Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 15 december 2010, nr. WJZ/259391 (4888), houdende het vaststellen van de normbedragen in de Wet studiefinanciering 2000 alsmede in de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Regeling normen studiefinanciering en tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 2011 en 2012)

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

Gelet op artikel 6.3 en artikel 11.1 van de Wet studiefinanciering 2000, artikel 17 van het Besluit studiefinanciering 2000, artikel 8.1, eerste lid, en 11.1 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en artikel 5 van het Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;

Besluit:

HOOFDSTUK I. NORMEN STUDIEFINANCIERING

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. besluit:

Besluit studiefinanciering 2000,

b. wet:

Wet studiefinanciering 2000.

Artikel 2. Indexcijfers

  • 1. Voor de toepassing van artikel 17, eerste lid, van het besluit wordt onder indexcijfer van de CAO-lonen verstaan de reeks ‘CAO-lonen per maand inclusief bijzondere beloningen’, zoals die is berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek en is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, van het besluit wordt onder consumentenprijsindex verstaan de reeks ‘consumentenprijsindex alle huishoudens’, zoals die is berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek en is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin.

Artikel 3. Aanpassing toetsingsinkomen partner

Met ingang van 1 januari 2011 wordt het bedrag, genoemd in artikel 3.4, tweede lid, van de wet, vastgesteld op € 8.807,73.

Artikel 4. Aanpassing vrije voet veronderstelde ouderlijke bijdrage

Met ingang van 1 januari 2011 worden de bedragen, genoemd in artikel 3.9, derde lid, van de wet, vastgesteld op € 17.257,51 respectievelijk € 21.885,25.

Artikel 5. Normbedragen

Van 1 januari 2011 tot 1 januari 2013 luiden de bedragen, genoemd in artikel 3.18 van de wet, als volgt:

Overzicht 1. Maandbedragen
 

Hoger onderwijs

Beroepsonderwijs

Levensonderhoud

  

a. thuiswonend

€ 604,15

€ 462,08

b. uitwonend

€ 794,69

€ 652,62

Overzicht 2. Financieringsbronnen
 

Hoger onderwijs

Beroepsonderwijs

Basisbeurs (excl. toeslagen)

  

a. thuiswonend

€ 95,61

€ 75,39

b. uitwonend

€ 266,23

€ 246,00

Maximale aanvullende beurs/lening (of veronderstelde ouderlijke bijdrage)

  

a. thuiswonend

€ 221,00

€ 308,40

b. uitwonend

€ 240,92

€ 328,33

Basislening

€ 287,54

€ 164,21

Toeslag partner

€ 557,27

€ 557,27

Toeslag éénoudergezin

€ 445,93

€ 445,93

Artikel 6. Hoogte lening

Van 1 januari 2011 tot 1 januari 2013 wordt het bedrag, genoemd in de artikelen 4.7, vierde lid, 4.18, tweede lid, 5.2, derde lid en 10.3, derde lid, van de wet, vastgesteld op € 853,16.

Artikel 7. Vaststelling rentepercentage voor 2011

Het rentepercentage, bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, van de wet, wordt voor het jaar 2011 vastgesteld op 1,50 procent.

Artikel 8. Wijziging Regeling studiefinanciering 2000: aanpassing maximale verrekenbedrag

Artikel 6.1, derde lid, tweede volzin, van de Regeling studiefinanciering 2000 komt te luiden: Wanneer die maandbetalingen hoger zijn dan € 149,63 naar de maatstaf van 1 januari 2011, geschiedt de verrekening met dat bedrag.

HOOFDSTUK II. NORMEN TEGEMOETKOMING ONDERWIJSBIJDRAGE EN SCHOOLKOSTEN

Artikel 9. Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

a. besluit:

Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten,

b. wet:

Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

Artikel 10. Indexcijfers

  • 1. Voor het toepassen van artikel 5, eerste lid, van het besluit wordt onder het indexcijfer van de CAO-lonen verstaan de reeks ‘CAO-lonen per maand inclusief bijzondere beloningen’, zoals die is berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek en is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin.

  • 2. Voor het toepassen van artikel 5, tweede lid, van het besluit wordt onder de consumentenprijsindex verstaan de reeks ‘consumentenprijsindex alle huishoudens’, zoals die is berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek en is gepubliceerd in het Statistisch Bulletin.

Artikel 11. Aanpassing grensbedragen toetsingsinkomen

  • 1. Met ingang van schooljaar 2011–2012 wordt het grensbedrag toetsingsinkomen, genoemd in artikel 2.23, tweede lid, van de wet, vastgesteld op € 34.424,25.

  • 2. Van 1 januari 2011 tot 1 januari 2013 wordt het grensbedrag toetsingsinkomen, genoemd in artikel 10.5, tweede lid, van de wet, vastgesteld op € 3.613,41..

Artikel 12. Aanpassing normbedragen

Van 1 januari 2010 tot 1 januari 2013 luiden de bedragen, genoemd in de hoofdstukken 3, 4, 5 en 10 van de wet, als volgt:

Hoofdstuk 3

De tegemoetkoming schoolkosten, bedoeld in artikel 3.5 van de wet, bedraagt voor de schooljaren 2011−2012 en 2012−2013:

Overzicht bedragen tegemoetkoming schoolkosten per schooljaar 2011−2013

a. beroepsonderwijs

€ 658,99

b. onderbouw + bovenbouw niet volledig en rechtstreeks bekostigd vo

€ 324,44

c. voortgezet algemeen volwassenen onderwijs (vavo)

€ 324,44

Hoofdstuk 4

De basistoelage per kalendermaand, genoemd in artikel 4.3 van de wet, bedraagt van 1 januari 2011 tot 1 januari 2013 voor een:

  • a. thuiswonende leerling: € 103,77

  • b. uitwonende leerling: € 241,93.

De tegemoetkoming schoolkosten, bedoeld in artikel 4.6 van de wet, bedraagt voor de schooljaren 2011−2012 en 2012−2013:

Overzicht bedragen tegemoetkoming schoolkosten per maand 2011–2013

a. onderbouw volledig op grond van de WVO bekostigd onderwijs en onderbouw + bovenbouw volledig op grond van de WEB bekostigd voorbereidend beroepsonderwijs verzorgd in een agrarisch opleidingscentrum

€ 73,16

b. bovenbouw volledig op grond van de WVO bekostigd onderwijs

€ 80,11

c. onderbouw niet volledig en rechtstreeks bekostigd vo

€ 100,18

d. bovenbouw niet volledig en rechtstreeks bekostigd vo

€ 107,15

e. speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs

€ 48,60

f. voortgezet algemeen volwassenen onderwijs (vavo)

€ 107,15

Hoofdstuk 5, afdeling 5.1

De tegemoetkoming schoolkosten, bedoeld in artikel 5.4 van de wet, bedraagt voor het schooljaren 2011−2012 en 2012−2013: € 673,99.

Hoofdstuk 5, afdeling 5.2

De tegemoetkoming schoolkosten, bedoeld in artikel 5.10 van de wet, bedraagt voor het schooljaren 2011−2012 en 2012−2013:

Overzicht 1. Onderwijs gedurende gehele schooljaar of geen onderwijs meer vanaf 1 januari

Aantal minuten per week

Schoolkosten

540 of meer

€ 288,37

540 of meer en voor 1 januari 270 tot 540

€ 144,18 + € 144,18 naar rato aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd

270 tot 540

€ 194,28

270 tot 540 en voor 1 januari minder dan 270

€ 97,14 + € 97,14 naar rato aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd

minder dan 270

Nihil

Overzicht 2. Geen onderwijs meer volgen na 30 september en voor 1 januari

Aantal minuten per week

Schoolkosten

540 of meer

€ 144.18

540 of meer en voor 1 januari 270 tot 540

€ 72,09 + € 72,09 naar rato aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd

270 tot 540

€ 97,14

270 tot 540 en voor 1 januari minder dan 270

€ 48,57 + € 48,57 naar rato aantal minuten dat onderwijs wordt gevolgd

minder dan 270

Nihil

Hoofdstuk 10

De tegemoetkoming schoolkosten, genoemd in:

  • a. artikel 10.7, derde lid, onder a, van de wet, bedraagt voor de schooljaren 2011−2012 en 2012−2013: € 674,00.

  • b. artikel 10.7, derde lid, onder b, van de wet, bedraagt voor de schooljaren 2011−2012 en 2012−2013: € 288,37.

  • c. artikel 10.7, derde lid, onder c, van de wet, bedraagt voor de schooljaren 2011−2012 en 2013: € 194,28.

Artikel 13. Wijziging Regeling tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten: aanpassing maximale verrekenbedrag

Artikel 3.1, derde lid, tweede volzin, van de Regeling tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten komt te luiden: Wanneer die betalingen hoger zijn dan € 56,33 naar de maatstaf van 1 januari 2011, geschiedt de verrekening met dat bedrag.

Artikel 14. Wijziging Regeling normen onderwijsbijdrage en schoolkosten 2010

In artikel 4, onder de kop Hoofdstuk 10, onderdeel a, wordt ‘662,-’ vervangen door: 674,00.

HOOFDSTUK III. SLOTBEPALINGEN

Artikel 15. Intrekking Regeling

De Regeling stimulering internationale mobiliteit volledige hoger onderwijsopleidingen 2002 wordt ingetrokken.

Artikel 16. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011 en vervalt met ingang van 1 augustus 2013.

  • 2. Artikel 14 werkt terug tot en met 1 september 2010.

  • 3. Indien de Staatscourant, waarin deze regeling wordt geplaatst, verschijnt na 31 december 2010, dan treedt deze regeling in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt, onverminderd het tweede lid, terug tot en met 1 januari 2011.

Artikel 17. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling normen studiefinanciering en tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten 2011 en 2012.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatsecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

H. Zijlstra.

TOELICHTING

1. Algemeen

In deze ministeriële regeling zijn de bedragen vermeld die, met betrekking tot de Wet studiefinanciering 2000 (hierna WSF 2000) en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (hierna: WTOS), gelden voor het jaar 2011 en 2012, voor zover zij bij ministeriële regeling moeten worden vastgesteld. De bedragen worden jaarlijks bij ministeriële regeling vastgesteld om ze te kunnen aanpassen aan loon- en prijsontwikkelingen. In 2011 en 2012 wordt een aantal normbedragen niet aangepast vanwege de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in verband met onder meer niet-indexering normbedragen voor 2011 en 2012 en aanpassing aanvullende beurs (Stb. 2010, 807, hierna Wet nina). Er is daarom gekozen om de normen voor de WSF 2000 en WTOS te bundelen in één regeling en deze niet voor één, maar voor twee jaar vast te stellen tot 1 januari 2013 respectievelijk tot en met schooljaar 2012−2013.

Ook de Wet van 23 april 2009 tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de verhoging van het collegegeld en de aanpassing van het aflossingssysteem studieschulden (Stb. 2009, 246) zorgt voor tijdelijke niet aanpassing (schooljaren 2010 en 2011), in dit geval van de bijverdiengrens.

Zie hieronder voor een nadere toelichting van de gevolgen van de hiervoor genoemde wetten. Ook wordt in het algemeen deel van deze toelichting aandacht besteed aan de totstandkoming van de hoogte van de tegemoetkomingen voor de onderwijsbijdrage. Het betreft bedragen die niet op grond van artikel 11.1 van de WTOS, maar op grond van een andere wet of in het geheel niet worden geïndexeerd.

2. Tijdelijk niet indexeren vanwege wet verhoging collegegeld

De Wet van 23 april 2009 tot wijziging van onder meer de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de verhoging van het collegegeld en de aanpassing van het aflossingssysteem studieschulden (Stb. 2009, 246) regelt onder meer de introductie van een zogenaamde «glijdende schaal» bij de bijverdiengrens in de studiefinanciering. Een glijdende schaal houdt in dat een studerende die meer dan de bijverdiengrens heeft bijverdiend nooit een hogere vordering hoeft te betalen dan het bedrag waarmee de bijverdiengrens is overschreden. De vordering wordt ook nooit meer dan het bedrag dat de studerende heeft ontvangen aan basisbeurs, aanvullende beurs en de waarde van de OV-studentenkaart samen. Om de invoering van de glijdende schaal financieel neutraal te kunnen invoeren is afgesproken de bijverdiengrens twee jaar niet te indexeren. Het twee jaar niet indexeren van de bijverdiengrens houdt in dat de bijverdiengrens in absolute termen drie jaar lang hetzelfde bedrag blijft. Rekening houdend met loon- en prijsontwikkelingen betekent dit in feite een geleidelijke verlaging van de bijverdiengrens.

Het niet indexeren van de bijverdiengrens is in deze regeling niet direct zichtbaar omdat de indexeringsopdracht tijdelijk uit artikel 11.1, eerste lid, juncto 3.17, eerste lid, van de WSF 2000 is gehaald. Vanaf 1 januari 2012 wordt de indexeringsopdracht opnieuw in de WSF 2000 opgenomen en wordt de bijverdiengrens weer geïndexeerd.

3. Tijdelijk niet indexeren vanwege wet niet-indexering normbedragen

Met de Wet tot wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet nina worden de wettelijke indexeringsbepalingen die voor de normbedragen gelden tijdelijk – voor de jaren 2011 en 2012 – buiten werking gesteld. Dit betekent dat in 2011 en 2012 de normbedragen niet worden aangepast aan de ontwikkeling van de consumentenprijsindex in 2009, respectievelijk 2010.

  • a. normbedragen WSF 2000

    In de studiefinanciering geldt een normbudget voor de kosten van levensonderhoud van studerenden. Dit is het budget dat studerenden met de inzet van de basisbeurs en eventuele aanvullende beurs, toeslagen en/of lening kunnen financieren. Deze financieringsbronnen komen naast het collegegeldkrediet, eventuele eigen inkomsten en ouderbijdragen. Dit wetsvoorstel heeft voor alle studerenden tot gevolg dat het normbudget in 2011 en 2012 gelijk blijft aan dat in 2010. Het normbudget wordt in 2011 en 2012 niet verhoogd met de ontwikkeling van de consumentenprijsindex (die in respectievelijk de jaren 2009 en 2010 plaatsvindt). Dit betekent dat studerenden eventuele prijsontwikkelingen zelf dienen op te vangen.

  • b. normbedragen in de WTOS

    Voor de WTOS heeft het niet aanpassen van de normbedragen gevolgen voor:

    • ouders van deelnemers beroepsonderwijs,

    • scholieren voortgezet onderwijs en deelnemers volwassenenonderwijs (vavo) van 18 jaar en ouder,

    • studenten lerarenopleiding, en

    • scholieren deeltijd voortgezet onderwijs en deelnemers deeltijd volwassenenonderwijs.

Voor al deze categorieën van personen geldt dat zij de eventuele prijsontwikkelingen zelf dienen op te vangen. De (grens)bedragen die gevoelig zijn voor loonontwikkelingen, worden wel geïndexeerd.

4. Overig WSF 2000

Reisvoorziening

In artikel 5.3, tweede lid, van de WSF 2000 is bepaald dat het deel van de prestatiebeurs dat betrekking heeft op het recht op de reisvoorziening, gelijk is aan een twaalfde deel van de waarde die daarvoor per studerende door het vervoerbedrijf aan de minister in rekening wordt gebracht.

Dit deel van de prestatiebeurs bedraagt voor kalenderjaar 2011 € 82,34 en wordt, overeenkomstig artikel 5.3, tweede lid, laatste volzin, niet uitbetaald of verrekend.

Vervallen Regeling stimulering internationale mobiliteit volledige hoger onderwijsopleidingen 2002

Voorheen werd in de jaarlijkse normenregeling ook het ondersteuningsbedrag uit de zogenaamde VISIE-beursregeling vastgelegd. Met het invoeren van de zogenaamde ‘meeneembare studiefinanciering’ in artikel 2.13a en 2.14 van de WSF 2000 in 2007 was een dergelijke regeling niet langer nodig. Omdat de toekenning uit de regeling voor meerdere jaren gold en verplichtingen uit de regeling nog doorliepen, wordt de regeling nu pas ingetrokken (artikel 16).

5. Overig WTOS

Tegemoetkoming onderwijsbijdrage

Omdat de WTOS verschillende categorieën van personen bedient zijn de tegemoetkomingen voor de onderwijsbijdrage gebaseerd op verschillende te betalen onderwijsbijdragen.

Voor leerlingen in het niet bekostigd onderwijs en voor een bepaalde groep deelnemers aan het bekostigd voltijds beroepsonderwijs (artikel 3.3, eerste lid, WTOS) alsmede voor een bepaalde groep deelnemers aan het vavo (artikel 4.4, eerste lid, WTOS) is de tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage gelijk aan het lesgeld, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet. Dit bedrag is voor het schooljaar 2011−2012 vastgesteld op € 1.043,− (Regeling vaststelling lesgeld voor het cursusjaar 2011−2012). Eentwaalfde deel hiervan is € 86,92.

Voor studenten aan een lerarenopleiding (artikel 5.3 en artikel 10.7, tweede lid, onder 1, WTOS) is het tegemoetkomingsbedrag aan onderwijsbijdrage gebaseerd op het minimumbedrag aan deeltijdcollegegeld zoals dat gold in studiejaar 2009−2010. De tegemoetkoming wordt niet geïndexeerd en bedraagt € 567,23.

Voor leerlingen in het deeltijd voortgezet onderwijs en vavo (artikel 5.10 en artikel 10.7, tweede lid, WTOS) is de hoogte van de onderwijsbijdrage afhankelijk van de periode waarin en het aantal minuten per week dat onderwijs gevolgd wordt. De hoogte van de bedragen is nog niet bekend, omdat die afhankelijk is van de hoogte van het cursusgeld 2010−2011 zoals dat uiterlijk per 31 maart 2010 wordt vastgesteld en bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikelsgewijs

Artikel 2

Op grond van artikel 11.1 van de WSF 2000 en artikel 17 van het Besluit studiefinanciering 2000 (BSF 2000), worden de normbedragen voor studiefinanciering jaarlijks aangepast aan de hand van de consumentenprijsindex of het indexcijfer van de CAO-lonen.

Artikel 2, eerste lid

Als indexcijfer van de CAO-lonen wordt gehanteerd de reeks ‘CAO-lonen per maand inclusief bijzondere beloningen (2006 = 100)’ zoals die wordt berekend en bekendgemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De indexering is bepaald door de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen over de maand december van het tweede jaar voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van de maand december van het daaraan voorafgaande jaar. Bedoeld indexcijfer over december 2008 bedraagt 123,2 en over december 2009 125,9. De procentuele ontwikkeling is 2,19%. De loongevoelige WSF-(grens)bedragen voor het jaar 2011 zijn berekend met gebruikmaking van deze procentuele ontwikkeling.

Artikel 2, tweede lid

Als consumentenprijsindex wordt gehanteerd de reeks ‘consumentenprijsindex alle huishoudens (2006 = 100)’ zoals die wordt berekend en bekendgemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De indexering is bepaald door de procentuele wijziging die het consumentenprijsindexcijfer over het tweede jaar voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van het daaraan voorafgaande jaar. De prijsgevoelige WSF-normbedragen worden jaarlijks aangepast met die procentuele wijziging. Als gevolg van de wijzigingen in de Wet nina is dat voor 2011 en 2012 echter niet het geval. Slechts het verrekenbedrag in artikel 6.1 van de Regeling studiefinanciering 2000 (hierna RSF 2000) wordt aangepast aan de procentuele ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer. Bedoeld indexcijfer over 2008 bedraagt 104,14 en over 2009 105,38. De procentuele ontwikkeling is 1,19%.

Artikel 3 en 4

In deze artikelen vindt aanpassing van de loongevoelige WSF-grensbedragen plaats. De Wet nina heeft voor deze bedragen geen effect. Zie voor de berekening van de bedragen de toelichting bij artikel 2, eerste lid.

Artikel 5 en 6

De normbedragen in de artikelen 3.18, 4.7, vierde lid, 4.18, tweede lid, 5.2, derde lid, en 10.3, derde lid, van de WSF 2000 worden als gevolg van de Wet nina niet geïndexeerd ( zie ook bij het algemeen deel van de toelichting). In de meeste gevallen zijn de normbedragen om die reden gelijk aan de bedragen van 2010. Daarop bestaat een drietal uitzonderingen overeenkomstig de Wet nina:

  • de bedragen maximale aanvullende beurs/lening in de kolom hoger onderwijs zijn met € 1,84 verhoogd vanwege de maatregelen in de wet verhoging collegegeld;

  • het bedrag basislening in de kolom hoger onderwijs is met € 1,84 verlaagd vanwege de maatregelen in de wet verhoging collegegeld;

  • de bedragen maximale aanvullende beurs/lening in de kolom beroepsonderwijs zijn verhoogd om de indexering van het lesgeld te compenseren (Regeling vaststelling lesgeld voor het cursusjaar 2011–2012).

Artikel 7

Artikel 6.3, eerste lid, van de WSF 2000 schrijft voor dat jaarlijks uiterlijk in december een rentepercentage wordt vastgesteld. Daarbij moet worden uitgegaan van een rentepercentage dat gelijk is aan het over de maand oktober van dat jaar bekend gemaakte gemiddeld effectief rendement van openbare leningen, uitgegeven door de Staat der Nederlanden en toegelaten tot de notering aan de officiële markt ter beurze van Amsterdam, met een gemiddelde resterende looptijd van 3 tot 5 jaar. Het gemiddeld effectief rendement bedroeg in oktober 2010 1,50 procent. Dit percentage is voor het kalenderjaar 2011 van toepassing op leningen aangegaan na 31 december 1991.

Het rentepercentage dat van toepassing is op leningen aangegaan voor 1 januari 1992 is overeenkomstig artikel 12.10a van de WSF 2000 elk jaar 1,65-procentpunt lager dan het hiervoor genoemde percentage. Gelet op het feit dat dat percentage voor 2011 1,50 procent bedraagt, komt dat rentepercentage op 0 procent te staan.

Artikel 8

Op grond van artikel 7.4, zesde lid, van de WSF 2000 worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot de terugbetaling en verrekening van tegemoetkomingen. Dit is gebeurd in de RSF 2000. In artikel 6.1, derde lid, RSF 2000 is het bedrag bepaald waarmee teveel uitbetaalde bedragen worden verrekend. In artikel 6.2 RSF 2000 is bepaald dat dit bedrag wordt aangepast met de procentuele wijziging, bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het BSF 2000 (indexering aan de hand van de consumentenprijsindex). Deze procentuele ontwikkeling is 1,19 % (zie ook de toelichting bij artikel 2, tweede lid).

Artikel 10

Op grond van artikel 11.1 van de WTOS en artikel 5 van het Besluit tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (hierna: BTOS), worden de normbedragen voor de tegemoetkomingen in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten jaarlijks aangepast aan de hand van de consumentenprijsindex of het indexcijfer van de CAO-lonen.

Artikel 10, eerste lid

Als indexcijfer van de CAO-lonen wordt gehanteerd de reeks ‘CAO-lonen per maand inclusief bijzondere beloningen (2006 = 100)’ zoals die wordt berekend en bekendgemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De indexering is bepaald door de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen over de maand december van het tweede jaar voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van de maand december van het daaraan voorafgaande jaar. Bedoeld indexcijfer over december 2008 bedraagt 123,2 en over december 2009 125,9. De procentuele ontwikkeling is 2,19%. De loongevoelige WTOS-(grens)bedragen voor het jaar 2011 zijn berekend met gebruikmaking van deze laatste procentuele ontwikkeling.

Artikel 10, tweede lid

Als consumentenprijsindex wordt gehanteerd de reeks ‘consumentenprijsindex alle huishoudens (2006 = 100)’ zoals die wordt berekend en bekendgemaakt door het Centraal Bureau voor de Statistiek. De indexering is bepaald door de procentuele wijziging die het consumentenprijsindexcijfer over het tweede jaar voorafgaand aan de aanpassing heeft ondergaan ten opzichte van het daaraan voorafgaande jaar. De prijsgevoelige WTOS-bedragen worden jaarlijks aangepast met die procentuele wijziging. Als gevolg van de wijzigingen in de Wet nina is dat voor 2011 en 2012 echter niet het geval. Slechts het verrekenbedrag in artikel 3.1 van de Regeling tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (hierna: RTOS) wordt aangepast aan de procentuele ontwikkeling van het consumentenprijsindexcijfer. Bedoeld indexcijfer over 2008 bedraagt 104,14 en over 2009 105,38. De procentuele ontwikkeling is 1,19 %.

Artikel 11

De grensbedragen toetsingsinkomen zijn loongevoelig en worden dus aangepast aan de hand van hetgeen hierboven beschreven staat bij artikel 2, eerste lid.

Artikel 12

De normbedragen in de artikelen 3.5, 4.3, 4.6, 5.4, 5.10, 10.5, eerste lid, en 10.7, derde lid, van de WTOS worden als gevolg van de Wet nina niet geïndexeerd (zie ook bij het algemeen deel van de toelichting). In alle gevallen zijn de normbedragen om die reden gelijk aan de bedragen van 2010.

Artikel 13

Op grond van artikel 8.1, eerste lid, van de WTOS worden bij ministeriële regeling regels gesteld met betrekking tot het uitbetalen en verrekenen van tegemoetkomingen. Dit is gebeurd in de RTOS. In artikel 3.1, derde lid, van de RTOS is het bedrag bepaald waarmee teveel uitbetaalde bedragen worden verrekend. In artikel 3.3 RTOS is bepaald dat dit bedrag wordt aangepast met de procentuele wijziging, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het BTOS (indexering aan de hand van de consumentenprijsindex). Deze procentuele ontwikkeling is 1,19% (zie ook de toelichting bij artikel 2, tweede lid).

Artikel 14

Het bedrag dat voor het schooljaar 2010−2011 in artikel 10.7, derde lid, onder a, van de wet is opgenomen, klopt niet. Het had € 674,00 moeten zijn. Dit wordt thans, met terugwerkende kracht tot en met 1 september 2010 (artikel 16), hersteld.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

H. Zijlstra.

Naar boven