Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Dienst Justitiële InrichtingenStaatscourant 2010, 17956Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 16 november 2010, nr. 5646231/10/DJI, houdende wijziging van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden, in verband met de harmonisatie van procedures met verplichte consultatie van het Openbaar Ministerie

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op artikel 13, derde lid, en artikel 15, zesde lid van de Penitentiaire beginselenwet;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onder c, wordt de zinsnede ‘schriftelijke instemming’ vervangen door: schriftelijk advies.

2. In het zevende lid, eerste volzin, wordt de zinsnede ‘met instemming van de selectiefunctionaris en het Openbaar Ministerie,’ vervangen door: na advies van het Openbaar Ministerie, met instemming van de selectiefunctionaris,.

B

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘instemming’ vervangen door: advies.

2. In het vijfde lid, eerste volzin, wordt de zinsnede ‘met instemming van de selectiefunctionaris en het Openbaar Ministerie,’ vervangen door: na advies van het Openbaar Ministerie, met instemming van de selectiefunctionaris,.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven.

TOELICHTING

Deze regeling strekt tot wijziging van de artikelen 30 en 31 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden in verband met de harmonisatie van procedures met verplichte consultatie van het Openbaar Ministerie. De aangepaste formulering brengt deze artikelen in lijn met de andere artikelen van de Penitentiaire beginselenwet en uitvoeringsregelingen waarin de consultatie van het Openbaar Ministerie is voorgeschreven.

De uniforme formulering beoogt met name een verduidelijking en daarmee eenduidige toepassing van de procedures tot plaatsing in instellingen waar forensische zorg wordt verleend, in het kader van het Programma Vernieuwing Forensische Zorg.

Daar waar voorheen in de artikelen 30 en 31 de ‘instemming’ van het Openbaar Ministerie werd voorgeschreven voor de overbrenging, zijn deze artikelen nu zo geformuleerd dat het Openbaar Ministerie in de daar bedoelde gevallen om ‘advies’ wordt gevraagd, net als in artikel 25, tweede lid, in geval van overplaatsing naar een minder beveiligde inrichting met regimesgebonden verlof. Het feit dat in het ene geval de ‘instemming’ van het Openbaar Ministerie moest worden gevraagd en in het andere geval het ‘advies’, zorgde in de praktijk voor onduidelijkheid. De term ‘advies’ is meer in overeenstemming met de adviserende rol die het Openbaar Ministerie heeft bij de uiteindelijke plaatsingsbeslissing van de administratie. De term ‘advies’ wordt ook gebruikt in de definitie van het begrip ‘executie-indicator’ in artikel 1, onder c, van de Penitentiaire maatregel, en in artikel 7, tweede lid, van de Penitentiaire maatregel, inzake de consultatie van het Openbaar Ministerie over de deelname aan een penitentiair programma. Dat het advies zwaarwegend is, waarvan inhoudelijk niet zonder meer kan worden afgeweken, volgt uit het bepaalde in artikel 15, vierde lid, van de Penitentiaire beginselenwet, waarin staat dat de selectiefunctionaris bij zijn beslissingen de aanwijzingen van het Openbaar Ministerie, en van de autoriteiten die de straf of maatregel hebben opgelegd, ten aanzien van de wenselijk geachte tenuitvoerlegging in aanmerking moet nemen. Voor een nadere toelichting op de betrokkenheid van het Openbaar Ministerie bij de selectieprocedure in het algemeen wordt op deze plaats verwezen naar onderdeel 10b van de memorie van toelichting bij het oorspronkelijke wetsvoorstel1. Voor een nadere toelichting op de rol van het Openbaar Ministerie bij de plaatsingen buiten het gevangeniswezen, bedoeld in deze regeling, wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 30 en 31 van de oorspronkelijke regeling2.

Wanneer de voorgenomen beslissing betrekking heeft op een voorlopig gehechte, wordt het advies gevraagd aan de officier van Justitie van het bevoegde arrondissementsparket, dan wel, indien sprake is van een veroordeling waartegen hoger beroep of cassatie is aangewend, aan de advocaat-generaal van het ressortsparket; in geval van een executie-indicator wordt het advies gevraagd aan de officier van Justitie die de executie-indicator heeft afgegeven. Daaraan kan worden toegevoegd dat ook buiten de in artikel 30 en 31 bedoelde gevallen waarin consultatie van het Openbaar Ministerie verplicht is, desgewenst advies kan worden gevraagd met het oog op de inschatting van de penitentiaire aanvaardbaarheid van de overbrenging. De tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt immers voortgezet na de overbrenging van de gedetineerde, terwijl de directeur van de penitentiaire inrichting waar de gedetineerde staat ingeschreven verantwoordelijk blijft voor die tenuitvoerlegging, evenals voor het melden van diens eventuele ongeoorloofde afwezigheid conform de daarvoor geldende regeling.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

F. Teeven.


XNoot
1

Kamerstukken II 2003/04, 29 519, nr. 3.