Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2010, 17575Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 3 november 2010, nr. G&VW/VW/2010/20388, houdende wijziging van de Warenwetregeling drukapparatuur en de Arbeidsomstandighedenregeling

De Staatssecretaris Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 12b, 12c, 12d en 14a van het Warenwetbesluit druk-apparatuur en de artikelen 1.5a, tweede lid, en 4.9, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit;

Besluit:

ARTIKEL I

De Warenwetregeling drukapparatuur wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt ‘CPR-richtlijn 11-2, getiteld ‘Propaan (5 m³); De opslag van propaan en butaan in stationaire bovengrondse reservoirs met een inhoud groter dan 0,15 m³ en ten hoogste 5 m³ eerste druk 1986’ vervangen door: ‘PGS-richtlijn 19, versie: 1.16 210508, getiteld: Opslag van propaan’.

2. Onderdeel l vervalt.

3. Onderdeel m wordt verletterd tot onderdeel l.

B

Artikel 3, derde lid, vervalt.

C

In artikel 5, onderdeel k, vervalt ‘of de dienst’.

D

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Termijn van periodieke herkeuring

2. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De vaste termijn voor drukapparatuur als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is:

    • a. 2 jaar voor brandstofgestookte of anderszins verwarmde drukapparatuur, waarbij gevaar voor oververhitting bestaat, ingedeeld in tabel 1 tot en met 9 van bijlage II bij de richtlijn;

    • b. 4 jaar voor drukvaten, ingedeeld in tabel 1 tot en met 4 van bijlage II bij de richtlijn, met uitzondering van drukapparatuur als bedoeld in onderdeel a;

    • c. 4 jaar voor installatieleidingen, ingedeeld in tabel 6 tot en met 9 van bijlage II bij de richtlijn, met uitzondering van drukapparatuur als bedoeld in onderdeel a;

    • d. in afwijking van onderdeel a: 4 jaar voor brandstofgestookte of anderszins verwarmde drukapparatuur, ingedeeld in tabel 1 tot en met 9 van bijlage II bij de richtlijn, indien op basis van een risicoanalyse is aangetoond dat er geen onaanvaardbaar risico voor de veiligheid of gezondheid van personen of het milieu bestaat;

    • e. indien er voor drukapparatuur als bedoeld in onderdeel b, c of d, geen onaanvaardbaar risico bestaat voor de veiligheid of gezondheid van personen of het milieu, wordt een vervolgtermijn van 6 jaar vastgesteld;

    • f. 5 jaar voor flessen voor ademhalingstoestellen.

3. In het tweede, derde en vijfde lid wordt ‘herkeurtermijn’ vervangen door: termijn.

4. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, c of d, kan de aangewezen keuringsinstelling of aangewezen keuringsdienst van gebruikers, indien er geen onaanvaardbaar risico bestaat voor de veiligheid of gezondheid van personen of het milieu, een eerste termijn van 6 jaar vaststellen.

E

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanduidingen ‘a’, ‘b’, ‘c’ en ‘d’ worden vervangen door: 1, 2, 3 respectievelijk 4.

2. In het tweede lid, wordt ‘herkeurtermijn’ vervangen door: termijn.

3. In het derde en vierde lid wordt ‘onderdeel a’ telkens vervangen door: het eerste lid.

F

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘onderdeel d’ vervangen door ‘onderdeel f’ en wordt ‘herkeurtermijn’ vervangen door: termijn.

2. In het derde lid wordt ‘herkeurtermijn’ telkens vervangen door: termijn.

3. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Termijnverlenging wordt uitsluitend verleend voor het onderzoek, bedoeld in artikel 12c, zesde lid, onderdeel a, van het besluit.

4. Het zesde lid komt te luiden:

  • 6. De termijnverlenging kan door een aangewezen keuringsinstelling worden verleend onder de voorwaarde dat de gebruiker een keuringsdienst van gebruikers of een inspectieafdeling van de gebruiker heeft.

5. Het achtste lid vervalt.

6. Het negende lid wordt vernummerd tot achtste lid.

7. Het achtste lid (nieuw), eerste volzin, komt te luiden:

  • 8. Het uitwendig onderzoek wordt uitgevoerd door een keuringsdienst van gebruikers of een inspectieafdeling van de gebruiker, die daartoe rapport uitbrengt aan de gebruiker.

8. Het tiende lid vervalt.

9. Het elfde, twaalfde en dertiende lid worden vernummerd tot negende, tiende en elfde lid.

10. In het tiende lid (nieuw) wordt ‘periode’ vervangen door: termijn.

G

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede en derde lid wordt ‘herkeurtermijn’ telkens vervangen door: termijn.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Termijnflexibilisering wordt uitsluitend verleend voor het onderzoek, bedoeld in artikel 12c, zesde lid, onderdeel a, van het besluit.

3. Het vijfde lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. een gecertificeerd kwaliteitsmanagementsysteem hanteert voor de overige afdelingen van de gebruiker, die invloed hebben op de kwaliteit van de werkzaamheden in het kader van termijnflexibilisering;.

4. Aan het slot van het vijfde lid, onderdeel e, wordt de punt vervangen door een puntkomma.

5. In het vijfde lid wordt na onderdeel e een onderdeel ingevoegd luidende:

  • f. een keuringsdienst van gebruikers of een inspectieafdeling van de gebruiker heeft.

6. Na het negende lid wordt een lid toegevoegd luidende:

  • 10. In afwijking van het eerste lid kan voor afblazende, mechanische veiligheidsappendages termijnflexibilisering worden verleend met een maximum termijn van 10 jaar.

H

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Overschrijding termijn van periodieke herkeuring

2. ‘herkeurtermijn’ wordt vervangen door: termijn.

I

Het opschrift van artikel 11 komt te luiden:

Verkorting termijn van periodieke herkeuring

J

Na artikel 15 wordt een artikel toegevoegd luidende:

Artikel 15a Inspectieafdeling van de gebruiker

  • 1. De inspectieafdeling van de gebruiker beschikt over een overeenkomst met een aangewezen keuringsinstelling voor de beoordeling van het gecertificeerde kwaliteitsmanagementsysteem en de uitoefening van het toezicht door deze instelling, bedoeld in het vierde en vijfde lid, van artikel 22e van het besluit.

  • 2. De inspectieafdeling van de gebruiker beschikt over voldoende vaste personeelsleden, met voldoende vakbekwaamheid voor het uitoefenen van haar taken.

ARTIKEL II

De Arbeidsomstandighedenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4.16 wordt ‘versie 1 van de Regeling SPR ref.nr. SKO/03036/S van de Stichting voor de Certificatie van Vakbekwaamheid SKO, vastgesteld per 19 november 2003’ vervangen door: de ‘regeling SPR ref. nr. REG/SPR/20/001 van de Stichting voor certificatie van vakbekwaamheid Hobéon SKO, vastgesteld per 3 juni 2010’.

B

Artikel 4.17d met opschrift vervalt.

C

In artikel 8.29c wordt ‘4.11, 4.12 en 4.17d’’ vervangen door: 4.11 en 4.12.

D

Bijlage XI vervalt.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2011, met dien verstande dat artikel II, onderdelen B en C, in werking treden met ingang van 1 juli 2011.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

P. de Krom.

TOELICHTING

I. Algemeen

In de afgelopen 11 jaar is de regelgeving voor drukapparatuur in 3 fasen geheel vernieuwd.

De eerste fase bestond uit de implementatie van de richtlijn nr. 97/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 mei 1997 (PbEG L 1997, 181) inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffen-de drukapparatuur (richtlijn drukapparatuur) en trad in 1999 in werking. In deze richtlijn zijn de eisen geformuleerd voor de nieuwbouw van drukapparatuur.

De tweede fase betrof het in lijn brengen van het bestaande nationale regime voor de keuring voor ingebruikneming van drukapparatuur met de regelgeving voor nieuwbouw en is in 2002 in werking getreden.

De derde fase betrof het in lijn brengen van het bestaande nationale regime voor de herkeuring, reparatie, wijziging en intredekeuring met de regimes uit fase 1.

Daarnaast is in deze fase de samenbouw en de beveiliging van drukapparatuur (een druksysteem genaamd) onder verantwoordelijkheid van de gebruiker op diens bedrijfsterrein ingevoerd. Deze fase is in 2005 in werking getreden.

Met belanghebbende partijen die nauw betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de genoemde fases, is destijds afgesproken de zo ontstane samenhangende regelgeving voor drukapparatuur in 2008 te evalueren. Deze afspraak is vastgelegd in de toelichting bij een wijziging van de Warenwetregeling drukapparatuur (Stcrt van 24 mei 2005, nr. 97/pag. 12).

In 2008 heeft ter voorbereiding van de evaluatie een onderzoek plaats gevonden, waarbij belanghebbende partijen binnen zowel het bedrijfsleven als de overheid zijn bevraagd naar hun ervaring met de regelgeving in de dagelijkse praktijk.

De zo verzamelde knelpunten en suggesties ter verbetering zijn in 2009 in een werkgroep bestaande uit genoemde belanghebbende partijen besproken. Daarbij lag het accent op het nationale regime voor de keuring voor ingebruikneming, herkeuring, etc. Hier is ruimte voor aanpassingen. Dit in tegenstelling tot het regime voor nieuwbouw, dat een uitwerking is van de geharmoniseerde richtlijn drukapparatuur.

Dit heeft geleid tot een aantal wijzigingen van het Warenwetbesluit drukapparatuur en deze regeling. Deze wijzigingen zijn vooral gebaseerd op de opgedane ervaringen van de afgelopen jaren en de voortgang van de technische mogelijkheden.

Met deze wijzigingen worden onder handhaving van het veiligheidsniveau of in sommige gevallen een verhoging ervan belangrijke besparingen mogelijk gemaakt voor de gebruiker van drukapparatuur. De wijziging van de regeling heeft voornamelijk betrekking op de toekenning van termijnen van herkeuring van drukapparatuur.

Voor een verdere algemene toelichting, onder andere betreffende de financiële gevolgen van de wijzigingen, wordt verwezen naar de algemene toelichting behorende bij het besluit houdende wijziging van het Warenwetbesluit drukapparatuur inzake de uitvoering van keuringen en herkeuringen van drukapparatuur, samenstellen en druksystemen, per 1 januari 2011.

Tot slot zij opgemerkt dat de aangewezen keuringsinstelling of de keuringsdienst van gebruikers taken uitvoert waarvoor zij door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn aangewezen.

De inspectieafdeling van de gebruiker voert taken uit waarvoor zij door een aangewezen keuringsinstelling is gecertificeerd.

Daarnaast bevat de regeling een aantal technische aanpassingen van de Arbeidsomstandighedenregeling.

II. Artikelsgewijs

Artikel I (onderdeel A)

Artikel 1

De CPR-richtlijnen zijn ingetrokken. Daarvoor zijn de, eveneens onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Infrastructuur en Milieu vallende, PGS-richtlijnen in de plaats gekomen. Deze wijziging geeft invulling aan die verandering.

De definitie van de inspectieafdeling van de gebruiker is opgenomen in het Warenwetbesluit drukapparatuur en kan daarom in deze regeling vervallen.

Artikel I (onderdeel B)

Artikel 3

Met de invoeging van artikel 22e in het Warenwetbesluit drukapparatuur en artikel 15a in deze regeling is het derde lid overbodig geworden en kan daarmee vervallen.

Artikel I (onderdeel C)

Artikel 5

De wijziging in onderdeel k is doorgevoerd omdat binnen een bedrijf veelal geen verrekening van de kosten plaats vindt naar de keuringsdienst van gebruikers. Aan de verplichting om jaarlijks een rapportage van dit punt te maken kan daardoor niet worden voldaan. Deze verplichting is daarom geschrapt.

Artikel I (onderdeel D)

Artikel 6

Daar in de definities de term ‘termijn’ is opgenomen, is het opschrift van dit artikel hiermee in lijn gebracht.

In de onderdelen a en d van het eerste lid is zowel sprake van brandstofgestookte als anderszins verwarmde drukapparatuur. Bij brandstofgestookte drukapparatuur is sprake van warmteoverdracht door middel van vuur (warmtestraling). Bij anderszins verwarmde drukapparatuur is het warmte overdragende medium in de regel een vloeistof of gas (convectie), maar er kan ook sprake zijn van elektrische verwarming.

Wanneer bij een brandstofgestookt of anderszins verwarmd drukapparaat kan worden aangetoond, door middel van een gedegen risicoanalyse, gericht op gevaar voor oververhitting, dat geen onaanvaardbaar risico voor de veiligheid of gezondheid van personen of het milieu bestaat, kan volgens onderdeel d een termijn van 4 jaar worden aangehouden.

De genoemde risicoanalyse dient een beschouwing en beoordeling te bevatten van de ingebouwde beveiligingsvoorzieningen, gericht op het voorkomen van een overschrijding van de toelaatbare grenzen (druk, temperatuur enz.). De mate van beheersing van de warmtestromen en warmteoverdracht (verbrandings-/ verwarmingssysteem – procesruimte) en de kennis van de materiaaleigenschappen van de onder druk staande delen en de overige relevante functionele delen vormen eveneens belangrijke onderdelen van bedoelde analyse.

Het is aan de aangewezen keuringsinstelling of keuringsdienst van gebruikers om een eindoordeel te geven over de resultaten van genoemde risicoanalyse in verband met de vaststelling van de termijn. In de PraktijkRegels voor Drukapparatuur (PRD), opgesteld door de Technische Commissie voor Drukapparatuur, is het onderwerp brandstof of anderszins verwarmde drukapparatuur nader uitgewerkt, waar de hiervoor genoemde risicoanalyse deel van uit maakt.

De in onderdeel e geboden mogelijkheid om een termijn van 6 jaar vast te stellen bestond al, maar vereiste de nodige administratieve handelingen. De tekstuele aanpassing is ingegeven door de opgedane ervaring de afgelopen jaren. In de praktijk is gebleken dat ca. 85 % van de gekeurde aangewezen drukapparatuur na de eerste termijn een termijn van 6 jaar kreeg toegewezen. Echter om deze termijn van 6 jaar te kunnen verkrijgen moest de gebruiker additioneel steeds schriftelijk verklaren dat er geen nieuwe of verdere inwendige of uitwendige aantasting van de drukapparatuur in de komende termijn wordt verwacht. Voor het merendeel van de drukapparatuur is dit een overbodige handeling gebleken die derhalve achterwege kan blijven; hetgeen een administratieve verlichting voor de gebruiker betekent.

In het vierde lid is de mogelijkheid gegeven om de eerste termijn vast te stellen op 6 jaar indien er geen gevaar is voor de veiligheid of gezondheid van personen of het milieu.

Ter verduidelijking zijn hierna de twee situaties aangegeven waarin een eerste termijn van 6 jaar kan worden vastgesteld.

Ten eerste de situaties, waarin een installatie in zijn geheel een termijn heeft van 6 jaar en waarbij een drukapparaat, deel uitmakend van deze installatie, wordt vervangen. Voor dit drukapparaat zou op basis van het eerste lid, onder b, c of d, een eerste termijn moeten worden vastgesteld van 4 jaar terwijl de rest van de aangewezen drukapparaten van de betreffende installatie een termijn van 6 jaar blijft behouden. Het vierde lid (nieuw) geeft de keuringinstelling of keuringsdienst van gebruikers de mogelijkheid, indien er geen gevaar is voor de veiligheid of gezondheid van personen of het milieu, de eerste termijn van het nieuwe drukapparaat op 6 jaar te stellen om zo een in de praktijk als onterecht ervaren terugzetting van de termijn in dit soort situaties te voorkomen.

Ten tweede blijft de mogelijkheid bestaan om voor niet voor bewerking bestemde drukapparatuur met bepaalde gassen of tot vloeistof verdichte gassen, die in de regel op veel plaatsen worden toegepast, een termijn van 6 jaar vast te stellen.

Of drukapparatuur in combinatie met een bepaalde gassoort in aanmerking komt voor een eerste termijn van 6 jaar wordt voor de hier bedoelde veel voorkomende drukapparatuur vastgesteld door de Technische Commissie voor Drukapparatuur (TCD), voorheen Technische Commissie voor Toestellen onder Druk (TCTD) geheten. Een daartoe strekkend verzoek kan bijvoorbeeld door een branche-organisatie aan genoemde commissie worden voorgelegd.

De betreffende drukapparatuur, waarvoor een eerste termijn van 6 jaar is toegekend, wordt gepubliceerd in de Praktijkregels voor Drukapparatuur uitgegeven door Sdu Uitgevers te Den Haag.

Met nadruk zij er op gewezen dat het aangepaste vierde lid overigens geen verandering brengt in het gegeven dat een keuringsinstelling of keuringsdienst van gebruikers, indien gevaar is te duchten voor de veiligheid of gezondheid van personen of het milieu, op basis van artikel 11 van deze regeling voor bepaalde drukapparatuur een kortere termijn kan vaststellen dan de geldende vaste termijn.

Artikel I (onderdeel E)

Artikel 7

Deze wijziging houdt verband met de wijziging van artikel 6 van deze regeling.

Artikel I (onderdeel F)

Artikel 8

De wijzigingen van het eerste en derde lid houden verband met de wijziging van artikel 6 van deze regeling.

De wijziging van het vierde lid houdt verband met de wijziging die is aangebracht in artikel 12c, zesde lid, van het besluit. In genoemd lid is sprake van inwendig onderzoek of ander passend onderzoek in verband met de controle van de inwendige toestand van drukapparatuur. In het vierde lid gaat het om het zelfde inwendig onderzoek.

In het zesde lid is aangegeven dat een gebruiker bij het aanvragen van termijnverlenging moet beschikken over een keuringsdienst van gebruikers of een inspectieafdeling van de gebruiker. Het zesde lid is tevens gewijzigd in verband met het ingevoegde artikel 15a van deze regeling.

Het achtste lid is vervallen daar het hier bedoelde onderzoek niet door de instelling wordt uitgevoerd maar door een keuringsdienst van gebruikers of een inspectieafdeling van de gebruiker als onderdeel van de keuringen in de gebruiksfase. De wijziging van de eerste volzin van het achtste lid (nieuw) geeft dit weer.

Het tiende lid is overbodig geworden vanwege het ingevoegde artikel 22e van het Warenwetbesluit drukapparatuur.

In het tiende lid (nieuw) werd de term ‘periode’ gebruikt terwijl ‘termijn’ is bedoeld.

Artikel I (onderdeel G)

Artikel 9

Het vierde lid is op overeenkomstige wijze gewijzigd als het vierde lid van artikel 8. Het betreft ook hier het inwendig onderzoek.

De wijziging van het vijfde lid, onderdeel a, houdt verband met het gegeven dat het kwaliteitsmanagementsysteem van de overige afdelingen van de gebruiker die invloed hebben op de kwaliteit van de werkzaamheden in het kader van termijnflexibilisering, in de praktijk doorgaans niet is gecertificeerd door de aangewezen keuringsinstelling die betrokken is bij de beoordeling van de aanvraag voor termijnflexibilisering. De aangewezen keuringsinstelling kan in deze situatie volstaan met het betrekken van de laatste auditresultaten van het genoemde kwaliteitssyteem bij zijn beoordeling in het kader van termijnflexibilisering.

De verdere wijziging van onderdeel a houdt verband met de opname van onderdeel f, waarmee getracht is de duidelijkheid te vergroten en beter aan te sluiten bij artikel 8 van deze regeling.

Onder verantwoordelijkheid van de TCD is een onderzoek uitgevoerd met als titel ‘Upgrading Risk Based Inspection (RBI)-referentiemodel’ van 11 februari 2008. In dit rapport wordt melding gemaakt van de gunstige ervaringen met verschillende vaste termijnen voor afblazende, mechanische veiligheden met zowel directe als indirecte werking inclusief hulp gestuurde veiligheidssystemen (CSPRS). Deze vaste termijnen stemmen echter vaak niet overeen met de termijnen, die voor de rest van de installatie van toepassing zijn. Door nu ook een risicogebaseerde aanpak toe te passen voor afblazende, mechanische veiligheden kan een betere afstemming plaats vinden met de termijn van de te beveiligen installatie en tevens worden bewerkstelligd dat er een grondige beheersing van de druk- beveiliging gaat plaatsvinden.

Een betrouwbare toepassing van de RBI-methodiek vereist namelijk een gedetailleerde kennis van de afblazende, mechanische veiligheden en gebruiksomstandigheden naast het beschikbaar zijn van betrouwbare historische gegevens.

Het toepassen van een risico gebaseerde aanpak vereist een RBI-methodiek die daarvoor geëigend is en door de TCD is gevalideerd. De toepassing van RBI op afblazende, mechanische veiligheden kan leiden tot een termijn die korter of langer is dan de normaliter voorgeschreven vaste termijn. In genoemd onderzoek is een aanbeveling gedaan om voor afblazende, mechanische veiligheden een maximum termijn van 10 jaar aan te houden. Deze aanbeveling is overgenomen.

Met nadruk wordt er op gewezen dat de RBI-methodiek die wordt toegepast voor afblazende, mechanische veiligheden, dezelfde methodiek volgt als die wordt toegepast voor de rest van de installatie, die door de afblazende, mechanische veiligheden wordt beveiligd.

Artikel I (onderdelen H en I)

Artikelen 10 en 11

Daar in de definities de term ‘termijn’ is opgenomen is het opschrift van deze artikelen hiermee in lijn gebracht.

Artikel I (onderdeel J)

Artikel 15a

In het eerste lid is sprake van een overeenkomst tussen een aangewezen keuringsinstelling en een inspectieafdeling van de gebruiker. Vanwege de vaak over meerdere jaren uitstrekkende activiteiten wordt ook de overeenkomst voor meerdere jaren afgesloten, waarbij een termijn van minimaal 3 jaar gebruikelijk is.

Het tweede lid geeft aan dat een inspectieafdeling van de gebruiker over voldoende vast personeel met voldoende vakbekwaamheid moet beschikken. Onder vast personeel wordt hier verstaan personeel dat in vaste dienst is of personeel met een meerjarencontract. De bepaling van het aantal personeelsleden is uiteraard afhankelijk van de door de inspectieafdeling van de gebruiker uit te voeren werkzaamheden, maar evenzeer van de omvang van het bedrijf. Voor de wijze van vaststellen van het aantal personeelsleden wordt verwezen naar het WESA-schema Drukapparatuur (zie ook www. arboportaal.nl).

Artikel II

De wijzigingen onder B, C en D hangen samen met het schrappen van het werkplan in artikel 4.9 van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Daardoor moet ook de uitvoeringsregelgeving ter zake vervallen. Deze wijzigingen gaan in per 1 juli 2011.

De wijziging onder A betreft een uitbreiding van de reikwijdte van het certificatieschema springmeester. Door de wijziging kunnen nu ook certificaten worden afgegeven voor het werken met explosieven in de industriële reiniging.

De toezichthouders (Arbeidsinspectie en voormalige VROM-inspectie) stellen zich (terecht) op het standpunt dat dergelijke arbeid onder de certificatieplicht voor springmeesters valt. Betrokkenen konden hier echter niet aan voldoen omdat het schema springmeester niet zag op industriële reiniging. Dit is aangepast. Betrokkenen kunnen hun kwalificaties thans laten waarderen en hun deskundigheid aantonen met een certificaat.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

P. de Krom.