Besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 26 april 2010, nr. DMO/SFI-2988851, houdende instelling van de Commissie stelselonderzoek vrouwenopvang (Besluit Commissie stelselonderzoek vrouwenopvang)

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Besluit:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. de minister:

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

b. vrouwenopvang:

het tijdelijk bieden van onderdak en begeleiding aan vrouwen die, al dan niet gedwongen, de thuissituatie hebben verlaten in verband met problemen van relationele aard of geweld;

c. maatschappelijke ondersteuning:

het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang en het voeren van beleid ter bestrijding van geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffers is gepleegd.

Artikel 2

De Commissie stelselonderzoek vrouwenopvang heeft tot taak:

  • a. het verrichten van onderzoek naar een toekomstbestendig stelsel van vrouwenopvang;

  • b. het signaleren van knelpunten in het huidige stelsel van vrouwenopvang;

  • c. het doen van aanbevelingen over aanpassingen van het huidige stelsel, die nodig zijn om tot een toekomstbestendig stelsel van opvang voor alle slachtoffers van geweld in afhankelijkheidsrelaties te komen.

Artikel 3

  • 1. De leden en de plaatsvervangende leden van de Commissie stelselonderzoek vrouwenopvang worden benoemd, geschorst en ontslagen door de minister.

  • 2. De minister voegt aan de Commissie stelselonderzoek vrouwenopvang een secretariaat toe. Het secretariaat is voor de inhoudelijke uitvoering van zijn taak uitsluitend verantwoording schuldig aan de Commissie stelselonderzoek vrouwenopvang.

Artikel 4

  • 1. De Commissie stelselonderzoek vrouwenopvang bestaat uit:

    • a. een voorzitter, tevens lid;

    • b. negen andere leden.

  • 2. Zes van de in het eerste lid, onder b, bedoelde leden worden benoemd op voordracht van:

    • a. de Federatie Opvang: een lid;

    • b. de Blijf Groep Noord-Holland en Flevoland: een lid;

    • c. de Vereniging van Nederlandse Gemeenten: lid; idem

    • d. de gemeente Dordrecht: lid;

    • e. de gemeente Gouda: lid;

    • f. de Raad voor de Financiële Verhoudingen: lid.

  • 3. De in het tweede lid genoemde organisaties kunnen voor elk door hen voorgedragen lid een plaatsvervanger aanwijzen.

  • 4. De Commissie stelselonderzoek vrouwenopvang wijst uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter aan.

Artikel 5

De Commissie stelselonderzoek vrouwenopvang rapporteert uiterlijk op 1 januari 2011 aan de minister en stelt haar eigen werkwijze vast.

Artikel 6

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het besluit wordt gepubliceerd en werkt terug tot en met 1 juli 2009. Dit besluit vervalt met ingang van 1 januari 2011.

Artikel 7

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Commissie stelselonderzoek vrouwenopvang.

Dit besluit wordt met de toelichting geplaatst in de Staatscourant.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink.

TOELICHTING

Naar aanleiding van het amendement van het lid Wiegman-Van Meppelen Scheppink1 heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport toegezegd onderzoek te zullen doen naar of en hoe de financiering van het huidige opvangstelsel structureel moet worden aangepast aan de vraag van specifieke groepen, zoals tienermoeders, slachtoffers van eergerelateerd geweld en lichtverstandelijk gehandicapten2.

Deze toezegging vloeit voort uit de spanning tussen de inhoudelijke noodzaak (gevoed door signalen uit het veld) om voor deze specifieke groepen snelle, passende en veilige opvang en hulp te regelen, de landelijk (toegankelijke) instellingen én de grondslag van het gedecentraliseerd stelsel vrouwenopvang.

Achtergrond

De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) vormt het wettelijk kader voor de vrouwenopvang en het beleid ter bestrijding van huiselijk geweld.3

Het beleidskader wordt gevormd door de beleidsbrief ‘Beschermd en Weerbaar, intensivering van de opvang en hulp bij geweld in afhankelijkheidsrelaties’4. Daarin wordt de ambitie en inzet geschetst. Doel is te komen tot een toekomstbestendig stelsel van opvang en hulp bij geweld in afhankelijkheidsrelaties voor slachtoffers, plegers en eventuele kinderen.

Verder zijn verschillende departementen bij de opvang en hulp betrokken, vanuit verschillende verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld Justitie, BZK, J&G en VROM. De hulp en opvang uit verschillende bronnen gefinancierd, zoals de Wmo, AWBZ, Zvw, maar ook de Wet Werk en Bijstand. In het kader van de Wmo hebben de (centrum)gemeenten de regie. Daarnaast is er de afspraak van het kabinet om de specifieke uitkering vrouwenopvang om te zetten in een decentralisatie-uitkering.

Zichtbare nieuwe doelgroepen

In de beleidsbrief ‘Beschermd en weerbaar’ is geconstateerd dat in de afgelopen jaren de diversiteit in doelgroepen, die opgevangen moeten worden, is toegenomen. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de opvang van slachtoffers die in kwetsbare gezinssituaties verkeren waardoor zij genoodzaakt zijn een beroep te doen op opvang en hulp, zoals de tienermoeders.

Er worden steeds meer verschillende vormen van geweld in afhankelijkheidsrelaties zichtbaar en onderkend (zoals vrouwelijke genitale verminking of eergerelateerd geweld). Het gaat niet langer om een eenduidige groep slachtoffers (of daders), maar om verschillende doelgroepen, zoals allochtone meisjes en vrouwen, licht verstandelijk gehandicapten, (jonge) mannelijke slachtoffers, vrouwen met meervoudige problematiek, ernstig getraumatiseerde slachtoffers of homojongeren.

Uit de huidige praktijk blijkt dat het huidige stelsel niet toereikend is om slachtoffers van verschillende geweldsvormen op te vangen en te helpen.

Om toch tegemoet te komen aan de behoefte aan opvang van deze verschillende doelgroepen worden tijdelijke oplossingen gezocht in de vorm van pilots, bijvoorbeeld voor ernstig bedreigde mannen, slachtoffers mensenhandel, minderjarige slachtoffers (meisjes) van eergerelateerd geweld en aanpak vrouwelijke genitale verminking. Voor de opvang van tienermoeders zijn tijdelijke afspraken gemaakt met een specifieke gemeente op basis van een aangenomen amendement van de Kamer.

Verruiming van de grondslag

Om een toekomstbestendig stelsel te realiseren zijn extra middelen van € 32 miljoen beschikbaar, zodat ontwikkelingen in de opvang en hulp bij geweld in afhankelijkheidsrelaties opgevangen kunnen worden.

De nadruk komt meer te liggen op preventie en vroegsignalering: zo vroeg mogelijk ingrijpen om de geweldsspiraal zo snel mogelijk te doorbreken. Door de invoering van de Wet tijdelijk huisverbod bijvoorbeeld moet niet het slachtoffer, maar de pleger uit huis en moet er crisisinterventie en hulp na het huisverbod worden georganiseerd voor zowel slachtoffers, plegers als eventuele kinderen. Voor de opvangbehoefte van tienermoeders hoeft geweld niet per definitie de oorzaak te zijn, maar is er wel behoefte aan snelle, goede en passende hulp en opvang. Door de vernieuwingen in de vrouwenopvang wordt niet alleen ingezet op opvang – voldoende crisisplekken blijven noodzakelijk – maar ook steeds meer op ambulante hulpverleningstrajecten aan slachtoffers en hun omgeving.

Om een goede lokale/regionale infrastructuur tot stand te brengen moet de steunpunten huiselijk geweld de spil in de ketenaanpak worden. De versterking van deze steunpunten is van belang vanwege het voornemen een verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in te voeren5.

De extra middelen zijn bedoeld voor gerichte activiteiten om bovengeschetste ontwikkelingen op te kunnen vangen, maar worden verdeeld via een decentraal stelsel, via de 35 centrumgemeenten vrouwenopvang. Het gaat daarbij niet langer alleen meer om voorzieningen in de vrouwenopvang, maar ook om de (versterking van de) steunpunten huiselijk geweld, crisisinterventie, opvang uithuisgeplaatste en hulpverlening (in het kader van de Wet tijdelijk huisverbod). Daarmee is impliciet de oorspronkelijke grondslag van de specifieke vrouwenopvang verruimd naar een bredere uitkering ‘hulp en opvang bij geweld in afhankelijkheidsrelaties’.

Commissie stelselonderzoek vrouwenopvang

Met het oog op de totstandbrenging van het toekomstbestendig stelsel is het belangrijk na te gaan of en zo ja hoe de verruiming van de grondslag gevolgen heeft voor de wijze van verdelen en de eisen die aan het stelsel worden gesteld (landelijke toegankelijkheid en landelijk dekkend).

Bovenstaande inhoudelijke aanleiding – zichtbaar nieuwe groepen én verruiming van de grondslag van de specifieke uitkering vrouwenopvang – heeft geleid tot een aantal onderzoeksvragen die door de commissie stelselonderzoek vrouwenopvang onderzocht zullen worden.

De taak voor de commissie stelselonderzoek vrouwenopvang is onderzoek te doen naar een toekomstbestendig stelsel van vrouwenopvang en aanbevelingen te geven welke aanpassingen van wet- en regelgeving en financiering nodig zijn om een toekomstbesteding stelsel te bereiken. Onduidelijk is welke knelpunten worden ervaren door gemeenten, opvanginstellingen en andere partijen in het huidige stelsel vrouwenopvang als het gaat om de opvang van nieuwe groepen slachtoffers en de verruiming van de grondslag van de specifieke uitkering vrouwenopvang. De commissie kan aanbevelingen doen welke effectieve en efficiënte maatregelen op korte en lange termijn nodig om het huidige stelsel juridisch, financieel of anderszins toekomstbestendig te maken voor de hulp en opvang van slachtoffers, zodat de veranderingen in deze groep én in de functies van hulp en opvang opgevangen worden.

De commissie zal haar bevindingen neerleggen in een rapport. De commissie stelselonderzoek vrouwenopvang zal haar werkzaamheden uiterlijk 1 januari 2011 beëindigen, of zo veel eerder als het onderzoek gereed is.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

A. Klink.


XNoot
1

Kamerstukken II 2008/09, 31 700 XVI, nr. 99.

XNoot
2

Kamerstukken II 2008/09, 31 700 XVI, nr. 106.

XNoot
3

Artikel 1, eerste lid, onder g, sub 7 van de Wmo.

XNoot
4

Kamerstukken II 2007/08, 28 345 en 22 894, nr. 51.

XNoot
5

Kamerstukken II 2007/08, 28 345, 31013 en 30 388, nr. 71 en Kamerstukken II 2008/09, 28 345, nr. 72.

Naar boven