevraagd geeft de onderneming alle informatie aan de directeur van de Dienst Regelingen. Dit is neergelegd in artikel 2:69h van de Regeling.

Artikel 2:69i van de Regeling bepaalt welke gegevens de onderneming bij de subsidieaanvraag moet overleggen. Deze gegevens zijn nodig om de financiële positie te kunnen beoordelen en of er grond is voor verlening van de subsidie.

De subsidie zijnde reddingssteun bedraagt (artikel 2:69e) per onderneming in moeilijkheden niet meer dan het bedrag dat is berekend volgens de formule die is beschreven in de bijlage bij de communautaire richtsnoeren. De subsidie bedraagt niet meer dan het bedrag dat nodig is om de exploitatie van de onderneming voort te zetten gedurende een periode van ten hoogste zes maanden. Het rentepercentage op de verstrekte lening is vergelijkbaar aan het rentepercentage dat van toepassing is op leningen aan gezonde ondernemingen en met name aan de referentiepercentages, bedoeld in punt 25, onderdeel a, van de communautaire richtsnoeren. De minister stelt bij de beschikking tot subsidieverstrekking een rentepercentage op de verstrekte lening vast dat vergelijkbaar is met het laatstgenoemd rentepercentage.

§ 2.5. Herstructureringssteun

Subsidie zijnde herstructureringssteun is een subsidie die wordt verstrekt in de vorm van een gekapitaliseerde rentesubsidie voor een lening bij een bank (artikel 2:69k). Hiermee wordt bedoeld een subsidie waarvan de omvang overeenkomt met de huidige waarde van in de toekomst te betalen rente over een lening. Onverminderd de bovengrens van € 100.000,– bedraagt de lening niet meer dan het bedrag dat strikt noodzakelijk is voor uitvoering van de herstructurering van de onderneming. Dit in samenhang met eerder toegekende reddingssteun en de voorhanden zijnde financiële middelen van de onderneming of van haar aandeelhouders (artikel 2:69p).

Bij de aanvraag voor subsidie moet de aanvrager ingevolge artikel 2:69n van de Regeling een herstructureringsplan overleggen. Het herstructureringsplan moet gericht zijn op het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn. Daartoe moet het plan de gegevens bevatten zoals neergelegd artikel 2:69n, derde lid, van de Regeling. Het herstructureringsplan houdt rekening met de actuele situatie en de verwachte ontwikkeling van vraag en aanbod aan de hand van best-case, worst case en neutrale scenario’s en met de specifieke sterke en zwakke punten van de onderneming. Het plan stelt de onderneming in staat de overgang te maken naar een nieuwe structuur die uitzicht biedt op levensvatbaarheid op lange termijn. Bij haar aanvraag verstrekt de onderneming een bankverklaring waarin de bank verklaart dat alle gebruikelijke financieringsmogelijkheden zijn benut.

De ontvanger van de subsidie heeft ingevolge artikel 2:69m van de Regeling een aantal verplichtingen. Allereerst moet hij volgens het herstructureringsplan werken en dit volledig uitvoeren. Daarnaast moet de onderneming, indien het een landbouwonderneming betreft, compenserende maatregelen treffen om ongunstige effecten op het handelsverkeer te voorkomen. Het gaat om compenserende maatregelen als bedoeld in punt 38 tot en met 42 van de communautaire richtsnoeren. Die maatregelen hoeven niet zover te gaan dat de levensvatbaarheid van de onderneming in gevaar komt.

Voorts mag de productiecapaciteit van de desbetreffende onderneming gedurende de uitvoering van het herstructureringsplan niet worden verhoogd. Tot slot gebruikt de onderneming de subsidie niet voor de financiering van:

  • activiteiten die met het herstructureringsproces geen verband houden; of

  • nieuwe investeringen die niet noodzakelijk zijn voor herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming.

Het herstructureringsplan is onderdeel van de beschikking tot subsidieverstrekking. De minister kan goedkeuring verlenen aan tussentijdse wijzigingen van het herstructureringsplan. Alleen als de wijziging van het plan, voor zover van toepassing, in overeenstemming is met punt 52 en 53 van de communautaire richtsnoeren, kan goedkeuring worden verleend. Zo moet uit het herziene plan onder meer nog steeds blijken dat de levensvatbaarheid van de onderneming binnen redelijk tijdsbestek wordt hersteld (art. 2:69o).

De subsidie zijnde herstructureringssteun bedraagt niet meer dan het bedrag dat strikt noodzakelijk is voor uitvoering van de herstructurering van de onderneming. Dit in samenhang met eerder toegekende reddingssteun en de voorhanden zijnde financiële middelen van de onderneming of van haar aandeelhouders. De subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien de onderneming met eigen middelen of door externe financiering een financiële bijdrage aan het herstructureringsplan levert die:

  • zo hoog mogelijk is,

  • minstens 25% bedraagt van de kosten die aan het herstructureringsplan verbonden zijn, en

  • reëel en actueel is onder uitsluiting van alle voor de toekomst verwachte winst en kasstromen van de onderneming.

Tot slot wordt de subsidie op zodanig bedrag vastgesteld dat daarmee uitgesloten is dat de subsidie mede kan worden gebruikt voor financiering van activiteiten die met het herstructureringsproces geen verband houden of voor nieuwe investeringen die voor het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming niet onmisbaar zijn.

§ 3. Artikelsgewijs

In deze paragraaf worden de overige aanpassingen in de Regeling en het Openstellingsbesluit 2010 artikelsgewijs toegelicht.

Artikel I, onderdeel A (bedrijfsadviesdiensten)

Met deze wijziging wordt de rangschikking van aanvragen in de subsidiemodule bedrijfsadviesdiensten van rangschikking in geschiktheid gewijzigd in rangschikking in volgorde van ontvangst. Dit is in overeenstemming met het reeds genotificeerde maatregelfiche, binnen het door de Europese Commissie goedgekeurde Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP). In dit maatregelfiche wordt aangegeven dat er dit jaar geen voorrang wordt gegeven aan ondernemingen die € 15.000 of meer aan rechtstreekse betalingen uit hoofde van verordening (EG) nr. 73/2009 (PbEU L 30) hebben ontvangen en die in de drie jaren voorafgaand aan de aanvraag geen gebruik hebben gemaakt van de subsidie. Het eerstgenoemde criterium komt niet meer voor in het reeds genotificeerde maatregelfiche en de reden om van het tweede criterium af te wijken is gelegen in het feit dat de checklist Randvoorwaarden GLB 2010 zoals gepubliceerd op: http://www.hetlnvloket.nl/ is gewijzigd. Deze checklist bevat het totaal van de randvoorwaarden waar een landbouwer, die rechtstreekse betalingen ontvangt, rekening mee moet houden. Nu er veel wijzigingen zijn aangebracht in de checklist ten opzichte van de checklist van 2009 is er sprake van een overwegende reden om van het bovengenoemde criterium af te wijken. Aanvragers die tevens in 2007, 2008 en 2009 al een aanvraag hebben ingediend mogen in deze openstelling derhalve ook een aanvraag indienen.

Artikel I, onderdeel B en artikel II, onderdelen A t/m D (Praktijknetwerken)

De subsidiemodule praktijknetwerken is gericht op onderlinge uitwisseling van kennis en ervaring tussen ondernemers. Op dit moment is de subsidiemodule toegespitst op de veehouderij. Met deze wijziging zal de subsidiemodule worden opengesteld voor alle landbouwondernemingen. Daarnaast wordt met deze wijziging een onderverdeling gemaakt tussen grootschalige en kleinschalige netwerken. Kleinschalige netwerken zijn netwerken met minimaal twee deelnemers. Grootschalige netwerken zijn netwerken met minimaal acht deelnemers. Grootschalige netwerken richten zich op projecten die betrekking hebben op het verkrijgen of vergroten van kennis van innovaties op het gebied van klimaatverandering, hernieuwbare energie, kwantitatief en kwalitatief waterbeheer (grond- en oppervlaktewater) en biodiversiteit.

Artikel I, onderdeel C en Artikel II, onderdelen I en J (Jonge landbouwers)

Het maatregelfiche voor jonge landbouwers, binnen het door de Europese Commissie goedgekeurde Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) is gewijzigd. Het subsidiepercentage in de Regeling is verhoogd naar maximaal 35% en het maximale bedrag van de investeringen waarover subsidie wordt verleend is verhoogd van € 100.000 naar € 150.0000 (Artikel I, onderdeel C). In het Openstellingsbesluit 2010 wordt in artikel 43a geregeld dat de subsidie voor de openstelling van de subsidiemodule jonge landbouwers in 2010 ten minste € 5000 en ten hoogste 25% van de subsidiabele kosten bedraagt. Het maximale bedrag van de investeringen waarover subsidie wordt verleend bedraagt in de huidige openstelling € 100.000. De in artikel 43 genoemde provincies vullen het subsidieplafond van € 7.200.000 aan met de bedragen genoemd in artikel 43 voor jonge landbouwers gevestigd in hun provincie.

Artikel I, onderdeel F en artikel II, onderdelen K en L (Draagvlak natuur)

Artikel 3.4, eerste lid, van de Regeling is aangepast ter verduidelijking van de voorwaarde dat een project of programma ter versterking van het draagvlak voor natuur alleen subsidiabel is als deze wordt uitgevoerd in meer dan twee provincies. Het onderdeel Draagvlak natuur binnen de Regeling wordt voor 2010 opnieuw opengesteld (Artikel I, onderdeel L). De subsidiemodule stimuleert projecten en programma’s die het draagvlak voor natuur in Nederland vergroten. Onder andere projecten ter stimulering van binnen- en buitenschoolse milieu- en natuureducatie, visievorming en samenwerking tussen organisaties komen voor subsidiering in aanmerking. Voor dit jaar zijn evenveel middelen beschikbaar als in 2009. De bedoeling is dat deze subsidiemodule volgend jaar wordt ondergebracht in een bredere module voor maatschappelijke subsidies.

Artikel I, onderdelen H tot en met K en artikel II onderdeel AA (Groene-plus lectoraten)

Op grond van de artikelen 4a:2 tot en met 4a:10 wordt subsidie beschikbaar gesteld voor het instellen van groene-plus lectoraten aan agrarische HBO-instellingen. De doelstelling van groene-plus lectoraten is het vergroten van kennisinnovatie en daarmee de samenhangende kwaliteitsverbetering van het onderwijs en de realisatie van de externe oriëntatie naar het bedrijfsleven en de maatschappelijke organisaties.

De formulieren voor het aanvragen van subsidie, voorschotten en de vaststelling van de subsidie zijn te verkrijgen bij Dienst Regelingen van het ministerie van LNV.

Bij de beoordeling van de aanvraag tot subsidieverlening voor groene-plus lectoraten worden de criteria genoemd in artikel 4a:4 (Artikel I, onderdeel H), gehanteerd. In de rangschikking wordt allereerst bezien of het thema van het groene-plus lectoraat in de aanvraag aansluit bij de strategische beleidsprioriteiten in de beleidsagenda van de begroting van het ministerie van LNV. In 2010 dienen de aanvragen bij voorkeur aan te sluiten bij de Maatschappelijke Innovatie Agenda Duurzame Agro- en Visserijketens (MIA duurzame Agro en Visserijketens), te weten ‘duurzame visserij en aquacultuur’ en ‘biobased economy’. De aanvragen tot subsidieverlening voor activiteiten die aansluiten bij de MIA duurzame Agro en Visserijketens krijgen een hogere prioriteit bij het toekennen van de middelen. De lijst met thema’s en onderwerpen wordt opgenomen in de handleiding die hoort bij het formulier voor het indienen van een aanvraag. Voor de duur van het lectoraat zal getoetst worden op de voortgang en de gestelde ambities en doelstellingen in de aanvraag. Mogelijk zal hier gebruik gemaakt worden van externe experts. Bij cofinanciering door andere overheidsorganen of gemeenten en provincies, dienen de staatssteunregels in acht te worden genomen. De subsidieontvanger vangt binnen zes maanden na de datum van de subsidieverlening met de activiteiten aan. De subsidieontvanger stelt binnen zes maanden na de datum van de subsidieverlening een lector aan. Hierbij kan op verzoek van de subsidieontvanger door de directeur Directie Kennis en Innovatie van het ministerie van LNV bij uitzondering verlenging gegeven worden van deze periode.

Ingevolge artikel 62bc van het Openstelingsbesluit 2010 (Artikel II, onderdeel AA) kunnen aanvragen voor subsidieverlening voor het instellen van groene-plus lectoraten bij agrarische hogescholen worden ingediend. Het doel van een groene-plus lectoraat is het vergroten van kennisinnovatie en daarmee de samenhangende kwaliteitsverbetering van het onderwijs alsmede de externe oriëntatie naar het bedrijfsleven en de maatschappelijke organisaties. De aanvragen kunnen worden ingediend door het bevoegd gezag van een agrarische instelling voor hoger onderwijs. De aanvragen zullen worden gerangschikt overeenkomstig artikel 4a:4 van de Regeling.Projecten als bedoeld in artikel 62bc, sluiten meer aan bij de strategische beleidsprioriteiten van LNV van de beleidsagenda in de begroting van LNV als bedoeld in  artikel 4a:4, onderdeel a, van de Regeling naarmate het project meer aansluit bij de thema’s uit de handleiding.

Artikel I, onderdeel G en artikel II, onderdelen N en O (Innovatieprojecten)

Aan artikel 4:17, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling (Artikel I, onderdeel G) is toegevoegd dat als een innovatieproject bijdraagt aan dierenwelzijn de minister een dergelijk project hoger zal rangschikkingen. Met deze wijziging wordt uitvoering gegeven aan de motie van de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2009–2010, 32 123 XIV, nr. 59) waarin de Kamer de regering verzoekt vissenwelzijn als een van de voorwaarden in het werkprogramma Visserij Innovatie Platform (VIP) op te nemen. Bij dierenwelzijn kan gedacht worden aan grotere overlevingskansen van ongewenste bijvangst die wordt teruggezet of de wijze waarop in de viskweek vis wordt gedood. Door dit criterium op te nemen in de Regeling is het één van de criteria op grond waarvan het VIP de minister zal adviseren over de rangschikking van de aanvragen voor de subsidieverlening in het kader van innovatie.

Ingevolge artikel 56 (Artikel II, onderdeel O) kunnen aanvragen voor subsidieverlening voor innovatieprojecten worden ingediend. De onderwerpen van de innovatieprojecten kunnen betrekking hebben op alle onderdelen van de visserijsector. Het maximum bedrag waarvoor subsidie wordt verleend is verlaagd ten opzichte van eerdere openstellingen omdat het totale subsidieplafond tevens is verlaagd en er op deze manier het mogelijk aantal aanvragers gelijk is gebleven.

Artikel II, onderdelen E t/m G (Samenwerking bij innovatieprojecten)

Bij de evaluatie van de in 2003 ingevoerde hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid werden onder andere klimaatverandering, hernieuwbare energie, waterbeheer en biodiversiteit aangemerkt als cruciale nieuwe uitdagingen voor de Europese landbouw. Deze nieuwe uitdagingen worden in artikel 16bis van de verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van de Europese Unie van 20 september 2005 inzake steun uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (PbEU L 277) (Verordening Plattelandsontwikkeling) genoemd als prioriteiten waarvoor de lidstaten concrete acties kunnen nemen. Met deze wijziging worden samenwerkingsprojecten gestimuleerd voor innovatieprojecten die verdergaande verduurzaming van de land- en tuinbouw in het kader van de nieuwe uitdagingen ondersteunen. Innovatie kan namelijk bijdragen tot de ontwikkeling van nieuwe technologieën, producten en procedés en kan op deze wijze de inspanningen ondersteunen om de nieuwe uitdagingen aan te pakken.

Om in aanmerking te komen voor een subsidie, dienen de innovatieprojecten te passen binnen één of meerdere van de nieuwe uitdagingen die genoemd zijn in het derde lid van artikel 17 van het Openstellingsbesluit 2010 (Artikel II, onderdeel E). Deze nieuwe uitdagingen zijn klimaatverandering, waterbeheer, hernieuwbare energie en biodiversiteit.

Bij de nieuwe uitdaging ‘klimaatverandering’ is het doel dat via innovaties toegewerkt wordt naar systemen die klimaat- en nutriëntneutraal zijn, dan wel een bijdrage leveren aan het oplossen van het klimaatprobleem, dan wel een bijdrage leveren aan het mitigeren van/of aanpassen aan de effecten daarvan. Voorbeelden hiervan zijn duurzame bronnen die voorzien in de energiebehoefte, het uitbannen van schadelijke emissies, het ontleden van reststromen en het omzetten in grondstoffen (inclusief behoud van nutriënten) ten behoeve van hergebruik. Ook andere innovaties, die gericht zijn op het omgaan met klimaatverandering of het mitigeren van effecten vallen onder de nieuwe uitdaging ‘klimaatverandering’.

Bij waterbeheer ligt het accent primair op alle mogelijke innovaties gericht op verbetering van de waterkwaliteit (van grond- en/of oppervlaktewater), zowel ecologisch als chemisch. Een breed scala aan denkrichtingen is mogelijk: Mestverwerking, (precisie)bemestingstechniek, teelttechniek, landbeheer, managementsystemen, innovatieve systemen van kwantitatief waterbeheer. Ook (door)ontwikkeling van alle denkbare innovaties die (o.a.) als effect hebben dat de milieuverliezen naar het water uit de landbouw (van nutriënten en/of gewasbeschermingsmiddelen en/of zware metalen en/of andere schadelijke stoffen) verminderen vallen onder de nieuwe uitdaging ‘waterbeheer’.

Bij hernieuwbare energie wordt met name gedacht aan innovaties gericht op energiewinning uit reststromen vanuit de landbouw (plantaardig restproduct), andere biologische bronnen zoals dierlijke mest, en biomassa afkomstig uit bos, landschap of natuur (zoals houtsnippers). Ook kan gedacht worden aan co-vergisting als vorm van duurzame energie, hierbij gaat het bijvoorbeeld om de winning van gas op agrarische bedrijven uit biogasinstallaties, het zuiveren ervan, het gebruik van restwarmte en het benutten daarvan elders in het landelijk gebied.

Bij biodiversiteit gaat het om innovaties die een bijdrage leveren aan het verbeteren van de biodiversiteit. Projecten kunnen gericht zijn op het beter benutten van de biodiversiteit voor duurzame landbouw (toepassen functionele agrobiodiversiteit), zoals natuurlijke plaagbestrijding. Projecten kunnen ook gericht zijn op het verminderen van emissies van stoffen uit de landbouw die een schadelijk effect hebben op de biodiversiteit (zoals ammoniak). Ook andere projecten die op andere wijze gericht zijn op het behoud van biodiversiteit vallen onder de nieuwe uitdaging ‘biodiversiteit’.

Artikel II, onderdeel H (Gecombineerde luchtwassystemen)

Met deze wijziging wordt het subsidieplafond voor de subsidiemodule gecombineerde luchtwassystemen aangepast. De provincie Overijssel en de provincie Noord-Brabant vullen het subsidieplafond van € 5.750.000 aan voor de landbouwondernemingen gevestigd in hun provincie.

Artikel II, onderdelen P t/m S (Collectieve acties)

Ingevolge artikel 58 van het Openstellingsbesluit 2010 kunnen aanvragen voor subsidieverlening worden ingediend voor de uitvoering van een project binnen het onderdeel collectieve acties in de visserijsector. Op grond van artikel 4:22 van de Regeling gaat het om projecten die samenwerkingsvormen bevorderen of praktijknetwerken versterken. De differentiatie van subsidiepercentages, opgenomen in artikel 59 van het Openstellingsbesluit 2010, stimuleert aanvragen van samenwerkingsverbanden waaraan ook maatschappelijke organisaties op het gebied van visserij deelnemen, met het oog op een zo breed mogelijke samenwerking in de visserijsector. Het maximum bedrag waarvoor subsidie wordt verleend, is verlaagd ten opzichte van eerdere openstellingen omdat omdat het totale subsidieplafond tevens is verlaagd en er op deze manier het mogelijk aantal aanvragers gelijk is gebleven.

Artikel II, onderdeel T (Kwaliteit, rendement en nieuwe markten)

Op grond van artikel 60aa kunnen aanvragen voor subsidieverlening voor de uitvoering van een project binnen het onderdeel kwaliteit, rendement en nieuwe markten worden ingediend. De subsidie kan worden verleend voor het doorlopen van een traject ter certificering van visserijproducten. Deze subsidiemodule wordt voor de tweede keer opengesteld, in 2009 is de subsidiemodule voor de eerste keer opengesteld. De subsidiemodule is op een aantal punten gewijzigd ten op zichte van de eerste openstelling.

Om te beginnen kunnen in deze tweede openstelling ook aanvragen worden ingediend voor de binnenvisserij en voor viskweek. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van de Tweede Kamer van 16 november 2009 (Kamerstukken II 2009–2010, 32 123-XIV, nr. 49). De Kamer verzoekt de regering in deze motie om haar subsidiebeleid zodanig in te richten dat subsidies aan de visserijsector enkel nog ten goede komen aan innovaties die bijdragen aan een duurzame visserij.

Het totale beschikbare plafond voor deze subsidiemodule is verdeeld in twee groepen. Aanvragen met betrekking tot zee-, kustvisserij en schelpdierkweek en aanvragen met betrekking tot binnenvisserij en aquacultuur. Er is voor gekozen om het grootste deel van het beschikbare budget in eerste instantie beschikbaar te stellen voor de eerste groep omdat van deze groep het grootste deel van de aanvragen wordt verwacht. Voor de binnenvisserij en de viskweek bestaan er op dit moment nog weinig certificaten waarvoor een traject doorlopen kan worden. In het geval de middelen van één van de subsidieplafond onderbenut niet worden uitgeput, zullen deze worden overgeheveld naar het andere subsidieplafond.

De minister beoordeelt of een certificeringstraject voldoet aan de ‘Guidelines for the ecolabelling of fish and fishery products from marine capture fisheries’ van de Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde Naties (artikel 60aa, tweede lid). De minister betrekt bij dit oordeel een door een onafhankelijke deskundige opgesteld deskundigenoordeel waarin gekeken is in hoeverre een certificeringstraject voldoet aan de hiervoor genoemde guidelines. De minister zal daarbij met name beoordelen in hoeverre het traject voldoet aan de thema’s genoemd in artikel 60aa, tweede lid, van het Openstellingsbesluit 2010. Dit rapport zal gepubliceerd worden op www.minlnv.nl. Een aanvrager hoeft daarom alleen op verzoek van de minister aannemelijk te maken dat een certiferingstraject voldoet aan de FAO guidelines (artikel 60a, derde lid)

Daarnaast is de Regeling op een aantal punten verduidelijkt ten opzichte van de vorige openstelling in de tweede helft van 2009. Het gaat hierbij met name om de vis- en kweekmethode en de onderwerpen die van belang zijn voor een certificeringstraject. Onder vismethode wordt onder andere verstaan de vismethoden zoals opgenomen op de internationale statische standaardindeling van vistuig (ISSCFG). Deze lijst is opgesteld door de Voedsel en Landbouw Organisatie van de Verenigde Naties. De lijst is te vinden op de website van de FAO; www.fao.org.

Artikel II, onderdelen U t/m V (Duurzame ontwikkeling visserijgebieden)

Ingevolge artikel 61 kunnen aanvragen worden ingediend voor subsidieverlening voor projecten gericht op de duurzame ontwikkeling van visserijgebieden. Deze subsidiemodule wordt voor de tweede keer opengesteld. Bij deze openstelling zijn er drie visserijgebieden waarvoor aanvragen voor subsidie ingediend kunnen worden. Per visserijgebied is er een apart subsidieplafond vastgesteld. In afwijking van artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling mogen subsidieontvangers voor subsidieverlening beginnen met een project. Het starten van een project voordat de minister een besluit heeft genomen over de subsidieverlening is voor eigen risico van de aanvrager van de subsidie. De reden om in dit geval af te wijken van artikel 1:2, tweede lid, van de Regeling is dat deze subsidiemodule, in afwijking van andere subsidiemodules, een lokaal karakter heeft.

Overigens dienen projecten die worden ingediend op grond van deze subsidiemodule maatregelen en die maatregelen bevatten die overeenkomen met een maatregel als bedoeld in hoofdstuk 4, titel 2, paragraaf 2, titel 3 of titel 4, paragraaf 1 tot en met 3, van de Regeling, overeenkomstig artikel 44, derde lid, van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds, te voldoen aan de in de genoemde titels gestelde eisen.

Artikel II, onderdeel X (Investeringen in verwerking en afzet)

Op grond van artikel 62aa kunnen aanvragen voor subsidieverlening voor de uitvoering van een project binnen het onderdeel investeringen in verwerking en afzet worden ingediend. Ten opzichte van de subsidiemodule zijn geen nieuwe aanvullende voorschriften gesteld.

§ 4. Overig

§ 4.1. Administratieve lasten

De administratieve lasten die de subsidiemodule ‘Tegemoetkoming ondernemingen in moeilijkheden als gevolg van maatregelen ter bestrijding van dierziekten en schadelijke organismen bij planten’ creëert, hebben betrekking op de aanvraagprocedure voor subsidieverstrekking en administratieverplichtingen. De totale administratieve lasten die de subsidiemodule met zich brengt, zijn thans niet te berekenen. Dit is namelijk afhankelijk van toekomstige uitbraken van dier- en plantenziekten en eventuele openstelling van de subsidiemodule, omdat ondernemingen in moeilijkheden komen als gevolg van bedoelde uitbraken. Wel kunnen de administratieve lasten per aanvraag worden berekend. Bij de berekening van de administratieve lasten wordt een onderscheid gemaakt tussen reddingssteun en herstructureringssteun. Ingeval van reddingssteun is sprake van administratieve lasten ter hoogte van € 371,–, ingeval van herstructureringssteun is sprake van administratieve lasten ter hoogte van € 2.462,–. Bij de berekening per aanvraag is uitgegaan van een uurtarief van € 45,–.

Per aanvraag voor reddingssteun gaat het voor de aanvrager om de volgende werkzaamheden:

  • het aanvragen van aanvraagformulier en brochure 15 minuten (€ 11,–);

  • het lezen van de brochure 1 uur (€ 45,–);

  • het invullen van het aanvraagformulier 1 uur (€ 45,–);

  • ter voorbereiding van de aanvraag moet de ondernemer een recente balans, jaarrekeningen van de afgelopen drie jaren en een recent fiscaal rapport verzamelen. Daarmee zal 4 uur gemoeid zijn (€ 180,–). Verder moet de onderneming een bankverklaring opvragen. Daarmee is naar verwachting 1 uur gemoeid (€ 45,–). Tot slot moet de onderneming de hoogte van het subsidiebedrag onderbouwen en de oorzaken van de moeilijkheden beschrijven. Dit zal eveneens een uur vergen (€ 45,–).

Per aanvraag voor herstructureringssteun gaat het voor de aanvrager om de volgende werkzaamheden:

  • het aanvragen van aanvraagformulier en brochure 15 minuten (€ 11,–);

  • het lezen van de brochure 1 uur (€ 45,–);

  • het invullen van het aanvraagformulier 1 uur (€ 45,–);

  • het verzamelen van de gegevens voor het opstellen van het herstructureringsplan 1 uur (€ 45,–);

  • het opstellen van het herstructureringsplan zelf zal gemiddeld 40 uur kosten wat € 1.800,– aan administratieve lasten met zich brengt. Het kopiëren van offertes daarbij vergt gemiddeld 1 uur (€ 45,–).

Is de aanvraagprocedure eenmaal afgerond en is het herstructureringsplan goedgekeurd, dan moet de onderneming voldoen aan de volgende rapportageverplichtingen met corresponderende administratieve lasten:

  • het melden van de afronding van het plan vergt een kwartier (€ 11,–);

  • het opstellen van de jaarlijkse voortgangsrapportage waarbij wordt uitgegaan van een termijn van vier jaar voor het herstructureringsplan en drie voortgangsrapportages in bedoelde periode. Het opstellen van de voortgangsrapportage zal elke keer een half uur vergen. Dit zal in totaal administratieve lasten ter hoogte van € 68,– met zich brengen;

  • het indienen van een verslag over de uitvoering van het plan, waarbij voor het indienen van het verslag wordt uitgegaan van werkzaamheden van vier uur (€ 180,–).

Ingeval aan de onderneming een controlebezoek wordt gebracht zal dat tot administratieve lasten van € 18,– leiden. Het bijhouden van de administratie voor het herstructureringsplan zal vier uur aan werkzaamheden vergen (€ 180,–). Ingeval wijzigingen worden doorgevoerd, zal dat gemiddeld werkzaamheden van vier uur vergen (€ 180,–). Naar verwachting zal 20% van de ondernemingen een verzoek tot wijziging van het herstructureringsplan indienen.

De wijzigingen in de openstellingen Jonge landbouwers, Samenwerking bij innovatieprojecten, Praktijknetwerken, Gecombineerde luchtwassystemen, Draagvlak natuur en Groene plus lectoraten brengen geen extra administratieve lasten met zich. Voor de administratieve lasten die met de openstelling van de Groene plus lectoraten samenhangen, zij verwezen naar §3 van de toelichting bij de wijziging van de Regeling (Strcrt 2009, nr. 63). Voor de administratieve lasten die met de overige hiervoor genoemde wijzigingen samenhangen, zij verwezen naar §6 van de toelichting bij de wijziging van de Regeling (Strcrt 2007, nr. 33).

De openstelling Duurzame ontwikkeling visserijgebieden leidt tot extra kosten van € 7.072,–. Voor de administratieve lasten die met deze openstelling samenhangen, zij verwezen naar §2 van de toelichting bij hoofdstuk 4 van de wijziging van de Regeling (Strcrt 2007, nr. 228).

Uit de overige onderdelen van de onderhavige wijzigingsregeling vloeien geen administratieve lasten voort.

§ 4.2 Vaste Verandermomenten

In lijn met de LNV-uitgangspunten van vaste verandermomenten voor regelgeving (zie Kamerstukken II 2007–2008, 29 515 en 31 201, nr. 243) treedt deze wijziging van de Regeling en het Openstellingsbesluit 2010 in werking op 1 juli 2010, met uitzondering van onderdeel D van artikel I en de onderdelen E t/m G van artikel II, welke op 1 juni in werking treden. Om te voorkomen dat bedrijven omvallen die in moeilijkheden zijn gekomen als gevolg van maatregelen ter bestrijding van de Q-koorts, is het noodzakelijk dat artikel 1, onderdeel D (module inzake reddings- en herstructureringssteun) op 1 juni 2010 in werking treedt. De onderdelen E t/m G van artikel II (module samenwerking bij innovatieprojecten) dienen op 1 juni in werking te treden in verband met de openstelling in de periode van 1 juni t/m 15 juli.

Indien de wijziging van de Regeling en het Openstellingsbesluit 2010 op 1 juli 2010 in werking treedt, dan dient de wijziging van de Regeling en het Openstellingsbesluit 2010 in principe uiterlijk 1 mei te worden gepubliceerd, met het oog op de implementatie en de uitvoeringsvoorbereiding. De wijziging van de Regeling en het Openstellingsbesluit 2010 is niet tijdig gepubliceerd, nu deze na 1 mei is gepubliceerd, echter ook met deze beperkte overschrijding van de publicatiedatum wordt nog steeds een ruime invoeringstermijn gegarandeerd waarmee bedrijfsleven, burgers en met de uitvoering belaste diensten voldoende voorbereidingstijd wordt geboden.

Den Haag, 10 mei 2010

De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,

G. Verburg.


XNoot
1

PB C 244, 1 oktober 2004.

Naar boven