Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en MilieubeheerStaatscourant 2010, 18957Onteigeningen

Besluit van 8 november 2010, no. 10.003058 tot aanwijzing ter onteigening van onroerende zaken in de gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp krachtens artikel 78 van Titel IV van de onteigeningswet. (onteigeningsplan Groenzone)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op grond van artikel 77 van de onteigeningswet (oud) kan onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 87 van de onteigeningswet (oud) kan onteigening ten name van een ander publiekrechtelijk lichaam dan de gemeente op verzoek van dat lichaam plaatsvinden uit kracht van een koninklijk besluit.

Artikel 5.4 van de Crisis- en herstelwet bepaalt dat verzoeken waarbij de terinzagelegging van een ontwerpbesluit tot onteigening vóór 31 maart 2010 heeft plaatsgevonden, worden afgehandeld overeenkomstig oud recht.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

Op 24 december 2009 verzoekt het Bureau Beheer Landbouwgronden (het BBL), gevestigd te Den Haag en ten deze kantoorhoudende te Utrecht, door tussenkomst van de Dienst Landelijk Gebied (DLG), Ons onder kenmerk BBLZH/2009/58886, om op voet van artikel 87 van de onteigeningswet (oud) over te gaan tot aanwijzing ter onteigening van een aantal onroerende zaken in de gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp ten name van het BBL. Dit verzoek is door DLG namens het BBL aangevuld bij brief van 4 maart 2010, kenmerk BBLZH/2010/10649. Gelet op het feit dat de terinzagelegging van het ontwerpbesluit heeft plaatsgehad vanaf 29 april 2010, is op de behandeling van het verzoek van het BBL de onteigeningswet van toepassing zoals deze luidt vanaf 31 maart 2010.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Ingevolge artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), hebben het (voor)ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 79 van de onteigeningswet bedoelde stukken en gegevens met ingang van 29 april 2010 tot en met 9 juni 2010 in de gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp en op het departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer ter inzage gelegen. Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb en artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet heeft de burgemeester van Pijnacker-Nootdorp voorafgaand aan de terinzagelegging van het (voor)ontwerp koninklijk besluit c.a. daarvan op 21 april 2010 openbaar kennis gegeven in de lokaal verschijnende ‘Telstar’. De burgemeester van Lansingerland heeft zulks op 21 april 2010 gedaan in de lokaal verschijnende ‘De Heraut’. Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Onze Minister) heeft van een en ander openbaar kennis gegeven in de Staatscourant van 20 april 2010, no. 5311.

Verder heeft Onze Minister overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb het (voor)ontwerp koninklijk besluit voorafgaand aan de terinzagelegging daarvan, per brief van 22 april 2010 (kenmerk BJZ 2010010390) toegezonden aan belanghebbenden en aan verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden en de verzoeker op de hoogte gesteld van de mogelijkheid tot het naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren brengen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

De gronden waarop het verzoek van het BBL betrekking heeft, zijn begrepen in de bestemmingsplannen ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ van de gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp, beide bestemmingsplannen hierna verder ook gezamenlijk te noemen: het bestemmingsplan. Het BBL wil de ter onteigening voorgedragen gronden in vrije eigendom verkrijgen teneinde DLG in staat te stellen om in opdracht van de provincie Zuid-Holland het bestemmingsplan tijdig te kunnen verwezenlijken.

De ter onteigening voorgedragen gronden zijn in het bestemmingsplan aangewezen voor de bestemmingen ‘Recreatieve doeleinden en natuur’ (RN), ‘Water’ en ‘Waterkering en waterstaatsdoeleinden’ (dubbelbestemming).

Het plangebied bestaat thans uit agrarisch, soortenarm weidegebied met verscheidene locaties waarop glastuinbouw (warenhuizen) wordt uitgeoefend. Het gebied kenmerkt zich door een strakke, rechthoekige droogmakerijverkaveling met een hoge slootdichtheid en het ontbreken van hoge natuurwaarden. De recreatieve functie van het gebied beperkt zich tot het medegebruik door fietsers, wandelaars en skaters. Er zijn geen dagrecreatieve of verblijfsrecreatieve functies aanwezig. Het bestemmingsplan beoogt het gebied om te vormen ten behoeve van recreatieve- en natuurfuncties die zoveel mogelijk openbaar toegankelijk worden gemaakt. Daartoe komen langs de belangrijkste waterloop in het gebied, de nieuw te graven Berkelse Vaart, fiets-, wandel- en ruiterpaden te lopen en zullen er dagrecreatieve voorzieningen zoals picknickplaatsen en speel- en ligweiden enzovoorts worden aangelegd. Aan de andere zijde van de Berkelse Vaart is voorzien in een ‘natte zone’. Door een aantal percelen te ontgraven wordt ruimte geschapen voor kleinere en grotere moerasachtige gebieden die tevens de waterdoorstroming binnen het gebied moeten bevorderen. Daarmee zullen wijzigingen in het waterbeheer gepaard gaan (gewijzigd peilbeheer) die er ook toe strekken om het gebied als tijdelijke waterberging te kunnen laten functioneren. Deze omvorming strekt er ook toe om kleine waterrecreatie (roeien en kanovaren) te bevorderen. Daarnaast zullen overigens verscheidene natuurdoeltypen worden ontwikkeld zoals rietrijke landen, maai- en hooilanden en nat grasland. Op deze wijze wordt het gebied als geheel geschikt als onderdeel van de ecologische hoofdstructuur. Volgens de zakelijke beschrijving behorende bij het verzoek, zal het beheer van het plangebied specifiek op de nieuw te ontwikkelen en samenhangende functies moeten worden afgestemd en in één hand moeten worden gehouden.

De omvorming van het plangebied maakt deel uit van het beleid van de provincie Zuid-Holland om binnen de provincie te komen tot een ruimtelijke herinrichting die ten doel heeft zoveel mogelijk agrarische gronden en gronden ten behoeve van natuur en recreatie en waterstaatsdoeleinden aaneengesloten te laten functioneren ten behoeve van het evenwicht tussen stad en land. De betrokken gebieden vormen tezamen de zogenaamde Groenblauwe Slinger. De provincie Zuid-Holland voert dit beleid uit in samenwerking met de betrokken gemeenten, waterschappen en Rijksdiensten. DLG verwerft in opdracht van de provincie Zuid-Holland, middels haar publiekrechtelijke rechtspersoon het Bureau Beheer landbouwgronden de gronden die nodig zijn om het bestemmingsplan te kunnen uitvoeren.

In de door de gemeenten en de overige bij de uitvoering van de bestemmingsplannen betrokken partners voorgestane wijze van planuitvoering, wordt inzicht verschaft door de bestemmingsplannen met de daarbij behorende voorschriften, toelichtingen en kaarten, alsmede door het (definitieve) voorontwerpinrichtingsplan van juli 2009 (inrichtingsplan).

De voltooiing van de werkzaamheden is voorzien voor eind 2013. Om de werkzaamheden tijdig te kunnen afronden zal daarmee in 2010 begonnen moeten worden. Na de herinrichting van het gebied zullen Staatsbosbeheer en het Hoogheemraadschap van Delfland het beheer daarvan krijgen.

Het BBL voert al geruime tijd overleg met de (beperkt) zakelijk gerechtigden op de gronden die nodig zijn om het bestemmingsplan te kunnen uitvoeren. Met het merendeel van de grondeigenaren heeft het BBL inmiddels overeenstemming bereikt over de aankoop van gronden. Met een aantal eigenaren is evenwel nog geen overeenstemming bereikt. Teneinde op zo kort mogelijke termijn de uitvoering van het werk te kunnen verzekeren, heeft het BBL Ons verzocht een besluit te nemen tot aanwijzing van gronden ter onteigening overeenkomstig de door het BBL bij zijn verzoek overgelegde grondtekening en lijst.

Zienswijzen

Binnen de termijn van terinzageligging van het (voor)ontwerp koninklijk besluit zijn bij Ons schriftelijk zienswijzen naar voren gebracht door:

  • 1) E.D.J. Westmaas, namens C.P. Brus te Pijnacker, eigenaar van het gedeeltelijk mede in de onteigening begrepen perceel, kadastraal bekend gemeente Pijnacker, sectie B, no. 1463 (grondplannummer 1), verder te noemen de reclamant onder 1);

  • 2) L. de Lange, namens A. Huige te Westmaas, wonende te Berkel en Rodenrijs, eigenares van de gedeeltelijk mede in de onteigening begrepen percelen, kadastraal bekend gemeente Pijnacker, sectie C, nos. 3645 en 3647 (grondplannummers 124 en 125), verder te noemen de reclamante onder 2);

  • 3) A.J. Treurniet, namens G.T.M. de Koning te Berkel en Rodenrijs, eigenaar van het gedeeltelijk mede in de onteigening begrepen perceel, kadastraal bekend gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie C, no. 3333 (grondplannummer 212), verder te noemen de reclamant onder 3);

  • 4) A. Dijkshoorn te Pijnacker, eigenaar van de gedeeltelijk mede in de onteigening begrepen percelen, kadastraal bekend gemeente Pijnacker, sectie B, no. 5733 en 5735 (grondplannummers 45 en 49), verder te noemen de reclamant onder 4);

  • 5) G.T.M. Stoof, namens G. Van Vliet en Atelier de Hichte, eigenaar van het mede in de onteigening begrepen perceel, kadastraal bekend gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie C, no. 3162 (grondplannummer 188), verder te noemen de reclamant onder 5);

  • 6) G.T.M. Stoof, namens J.G.M. Hulst, A.M. Ruigrok en L.W.J. Hulst te Berkel en Rodenrijs, eigenaren van het gedeeltelijk mede in de onteigening begrepen perceel, kadastraal bekend gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie C, no. 3748 (grondplannummer 229), verder te noemen de reclamanten onder 6);

  • 7) De Staatssecretaris van Defensie namens de Staat, beperkt zakelijk gerechtigde op de gedeeltelijk mede in de onteigening begrepen percelen, kadastraal bekend gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie C, nos. 3512 en 3703 (grondplannummers 257 en 275) en gemeente Pijnacker, sectie B, nos. 3308 en 950 (grondplannummers 273 en 274), verder te noemen de reclamant onder 7);

  • 8) N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland (Dunea) te Voorburg, beperkt zakelijk gerechtigde op de mede in de onteigening begrepen percelen en perceelsgedeelten , kadastraal bekend gemeente Pijnacker, sectie B, nos. 1781, 3269, 1124, 1123, 1122, en 3278 (grondplannummers 21, 36, 40, 47, 53 en 70) en gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie C, nos. 3452, 3748, 4274, 3179, 6590 en 4576 (grondplannummers 76, 229, 231, vervallen, 287 en 313), verder te noemen: de reclamante onder 8);

  • 9) VWS Pipeline Control B.V. te Sliedrecht, mede namens de N.V. Nederlandse Pijpleiding Maatschappij, beperkt zakelijk gerechtigde op de mede in de onteigening begrepen percelen en perceelsgedeelten, kadastraal bekend gemeente Pijnacker, sectie B, nos. 950 en 3308 (grondplannummers 274 en 273)en gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie C, nos. 3748, 3551, 3179, 1545 en 3703 (grondplannummers 229, 234, vervallen, 246 en 275), verder te noemen de reclamante onder 9);

  • 10) G. Veldhuisen te Pijnacker, eigenaar van het gedeeltelijk mede in de onteigening begrepen perceel, kadastraal bekend gemeente Pijnacker, sectie C, no. 420 (grondplannummer 301), verder te noemen de reclamant onder 10).

  • 11) Buiten de termijn van terinzageligging van het ontwerp koninklijk besluit zijn bij Ons met brieven van 24 juni 2010 en van 14 juli 2010, aangevuld op 9 augustus, schriftelijk zienswijzen naar voren gebracht door mr. S. Fraats en mr. J. van den Burg namens C.A.M. Overmeer te Berkel en Rodenrijs, eigenares van de mede in de onteigening begrepen percelen, kadastraal bekend gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie C, nos. 2949 (ged.), 2211 (ged.) en 1956 (grondplannummers 143, 147 en 154), verder te noemen de reclamante onder 11).

Van de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 78, vierde lid, van de onteigeningswet de zienswijzen mondeling nader toe te lichten hebben de reclamanten onder 1), 3), 5), 6) en 10) gebruik gemaakt.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

De reclamant onder 1) gebruikt zijn thans gedeeltelijk te onteigenen perceel als schapenwei en siertuin. Op een naastgelegen noordelijk perceel staat zijn als zodanig positief bestemde burgerwoning (woonkavel). Blijkens het bestemmingsplan rusten op de te onteigenen grond de bestemmingen ‘Water’, ‘Recreatieve doeleinden en natuur (RN)’ en de dubbelbestemming ‘Waterkering en waterstaatsdoeleinden’. Op de in de onteigening begrepen grond zal overeenkomstig het bestemmingsplan een nieuwe waterloop worden aangelegd. De gronden ten westen van de waterloop zullen worden ingericht als bloemrijk grasland. De gronden ten oosten van de waterloop zullen ten westen van de woonkavel worden ingericht als bloemrijk grasland en ten zuiden van de woonkavel tot aan de doorgaande weg als nat bos.

In zijn zienswijzen brengt de reclamant onder 1) in de eerste plaats naar voren dat hij de noodzaak van de onteigening betwist omdat hij in het verleden al heeft aangegeven dat hij kan instemmen met de minnelijke verkoop van het gedeelte van zijn perceel waarop de waterloop moet komen en de grond ten westen daarvan. Het oostelijke deel van het perceel wenst hij te behouden en zo nodig kan hij daarop zelf de bestemming ‘RN’ realiseren. Gelet op de ligging van het oostelijke deel tussen zijn woonkavel, de waterloop, een doorgaande weg en de oprit naar zijn woning komt het hem voor dat dit perceelsgedeelte niet in aanmerking kan komen voor infrastructuur en/of openluchtrecreatie. Daarom heeft het ook geen betekenis voor het grotere geheel en kan niet gesteld worden dat onteigening in het algemeen belang zou zijn. Zelfrealisatie is mogelijk door een nat bos aan te leggen.

Dit onderdeel van de zienswijzen geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen. Uit de overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek is Ons niet gebleken dat in een eerder stadium zou zijn gesproken over een beperktere omvang van de thans verzochte onteigening. Uit een reactie van 29 juli 2010 van het BBL op de zienswijzen van de reclamant onder 1) blijkt dat dit van de kant van verzoeker ook nooit als haalbaar is beschouwd omdat de voorgenomen (her)inrichting van het desbetreffende perceelsgedeelte van doorslaggevend belang is voor het ecologisch kunnen verbinden van de Groenzone met het bosgebied De Balij.

Het BBL en DLG achten het gehele perceel van de reclamant van belang voor bedoelde verbinding, en niet alleen de waterloop en de gronden ten westen daarvan. De gehele verbinding is gericht op openluchtrecreatie en de ontwikkeling van natuurwaarden en vormt daarmee een noodzakelijk onderdeel van het geheel. De openluchtrecreatie wordt mede mogelijk gemaakt door de aanleg van recreatieve verbindingen, terwijl in het gebied voorts de ontwikkeling van planten en dieren is voorzien. De verbinding met De Balij zal in nauwe samenwerking met het Hoogheemraadschap Delfland plaatsvinden. Onteigening van het gehele in het verzoek begrepen perceelsgedeelte is daarom in het algemeen belang, aldus het BBL en DLG. Uit de overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek is Ons terzake het volgende gebleken. Het bestemmingsplan sluit niet aan op het bestemmingsplan De Balij en Bieslandse Bos. De beoogde verbinding van de Groenzone met De Balij zal blijkens de toelichting van het bestemmingsplan (pg. 26) gevormd moeten worden door middel van waterlopen. Daarnaast wordt in de toelichting aangegeven dat de fietsverbinding en de voetpaden in de groenzone een schakel vormen in de doorgaande routestructuren naar De Balij. Het plangebied Groenzone en het onderhavige perceelsgedeelte worden aan de noordzijde begrensd door de doorgaande Katwijkerlaan die Pijnacker verbindt met Zoetermeer. Daarnaast ligt aan de noordzijde van de Groenzone de polderboezem. Op de plankaart, noch op de kaart van het inrichtingsplan is ter plaatse van de te onteigenen gronden voorzien in bovenbedoelde recreatieve verbindingen in de vorm van voet- of fietspaden. Uitsluitend de nieuw te graven waterloop zou (in beginsel) als zodanig dienst kunnen doen. Over de wijze waarop een ecologische verbinding anderszins zal kunnen worden gerealiseerd laten bedoelde documenten zich evenmin uit. Naar Ons oordeel bestaat er in zoverre dan ook geen noodzaak tot onteigening uit hoofde van recreatieve (verkeers)verbindingen met De Balij. Uitsluitend de geplande waterloop kan dienstig zijn aan de doeleinden van het bestemmingsplan, zodat voor dat gedeelte van het perceel inwilliging van het verzoek in de rede ligt.

Voor wat het te realiseren nat bos betreft, overwegen Wij dat dit nat bos uitsluitend op het perceelsgedeelte van de reclamant onder 1) zou moeten worden verwezenlijkt. Aanvankelijk werd in een eerdere versie van het bestemmingsplan dit natte bos ongeveer 180 meter in zuidelijke richting doorgetrokken. Daarvoor zou een loonbedrijf moeten wijken. Dit bedrijf is echter later positief bestemd, waardoor het grootste gedeelte van het geplande natte bos is komen te vervallen ten gunste van een bedrijfsbestemming. Onder deze omstandigheden komt het Ons voor dat onteigening ten behoeve van de aanleg van dit natte bos onevenredig bezwarend is voor de reclamant onder 1) gelet op het naar Ons oordeel beperkte algemeen belang bij de verwezenlijking van een klein areaal aan nat bos zonder dat daarbij de beoogde verbindingsfuncties tussen de Groenzone en De Balij aannemelijk worden gemaakt. Derhalve zullen Wij het verzoek dan ook in zoverre niet inwilligen, waarbij Wij voor het beloop van de nieuw te graven waterloop uitgaan van de ligging daarvan zoals aangegeven op de bestemmingsplankaart. Voor zover de reclamant onder 1) zich beroept op zelfrealisatie ten aanzien van zijn oostelijk perceelsgedeelte, behoeft dit geen verdere bespreking meer, nu het verzoek om onteigening voor wat dit gedeelte betreft reeds om bovengenoemde redenen niet kan worden ingewilligd.

In de tweede plaats merkt de reclamant onder 1) tijdens het horen op dat hem slechts één maal een schriftelijk bod is gedaan op 13 juni 2008. De onderhandelingen zijn gevoerd door een makelaar en niet met het BBL zelf, waardoor geen duidelijkheid bestond over de voorgenomen inrichting.

Ten aanzien van dit onderdeel van de zienswijzen van de reclamant onder 1) merken Wij over het gevoerde minnelijk overleg in het algemeen op, dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt, dat de onteigenende partij hetgeen onteigend moet worden éérst bij minnelijke overeenkomst in eigendom tracht te verkrijgen. Dit artikel heeft betrekking op de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve fase van de onteigeningsprocedure is echter één van de criteria waaraan door Ons kan worden getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening als uiterste middel is bedoeld, zijn Wij van oordeel dat pas van dit middel mag worden gebruikgemaakt, als vóór het begin van de onteigeningsprocedure langs minnelijke weg niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming is te komen. Aan deze voorwaarde is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen ingevolge Titel IV van de onteigeningswet zoals deze luidt vanaf 31 maart 2010 in beginsel voldaan, indien vóór het verzoek aan de Kroon om een onteigeningsbesluit te nemen is begonnen met de onderhandelingen over de minnelijke verwerving en op het moment van het verzoek voldoende aannemelijk is dat die onderhandelingen voorlopig niet tot de eigendomsoverdracht zullen leiden. Er moet sprake zijn van een serieus minnelijk overleg. Doet zich deze situatie voor, dan kunnen Wij tot onteigening besluiten om daarmee een tijdige uitvoering van het bestemmingsplan zeker te stellen.

In het bijzonder overwegen Wij dat uit de Ons overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat sedert oktober 2007 met de reclamant is gesproken over zijn wens om ruimere bebouwingsmogelijkheden op zijn gronden.

Door de gemeente Pijnacker is daarin niet bewilligd. Vervolgens is op 13 juni 2008 een schriftelijk bod uitgebracht aan de reclamant. Daarop heeft de reclamant uiteindelijk op 29 oktober 2008 laten weten niet akkoord te gaan met het bod. De verwerver(s) die de onderhandelingen hebben gevoerd, hebben dat gedaan in opdracht van het BBL, mede handelend namens DLG. In de correspondentie vanwege het BBL is deze relatie ook verklaard.

Naar Ons oordeel is er, hoewel het bod geruime tijd geleden is uitgebracht, voldoende serieus minnelijk overlegd tussen partijen en geeft dit Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing van gronden ter onteigening geheel of gedeeltelijk niet in te willigen.

De reclamante onder 2) voert in haar zienswijzen aan dat er geen sprake is geweest van serieus minnelijk overleg. Dat blijkt volgens haar in de eerste plaats uit het feit dat wordt miskend dat het in de te verplaatsen bedrijfshal van Motor Import A.J. Huige uitgeoefende bedrijf de facto een familiebedrijf is, dat wordt gerund door vader en dochter. Derhalve is er volgens de reclamante sprake van een eigenaar-gebruiker-situatie die moet leiden tot een hogere waardering bij de bepaling van de schadeloosstelling. In de tweede plaats blijkt dit uit het feit dat verzoeker weigert de bepaling van de schadeloosstelling te baseren op agrarische grond met de mogelijkheid van de bouw van kassen. Door beide oorzaken wordt haar een te laag en niet serieus aanbod gedaan. De reclamante onder 2) wijst in dit verband nog op een precedent van enkele jaren geleden waarbij met een buurman wel is onderhandeld op basis van kassenbouwgrond en op basis waarvan minnelijke overeenstemming werd bereikt. Hierin ziet zij een grote rechtsongelijkheid gelegen.

Voor zover de zienswijzen van de reclamant onder 3) zien op het minnelijk overleg verwijzen Wij in de eerste plaats naar hetgeen Wij in het algemeen over het te voeren minnelijk overleg hebben overwogen bij de beoordeling van de zienswijzen van de reclamant onder 1).

Naar aanleiding van de zienswijzen van de reclamante onder 2) merken Wij in het bijzonder op, dat deze met name betrekking hebben op de bepaling van de hoogte van de schadeloosstelling. Op grond van artikel 40 van de onteigeningswet is de (onteigenings)rechter bij uitsluiting bevoegd om met het uitspreken van de onteigening ook de hoogte van de schadeloosstelling te bepalen. Nu overigens niet is gesteld of gebleken dat er onvoldoende minnelijk overleg heeft plaatsgehad, kunnen de zienswijzen van de reclamante onder 2) Ons in zoverre dan ook geen aanleiding geven om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk niet in te willigen.

De reclamant onder 3) voert in zijn zienswijzen aan dat er geen sprake is geweest van voldoende en serieus minnelijk overleg. Hij ontkent dat er gesproken zou zijn over eventuele aankoop van grond. Hij geeft aan dat er twee maal een schriftelijk bod is gedaan. Hij is wel bereid om er minnelijk uit te komen, maar alleen dan als er op de gebruikelijke wijze kan worden gecommuniceerd en er sprake is van een reële schadeloosstelling. De reclamant drijft samen met zijn zoon een fok/mestbedrijf ter grootte van 600 grootvee eenheden (koeien, stieren en kalveren). De in de onteigening begrepen grond bedraagt circa 10% van zijn grondeigendom maar omvat volgens de reclamant wel 20% van zijn uitloopgrond voor vee. Tijdens het horen heeft hij naar voren gebracht dat hij zich niet serieus genomen voelt omdat er nooit ter plaatse een gesprek heeft plaatsgehad waarbij de plannen van het BBL zijn toegelicht. Hij wil ook dat er een component bedrijfsschade wordt meegenomen bij de bepaling van de hoogte van de schadeloosstelling.

Voor zover de zienswijzen van de reclamant onder 3) zien op het minnelijk overleg verwijzen Wij in de eerste plaats naar hetgeen Wij in het algemeen over het te voeren minnelijk overleg hebben overwogen bij de beoordeling van de zienswijzen van de reclamant onder 1).

In het bijzonder overwegen Wij dat Ons uit de overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat op 15 oktober 2003 een eerste gesprek heeft plaatsgehad namens het BBL. Op 7 september 2007 wordt een eerste schriftelijk bod uitgebracht, dat op 13 februari 2008 telefonisch door de reclamant wordt afgewezen.

Op 13 februari 2009 wordt een herzien schriftelijk bod uitgebracht. Tot begin augustus 2010 heeft de reclamant onder 3) hier niet op gereageerd. Op 11 augustus 2010 heeft het BBL aan de aankoper opdracht gegeven om nogmaals een gesprek te arrangeren met de reclamant onder 3), nadat deze daarop had aangedrongen tijdens het horen op 30 juli 2010.

Wij zijn, gelet op het voorgaande, van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat er onvoldoende serieus minnelijk overleg zou hebben plaatsgehad.

Voor zover de reclamant zich beklaagt over de hoogte van de geboden schadeloosstelling verwijzen Wij naar hetgeen Wij hierover hebben overwogen bij de beoordeling van het desbetreffende onderdeel van de zienswijze van de reclamante onder 2).

Aldus geven de zienswijzen van de reclamant onder 3) Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk niet in te willigen. Wellicht kan het voortgezet minnelijk overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet vooraf dient te gaan aan de dagvaarding, nog tot een voor partijen bevredigende oplossing leiden.

De reclamant onder 4) brengt in zijn zienswijzen naar voren dat er geen onderhandelingen zijn geweest. De op 26 februari 2009 gedane schriftelijke aanbiedingen zijn niet onvoorwaardelijk gedaan en kunnen voor hem geen basis bieden voor de toekomst van zijn bedrijf. Hij zag graag dat de aankoper bevoegd zou zijn om een onvoorwaardelijk bod te doen, maar heeft hierop nooit meer iets mogen vernemen.

Naar aanleiding van de zienswijzen van de reclamant onder 4) overwegen Wij als volgt.

De reclamant onder 4) bezit een melkveebedrijf dat hij exploiteert op eigen grond en op gepachte grond. Door de voorgenomen onteigening vervalt in wezen de basis aan zijn bedrijf. Alleen een deel van zijn gronden met daarop de woning blijft nog in eigendom. De reclamant onder 4) behoefde niet gehoord te worden, maar heeft ter gelegenheid van het ingestelde onderzoek telefonisch nog aangegeven dat hij in verband met de wil om zijn melkveebedrijf elders in Nederland voort te zetten graag één totaalovereenkomst sluit met het BBL in plaats van twee overeenkomsten (1 x eigendom, 1 x pacht). Hij is op basis van een concreet en onvoorwaardelijk bod bereid om tot een oplossing te komen.

Voor zover de zienswijzen van de reclamant onder 4) zien op het minnelijk overleg verwijzen Wij in de eerste plaats naar hetgeen Wij in het algemeen over het te voeren minnelijk overleg hebben overwogen bij de beoordeling van de zienswijzen van de reclamant onder 1).

In het bijzonder overwegen Wij dat Ons uit de overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek niet is gebleken dat onvoldoende serieus minnelijk overleg zou hebben plaatsgevonden. Wel is de onderhandelingssituatie gecompliceerd doordat het BBL ook met de eigenaren van de aan de reclamant verpachtte gronden in overleg diende te treden. Op 26 februari 2009 zijn twee schriftelijke biedingen gedaan. Een bod zag op de gronden in eigendom bij de reclamant onder 4), het andere op de gebruiksrechten uit hoofde van pacht van grond van derden. Ten aanzien van de voorwaarde die aan het bod van 26 februari 2009 voor de eigen grond van de reclamant onder 4) is verbonden, merken Wij op dat deze gebruikelijke voorwaarde ziet op mogelijke bodemverontreiniging. Hoewel de reclamant onder 4) ter gelegenheid van het onderzoek telefonisch heeft meegedeeld dat de bodem onder zijn eigendommen niet verontreinigd is, kan zekerheid daarover eerst worden verkregen door nader onderzoek. Hoe dan ook, het bestaan van bedoelde voorwaarde is op zichzelf geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van een onvoldoende serieus aanbod.

Het streven van de reclamant om tot één totaaloplossing te komen om zijn bedrijf zoveel mogelijk elders in Nederland voort te kunnen zetten, hoeft Ons inziens door de twee afzonderlijke biedingen niet te worden doorkruist. De inhoud van de biedingen gezamenlijk zal immers bepalend zijn voor de uiteindelijk vast te stellen hoogte van de schadeloosstelling en daarmee voor de mogelijkheid om het door de reclamant onder 4) gewenste doel daadwerkelijk te kunnen bereiken.

De zienswijzen van de reclamant onder 4) geven Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing van gronden ter onteigening geheel of gedeeltelijk niet in te willigen.

De reclamant onder 5) bewoont met zijn echtgenote op Kleihoogt 2 een voormalige boerderij waarin ook het atelier De Hichte is gevestigd. De opstal moet verdwijnen om plaats te maken voor de nieuw aan te leggen Berkelse Vaart. De reclamant onder 5) voert in zijn zienswijzen aan, dat onteigening niet noodzakelijk is, nu al langere tijd wordt geprobeerd de woning en het atelier te verplaatsen naar de aan de overzijde op Kleihoogt 1 gelegen Corneliahoeve. Hoewel deze optie, gelet op het bestemmingsplan op planologische bezwaren stuit, acht de reclamant onteigening een onredelijk drukmiddel. Als de planologische bezwaren niet tijdig uit de weg worden geruimd zal dit immers het einde van atelier De Hichte betekenen. De reclamant onder 5) vraagt zich af waarom zijn boerderijwoning niet net als de Corneliahoeve had kunnen worden ingepast. Het inrichtingsplan is ook nog niet definitief, waarom dan nu al onteigend?

Daarnaast voert de reclamant aan dat met het BBL nooit is onderhandeld. Er zijn geen concrete aanbiedingen gedaan door het BBL.

De zienswijzen van de reclamant onder 5) geven Ons aanleiding tot de volgende overwegingen. Uit de Ons overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek komt naar voren dat een mogelijke verplaatsing van woning en atelier naar de Corneliahoeve onderdeel heeft uitgemaakt van de onderhandelingen over de aankoop van Kleihoogt 2. In dat verband heeft DLG/BBL op verzoek van de reclamant een bouw- en funderingstechnisch onderzoek laten doen naar de bouwkundige toestand van de Corneliahoeve. Het BBL zou door een ruilovereenkomst onteigening kunnen voorkomen. De Corneliahoeve is bestemd als woning. Daarin ligt voorlopig een belemmering om aldaar het atelierbedrijf te hervestigen. Uit de reactie van het BBL op de zienswijzen van de reclamant onder 5) komt naar voren dat de gemeente Lansingerland niet onwelwillend staat tegenover een wijziging van het bestemmingsplan, maar dat niet wil doen zonder dat vast staat dat het BBL en de reclamant het eens zijn geworden over ruilovereenkomst. Inpassing van de Kleihoogt 2 is, zoals Ons uit de bestemmingsplankaart blijkt, geen optie. De boerderij moet daarin immers wijken voor de nieuwe bestemming ‘Water’. Ter plaatse is voorzien in de aanleg van de Berkelse Vaart. Gelet hierop kunnen eventuele inrichtingsvarianten geen rol spelen.

Partijen hebben over een en ander tot op heden geen minnelijke overeenstemming kunnen bereiken, noch heeft overleg over een schadeloosstelling in geld tot een oplossing geleid. Om die reden heeft het BBL om onteigening verzocht, ten einde DLG in staat te stellen tijdig met de uitvoering van het bestemmingsplan te kunnen beginnen. Deze handelwijze is naar Ons oordeel niet als onredelijk aan te merken.

Ten aanzien van de zienswijzen die betrekking hebben op het gevoerde minnelijk overleg verwijzen Wij naar hetgeen Wij in het algemeen over het te voeren minnelijk overleg hebben overwogen, naar de beoordeling van de zienswijzen van de reclamant onder 1).

In het bijzonder overwegen Wij dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat er onvoldoende en serieus overleg is gevoerd. In dat kader zijn op 24 november 2006, op 15 april 2008 en op 7 augustus 2009 schriftelijke biedingen gedaan. Deze biedingen zijn namens het BBL, in opdracht van DLG gedaan. De verwerver(s) die de onderhandelingen hebben gevoerd, hebben dat gedaan in opdracht van het BBL, mede handelend namens DLG. In de correspondentie vanwege het BBL is deze relatie ook verklaard.

Alles overziend geven de zienswijzen van de reclamant onder 5) Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing van gronden ter onteigening geheel of gedeeltelijk niet in te willigen.

De reclamanten onder 6) voeren aan, dat zij bereid zijn om in samenspraak met de provincie Zuid-Holland en DLG de bestemming op het te onteigenen perceelsgedeelte zelf te realiseren. Daarnaast merken zij op dat het inrichtingsplan nog niet definitief is, zodat onduidelijk is of er nu al onteigend moet worden. In dat verband voeren de reclamanten aan dat zij in een gesprek met DLG op 27 mei 2010 te horen kregen dat ter tegemoetkoming in het verschil dat partijen verdeeld houdt, er met ongeveer 300 vierkante meter minder zou kunnen worden volstaan.

Tenslotte voeren de reclamanten aan, dat met het BBL nooit is onderhandeld. Er zijn geen concrete aanbiedingen gedaan door het BBL.

De zienswijzen van de reclamanten onder 6) geven Ons, voor zover deze zien op zelfrealisatie, aanleiding tot de volgende overwegingen.

Allereerst merken Wij in het algemeen op, dat bij een voorgenomen onteigening moet worden aangetoond dat het doel waarvoor onteigend wordt niet op een andere manier te bereiken is. Van belang hierbij is dat wanneer een grondeigenaar aangeeft bereid en in staat te zijn om de aan zijn grond gegeven bestemming zelf te realiseren, onteigening in beginsel niet noodzakelijk is. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien de onteigenende partij een andere vorm van planuitvoering wenst dan de grondeigenaar. Onteigening is dan pas gerechtvaardigd indien de onteigenende partij aantoont dat in het publieke belang dringend behoefte bestaat aan de door hem gewenste vorm van planuitvoering. Welke vorm van planuitvoering in het publieke belang is staat in eerste instantie ter beoordeling van het bestuursorgaan dat het bestemmingsplan heeft vastgesteld. Of de grondeigenaar zelf tot planuitvoering in staat is hangt af van de door het bestuursorgaan gekozen vorm van planuitvoering. In verband daarmee moet de grondeigenaar zich op de hoogte kunnen stellen van die gewenste vorm. Over het algemeen kan deze worden gevonden in de toelichting op het bestemmingsplan of de bijbehorende voorschriften en/of de beschrijving in hoofdlijnen bij het bestemmingsplan of een inrichtingsplan of -schets. Andere mogelijke uitzonderingen kunnen zijn dat de grondeigenaar niet over voldoende aaneengesloten grond beschikt om de bestemming zelf op doelmatige wijze te kunnen realiseren of als de te onteigenen grond geen afzonderlijk deel van het te realiseren complex kan vormen. Wanneer er sprake is van een bestemmingsplan dat integraal moet worden uitgevoerd kan de grondeigenaar eveneens geen beroep op zelfrealisatie doen, indien hij daarvoor onvoldoende grond bezit.

In het bijzonder overwegen Wij als volgt. Het perceel van reclamanten is vanaf de zijde van de Meerweg tot een diepte van circa 175 meter bestemd voor wonen en bedrijven. Op dit perceelsgedeelte bevinden zich twee woningen en diverse bedrijfsgebouwen.

De bedrijfsgebouwen worden verhuurd aan derden. Het in het verlengde hiervan gelegen resterende gedeelte van het perceel is bestemd voor recreatieve doeleinden en natuur (RN), water en waterkering en waterstaatsdoeleinden. Dit resterende gedeelte is begrepen in het verzoek tot aanwijzing ter onteigening en is in gebruik als grasland. Gedeeltelijk op dit perceelsgedeelte en gedeeltelijk op het gedeelte met de bestemming bedrijven ligt een zogenaamde paardenbak voor privégebruik door de reclamanten.

Uit de overgelegde stukken en het onderzoek blijkt, dat in het door de reclamanten onder 6) aangehaalde gesprek van 27 mei 2010 door DLG/BBL is aangegeven dat verzoeker, ter tegemoetkoming in het minnelijk overleg, bereid zou zijn een strook van circa 300 m2 (50 x 6 m.) van het in de onteigening begrepen perceelsgedeelte dat grenst aan de bestemming bedrijven, buiten de aankoop te houden.

Dit perceelsgedeelte blijft echter wel bestemd voor recreatieve doeleinden en natuur en moet overeenkomstig de inrichtingsschets worden ingericht als bloemrijk grasland.

De reclamanten onder 6) hebben in hun zienswijzen aangegeven dat zij bereid en in staat zijn een en ander zelf te realiseren in overleg met de provincie Zuid-Holland en DLG/BBL. Nu DLG/BBL heeft aangeboden deze strook van 300 m2 buiten de aankoop te houden mits de bestemming wordt gerealiseerd overeenkomstig het bestemmingsplan en het inrichtingsplan, geeft verzoeker in feite aan, dat hij het niet strikt noodzakelijk acht om de op deze grond gelegen bestemming door middel van onteigening zelf te realiseren. De paardenbak kan worden verplaatst naar het oostelijk naastgelegen perceel met de bestemming weide.

Gezien het feit dat de als bloemrijk grasland in te richten strook in privégebruik blijft bij de reclamanten en gezien het feit dat de overige werkzaamheden slechts bestaan uit het verwijderen en op een naastgelegen perceel opnieuw aanleggen van de paardenbak, moet het er naar Ons oordeel voor worden gehouden dat de reclamanten onder 6) hiertoe zelf in staat zijn.

Wij overwegen dan ook dat de noodzaak tot onteigening van de desbetreffende strook van 300 m2 ontbreekt. Er bestaat derhalve voor Ons aanleiding om het verzoek tot aanwijzing van gronden ter onteigening in zoverre niet in te willigen.

Voor zover de zienswijzen van de reclamanten onder 6) zien op het minnelijk overleg verwijzen Wij in de eerste plaats naar hetgeen Wij in het algemeen over het te voeren minnelijk overleg hebben overwogen bij de beoordeling van de zienswijzen van de reclamant onder 1).

In het bijzonder overwegen Wij dat Ons uit de overgelegde stukken is gebleken dat op 22 mei 2007 de reclamanten een eerste aanbod is gedaan. Op 21 maart 2008, 11 juni 2008 en op 10 december 2009 zijn vervolgbiedingen gedaan. Gelet hierop zijn Wij van oordeel dat de reclamanten niet met vrucht staande kunnen houden dat met hen niet is onderhandeld. Ons blijkt niet dat er onvoldoende serieus minnelijk overleg is gevoerd. De verwerver(s) die de onderhandelingen hebben gevoerd, hebben dat gedaan in opdracht van het BBL, mede handelend namens DLG. In de correspondentie vanwege het BBL is deze relatie ook verklaard.

De zienswijzen van de reclamanten onder 6) geven Ons op dit onderdeel dan ook geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing van gronden ter onteigening geheel of gedeeltelijk niet in te willigen.

De reclamanten onder 7, 8 en 9) zijn allen beperkt zakelijk gerechtigd uit hoofde van de Belemmeringenwet privaatrecht. Zij zijn eigenaar/beheerder van ondergrondse transportleidingen voor water, onderscheidenlijk aardolieproducten. Deze leidingen zullen deels gehandhaafd blijven, doch deels ook moeten worden verlegd. De reclamanten geven allen aan, dat zij er zeker van willen zijn dat door de onteigening geen (opstal)rechten verloren zullen gaan en dat de ongestoorde exploitatie en beheer van hun leidingen gewaarborgd blijven.

Ten aanzien van de zienswijzen van deze drie reclamanten overwegen Wij als volgt.

Wij merken allereerst op, dat de reclamant onder 7) aangeeft een beperkt zakelijk recht te hebben op het perceel, kadastraal bekend gemeente Pijnacker, sectie B, no. 950. Uit de gegevens van het Kadaster blijkt zulks evenwel niet.

Uit de artikelen 4, tweede lid en artikel 59, derde lid, van de onteigeningswet, vloeit dwingend voort dat door onteigening alle op de onteigende zaak rustende lasten en rechten teniet gaan. Derhalve kan er geen sprake zijn van het kunnen voortbestaan van bestaande rechten na onteigening, anders dan door hervestiging van deze rechten.

In de tweede plaats is Ons uit de overgelegde stukken en uit het ingestelde onderzoek gebleken dat inmiddels met alle beperkt zakelijk gerechtigden door het BBL afspraken zijn gemaakt over de buisleidingenproblematiek. In een brief van 12 mei 2010 heeft het BBL het aanbod gedaan na onteigening de bestaande (opstal)rechten opnieuw te vestigen op kosten van het BBL. Eveneens heeft het BBL aangeboden dat waar leidingen moeten worden verlegd, de kosten daarvan en de kosten van het vestigen van een nieuw opstalrecht, voor zijn rekening te zullen nemen. Ook gedurende de periode tussen de (her)vestiging van rechten en de eigendomsovergang zal het BBL de rechten van de reclamanten respecteren als waren deze rechten nog geldend.

Door deze handelwijze van het BBL zijn de belangen van de reclamanten naar Ons oordeel voldoende in acht genomen en geven de zienswijzen van de reclamanten Ons dan ook geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing van gronden ter onteigening geheel of gedeeltelijk niet in te willigen.

De reclamant onder 10) refereert in zijn zienswijzen aan de ‘Uitwerking Masterplan Groenzone’ (provincie Zuid-Holland, september 2005). In de uitwerking Klapwijkse Knoop (overgang tussen de plandelen Bergboezem en Groenzone) wordt een parkachtig landschap voorgesteld met schooltuinen, volkstuinen, ligweiden enzovoorts. De reclamant lijkt het niet verstandig dit soort activiteiten te laten plaatsvinden in een kwetsbaar gebied als de Groenzone, dat ook deel uitmaakt van de ecologische hoofdstructuur. Hij wijst er op, dat in de omgeving (Delftse Hout, Dobbeplas, Balijebos enzovoorts) al diverse recreatie- en natuurgebieden aanwezig zijn. Voor recreanten is het ook aangenaam om te kunnen genieten van een polder die is ‘gemeubileerd’ met koeien, paarden, schapen en weidevogels. Deze visie van de reclamant wordt breed gedeeld door de lokale bewoners. Hij stelt dan ook voor het gebied in te richten als een agrarisch beheersgebied zoals in de Bieslandse Polder bij Delft.

Ten aanzien van de zienswijzen van de reclamant onder 10) overwegen Wij als volgt.

De reclamant bewoont aan de Groenekade 6 een vrijstaande woning. Deze woning, met een huisweide, is ingepast in het bestemmingsplan. Het in de onteigening begrepen perceelsgedeelte heeft hij nu in gebruik als grasland voor paarden en schapen. Op het perceelsgedeelte staan twee stallen en een berging en is voor de paarden een paardenbak aangelegd. Het huidige gebruik van het perceelsgedeelte is strijdig met de bestemming ‘Recreatieve doeleinden en natuur’ (RN). Blijkens de inrichtingsschets wordt ter plaatse voorzien in de ontwikkeling van bloemrijk grasland, nat bos en een sloot. Voor de door de reclamant gevreesde aanleg van recreatieve voorzieningen is in de inrichtingsschets ter plaatse geen ruimte gelaten. Overigens is de zienswijze van de reclamant van planologische aard en kan daarom in deze procedure op voet van de onteigeningswet verder niet ter beoordeling staan.

De zienswijzen van de reclamant onder 10) geven Ons dan ook geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing van gronden ter onteigening geheel of gedeeltelijk niet in te willigen.

De reclamante onder 11) heeft een eerste als zodanig aan te merken schriftelijke zienswijze naar voren gebracht op 24 juni 2010. In deze brief geeft de reclamante onder 10) aan, dat zij tot op dat moment geen persoonlijke kennisgeving als bedoeld in artikel 3:13 van de Awb heeft mogen ontvangen. Zij is nimmer op de hoogte gesteld van terinzagelegging van het ontwerpbesluit c.a. op de gemeentehuizen van Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp. Derhalve is zij niet in de gelegenheid gesteld om haar zienswijzen naar voren te brengen. Dit is voor de reclamante onder 11) aanleiding om Ons te verzoeken om niet over te gaan tot bekrachtiging van het ontwerpbesluit tot aanwijzing van gronden ter onteigening zoals begrepen in het onteigeningsplan Groenzone. In aanvulling daarop heeft de reclamante bij brief van 14 juli 2010 gereageerd op de brief van Onze Minister van 29 juni 2010, kenmerk BJZ018498, in welke brief Onze Minister aangeeft dat de persoonlijke kennisgeving op 22 april 2010 ter post is bezorgd. Omdat zulks niet uitsluit dat de reclamante de brief niet heeft ontvangen, wordt de reclamante alsnog in de gelegenheid gesteld inhoudelijk te reageren op het (voor)ontwerp besluit en worden haar het ontwerpbesluit en enkele daarop betrekking hebbende stukken toegezonden. Bij brief van 5 juli 2010, kenmerk BJZ 2010018498A wordt de perceelslijst nagezonden en een reactietermijn tot uiterlijk 10 augustus 2010 gegund. De reclamante volhardt in haar eerdere bezwaar tegen het niet toezenden van de persoonlijke kennisgeving en geeft aan zich het recht voor te behouden om inhoudelijk bezwaren tegen de onteigening naar voren te brengen.

Op 9 augustus heeft de reclamante onder 11) vervolgens als bezwaar tegen de onteigening naar voren gebracht dat – kortgezegd – niet het BBL maar de gemeente de aangewezen partij is om om de onteigening te verzoeken.

Ten aanzien van de zienswijzen van de reclamante onder 11) overwegen als volgt.

Uit de zich in het onteigeningsdossier bevindende stukken is Ons gebleken dat het niet onaannemelijk is dat Onze Minister met brief van 22 april 2010, kenmerk BJZ 2010010390, aan de belanghebbenden bij het ontwerpbesluit de persoonlijke kennisgeving als bedoeld in artikel 3:13 Awb heeft gedaan, althans deze brief ter post heeft bezorgd. Niettemin ontbreekt in het dossier afdoende bewijs van ter postbezorging. Vast staat dat de brief niet aangetekend is verzonden. Het risico van een mogelijk niet verzonden brief of niet bezorgde brief komt in dat geval voor rekening van Onze Minister. Nu niet met zekerheid vast is komen te staan dat de reclamante de brief heeft ontvangen, heeft zij de persoonlijke kennisgeving wellicht niet voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit ontvangen. Gelet op deze omstandigheden moet het er naar Ons oordeel voor worden gehouden dat Onze Minister in zoverre niet heeft voldaan aan de vereisten van de Awb. Doordat de reclamante onder 11) door Onze Minister achteraf alsnog in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen naar voren te brengen, van welke gelegenheid de reclamante ook daadwerkelijk binnen de daarvoor gegunde termijn gebruik heeft gemaakt, is zij door de eerdere handelwijze van Onze Minister evenwel niet in haar belangen geschaad. Er bestaat in zoverre voor Ons dan ook geen aanleiding om het verzoek van het BBL geheel of gedeeltelijk niet in te willigen.

Ten aanzien van de status van verzoeker merken Wij nog het volgende op. In Ons besluit van 29 augustus 2007, no.08.002471, Stcrt. 2008/188 (Zevenhuizen-Moerkapelle) wordt naar aanleiding van een gelijkluidende zienswijze overwogen dat: ‘Uit het ZBO-register blijkt dat het BBL wordt aangemerkt als een zelfstandig bestuursorgaan. Voor toepassing van de onteigeningswet kan het BBL dan ook naar Ons oordeel worden aangemerkt als een publiekrechtelijk lichaam, bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de onteigeningswet’. Mede gelet op de in de Wet agrarisch grondverkeer wettelijk vastgelegde taken van het BBL, welke blijkens artikel 29, eerste lid, van voornoemde wet, onder meer inhouden het verwerven, tijdelijk beheren of vervreemden van onroerende zaken, moet het er naar Ons oordeel dan ook voor worden gehouden dat het BBL op goede gronden een verzoek om aanwijzing van gronden ter onteigening aan Ons heeft voorgedragen. Ook in zoverre bestaat er voor Ons geen aanleiding om het verzoek van het BBL niet in te willigen.

Overige overwegingen

De planologische grondslag van het onteigeningsplan wordt gevormd door de bestemmingsplannen ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ van de gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp, welke plannen door de raden van de gemeenten Berkel en Rodenrijs en Pijnacker-Nootdorp zijn vastgesteld op 16 februari 2006, onderscheidenlijk 23 februari 2006. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (GS) hebben op 12 september 2006 beide plannen gedeeltelijk goedgekeurd. Op 12 december 2007 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de goedkeuringsbesluiten van GS voor wat het plandeel ‘Bergboezem’ betreft vernietigd. Op 17 februari 2009 hebben GS een revisiebesluit genomen, tegen welk besluit wederom beroep is ingesteld. Daarom zullen Wij aan Ons besluit voorwaarden verbinden die onder meer zien op het tijdstip van de dagvaarding.

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt dat de in de onteigening begrepen gronden bij de uitvoering van de bestemmingsplannen bezwaarlijk kunnen worden gemist. Met de werkzaamheden ter plaatse van de ter onteigening aan te wijzen gronden, zal zo spoedig mogelijk na de verwerving daarvan door het BBL, door DLG worden begonnen.

Het moet dan ook in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling van de gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp worden geacht, dat het BBL de eigendom van de overige ter onteigening voorgedragen gronden verkrijgt. Overigens is Ons niet gebleken van feiten en omstandigheden die aan de inwilliging van het verzoek in de weg kunnen staan.

Met inachtneming van hetgeen Wij hierboven onder ‘Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen’ hebben overwogen kunnen Wij het verzoek tot het nemen van een besluit krachtens artikel 78 van de onteigeningswet dan ook gedeeltelijk inwilligen.

Beslissing

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 21 september 2010, no. BJZ 2010025120, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken.

Gelet op Titel IV van de onteigeningswet en artikel 5.4 van de Crisis- en herstelwet.

Gelezen de brieven van de Dienst Landelijk Gebied van het departement van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, namens het Bureau Beheer Landbouwgronden, van 24 december 2009, kenmerk BBLZH/2009/58886 en van 4 maart 2010, kenmerk BBLZH/2010/10649.

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 13 oktober2010, no. W08.10.0447/IV).

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 3 november 2010, no. BJZ 2010028521, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken.

Wij hebben goedgevonden en verstaan:

  • 1) Ten behoeve van de uitvoering van de bestemmingsplannen ‘Groenzone Berkel-Pijnacker’ van de gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp ten name van het Bureau Beheer Landbouwgronden ter onteigening aan te wijzen de percelen en perceelsgedeelten, zoals aangegeven op de grondtekening en lijst, welke ingevolge artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet binnen de gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp ter inzage hebben gelegen en welke zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst. Zulks met uitzondering van het gedeelte van het perceel, kadastraal bekend gemeente Pijnacker, sectie B, no. 1463, en het gedeelte van het perceel, kadastraal bekend gemeente Berkel en Rodenrijs, sectie C, no. 3748, zoals aangegeven op de bij dit besluit behorende kaarten met lijst.

  • 2) Zulks te bepalen onder de voorwaarden dat door verzoeker niet tot dagvaarding als bedoeld in artikel 18 van de onteigeningswet zal worden overgegaan voordat vorengenoemde bestemmingsplannen onherroepelijk zullen zijn goedgekeurd met betrekking tot de daarin gelegen en in de onteigening begrepen gronden, en dat dit besluit vervalt voor zover aan de bestemming van vorenbedoelde gronden in beroep de goedkeuring zal worden onthouden.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit, dat door toezending aan verzoeker bekend zal worden gemaakt en dat zal worden geplaatst in de Staatscourant en ingevolge artikel 78, zevende lid, van de onteigeningswet, gedurende zes weken ter inzage zal worden gelegd in de gemeenten Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp.

’s-Gravenhage, 8 november 2010

Beatrix

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.

grondplannummer

kadastrale aanduiding

grootte volgens kadaster

in verzoek begrepen

toegewezen (circa)

afgewezen (circa)

  

ha

a

ca

ha

a

ca

ha

a

ca

ha

a

ca

11

Sectie B no. 1463 Pijnacker

00

48

10

00

44

80

00

23

65

00

21

15

              

229

Sectie C no. 3748 Berkel en Rodenrijs

01

23

93

00

60

72

00

57

72

00

03

00

XNoot
1

Vanaf de oostelijke perceelsgrens te rekenen tot de op de bestemmingsplankaart aangegeven oostelijke begrenzing van de geprojecteerde waterloop.

Behoort bij koninklijk besluit van 8 november 2010, no. 10.003058.

Grondplannr.

Te onteigenen

Van de Onroerende zaak bij het Kadaster bekend als

      

Groot (ha.are.ca)

Gemeente

Sectie

Nummer

Groot (ha.are.ca)

Ten name van

Woonpl./Zetel

Zakelijk gerechtigende

1

0 . 44 . 80

PIJNACKER

B

1463

0 . 48 . 10

CORNELIS PIETER BRUS

PIJNACKER

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van De Gemeente Pijnacker-Nootdorp

         

19

1 . 45 . 13

PIJNACKER

B

1416

1 . 85 . 70

MARGARETHA SOPHIA MARIA VAN LEEUWEN

PIJNACKER

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

20

1 . 43 . 43

PIJNACKER

B

1145

2 . 13 . 70

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik HAN AARNOUT HELB

AMSTERDAM

vruchtgebruik GROBOS B.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder

      

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik LEENDERT JEROEN HELB

BREDA

B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

      

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik WILLEM JAN HELB

AMSTERDAM

 
         

21

2 . 79 . 26

PIJNACKER

B

1781

2 . 79 . 26

1/2 eigendom ROTIJ VASTGOEDONTWIKKELING B.V.

RIJSSEN

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet

      

1/2 eigendom STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE LANDBOUW

DE MEERN

privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Nederlandse gasunie belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland

         

23

1 . 47 . 58

PIJNACKER

B

1146

2 . 17 . 30

DE HERVORMDE GEMEENTE TE PIJNACKER

PIJNACKER

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

24

0 . 16 . 80

PIJNACKER

B

1149

1 . 03 . 10

JOHANNES ADRIANUS MARIA VAN DER HELM

BLEISWIJK

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

28

0 . 46 . 63

PIJNACKER

B

1476

0 . 62 . 50

1/100 eigendom GEORGE GERARDUS DROPPERT

PIJNACKER

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder

      

99/400 eigendom WILLEM ADRIAAN DROPPERT

OOSTERLAND

B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van

      

99/400 eigendom GEORGETTE GEERTRUDY DROPPERT

PIJNACKER

N.V. Stedin Netten Delfland

      

99/400 eigendom CORA GERARDA DROPPERT

PIJNACKER

 
      

99/400 eigendom GEERTRUIDA CATHARINA DROPPERT

LEIDSCHENDAM

 
         

31

0 . 42 . 43

PIJNACKER

B

1165

0 . 85 . 10

1/100 eigendom GEORGE GERARDUS DROPPERT

PIJNACKER

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder

      

99/400 eigendom WILLEM ADRIAAN DROPPERT

OOSTERLAND

B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van

      

99/400 eigendom GEORGETTE GEERTRUDY DROPPERT

PIJNACKER

N.V. Stedin Netten Delfland

      

99/400 eigendom CORA GERARDA DROPPERT

PIJNACKER

 
      

99/400 eigendom GEERTRUIDA CATHARINA DROPPERT

LEIDSCHENDAM

 
         

32

1 . 86 . 30

PIJNACKER

B

1166

1 . 86 . 30

1/100 eigendom GEORGE GERARDUS DROPPERT

PIJNACKER

 
      

99/400 eigendom WILLEM ADRIAAN DROPPERT

OOSTERLAND

 
      

99/400 eigendom GEORGETTE GEERTRUDY DROPPERT

PIJNACKER

 
      

99/400 eigendom CORA GERARDA DROPPERT

PIJNACKER

 
      

99/400 eigendom GEERTRUIDA CATHARINA DROPPERT

LEIDSCHENDAM

 
         

35

3 . 67 . 42

PIJNACKER

B

5002

4 . 85 . 02

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

36

1 . 36 . 61

PIJNACKER

B

3269

1 . 37 . 40

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van het perceel ten name van N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland

         

37

1 . 46 . 76

PIJNACKER

B

5003

1 . 96 . 76

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

38

2 . 11 . 58

PIJNACKER

B

5004

3 . 00 . 50

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van De Gemeente Pijnacker-Nootdorp

         

39

1 . 44 . 30

PIJNACKER

B

1064

1 . 44 . 30

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

 
         

40

0 . 79 . 40

PIJNACKER

B

1124

0 . 79 . 40

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland

         

42

1 . 41 . 55

PIJNACKER

B

5007

1 . 81 . 50

AM GRONDBEDRIJF B.V.

NIEUWEGEIN

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van De Gemeente Pijnacker-Nootdorp

         

43

1 . 52 . 60

PIJNACKER

B

1065

1 . 52 . 60

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

 
         

44

0 . 02 . 50

PIJNACKER

B

1119

0 . 05 . 10

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

 
         

45

0 . 26 . 79

PIJNACKER

B

5733

0 . 81 . 30

ANTON DIJKSHOORN

PIJNACKER

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

46

1 . 42 . 50

PIJNACKER

B

1066

1 . 42 . 50

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

 
         

47

0 . 30 . 30

PIJNACKER

B

1123

0 . 30 . 30

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland

         

48

1 . 48 . 70

PIJNACKER

B

1067

1 . 48 . 70

AM GRONDBEDRIJF B.V.

NIEUWEGEIN

 
         

49

0 . 45 . 36

PIJNACKER

B

5735

1 . 71 . 90

ANTON DIJKSHOORN

PIJNACKER

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

50

1 . 00 . 00

PIJNACKER

B

5734

1 . 00 . 00

1/2 eigendom ROTIJ VASTGOEDONTWIKKELING B.V.

RIJSSEN

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet

      

1/2 eigendom STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE LANDBOUW

DE MEERN

privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

51

1 . 49 . 80

PIJNACKER

B

1070

1 . 49 . 80

AM GRONDBEDRIJF B.V.

NIEUWEGEIN

 
         

52

0 . 19 . 85

PIJNACKER

B

3275

0 . 19 . 85

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

 
         

53

2 . 15 . 40

PIJNACKER

B

1122

2 . 15 . 40

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van het perceel ten name van N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland

         

54

0 . 47 . 32

PIJNACKER

B

1077

1 . 11 . 60

1/2 eigendom STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE LANDBOUW

ZOETERMEER

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet

      

1/2 eigendom ROTIJ VASTGOEDONTWIKKELING B.V.

RIJSSEN

privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

55

0 . 09 . 40

PIJNACKER

B

1121

0 . 09 . 40

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

 
         

56

1 . 07 . 20

PIJNACKER

B

1081

1 . 07 . 20

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik HAN AARNOUT HELB

AMSTERDAM

vruchtgebruik GROBOS B.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder

      

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik LEENDERT JEROEN HELB

BREDA

B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

      

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik WILLEM JAN HELB

AMSTERDAM

 
         

57

2 . 09 . 20

PIJNACKER

B

1071

2 . 09 . 20

1/2 eigendom ROTIJ VASTGOEDONTWIKKELING B.V.

RIJSSEN

 
      

1/2 eigendom STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE LANDBOUW

DE MEERN

 
         

58

1 . 85 . 50

PIJNACKER

B

1074

1 . 85 . 50

1/2 eigendom ROTIJ VASTGOEDONTWIKKELING B.V.

RIJSSEN

 
      

1/2 eigendom STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE LANDBOUW

DE MEERN

 
         

59

1 . 00 . 60

PIJNACKER

B

1082

1 . 00 . 60

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik HAN AARNOUT HELB

AMSTERDAM

vruchtgebruik GROBOS B.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder

      

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik LEENDERT JEROEN HELB

BREDA

B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

      

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik WILLEM JAN HELB

AMSTERDAM

 
         

60

1 . 78 . 40

PIJNACKER

B

1075

1 . 78 . 40

1/2 eigendom ROTIJ VASTGOEDONTWIKKELING B.V.

RIJSSEN

 
      

1/2 eigendom STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE LANDBOUW

DE MEERN

 
         

62

1 . 23 . 30

PIJNACKER

B

1078

1 . 23 . 30

JACOB ZEGWAARD

PIJNACKER

 
         

63

0 . 17 . 29

PIJNACKER

B

3276

0 . 31 . 95

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Nederlandse gasunie

         

64

0 . 34 . 80

PIJNACKER

B

5009

0 . 89 . 30

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

66

1 . 73 . 70

PIJNACKER

B

1080

1 . 73 . 70

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik HAN AARNOUT HELB

AMSTERDAM

 
      

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik LEENDERT JEROEN HELB

BREDA

 
      

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik WILLEM JAN HELB

AMSTERDAM

 
         

68

0 . 52 . 20

PIJNACKER

B

1079

0 . 52 . 20

1/2 eigendom ROTIJ VASTGOEDONTWIKKELING B.V.

RIJSSEN

 
      

1/2 eigendom STICHTING BEDRIJFSPENSIOENFONDS VOOR DE LANDBOUW

DE MEERN

 
         

69

1 . 68 . 10

PIJNACKER

B

1083

1 . 68 . 10

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik HAN AARNOUT HELB

AMSTERDAM

 
      

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik LEENDERT JEROEN HELB

BREDA

 
      

1/3 eigendom belast met vruchtgebruik WILLEM JAN HELB

AMSTERDAM

 
         

70

0 . 36 . 38

PIJNACKER

B

3278

3 . 01 . 10

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland

         

72

1 . 72 . 60

PIJNACKER

B

1084

1 . 72 . 60

AMVEST WONINGEN-NOVA PROJECTONTWIKKELING B.V.

AMSTERDAM ZUIDOOST

 
         

76

1 . 17 . 37

BERKEL EN RODENRIJS

C

3452

1 . 27 . 40

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Energie Delfland N.V.

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen ten name van N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op een gedeelte van perceel ten name van N.V. Eneco Beheer

         

80

0 . 42 . 21

BERKEL EN RODENRIJS

C

3455

0 . 43 . 00

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Energie Delfland N.V.

         

83

0 . 38 . 24

BERKEL EN RODENRIJS

C

1460

0 . 53 . 50

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

85

0 . 27 . 69

BERKEL EN RODENRIJS

C

28 ged.

1 . 15 . 75

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Energie Delfland N.V.

         

86

0 . 56 . 00

BERKEL EN RODENRIJS

C

2746

0 . 99 . 75

JACOBUS LEONARDUS MARIA SCHINKEL

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Gemeente Lansingerland

         

88

0 . 11 . 50

BERKEL EN RODENRIJS

C

3459

0 . 11 . 50

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

89

0 . 44 . 82

BERKEL EN RODENRIJS

C

35 ged.

0 . 90 . 60

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Energie Delfland N.V.

         

91

0 . 44 . 11

BERKEL EN RODENRIJS

C

40 ged.

0 . 98 . 25

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Energie Delfland N.V.

         

92

0 . 63 . 01

BERKEL EN RODENRIJS

C

1467 ged.

1 . 17 . 20

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

94

2 . 99 . 69

BERKEL EN RODENRIJS

C

3672 ged.

7 . 03 . 19

ADRIANUS MARIA RUIGROK

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

         

103

0 . 02 . 85

BERKEL EN RODENRIJS

C

3612

0 . 02 . 85

HOOGHEEMRAADSCHAP VAN DELFLAND

DELFT

 
         

105

1 . 53 . 08

BERKEL EN RODENRIJS

C

3615

3 . 63 . 30

HOOGHEEMRAADSCHAP VAN DELFLAND

DELFT

 
         

107

0 . 86 . 30

BERKEL EN RODENRIJS

C

4465 ged.

onbekend

JOANNES JACOBUS VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Gemeente Lansingerland

         

109

0 . 26 . 63

BERKEL EN RODENRIJS

C

4464 ged.

onbekend

JOANNES JACOBUS VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op een gedeelte van perceel ten name van N.V Eneco Beheer

         

111

0 . 16 . 18

BERKEL EN RODENRIJS

C

3454 ged.

0 . 87 . 10

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

         

112

0 . 98 . 38

BERKEL EN RODENRIJS

C

6 ged.

1 . 73 . 90

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

         

113

0 . 80 . 02

BERKEL EN RODENRIJS

C

28 ged.

1 . 15 . 75

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Energie Delfland N.V.

         

114

0 . 44 . 28

BERKEL EN RODENRIJS

C

35 ged.

0 . 90 . 60

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Energie Delfland N.V.

         

115

0 . 52 . 92

BERKEL EN RODENRIJS

C

40 ged.

0 . 98 . 25

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse gasunie

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Energie Delfland N.V.

         

116

0 . 51 . 50

BERKEL EN RODENRIJS

C

1467 ged.

1 . 17 . 20

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

117

0 . 51 . 98

BERKEL EN RODENRIJS

C

34 ged.

0 . 99 . 40

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

118

3 . 14 . 39

BERKEL EN RODENRIJS

C

3672 ged.

7 . 03 . 19

ADRIANUS MARIA RUIGROK

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

         

119

0 . 66 . 51

BERKEL EN RODENRIJS

C

3370

4 . 96 . 60

ANTONIUS JOHANNES MARIA VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

121

1 . 22 . 47

BERKEL EN RODENRIJS

C

2834 ged.

1 . 90 . 59

WILHELMINA JACOBA PAAUWE

VINKEVEEN

 
         

122

0 . 64 . 91

BERKEL EN RODENRIJS

C

5070

0 . 89 . 90

JOANNES JACOBUS VAN ZOELEN

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op gedeelte van het perceel ten name van Gemeente Lansingerland

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op gedeelte van het perceel ten name van Gemeente Lansingerland

         

123

0 . 81 . 27

BERKEL EN RODENRIJS

C

2916 ged.

1 . 11 . 95

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

 
         

124

1 . 43 . 91

BERKEL EN RODENRIJS

C

3645

1 . 97 . 97

ANITA HUIGE

WESTMAAS

 
         

125

1 . 27 . 66

BERKEL EN RODENRIJS

C

3647

1 . 63 . 95

ANITA HUIGE

WESTMAAS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Gemeente Lansingerland

         

135

0 . 19 . 38

BERKEL EN RODENRIJS

C

2620

0 . 23 . 73

BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN

UTRECHT

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder

      

WILLEBRORDUS JOZEF ANTONIUS VOLLEBREGT

BERKEL EN RODENRIJS

B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op gedeelte van het perceel ten name van Gemeente Lansingerland

         

138

0 . 36 . 85

BERKEL EN RODENRIJS

C

3150

0 . 49 . 30

onbekend aandeel in 2621/4771 eigendom HENDRICUS JOZEF GREEVE

BERKEL EN RODENRIJS

 
      

onbekend aandeel in 2621/4771 eigendom BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN

UTRECHT

 
      

onbekend aandeel in 2621/4771 eigendom BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN

UTRECHT

 
      

50/367 eigendom BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN

UTRECHT

 
      

1500/4771 eigendom JOHANNES VAN VELZEN

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

142

0 . 03 . 63

BERKEL EN RODENRIJS

C

3401

0 . 06 . 90

CORNELIS HUGO MARIA VAN IJPEREN

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

143

2 . 04 . 54

BERKEL EN RODENRIJS

C

2949

2 . 72 . 51

eigendom belast met gebruik en bewoning CORNELIA APOLONIA MARIA OVERMEER

BERKEL EN RODENRIJS

 
      

onbekend aandeel gebruik en bewoning APOLONIA CATHARINA MARIA OVERMEER

SAPPERMEER

 
      

onbekend aandeel gebruik en bewoning PETRUS FRANCISCUS OVERMEER

BERKEL EN RODENRIJS

 
      

onbekend aandeel gebruik en bewoning THEODORUS JOHANNES MARIA OVERMEER

BERKEL EN RODENRIJS

 
      

onbekend aandeel gebruik en bewoning ANNA CORNELIA VAN WIJK

  
         

145

0 . 11 . 30

BERKEL EN RODENRIJS

C

3638

0 . 11 . 30

CORNELIS HUGO MARIA VAN IJPEREN

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

147

0 . 51 . 98

BERKEL EN RODENRIJS

C

2211

0 . 72 . 70

eigendom belast met gebruik en bewoning CORNELIA APOLONIA MARIA OVERMEER

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte

      

onbekend aandeel gebruik en bewoning APOLONIA CATHARINA MARIA OVERMEER

SAPPERMEER

van het perceel ten name van Gemeente Lansingerland

      

onbekend aandeel gebruik en bewoning PETRUS FRANCISCUS OVERMEER

BERKEL EN RODENRIJS

 
      

onbekend aandeel gebruik en bewoning THEODORUS JOHANNES MARIA OVERMEER

BERKEL EN RODENRIJS

 
      

onbekend aandeel gebruik en bewoning ANNA CORNELIA VAN WIJK

  
         

154

1 . 09 . 30

BERKEL EN RODENRIJS

C

1956

1 . 09 . 30

CORNELIA APOLONIA MARIA OVERMEER

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

184

1 . 91 . 40

BERKEL EN RODENRIJS

C

1990

1 . 91 . 40

BUREAU BEHEER LANDBOUWGRONDEN

UTRECHT

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

         

188

0 . 38 . 40

BERKEL EN RODENRIJS

C

3162

0 . 38 . 40

GERRIT VAN VLIET

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

198

1 . 07 . 65

BERKEL EN RODENRIJS

C

3239

1 . 41 . 90

JACOBUS ARNOLDUS IGNATIUS MARIA VAN DER BURG

WARFFUM

 
         

199

0 . 90 . 80

BERKEL EN RODENRIJS

C

440

0 . 90 . 80

JACOBUS ARNOLDUS IGNATIUS MARIA VAN DER BURG

WARFFUM

 
         

202

1 . 09 . 80

BERKEL EN RODENRIJS

C

437

1 . 09 . 80

JACOBUS ARNOLDUS IGNATIUS MARIA VAN DER BURG

WARFFUM

 
         

207

0 . 10 . 30

BERKEL EN RODENRIJS

C

1229

0 . 10 . 30

JACOBUS ARNOLDUS IGNATIUS MARIA VAN DER BURG

WARFFUM

 
         

212

0 . 26 . 50

BERKEL EN RODENRIJS

C

3333

1 . 60 . 75

GERARDUS THEODORUS MARIA DE KONING

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

214

0 . 62 . 55

BERKEL EN RODENRIJS

C

3270

0 . 62 . 55

ANITA MARIA DE KORTE

LEIDSCHENDAM

 
         

222

1 . 80 . 55

BERKEL EN RODENRIJS

C

3269

1 . 80 . 55

CORNELIS ANTHONIUS DE KORTE

LEIDSCHENDAM

 
         

229

0 . 60 . 72

BERKEL EN RODENRIJS

C

3748

1 . 23 . 93

1/4 eigendom JOHANNES GERARDUS MARIA HULST

1/4 eigendom ANTOINETTE MARIA RUIGROK

1/2 eigendom LAURENTIUS WILHELMUS JOZEF HULST

BERKEL EN RODENRIJS

BERKEL EN RODENRIJS

BERKEL EN RODENRIJS

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse Pijpleiding Maatschappij

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland

         

231

2 . 00 . 86

BERKEL EN RODENRIJS

C

4274

2 . 00 . 86

1/3 eigendom ADRIANUS HENRICUS HUBERTUS VAN DER BURG

BERKEL EN RODENRIJS

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op een gedeelte van het perceel ten

      

1/3 eigendom HENRICUS ADRIANUS VAN DER BURG

BERKEL EN RODENRIJS

name van N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland

      

1/3 eigendom ANNA MARIA MARGARETHA VAN DER BURG

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

234

1 . 30 . 50

BERKEL EN RODENRIJS

C

3551

1 . 30 . 50

1/3 eigendom ADRIANUS HENRICUS HUBERTUS VAN DER BURG

BERKEL EN RODENRIJS

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen ten name van N.V. Nederlandse

      

1/3 eigendom HENRICUS ADRIANUS VAN DER BURG

BERKEL EN RODENRIJS

Pijpleiding Maatschappij

      

1/3 eigendom ANNA MARIA MARGARETHA VAN DER BURG

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

235

1 . 96 . 50

BERKEL EN RODENRIJS

C

3179

2 . 40 . 50

NICOLAAS CHRISTIAAN TREURNIET

BERKEL EN RODENRIJS

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen ten name van N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen ten name van N.V. Nederlandse Pijpleiding Maatschappij

         

241

0 . 58 . 79

BERKEL EN RODENRIJS

C

1544

1 . 15 . 00

ADRIANUS PETRUS LEONARDUS TAS

BERKEL EN RODENRIJS

 
         

244

0 . 55 . 12

PIJNACKER

B

475 ged.

onbekend

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

 
         

246

0 . 61 . 16

BERKEL EN RODENRIJS

C

1545

1 . 15 . 00

ADRIANUS PETRUS LEONARDUS TAS

BERKEL EN RODENRIJS

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen ten name van B.V. Nederlandse Pijpleiding Maatschappij

         

257

1 . 76 . 66

BERKEL EN RODENRIJS

C

3512

2 . 40 . 95

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van De Staat (Defensie)

         

266

1 . 00 . 62

PIJNACKER

B

5198 ged.

onbekend

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

 
         

272

0 . 64 . 94

BERKEL EN RODENRIJS

C

2992

1 . 04 . 58

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Gemeente Lansingerland

         

273

0 . 02 . 72

PIJNACKER

B

3308

0 . 91 . 47

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van De Staat (Defensie)

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse Pijpleidingmaatschappij

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

274

0 . 00 . 92

PIJNACKER

B

950

0 . 02 . 60

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse Pijpleidingmaatschappij

         

275

0 . 60 . 65

BERKEL EN RODENRIJS

C

3703

3 . 15 . 50

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van De Staat (Defensie)

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Nederlandse Pijpleidingmaatschappij

         

276

0 . 00 . 84

BERKEL EN RODENRIJS

C

3432

0 . 69 . 87

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Energie Delfland N.V.

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Gemeente Lansingerland

         

278

0 . 02 . 01

PIJNACKER

C

6496

0 . 89 . 38

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

 
         

283

0 . 00 . 60

PIJNACKER

C

9274

0 . 15 . 57

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

 
         

287

0 . 13 . 15

PIJNACKER

C

6590

0 . 53 . 67

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland

         

289

0 . 00 . 16

PIJNACKER

C

9271

0 . 06 . 11

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

 
         

291

0 . 01 . 73

PIJNACKER

C

9272

0 . 15 . 26

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

 
         

292

0 . 00 . 28

PIJNACKER

C

9272

0 . 15 . 26

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

 
         

293

0 . 00 . 13

PIJNACKER

C

9269

0 . 70 . 82

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

 
         

295

0 . 01 . 53

PIJNACKER

C

9269

0 . 70 . 82

PROVINCIE ZUID-HOLLAND

’S-GRAVENHAGE

 
         

301

0 . 96 . 78

PIJNACKER

C

420

1 . 35 . 00

GERRIT VELDHUISEN

PIJNACKER

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

belast met opstalrecht op een gedeelte van het perceel ten name van Hoogheemraadschap van Delfland

         

303

1 . 33 . 60

PIJNACKER

C

421

1 . 33 . 60

ABRAHAM VREUGDENHIL

PIJNACKER

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

304

1 . 28 . 00

PIJNACKER

C

1455

1 . 28 . 00

ABRAHAM VREUGDENHIL

PIJNACKER

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van N.V. Stedin Netten Delfland

         

305

0 . 07 . 70

PIJNACKER

C

1456

0 . 07 . 70

ABRAHAM VREUGDENHIL

PIJNACKER

 
         

306

1 . 30 . 69

PIJNACKER

C

425

1 . 30 . 90

ABRAHAM VREUGDENHIL

PIJNACKER

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op een gedeelte van het perceel ten name van Hoogheemraadschap van Delfland

         

309

1 . 14 . 50

PIJNACKER

C

424

1 . 14 . 50

ABRAHAM VREUGDENHIL

PIJNACKER

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op een gedeelte van het perceel ten name van Hoogheemraadschap van Delfland

         

311

1 . 18 . 70

PIJNACKER

C

423

1 . 18 . 70

ABRAHAM VREUGDENHIL

PIJNACKER

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op een gedeelte van het perceel ten name van Hoogheemraadschap van Delfland

         

313

0 . 89 . 20

PIJNACKER

C

4576

0 . 94 . 40

ABRAHAM VREUGDENHIL

PIJNACKER

belast met zakelijk recht als bedoeld in art.5,lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht ten name van De Gemeente Pijnacker-Nootdorp

belast met opstalrecht nutsvoorzieningen op een gedeelte van het perceel ten name van N.V. Duinwaterbedrijf Zuid-Holland