Besluit opsporingsvergunning aardwarmte Made

7 oktober 2009

Nr. ET/EM/9138637

De Minister van Economische Zaken,

Procesverloop

  • W.P.K. Beheer B.V. heeft bij brieven van 29 december 2009, ontvangen 9 januari 2009 en 7 september 2009, ontvangen 8 september 2009, een aanvraag om een opsporingsvergunning voor aardwarmte ingediend, ingevolge artikel 6 van de Mijnbouwwet, voor de duur van 4 jaar, voor een gebied gelegen in de gemeenten Drimmelen, Oosterhout en Geertruidenberg, genaamd Made;

  • Naar aanleiding van de onderhavige aanvraag is in de Staatscourant van 9 februari 2009 (Stcrt. 9-2-2009, nr. 26) een uitnodiging geplaatst voor het indienen van concurrerende aanvragen;

  • Binnen de periode van 13 weken na plaatsing van bovengenoemde uitnodiging in de Staatscourant zijn geen concurrerende aanvragen ingediend;

  • TNO Bouw en Ondergrond, Adviesgroep EZ (TNO) heeft, op verzoek van de Minister van Economische Zaken 8 juni 2009 advies uitgebracht;

  • Staatstoezicht op de mijnen (Sodm) heeft, op verzoek van de Minister van Economische Zaken op 17 juni 2009 advies uitgebracht;

  • Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant is gevraagd -bij schrijven van 29 juni 2009- advies uit te brengen op grond van artikel 16, van de Mijnbouwwet. Zij heeft bij brief van 6 augustus 2009 advies uitgebracht;

  • De Mijnraad heeft op 31 augustus 2009 advies uitgebracht (kenmerk MIJN/ 9118290) op grond van artikel 105, derde lid, van de Mijnbouwwet.

Overwegingen

  • Voor het gebied waarvoor de opsporingsvergunning wordt aangevraagd, geldt niet een door een ander gehouden opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte. Hiermee is voldaan aan artikel 7, eerste lid, van de Mijnbouwwet;

  • Voor het gebied waarvoor de opsporingsvergunning wordt aangevraagd, geldt niet een door een ander gehouden opslagvergunning. Hiermee is voldaan aan artikel 7, tweede lid, van de Mijnbouwwet;

  • De technische en financiële mogelijkheden van de aanvrager geven geen aanleiding tot het weigeren van de gevraagde vergunning. Hiermee is voldaan aan artikel 9, eerste lid, onder a, van de Mijnbouwwet;

  • De manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten geeft geen aanleiding de vergunning te weigeren. Hiermee is voldaan aan artikel 9, eerste lid, onder b, van de Mijnbouwwet;

  • De aanvrager heeft niet onder een eerdere vergunning bij activiteiten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Mijnbouwwet, blijk gegeven van gebrek aan efficiëntie of verantwoordelijkheidszin. Hiermee is voldaan aan artikel 9, eerste lid, onder c, van de Mijnbouwwet;

  • Het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant vraagt in haar advies aandacht voor de aanwezigheid van ecologische gebieden, het grondwaterbeschermings-gebied, aardkundig waardevolle gebieden, archeologisch belangrijke elementen en de aanwezigheid van verontreinigingen. Deze opmerkingen hebben invloed op de uiteindelijke mogelijkheid van het opsporen van aardwarmte, maar zijn voor de beslissing omtrent de opsporingsvergunning-aanvraag, gelet op de criteria in de Mijnbouwwet, niet relevant. Voor de beoordeling van de aanvraag van de opsporingsvergunning spelen genoemde gebiedscriteria geen rol. Zij zijn relevant bij de beoordeling van de aanleg van de mijnbouwwerken de nodig zullen zijn voor de opsporing en de daarbij benodigde vergunningen;

  • TNO adviseert een opsporingsvergunning voor aardwarmte te verlenen voor een periode van vierjaar. TNO acht het door de aanvrager voorgestelde werkprogramma adequaat, maar niet geheel passend bij de grootte van het aangevraagde gebied en adviseert daarom het gebied te beperken. TNO adviseert verder om als voorwaarde op te nemen dat er voor het verstrijken van het tweede jaar een geactualiseerd werkprogramma aan de Minister wordt voorgelegd dat een onvoorwaardelijke boring in het derde jaar bevat.

  • Sodm adviseert om voor de aanvang van de opsporingsactiviteiten een persoon met boortechnische en operationele ervaring, die leiding geeft aan boor- en aanverwante activiteiten ter voorkoming van interferentie met koolwaterstoffen, beschikbaar te stellen. Bovendien moet die persoon de bevoegdheid hebben om uitvoering te geven aan instructies van die inspecteurs;

  • De Mijnraad adviseert de opsporingsvergunning te verlenen voor de duur van 4 jaar met dien verstande dat uiterlijk in het derde jaar twee boringen (doublet) worden geplaatst en dat het concrete plan hiervoor, voor het verstrijken van het tweede jaar aan de Minister van Economische Zaken kenbaar wordt gemaakt;

  • Gelet op de Mijnbouwwet, het ingediende werkprogramma en de uitgebrachte adviezen, kan verlening van de vergunning aan W.P.K. Beheer B.V. plaatsvinden.

Gelet op de artikelen 2, derde lid, 6, 7, 9, 11, eerste tot en met derde lid, en eerste volzin vierde lid, 12, 15, 16, 17, en 105, derde lid, van de Mijnbouwwet, en artikel 1.3.1. van de Mijnbouwregeling;

Besluit:

Artikel 1

Aan W.P.K. Beheer B.V. (hierna te noemen de vergunninghouder) wordt een opsporingsvergunning voor aardwarmte verleend.

Artikel 2

De vergunning geldt voor een gebied in de gemeenten Drimmelen, Oosterhout en Geertruidenberg, genaamd Made, dat wordt begrensd door de volgende punten en de rechte lijnen daartussen. De coördinaten van deze punten zijn:

Punt

X

Y

1

112444

412148

2

116222

414444

3

120000

408000

4

116296

405704

Bovenstaande coördinaten zijn weergegeven volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting zoals vermeld in Artikel 1.2.2, onder a, van de Mijnbouwregeling (Stcrt. 19-2-2002, nr. 245).

Op basis van deze grensbeschrijving is de oppervlakte 32,87 km2.

Artikel 3

De vergunninghouder geeft uitvoering aan het werkprogramma dat onderdeel uitmaakt van de op 9 januari 2009 ontvangen aanvraag.

Artikel 4

De vergunninghouder wijst tijdig voor de aanvang van de opsporingsactiviteiten een persoon aan met boortechnische en operationele ervaring, die leiding geeft aan boor- en aanverwante activiteiten en doet hiervan schriftelijk mededeling aan Staatstoezicht op de mijnen. Bovendien moet die persoon de bevoegdheid hebben om uitvoering te geven aan instructies van inspecteurs van Staatstoezicht op de mijnen. De vergunninghouder stelt Staatstoezicht op de mijnen van eventuele wijzigingen schriftelijk vooraf tijdig op de hoogte.

Artikel 5

De vergunninghouder neemt bij de uitvoering van het werkprogramma de volgende voorwaarden in acht:

  • Binnen twee jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning deelt de vergunninghouder schriftelijk mee aan de Minister van Economische Zaken, onder vermelding van tijdstip, geologische structuur en diepte, de plaats waar de boringen zullen worden verricht;

  • Uiterlijk in het derdejaar na het onherroepelijk worden van de vergunning worden twee boringen (doublet) geplaatst.

Artikel 6

De vergunning geldt, vanaf het tijdstip van inwerkingtreding nadat zij onherroepelijk is geworden, gedurende een tijdvak van 4 jaar.

Artikel 7

De vergunning treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beschikking is bekendgemaakt.

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Van deze beschikking wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

De Minister van Economische Zaken,

namens deze:

MT-lid directie Energiemarkt,

Y. Peters.

Tegen dit besluit kan degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken binnen 6 weken na verzending van dit besluit een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Economische Zaken, Directie Wetgeving en Juridische Zaken (ALP: L/L204), Postbus 20101, 2500 EC ’s-Gravenhage. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef vermelde datum.

Naar boven