Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2008, 253Besluiten van algemene strekking

Regeling van 17 december 2008, nr. DB 2008/705 tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen

De Staatssecretaris van Financiën,

Handelende wat artikel 3.22 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft, in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat;

Handelende wat de artikelen 3.34, 3.36, 3.38, 3.42, 3.42a, 3.52 en 10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001 betreft, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken en in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Handelende wat artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken betreft, in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Handelende wat de artikelen 15c en 17 van de Wet op de loonbelasting 1964 betreft in overeenstemming met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

Gelet op de artikelen 1.5, 3.17, 3.22, zesde lid, onderdeel c, en tiende lid, 3.34, 3.36, 3.38, 3.42, 3.42a, 3.52, 5.14, eerste lid, 5.15, eerste lid, 5.18, eerste lid, 5.18a, eerste lid, 6.15, 6.26, 6.27 en 10.10 van de Wet inkomstenbelasting 2001, de artikelen 15a, tweede en derde lid, 15c, 15d, 19g, 28a, 32, eerste lid, en 32a van de Wet op de loonbelasting 1964, de artikelen 5, 6, tweede en derde lid, en 14, eerste lid, onderdeel h, en zevende lid, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, artikel 10, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, de artikelen 2, derde lid, onderdeel b, 3, tweede lid, 19, tweede lid, onderdeel a, 21d, 21k, 30f, en 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de artikelen 25, 26, 29 en 67 van de Invorderingswet 1990, artikel 10 van de Registratiewet 1970, artikel 37g van de Wet waardering onroerende zaken, artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken, de artikelen 8, derde en zesde lid, 17 en 31 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, artikel 2 van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, de artikelen 11, 26 en 28j van de Wet op de omzetbelasting 1968, de artikelen 9a, tweede lid, 9b, vierde lid, 9ba, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 en de artikelen 80, onderdeel a, onder 4°, en 86, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 wordt ‘€ 400’ vervangen door: € 408.

B

Artikel 8, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Voor de toepassing van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de wet verhuist de ondernemer in ieder geval in het kader van de onderneming ingeval hij binnen twee jaar na de verplaatsing van de onderneming verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe vestigingsplaats van de onderneming terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze vestigingsplaats woonde.

C

Artikel 9a vervalt.

D

In artikel 28, eerste lid, onderdeel b, wordt ‘ de Regeling groenprojecten 2005 dan wel de Regeling groenprojecten buitenland 2002’ vervangen door: de Regeling groenprojecten 2005, de Regeling groenprojecten buitenland 2002 dan wel de Regeling groenprojecten Nederlandse Antillen en Aruba 2002.

E

Aan artikel 29 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. De inspecteur maakt het aanwijzen als een fonds als bedoeld in artikel 28, onderdeel i, op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Indien de inspecteur een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.

F

Aan artikel 29b wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Indien de inspecteur een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.

G

In artikel 33, vijfde lid, wordt ‘en de intrekking’ vervangen door: , de intrekking, alsmede het publiek bekend maken van de aanwijzing en intrekking.

H

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘€ 285’ vervangen door: € 290.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘€ 345’ vervangen door: € 350.

3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘€ 405’ vervangen door: € 410.

4. In het eerste lid, onderdeel d, wordt ‘€ 345’ vervangen door: € 350.

5. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘€ 690’ telkens vervangen door: € 700.

6. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘€ 1035’ telkens vervangen door: € 1050.

I

In artikel 40, eerste lid, onderdeel b, wordt ‘het in artikel 6.18, zesde lid, onderdeel a, van de wet genoemde bedrag’ vervangen door: € 0,19.

J

Artikel 40a wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt ‘instanties’ vervangen door: instantie.

2. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. de Inspectie van het onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het onderwijstoezicht;.

3. In onderdeel b wordt ‘een Visiterende en Beoordelende Instantie’ vervangen door: een beoordelende instantie.

4. In onderdeel c wordt ‘de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen’ vervangen door: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

ARTIKEL II

De Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 25, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Voor de toepassing van artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de wet verhuist de werknemer in ieder geval in het kader van de dienstbetrekking ingeval hij binnen twee jaar na de aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze plaats woonde.

B

Artikel 28 komt te luiden:

Artikel 28 Afgifte EVC-verklaringen

Als instantie als bedoeld in artikel 15a, derde lid, van de wet worden aangewezen:

  • a. de Inspectie van het onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het onderwijstoezicht;

  • b. een beoordelende instantie als bedoeld in artikel 5a.8a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • c. een door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap nader te bepalen accrediterende partij.

C

Artikel 34, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘€ 13,00’ vervangen door: € 13,25.

2. In onderdeel b worden ‘€ 53,75’, ‘€ 12,50’ en ‘€ 2,50’ vervangen door respectievelijk € 56,25, € 13,00 en € 2,60.

3. In onderdeel c worden ‘€ 29,75’, ‘€ 6,75’ en ‘€ 1,35’ vervangen door respectievelijk € 31,00, € 7,25 en € 1,45.

4. In onderdeel d worden ‘€ 15,50’, € 3,50’ en ‘€ 0,70’ vervangen door respectievelijk € 14,50, € 3,25 en € 0,65.

5. In onderdeel e wordt ‘€ 6,25’ vervangen door: € 6,00.

D

In artikel 35, eerste lid, worden ‘€ 152,50’, ‘€ 35,25’ en ‘€ 7,05’ vervangen door respectievelijk € 154,50, € 35,75 en € 7,15.

E

In artikel 47, tweede lid, wordt ‘artikel 28’ vervangen door: artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de wet.

F

In artikel 51 wordt de tabel vervangen door:

 

Per maand

Per week

Per dag

a. aan boord van binnenschepen – andere dan vissersschepen – en baggermaterieel:

   

1. voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont

   

– van een schip van meer dan 2000 ton:

€ 141,00

€ 33,00

€ 6,60

– van een schip van meer dan 500, doch niet meer dan 2000 ton:

€ 105,75

€ 24,75

€ 4,95

– van een ander schip of van baggermaterieel:

€ 70,50

€ 16,50

€ 3,30

2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:

€ 57,00

€ 13,25

€ 2,65

    

b. aan boord van zeeschepen – andere dan vissersschepen – en op boorplatforms:

   

1. voor de werknemer die met zijn gezin aan boord woont:

  

€ 9,90

2. voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft

   

– voor een kapitein en voor een officier:

  

€ 4,70

– voor een andere werknemer:

  

€ 2,35

    

c. aan boord van vissersschepen:

   

voor de werknemer die aan boord woont en geen gezin heeft:

  

€ 3,20

    

d. in pakwagens van kermis exploitanten:

   

voor de werknemer die in een pak wagen woont en geen gezin heeft:

€ 57,00

€ 13,25

€ 2,65

    

e. voor de werknemer die niet is aangeduid in de onderdelen a, b, c en d:

nihil

nihil

nihil

G

In artikel 55 worden ‘€ 2,05’, ‘€ 2,05’ en ‘€ 3,90’ vervangen door respectievelijk € 2,10, € 2,10 en € 4,00.

H

In artikel 59, eerste lid, wordt ‘5,3%’ vervangen door: 4,9%.

I

Artikel 61k wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede, vierde en vijfde lid wordt ‘minister van Financiën’ telkens vervangen door: Minister van Financiën.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. De Minister van Financiën maakt het aanwijzen als een kredietinstelling, onderscheidenlijk verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in het eerste lid, op een daartoe geschikte wijze publiek bekend. Indien de Minister van Financiën een aanwijzing intrekt, maakt hij die intrekking ook op een daartoe geschikte wijze publiek bekend.

J

Artikel 81, onderdeel d, vervalt onder verlettering van onderdeel e tot onderdeel d.

K

In artikel 84a, onderdeel b, wordt ‘onderdeel h’ vervangen door: onderdeel d.

L

Artikel 85 vervalt.

M

Artikel 87 vervalt.

ARTIKEL III

Artikel 19b van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘artikel 3.124, onderdeel b’ vervangen door ‘artikel 3.124, eerste lid, onderdeel b’. Voorts wordt ‘mits de polis onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of dat van zijn echtgenoot’ vervangen door: mits de polis deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of dat van zijn partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘mits de polis onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen’ vervangen door ‘mits de polis deel uitmaakt van het vermogen’. Voorts wordt ‘in de zin van artikel 1.2, eerste lid’ vervangen door: in de zin van artikel 1.2.

3. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘in de zin van artikel 1.2, eerste lid’ telkens vervangen door: in de zin van artikel 1.2.

4. In het derde lid wordt ‘artikel 2, achtste lid’ vervangen door ‘artikel 15, tweede lid’. Voorts wordt ‘in de zin van artikel 1.2, eerste lid’ vervangen door: in de zin van artikel 1.2.

ARTIKEL IV

De Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. het UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 2 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;.

B

In artikel 2, derde lid, wordt ‘artikel 5, eerste lid, onderdeel c’ vervangen door: artikel 5, eerste lid.

C

In artikel 3 wordt ‘artikel 5, negende lid’ vervangen door: artikel 5, zesde lid.

D

In artikel 6 wordt de in het eerste lid opgenomen tabel vervangen door:

Indien hij de leeftijd heeft bereikt van

doch niet de leeftijd van

15 jaren

16 jaren:

5 316

16 jaren

17 jaren:

6 113

17 jaren

18 jaren:

6 999

18 jaren

19 jaren:

8 062

19 jaren

20 jaren:

9 303

20 jaren

21 jaren:

10 897

21 jaren

22 jaren:

12 846

E

In artikel 12aa, derde lid, wordt ‘artikel 14, vijfde lid, onderdeel c’ vervangen door ‘artikel 14, vijfde lid, onderdeel b’. Voorts wordt ‘de Centrale organisatie werk en inkomen’ vervangen door: het UWV.

F

Artikel 12bb wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt ‘instanties’ vervangen door: instantie.

2. Onderdeel a komt te luiden:

  • a. de Inspectie van het onderwijs, bedoeld in artikel 2 van de Wet op het onderwijstoezicht;.

3. In onderdeel b wordt ‘een Visiterende en Beoordelende Instantie’ vervangen door: een beoordelende instantie.

4. In onderdeel c wordt ‘de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen’ vervangen door: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

ARTIKEL V

De Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘Het verzoek’ vervangen door: De keuze blijkens de notariële akte of het verzoek.

2. In het tweede lid, eerste volzin, wordt ‘In het verzoek’ vervangen door: In de notariële akte of het verzoek.

3. In het tweede lid, tweede volzin, wordt ‘Bij het verzoek’ vervanger door: In de notariële akte of het verzoek.

B

Artikel 6a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘Het verzoek’ vervangen door: De keuze blijkens de schriftelijke huurovereenkomst of het verzoek.

2. In het tweede lid, eerste volzin, wordt ‘In het verzoek’ vervangen door: In de schriftelijke huurovereenkomst of het verzoek.

3. In het tweede lid, tweede volzin, wordt ‘Bij het verzoek’ vervangen door: In de schriftelijke huurovereenkomst of het verzoek.

4. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Ingeval niet meer wordt voldaan aan de in het vijfde lid bedoelde voorwaarde stelt de huurder de verhuurder binnen vier weken na afloop van het desbetreffende boekjaar daarvan in kennis door middel van een door hem ondertekende verklaring. Tevens zendt de huurder binnen dezelfde termijn een afschrift hiervan aan de inspecteur.

C

In artikel 26, eerste lid, onderdeel a, onder 12°, vervalt ‘en procureurs,’.

D

Bijlage L wordt vervangen door de BIJLAGE L zoals die is opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

ARTIKEL VI

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘19’ vervangen door: 19, 21d, 21k, 30f, vierde lid.

B

Aan artikel 20 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het tweede lid is niet van toepassing met betrekking tot pseudo-eindheffing als bedoeld in artikel 32bb van de Wet op de loonbelasting 1964.

C

In artikel 20, vierde lid, wordt ‘artikel 32bb’ vervangen door: artikel 32bb en artikel 32bc.

D

In artikel 21c wordt de zinsnede ‘De aangifte, bedoeld in artikel 10, eerste, derde, of vierde lid’ vervangen door: De aangifte, bedoeld in artikel 10.

E

In artikel 24 wordt ‘voorlopige teruggaaf’ vervangen door ‘voorlopige aanslag’. Voorts wordt ‘de verleende of te verlenen teruggaaf’ vervangen door: de opgelegde of op te leggen voorlopige aanslag.

F

In artikel 26, eerste lid, wordt de zinsnede ‘de kansspelbelasting geheven van degene die gelegenheid geeft tot deelneming aan binnenlandse casinospelen of van de exploitant van een kansspelautomatenspel’ vervangen door: de kansspelbelasting geheven van degene die gelegenheid geeft tot deelneming aan binnenlandse casinospelen of aan binnenlandse kansspelen welke via het internet worden gespeeld, of van de exploitant van een kansspelautomatenspel.

G

Onder vernummering van het derde lid tot vijfde lid, worden in artikel 27 twee leden ingevoegd, luidende:

  • 3. De ondernemer die voor het eerst over een kalenderjaar verpakkingenbelasting moet betalen, doet uiterlijk aan het einde van ieder resterend kwartaal van dat jaar, een voorlopige betaling. Deze betaling bedraagt in afwijking van het bepaalde in het tweede lid een evenredig deel van het geschatte bedrag van de over dat jaar verschuldigde verpakkingenbelasting. Het evenredig deel wordt bepaald door 1 te delen door het aantal nog resterende kwartalen van het kalenderjaar. Hierbij wordt een gedeelte van een resterend kwartaal aangemerkt als een vol kwartaal.

  • 4. Voor de ondernemer die in het voorafgaande kalenderjaar voor het eerst verpakkingenbelasting moest betalen, bedraagt de voorlopige betaling in afwijking van het bepaalde in het tweede lid 25% van de verpakkingenbelasting die over het voorafgaande kalenderjaar verschuldigd zou zijn op basis van de fictie dat de ondernemer in het voorafgaande kalenderjaar gedurende het volle kalenderjaar belastingplichtig was voor de verpakkingenbelasting en op basis van het tarief dat geldt voor het kalenderjaar waarin de voorlopige betalingen moeten worden gedaan.

H

Aan artikel 29 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. voor de natuurlijke persoon ter zake van de loonbelasting van de werknemer die uitsluitend diensten verricht in het kader van voorzieningen als bedoeld in artikel 35, tweede lid, onderdelen b en d, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen: het kalenderjaar.

I

Na artikel 30 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 7A BASISREGISTRATIE INKOMEN

Artikel 30a

De inspecteur bepaalt zo spoedig mogelijk doch binnen vijf werkdagen na de ontvangst van een terugmelding als bedoeld in artikel 21d, eerste lid, onderdeel a, van de wet of het ontstaan van een situatie als bedoeld in artikel 21d, eerste lid, onderdeel d, van de wet, of de aantekening ‘in onderzoek’ al dan niet wordt geplaatst.

Artikel 30b

De inspecteur vermindert ambtshalve een inkomensgegeven dat op een te hoog bedrag is bepaald, tenzij:

  • a. zeven jaren zijn verlopen na het einde van het kalenderjaar waarop het inkomensgegeven betrekking heeft;

  • b. de onjuistheid van het inkomensgegeven voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat de met het inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting- of loonbelastingschuld onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;

  • c. de onjuistheid van het inkomensgegeven voortvloeit uit beleidsregels van de Minister van Financiën die eerst zijn uitgevaardigd nadat de met het inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting- of loonbelastingschuld onherroepelijk vast is komen te staan, tenzij de Minister van Financiën anders heeft bepaald;

  • d. de onjuistheid van het inkomensgegeven voortvloeit uit de omstandigheid dat eerst nadat de met het inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting- of loonbelastingschuld onherroepelijk vast is komen te staan een beroep wordt gedaan op een fiscale faciliteit, waarop een beroep moet worden gedaan bij de aangifte, onderscheidenlijk vóór de inhouding; of

  • e. sprake is van enig feit waardoor het inkomensgegeven op een te hoog bedrag is bepaald en enig ander inkomensgegeven, al dan niet van dezelfde betrokkene, ter zake van datzelfde feit op een te laag bedrag is bepaald, voor zover de met het laatstgenoemde inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting of loonbelasting niet kan worden nagevorderd, onderscheidenlijk nageheven doordat de termijn voor navordering, onderscheidenlijk naheffing is verstreken.

J

Artikel 43c wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. de Minister van Financiën:

    • 1°. gegevens die worden gebruikt door de Auditdienst Financiën ten behoeve van de accountantscontrole van het jaarverslag van hoofdstuk IXB (Financiën) van de Rijksbegroting en ten behoeve van de controle op het financieel en materieel beheer van het Ministerie van Financiën;

    • 2°. gegevens over het vermoeden van het bestaan van een onbeheerd gelaten nalatenschap, vermogens- en persoonsgegevens en eventuele andere van belang geachte gegevens die nodig zijn voor de vereffening door de dienst Domeinen van onbeheerde nalatenschappen;.

2. Het eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. de Minister van Defensie:

    • 1°. gegevens over het inkomen van voormalige militairen over een bepaalde periode ten behoeve van de uitvoering van ontslaguitkeringsregelingen;

    • 2°. gegevens ten behoeve van de aan de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst opgedragen taken;.

3. In het eerste lid wordt, onder verlettering van de onderdelen e tot en met x tot f tot en met y, na onderdeel d een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • e. de Minister van Justitie: gegevens die worden gebruikt voor de uitvoering van de Politiewet 1993 door de Rijksrecherche;.

4. Het eerste lid, onderdeel i (nieuw), komt te luiden:

  • i. de voorzitter van het managementteam van de FIOD-ECD en de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland Midden: gegevens die worden gebruikt in het kader van de aan deze organisatieonderdelen toegewezen niet-fiscale toezichts- en opsporingstaken, waaronder begrepen gegevens die door de FIOD-ECD worden gebruikt in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde ingevolge artikel 3 van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten, doch met uitzondering van gegevens die worden gebruikt in het kader van de uitvoering en handhaving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme;.

5. Aan het eerste lid, onderdeel j (nieuw), wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 5°. kentekenregistergegevens van circus- en kermisauto’s als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 ten behoeve van de uitvoering en handhaving van het gemeentelijke ontheffingenbeleid inrijverbod milieuzones;.

6. In het eerste lid, onderdeel l (nieuw), onder 2° en 4°, wordt ‘vermogen’ vervangen door: inkomen en vermogen.

7. In het eerste lid, onderdeel m (nieuw), wordt ‘gemeenten’ vervangen door ‘gemeenten, provincies’ en wordt ‘de officier van justitie’ vervangen door: de officier van justitie, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Koninklijke marechaussee.

8. Het eerste lid, onderdeel p (nieuw), vervalt onder verlettering van de onderdelen q (nieuw) tot en met y (nieuw) tot p tot en met x.

9. Het eerste lid, onderdeel p, komt te luiden:

  • p. de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit: gegevens die van belang zijn voor de handhaving van de Mededingingswet, de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet;.

10. In het tweede lid, tweede volzin, wordt ‘onderdeel k, onder 3°’ vervangen door: onderdeel l, onder 3°, alsmede de onderdelen i en t, voor zover het gegevens betreft die worden verstrekt aan de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Holland Midden.

11. Het derde lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. inkomen: het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de wet;.

ARTIKEL VII

De Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘artikel 2, onderdeel d, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen’ vervangen door: artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het tweede lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: Deze onderdelen zijn mede belast met de uitvoering van de basisregistratie inkomen.

2. Aan het vierde lid wordt een volzin toegevoegd, luidende: De B/CA is mede belast met de uitvoering van de basisregistratie inkomen.

3. Het vijfde lid onderdeel a, komt te luiden:

  • a. het kindgebonden budget, bedoeld in de Wet op het kindgebonden budget;.

C

In artikel 6, tweede lid, wordt ‘artikel 2, onderdeel d, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen’ vervangen door: artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen.

D

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt ‘69, 70, 78 en 92’ vervangen door: 69 en 70.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Met betrekking tot de behandeling van een verzoek als bedoeld in artikel 78, 87b, 87c en 92 van de Wet belastingen op milieugrondslag ressorteert de natuurlijke persoon, het lichaam of de entiteit onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Rivierenland.

E

In artikel 19, eerste lid, wordt ‘Belastingdienst/Limburg’ vervangen door: Belastingdienst/Haaglanden.

F

Na artikel 26 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 26a

Artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, is van overeenkomstige toepassing op de kindertoeslag, bedoeld in artikel 6a van de Wet op het kindgebonden budget.

G

De bijlage wordt als volgt gewijzigd:

1. De regels die aanvangen met ‘Bennebroek’, ’Velsen’, ’Heemstede’, ’Alkemade’, ’Leiderdorp’, ’Ambt Montfoort’, ’Swalmen’, ’Obdam’, ’West Koggenland’, ’Noorder Koggenland’, ’Wognum’, ’Bergschenhoek’, ’Berkel en Rodenrijs’ en ‘Beiswijk’ vervallen.

2. In de regel die aanvangt met ‘Dantumadeel’ wordt ‘Dantumadeel’ vervangen door: Dantumadiel.

3. In de regel die aanvangt met ‘Jacobswoude’ wordt ‘Jacobswoude’ vervangen door: Kaag en Braassem.

4. Na de regel die aanvangt met ‘Kessel’ wordt een regel ingevoegd met in de eerste kolom ‘Koggenland’, in de tweede kolom ‘Holland Noord’ en in de derde kolom ‘West’.

5. Na de regel die aanvangt met ‘Landgraaf’ wordt een regel ingevoegd met in de eerste kolom ‘Landsingerland’, in de tweede kolom ‘Haaglanden’ en in de derde kolom ‘West’.

ARTIKEL VIII

De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1f, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt ‘artikel 1e het uitstel van betaling tien jaar heeft gelopen’ vervangen door: artikel 1e, derde lid, het uitstel van betaling is geëindigd.

2. In de tweede volzin wordt ‘De termijn van tien jaar’ vervangen door: Het uitstel van betaling.

B

In artikel 12, tweede lid, onderdeel e, wordt ‘Wet tegemoetkoming studiekosten’ vervangen door: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.

C

Artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 7°, komt te luiden:

  • 7°. het kindgebonden budget, bedoeld in de Wet op het kindgebonden budget.

D

Aan artikel 14, eerste lid, onderdeel c, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel 7° door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • 8°. het bedrag, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Tijdelijk besluit bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB, en de premie, bedoeld in artikel 3, vierde en vijfde lid, van dat besluit.

E

Artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 8°, vervalt onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel 7° door een punt.

F

In artikel 15, eerste lid, onderdeel a, wordt ‘artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel j’ vervangen door: artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel i.

G

In hoofdstuk V wordt vóór artikel 41 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 40d

Artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel c, onder 7°, is van overeenkomstige toepassing op de kindertoeslag, bedoeld in artikel 6a van de Wet op het kindgebonden budget.

ARTIKEL IX

De Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘de artikelen 2 en 2a van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken’ vervangen door: artikel 37g van de Wet waardering onroerende zaken en artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken.

B

In artikel 3, eerste lid, wordt ‘bedoeld in artikel 2, tweede lid’ vervangen door: bedoeld in artikel 2, vijfde lid.

C

In artikel 4 wordt ‘bedoeld in artikel 2, tweede lid’ vervangen door: bedoeld in artikel 2, vijfde lid.

D

Het opschrift van hoofdstuk 3 komt te luiden:

VERGOEDING VAN BEPAALDE KOSTEN.

E

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5 Vergoeding van bepaalde kosten aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Uit het gemeentefonds wordt een bedrag van € 1 000 000 afgezonderd en ter beschikking gesteld aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten ter vergoeding van kosten die samenhangen met verbeteringen op het gebied van kwaliteit en kostenbeheersing bij de uitvoering van de wet.

F

Artikel 6 vervalt.

G

Het opschrift van hoofdstuk 4 komt te luiden:

BASISREGISTRATIE WAARDE ONROERENDE ZAKEN.

H

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7 Plaatsing aantekening ‘in onderzoek’

Het college plaatst de aantekening ‘in onderzoek’ bij een waardegegeven binnen vier dagen, nadat er ten aanzien van dat waardegegeven een terugmelding is gedaan of er overigens gerede twijfel is ontstaan omtrent de juistheid van dat gegeven.

I

Na artikel 7 wordt ingevoegd:

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL X

De Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt ‘8, zevende lid’ vervangen door: 8, zesde lid.

B

In artikel 4 wordt ‘8, vierde lid’ vervangen door: 8, derde lid.

C

In artikel 5, derde lid, onderdeel b, wordt ‘onderdeel g’ vervangen door: onderdeel f.

D

Artikel 8, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing indien bezwaar, beroep, hoger beroep of beroep in cassatie, dan wel een verzoek om ambtshalve vermindering is ingediend ter zake van een inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, dat bepalend is voor de draagkracht waarmee bij de terugvordering rekening is gehouden.

ARTIKEL XI

De Uitvoeringsregeling wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen wordt ingetrokken.

ARTIKEL XII

In artikel 1 van de Regeling bekendmaking percentage heffingsrente en invorderingsrente bij belastingen wordt ‘voor het vierde kwartaal 2008: 5,45’ vervangen door: voor het eerste kwartaal 2009: 4,90.

ARTIKEL XIII

De Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘8, 9b, vierde lid ‘ vervangen door: 8, 9a, tweede lid, 9b, vierde lid, 9ba, derde lid.

B

Artikel 5 vervalt.

C

Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

  • 1. Voor de toepassing van artikel 9a, tweede lid, en artikel 9ba, derde lid, blijkt de omvang van de emissie van CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:

    • a. de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend: de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • c. indien voor de auto geen typegoedkeuring en ook geen individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele keuring inzake de omvang van de CO2-emissie, gemeten overeenkomstig richtlijn nr. 80/1268/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het brandstofverbruik van motorvoertuigen (PbEG L 375), met dien verstande dat de CO2-uitstoot van de auto met LPG of aardgas als brandstofsoort wordt gehanteerd indien de meting met LPG of aardgas als brandstof is uitgevoerd;

    • d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een voor de auto overgelegd document als bedoeld in artikel 6 van richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PB L 42), opgesteld overeenkomstig bijlage I van richtlijn 70/220/EEG danwel de overgelegde goedkeuring overeenkomstig een gelijkwaardig internationaal reglement, bedoeld in artikel 9 van richtlijn 70/156/EEG.

  • 2. Bij de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde individuele keuring van de auto wordt door belanghebbende het goedkeuringsformulier, bedoeld in bijlage X behorende bij richtlijn 70/220/EEG, overgelegd. Uit dit goedkeuringsformulier dient te blijken wat de gemeten emissie van deeltjes is. Indien uit het goedkeuringsformulier zelf niet blijkt wat de gemeten emissie van deeltjes is, kan het aantonen daarvan geschieden door overlegging van het bij het goedkeuringsformulier behorende testrapport. Het testrapportnummer dient volledig overeen te komen met het nummer dat is vermeld op het goedkeuringsformulier.

C

Artikel 7 komt te luiden:

Artikel 7

  • 1. Het voldoen aan de in artikel 9b, tweede lid, van de wet vermelde voorwaarde blijkt uit:

    • a. de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994;

    • c. indien voor de auto geen typegoedkeuring en ook geen individuele goedkeuring is verleend, een testrapport van een individuele keuring opgesteld overeenkomstig bijlage I van richtlijn 70/220/EEG van de Raad van 20 maart 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen die moeten worden genomen tegen de luchtverontreiniging door gassen afkomstig van motoren met elektrische ontsteking in motorvoertuigen (Pb L 76);

    • d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een voor de auto overgelegd document bedoeld in artikel 6 van richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PB L 42), opgesteld overeenkomstig bijlage I van richtlijn 70/220/EEG danwel de overgelegde goedkeuring overeenkomstig een gelijkwaardig internationaal reglement bedoeld in artikel 9 van richtlijn 70/156/EEG waarin de gemeten emissie van deeltjes per kilometer is vermeld en is vastgelegd overeenkomstig bijlage I van richtlijn 70/220/EEG of daarmee gelijkwaardig.

  • 2. Bij de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde individuele keuring van de auto wordt door belanghebbende het goedkeuringsformulier, als bedoeld in bijlage X behorende bij richtlijn nr. 70/220/EEG overgelegd. Uit dit goedkeuringsformulier dient te blijken wat de gemeten emissie van deeltjes is. Indien uit het goedkeuringsformulier zelf niet blijkt wat de gemeten emissie van deeltjes is, kan het aantonen daarvan geschieden door overlegging van het bij het goedkeuringsformulier behorende testrapport. Het testrapportnummer dient volledig overeen te komen met het nummer dat is vermeld op het goedkeuringsformulier.

ARTIKEL XIV

De Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘71, tweede en derde lid, en 92, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag’ vervangen door: 71, tweede en derde lid, 80, onderdeel a, onder 4°, 86, tweede lid, en 92, tweede lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma worden aan het tweede lid twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • d. een krat: een verpakking met zes vlakken waarvan minimaal een vlak open is, zodat er zonder aanpassing van de verpakking een product kan worden in- of uitgepakt;

  • e. een doos: een gesloten verpakking met zes vlakken, waaruit alleen met aanpassing van de verpakking een product kan worden in- of uitgepakt.

B

Artikel 32 komt te luiden:

Artikel 32

  • 1. Als logistieke hulpmiddelen, bedoeld in artikel 80, onderdeel a, onder 4°, van de wet worden aangemerkt:

    • a. pallets, inclusief opzetranden, palletboxen en tussenplaten, bedoeld om in combinatie met een pallet te worden gebruikt en met eenzelfde oppervlakte als de pallet;

    • b. glasbokken;

    • c. Intermediate Bulk Containers;

    • d. rolcontainers;

    • e. vaten, jerrycans en gasflessen met een inhoud vanaf 20 liter;

    • f. kratten met een inhoud vanaf 8 liter;

    • g. dozen met een inhoud vanaf 1 m3;

    • h. big bags met een inhoud vanaf 250 liter;

    • i. kernen, spoelen en haspels met een lengte vanaf 50 cm.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt de inhoud bepaald aan de hand van de binnenmaten.

  • 3. Als producten die wel voldoen aan de definitie van verpakking, maar die naar hun aard hoofdzakelijk een andere functie dan een verpakkingsfunctie hebben, bedoeld in artikel 80, onderdeel a, onder 4°, van de wet worden aangemerkt:

    • a. niet-navulbare aansteker;

    • b. injectiespuit;

    • c. niet-navulbare pen;

    • d. schrijfstift, daaronder begrepen markeringsstift;

    • e. correctieroller.

C

Na artikel 32 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 32a

Het percentage, bedoeld in artikel 86, derde lid, van de wet is 50%.

D

In artikel 32a wordt ‘artikel 86, derde lid’ vervangen door: artikel 86, tweede lid.

ARTIKEL XV

De Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, wordt ‘9, 13’ vervangen door: 9, 10, 13.

B

Artikel 2bis komt te luiden:

Artikel 2bis

  • 1. Voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, van de wet wordt onder werknemers verstaan werknemers in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 10, eerste lid, onderdeel j, van de wet wordt onder het loon op jaarbasis verstaan het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 dat de werknemer heeft genoten in het laatste kalenderjaar dat voor aanvang van het jaar is geëindigd.

ARTIKEL XVI

In artikel 2, eerste lid, van de Meldingsregeling milieu-investeringsaftrek 2001 wordt ‘Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving milieu-investeringen en milieu-investeringsaftrek 2007’ vervangen door: Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen.

ARTIKEL XVII

In artikel 12, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba 2001 wordt ‘bijlage 1 van de Aanwijzingsregeling milieu-investeringsaftrek 2007’ vervangen door: bijlage 1 van de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek milieu-investeringen.

ARTIKEL XVIII

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009, met dien verstande dat:

    • a. artikel I, onderdeel J, onder 2, terugwerkt tot en met 13 juni 2008;

    • b. artikel II, onderdeel K, terugwerkt tot en met 1 januari 2007;

    • c. artikel IV, onderdeel F, onder 2, terugwerkt tot en met 13 juni 2008;

    • d. artikel V, onderdeel C, terugwerkt tot en met 1 september 2008;

    • e. artikel VI, onderdeel F, terugwerkt tot en met 1 november 2008;

    • f. artikel VI, onderdeel J, onder 1, terugwerkt tot en met 1 april 2008;

    • g. artikel VI, onderdeel J, onder 2, terugwerkt tot en met 1 januari 2008;

    • h. artikel VI, onderdeel J, onder 3, terugwerkt tot en met 13 augustus 2008;

    • i. artikel VII, onderdeel B, onder 3, terugwerkt tot en met 1 september 2008;

    • j. artikel VII, onderdeel E, terugwerkt tot en met 1 maart 2008;

    • k. artikel VII, onderdeel F, terugwerkt tot en met 1 september 2008;

    • l. artikel VIII, onderdelen C en G, terugwerkt tot en met 1 september 2008;

    • m. artikel XIV, onderdelen A tot en met C, terugwerkt tot en met 1 januari 2008.

  • 2. In afwijking van het eerste lid treedt artikel VI, onderdeel C, in werking met ingang van 1 januari 2010.

  • 3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel VIII, onderdeel E, in werking met ingang van 1 januari 2012.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Financiën,

J.C. de Jager.

BIJLAGE L

Lijst van gouden munten als bedoeld in artikel 28j, eerste lid, onderdeel c, van de wet (artikel 29a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

(Publicatieblad van de Europese Unie 2008/C 306/6)

Geldig voor het jaar 2009

Land van uitgifte

Munteenheid1

Afghanistan

(20 Afghani)

 

10 000 Afghani

 

(1/2 Amani)

 

(1 Amani)

 

(2 Amani)

 

(4 Grams)

 

(8 Grams)

 

1 Tilla

 

2 Tillas

  

Albanië

20 Leke

 

50 Leke

 

100 Leke

 

200 Leke

 

500 Leke

  
  

Alderney

5 Pounds

 

25 Pounds

 

1 000 Pounds

  

Andorra

50 Diners

 

100 Diners

 

250 Diners

 

1 Sovereign

  

Anguilla

5 Dollars

 

10 Dollars

 

20 Dollars

 

100 Dollars

  

Argentinië

1 Argentino

  

Aruba

10 Florin

 

25 Florin

  

Australië

5 Dollars

 

15 Dollars

 

25 Dollars

 

50 Dollars

 

100 Dollars

 

150 Dollars

 

200 Dollars

 

250 Dollars

 

500 Dollars

 

1 000 Dollars

 

2 500 Dollars

 

3 000 Dollars

 

10 000 Dollars

 

1/2 Sovereign (= 1/2 Pound)

 

1 Sovereign (= 1 Pound)

  

Bahama’s

10 Dollars

 

20 Dollars

 

25 Dollars

 

50 Dollars

 

100 Dollars

 

150 Dollars

 

200 Dollars

 

250 Dollars

 

2 500 Dollars

  

België

10 Ecu

 

25 Ecu

 

50 Ecu

 

100 Ecu

 

50 Euro Gold

 

100 Euro

 

5 000 Francs

  

Belize

25 Dollars

 

50 Dollars

 

100 Dollars

 

250 Dollars

  

Bermuda

10 Dollars

 

25 Dollars

 

30 Dollars

 

50 Dollars

 

60 Dollars

 

100 Dollars

 

200 Dollars

 

250 Dollars

  

Bhutan

1 Sertum

 

2 Sertums

 

5 Sertums

  

Bolivia

4 000 Pesos Bolivianos

  

Botswana

5 Pula

 

150 Pula

 

10 Thebe

  

Brazilië

300 Cruzeiros

 

(4 000 Reis)

 

(5 000 Reis)

 

(6 400 Reis)

 

(10 000 Reis)

 

(20 000 Reis)

  

Britse Maagdeneilanden

100 Dollars

  

Bulgarije

10 Leva

 

20 Leva

 

100 Leva

  

Burundi

10 Francs

 

25 Francs

 

50 Francs

 

100 Francs

  

Canada

1 Dollar

 

2 Dollars

 

5 Dollars

 

10 Dollars

 

20 Dollars

 

50 Dollars

 

100 Dollars

 

175 Dollars

 

200 Dollars

 

350 Dollars

 

1 Sovereign

  

Caymaneilanden

25 Dollars

 

50 Dollars

 

100 Dollars

 

250 Dollars

  

Chili

2 Pesos

 

5 Pesos

 

10 Pesos

 

20 Pesos

 

50 Pesos

 

100 Pesos

 

200 Pesos

  

China

5/20 Yuan (1/20 Oz)

 

10/50 Yuan (1/10 Oz)

 

50/200 Yuan (1/2 Oz)

 

100/500 Yuan (1 Oz)

 

5 (Yuan)

 

10 (Yuan)

 

20 (Yuan)

 

25 (Yuan)

 

50 (Yuan)

 

100 (Yuan)

 

150 (Yuan)

 

200 (Yuan)

 

250 (Yuan)

 

300 (Yuan)

 

400 (Yuan)

 

450 (Yuan)

 

500 (Yuan)

 

1 000 (Yuan)

  

Colombia

1 Peso

 

2 Pesos

 

2 1/2 Pesos

 

5 Pesos

 

10 Pesos

 

20 Pesos

 

100 Pesos

 

200 Pesos

 

300 Pesos

 

500 Pesos

 

1 000 Pesos

 

1 500 Pesos

 

2 000 Pesos

 

15 000 Pesos

  

Congo

10 Francs

 

20 Francs

 

25 Francs

 

50 Francs

 

100 Francs

  

Cookeilanden

100 Dollars

 

200 Dollars

 

250 Dollars

  

Costa Rica

5 Colones

 

10 Colones

 

20 Colones

 

50 Colones

 

100 Colones

 

200 Colones

 

1 500 Colones

 

5 000 Colones

 

25 000 Colones

  

Cuba

4 Pesos

 

5 Pesos

 

10 Pesos

 

20 Pesos

 

50 Pesos

 

100 Pesos

  

Cyprus

50 Pounds

  

Denemarken

20 Kroner

  

Dominicaanse Republiek

30 Pesos

 

100 Pesos

 

200 Pesos

 

250 Pesos

  

Ecuador

1 Condor

 

10 Sucres

  

Eiland Man

1/20 Angel

 

1/10 Angel

 

1/4 Angel

 

1/2 Angel

 

1 Angel

 

5 Angel

 

10 Angel

 

15 Angel

 

20 Angel

 

1/25 Crown

 

1/10 Crown

 

1/5 Crown

 

1/2 Crown

 

1 Crown

 

50 Pence

 

1 Pound

 

2 Pounds

 

5 Pounds

 

50 Pounds

 

(1/2 Sovereign)

 

(1 Sovereign)

 

(2 Sovereigns)

 

(5 Sovereigns)

  

El Salvador

25 Colones

 

50 Colones

 

100 Colones

 

200 Colones

 

250 Colones

  

Equatoriaal-Guinea

250 Pesetas

 

500 Pesetas

 

750 Pesetas

 

1 000 Pesetas

 

5 000 Pesetas

  

Ethiopië

400 Birr

 

600 Birr

 

10 (Dollars)

 

20 (Dollars)

 

50 (Dollars)

 

100 (Dollars)

 

200 (Dollars)

  

Fiji

200 Dollars

 

250 Dollars

  

Filipijnen

1 000 Piso

 

1 500 Piso

 

5 000 Piso

  

Finland

100 Euroa

  

Frankrijk

1/4 Euro

 

10 Euro

 

20 Euro

 

50 Euro

 

5 Francs

 

10 Francs

 

40 Francs

 

50 Francs

 

100 Francs

 

500 Francs

 

655,97 Francs

  

Gabon

10 Francs

 

25 Francs

 

50 Francs

 

100 Francs

 

1 000 Francs

 

3 000 Francs

 

5 000 Francs

 

10 000 Francs

 

20 000 Francs

  

Gambia

200 Dalasis

 

500 Dalasis

 

1 000 Dalasis

  

Gibraltar

1/25 Crown

 

1/10 Crown

 

1/5 Crown

 

1/2 Crown

 

1 Crown

 

2 Crowns

 

50 Pence

 

1 Pound

 

5 Pounds

 

25 Pounds

 

50 Pounds

 

100 Pounds

 

1/25 Royal

 

1/10 Royal

 

1/5 Royal

 

1/2 Royal

 

1 Royal

  

Guatemala

5 Quetzales

 

10 Quetzales

 

20 Quetzales

  

Guernsey

1 Pound

 

5 Pounds

 

10 Pounds

 

25 Pounds

 

50 Pounds

 

100 Pounds

  

Guinee

1 000 Francs

 

2 000 Francs

 

5 000 Francs

 

10 000 Francs

  

Haïti

20 Gourdes

 

50 Gourdes

 

100 Gourdes

 

200 Gourdes

 

500 Gourdes

 

1 000 Gourdes

  

Honduras

200 Lempiras

 

500 Lempiras

  

Hongarije

1 Dukat

 

4 Forint = 10 Francs

 

8 Forint = 20 Francs

 

50 Forint

 

100 Forint

 

200 Forint

 

500 Forint

 

1 000 Forint

 

5 000 Forint

 

10 000 Forint

 

20 000 Forint

 

50 000 Forint

 

100 000 Forint

 

20 Korona

 

100 Korona

  

Hongkong

1 000 Dollars

  

IJsland

500 Kronur

 

10 000 Kronur

  

India

1 Mohur

 

15 Rupees

 

1 Sovereign

  

Indonesië

2 000 Rupiah

 

5 000 Rupiah

 

10 000 Rupiah

 

20 000 Rupiah

 

25 000 Rupiah

 

100 000 Rupiah

 

200 000 Rupiah

  

Irak

(5 Dinars)

 

(50 Dinars)

 

(100 Dinars)

  

Iran

(1/2 Azadi)

 

(1 Azadi)

 

(1/4 Pahlavi)

 

(1/2 Pahlavi)

 

(1 Pahlavi)

 

(2 1/2 Pahlavi)

 

(5 Pahlavi)

 

(10 Pahlavi)

 

500 Rials

 

750 Rials

 

1 000 Rials

 

2 000 Rials

 

50 Pound

  

Israël

20 Lirot

 

50 Lirot

 

100 Lirot

 

200 Lirot

 

500 Lirot

 

1 000 Lirot

 

5 000 Lirot

 

5 New Sheqalim

 

10 New Sheqalim

 

20 New Sheqalim

 

5 Sheqalim

 

10 Sheqalim

 

500 Sheqel

  

Ivoorkust

10 Francs

 

25 Francs

 

50 Francs

 

100 Francs

  

Jamaica

100 Dollars

 

250 Dollars

  

Jersey

1 Pound

 

2 Pounds

 

5 Pounds

 

10 Pounds

 

20 Pounds

 

25 Pounds

 

50 Pounds

 

100 Pounds

 

1 Sovereign

  

Joegoslavië

1 Ducat

 

4 Ducats

 

20 Dinara

 

100 Dinara

 

200 Dinara

 

500 Dinara

 

1 000 Dinara

 

1 500 Dinara

 

2 000 Dinara

 

2 500 Dinara

 

5 000 Dinara

  

Jordanië

2 Dinars

 

5 Dinars

 

10 Dinars

 

25 Dinars

 

50 Dinars

 

60 Dinars

  

Katanga

5 Francs

  

Kenia

100 Shillings

 

250 Shillings

 

500 Shillings

  

Kiribati

150 Dollars

  

Lesotho

1 Loti

 

2 Maloti

 

4 Maloti

 

10 Maloti

 

20 Maloti

 

50 Maloti

 

100 Maloti

 

250 Maloti

 

500 Maloti

  

Letland

100 Latu

  

Liberia

12 Dollars

 

20 Dollars

 

25 Dollars

 

30 Dollars

 

50 Dollars

 

100 Dollars

 

200 Dollars

 

250 Dollars

 

500 Dollars

 

2 500 Dollars

  

Luxemburg

5 Euro

 

10 Euro

 

20 Francs

 

40 Francs

  

Macau

250 Patacas

 

500 Patacas

 

1 000 Patacas

 

10 000 Patacas

  

Malawi

250 Kwacha

  

Maleisië

100 Ringgit

 

200 Ringgit

 

250 Ringgit

 

500 Ringgit

  

Mali

10 Francs

 

25 Francs

 

50 Francs

 

100 Francs

  

Malta

5 (Liri)

 

10 (Liri)

 

20 (Liri)

 

25 (Liri)

 

50 (Liri)

 

100 (Liri)

 

Lm 25

 

50 Euro

  

Marshalleilanden

20 Dollars

 

50 Dollars

 

200 Dollars

  

Mauritius

100 Rupees

 

200 Rupees

 

250 Rupees

 

500 Rupees

 

1 000 Rupees

  

Mexico

2 Pesos

 

2 1/2 Pesos

 

5 Pesos

 

10 Pesos

 

20 Pesos

 

50 Pesos

 

250 Pesos

 

500 Pesos

 

1 000 Pesos

 

2 000 Pesos

 

1/20 Onza

 

1/10 Onza

 

1/4 Onza

 

1/2 Onza

 

1 Onza

  

Monaco

100 Francs

 

200 Francs

 

10 Euro

 

20 Euro

 

100 Euro

  

Mongolië

750 (Tugrik)

 

1 000 (Tugrik)

  

Nederland

(1 Dukaat)

 

(2 Dukaat)

 

1 Gulden

 

5 Gulden

 

10 Euro

 

20 Euro

 

50 Euro

  

Nederlandse Antillen

5 Gulden

 

10 Gulden

 

50 Gulden

 

100 Gulden

 

300 Gulden

  

Nepal

1 Asarphi

 

1 000 Rupees

  

Nicaragua

50 Cordobas

  

Nieuw-Zeeland

10 Dollars

 

150 Dollars

  

Niger

10 Francs

 

25 Francs

 

50 Francs

 

100 Francs

  

Noorwegen

1 500 Kroner

  

Oman

25 Baisa

 

50 Baisa

 

100 Baisa

 

1/4 Omani Rial

 

1/2 Omani Rial

 

Omani Rial

 

5 Omani Rials

 

10 Omani Rials

 

15 Omani Rials

 

20 Omani Rials

 

25 Omani Rials

 

75 Omani Rials

  

Oostenrijk

10 Corona ( = 10 Kronen)

 

20 Corona ( = 20 Kronen)

 

100 Corona ( = 100 Kronen)

 

1 Ducat

 

(4 Ducats)

 

10 Euro

 

25 Euro

 

50 Euro

 

100 Euro

 

4 Florin = 10 Francs (= 4 Gulden)

 

8 Florin = 20 Francs (= 8 Gulden)

 

25 Schilling

 

100 Schilling

 

200 Schilling

 

500 Schilling

 

1 000 Schilling

 

2 000 Schilling

  

Pakistan

3 000 Rupees

  

Panama

100 Balboas

 

500 Balboas

  

Papoea-Nieuw-Guinea

100 Kina

  

Peru

1/5 Libra

 

1/2 Libra

 

1 Libra

 

5 Soles

 

10 Soles

 

20 Soles

 

50 Soles

 

100 Soles

  

Polen

50 Zloty (Golden Eagle)

 

100 Zloty (Golden Eagle)

 

100 Zloty

 

200 Zloty (Golden Eagle)

 

200 Zloty

 

500 Zloty (Golden Eagle)

  

Portugal

1 Escudo

 

100 Escudos

 

200 Escudos

 

500 Escudos

 

10 000 Reis

 

5 Euro

 

8 Euro

  

Rhodesië

10 Shillings

 

1 Pound

 

5 Pounds

  

Rusland

25 Roubles

 

50 Roubles

 

100 Roubles

 

200 Roubles

 

1 000 Roubles

 

10 000 Roubles

  

Rwanda

10 Francs

 

25 Francs

 

50 Francs

 

100 Francs

  

Salomonseilanden

10 Dollars

 

25 Dollars

 

50 Dollars

 

100 Dollars

  

San Marino

1 Scudo

 

2 Scudi

 

5 Scudi

 

10 Scudi

 

20 Euro

 

50 Euro

  

Saudi-Arabië

1 Guinea (= 1 Saudi Pound)

  

Senegal

10 Francs

 

25 Francs

 

50 Francs

 

100 Francs

 

250 Francs

 

500 Francs

 

1 000 Francs

 

2 500 Francs

  

Servië

10 Dinara

 

20 Dinara

  

Seychellen

1 000 Rupees

 

1 500 Rupees

  

Sierra Leone

1/4 Golde

 

1/2 Golde

 

1 Golde

 

5 Golde

 

10 Golde

 

1 Leone

 

20 Dollars

 

50 Dollars

 

100 Dollars

 

250 Dollars

 

500 Dollars

 

2 500 Dollars

  

Singapore

1 Dollar

 

2 Dollars

 

5 Dollars

 

10 Dollars

 

20 Dollars

 

25 Dollars

 

50 Dollars

 

100 Dollars

 

150 Dollars

 

250 Dollars

 

500 Dollars

  

Slovenië

2 500 Tolars

 

5 000 Tolars

 

20 000 Tolars

 

25 000 Tolars

 

100 Euro

 

180 Euro

  

Somalië

20 Shillings

 

50 Shillings

 

100 Shillings

 

200 Shillings

 

500 Shillings

 

1 500 Shillings

  

Spanje

2 (Escudos)

 

10 (Escudos)

 

10 Pesetas

 

20 Pesetas

 

5 000 Pesetas

 

10 000 Pesetas

 

20 000 Pesetas

 

40 000 Pesetas

 

80 000 Pesetas

 

200 Euro

 

400 Euro

  

Sudan

25 Pounds

 

50 Pounds

 

100 Pounds

  

Suriname

100 Gulden

  

Swaziland

2 Emalangeni

 

5 Emalangeni

 

10 Emalangeni

 

20 Emalangeni

 

25 Emalangeni

 

50 Emalangeni

 

100 Emalangeni

 

250 Emalangeni

 

1 Lilangeni

  

Syrië

(1/2 Pound)

 

(1 Pound)

  

Tanzania

1 500 Shilingi

 

2 000 Shilingi

  

Thailand

(150 Baht)

 

(300 Baht)

 

(400 Baht)

 

(600 Baht)

 

(800 Baht)

 

(1 500 Baht)

 

(2 500 Baht)

 

(3 000 Baht)

 

(4 000 Baht)

 

(5 000 Baht)

 

(6 000 Baht)

  

Tonga

1/2 Hau

 

1 Hau

 

5 Hau

 

1/4 Koula

 

1/2 Koula

 

1 Koula

  

Tsjaad

3 000 Francs

 

5 000 Francs

 

10 000 Francs

 

20 000 Francs

  

Tsjechische Republiek

1 000 Korun (1 000 Kč)

 

2 000 Korun (2 000 Kč)

 

2 500 Korun (2 500 Kč)

 

5 000 Korun (5 000 Kč)

 

10 000 Korun (10 000 Kč)

  

Tsjechoslowakije

1 Dukát

 

2 Dukát

 

5 Dukát

 

10 Dukát

  

Tunesië

2 Dinars

 

5 Dinars

 

10 Dinars

 

20 Dinars

 

40 Dinars

 

75 Dinars

 

10 Francs

 

20 Francs

 

100 Francs

 

5 Piastres

  

Turkije

(25 Kurush) (= 25 Piastres)

 

(50 Kurush) (= 50 Piastres)

 

(250 Kurush) (= 250 Piastres)

 

(500 Kurush) (= 500 Piastres)

 

1/2 Lira

 

1 Lira

 

500 Lira

 

1 000 Lira

 

10 000 Lira

 

50 000 Lira

 

100 000 Lira

 

200 000 Lira

 

1 000 000 Lira

 

60 000 000 Lira

  

Turks- & Caicoseilanden

100 Crowns

  

Tuvalu

50 Dollars

  

Uganda

50 Shillings

 

100 Shillings

 

500 Shillings

 

1 000 Shillings

  

Uruguay

5 000 Nuevo Pesos

 

20 000 Nuevo Pesos

 

5 Pesos

  

Vaticaanstad

10 Lire Gold

 

20 Lire

 

100 Lire Gold

 

20 Euro

 

50 Euro

  

Venezuela

(10 Bolivares)

 

(20 Bolivares)

 

(100 Bolivares)

 

1 000 Bolivares

 

3 000 Bolivares

 

5 000 Bolivares

 

10 000 Bolivares

 

5 Venezolanos

  

Verenigd Koninkrijk

(1/3 Guinea)

 

(1/2 Guinea)

 

50 Pence

 

2 Pounds

 

5 Pounds

 

10 Pounds

 

25 Pounds

 

50 Pounds

 

100 Pounds

 

(1/2 Sovereign) (= 1/2 Pound)

 

(2 Sovereigns)

 

(5 Sovereigns)

  

Verenigde Arabische Emiraten

(500 Dirhams)

 

(750 Dirhams)

 

(1 000 Dirhams)

  

Verenigde Staten

10 Dollars (American Eagle)

 

1 Dollar

 

2,5 Dollar

 

5 Dollars

 

20 Dollars

 

25 Dollars

 

50 Dollars

  

West-Samoa

50 Tala

 

100 Tala

  

Zaïre

100 Zaires

  

Zambia

250 Kwacha

  

Zuid-Afrika

1/10 Krugerrand

 

1/4 Krugerrand

 

1/2 Krugerrand

 

1 Krugerrand

 

1/10 Oz Natura

 

1/4 Oz Natura

 

1/2 Oz Natura

 

1 Oz Natura

 

1/10 Protea

 

1 Protea

 

1/2 Pond

 

1 Pond

 

1 Rand

 

2 Rand

 

5 Rand

 

25 Rand

 

1/2 Sovereign (= 1/2 Pound)

 

1 Sovereign (= 1 Pound)

  

Zuid-Korea

2 500 Won

 

20 000 Won

 

25 000 Won

 

30 000 Won

 

50 000 Won

  

Zweden

20 Kronor

 

1 000 Kronor

 

2 000 Kronor

  

Zwitserland

50 Francs

 

100 Francs

XNoot
1

In de lijst geeft de munteenheid de op de munten vermelde valuta weer. Indien de valuta niet in Romeins schrift op de munt is aangegeven, is de munteenheid voor zover mogelijk tussen haakjes vermeld.

TOELICHTING

Algemeen

De onderhavige regeling bevat wijzigingen van enige fiscale uitvoeringsregelingen, waarbij een deel voortvloeit uit het Belastingplan 20091, de Overige fiscale maatregelen 20092, de Fiscale onderhoudswet 20093, de Wet van 11 december 2008 tot wijziging van enige belastingwetten (Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen)4 en de Wet van 27 juni 2008 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken en enige andere wetten in verband met de invoering van een basisregistratie inkomen en een basisregistratie waarde onroerende zaken5. Daarnaast zijn onder meer enkele wijzigingen aangebracht met betrekking tot de spaarloonregeling, de aanwijzing van aanbieders van fiscaal gefaciliteerde producten en de tonnageregeling. Voorts zijn bedragen aangepast aan loon- of prijsontwikkelingen. Tevens zijn redactionele wijzigingen doorgevoerd en zijn enige omissies hersteld.

Aan de wijzigingen van de diverse regelingen zijn geen zelfstandige budgettaire, nalevings- of uitvoeringseffecten verbonden.

Artikelsgewijs

Artikel I

Artikel I, onderdeel A (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Het bedrag aan uitgaven voor levensonderhoud waarbij een ouder geacht wordt een kind in belangrijke mate te onderhouden, wordt in overeenstemming gebracht met het bedrag dat ter zake per 1 oktober 2008 is vastgesteld in de Regeling forfaitaire bedragen onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag 2008.

Artikel I, onderdeel B (artikel 8 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Met de wijziging van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: URIB 2001) wordt een nieuwe invulling gegeven aan de situaties waarbij in ieder geval aangenomen wordt dat de ondernemer in het kader van de onderneming is verhuisd. Door deze wijziging is dit alleen nog het geval indien de ondernemer binnen twee jaar na de verplaatsing van de onderneming verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe vestigingsplaats van de onderneming terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze vestigingsplaats woonde. Deze wijziging hangt samen met de in het Belastingplan 2009 opgenomen wijziging van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, van de Wet inkomstenbelasting 2001. De laatstgenoemde wijziging is toegelicht in de tweede nota van wijziging6 bij het Belastingplan 2009.

Artikel I, onderdeel C (artikel 9a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Om in aanmerking te komen voor de tonnageregeling geldt als voorwaarde dat een schip slechts onder de regeling kan worden gebracht indien de vlag van één van de lidstaten van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte (hierna: de lidstaten) wordt gevoerd. De communautaire richtsnoeren betreffende staatssteun voor het zeevervoer maken het evenwel mogelijk dat hierop in een drietal situaties een uitzondering wordt gemaakt. Een uitzondering is toegestaan indien op landelijk niveau het aandeel van kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten gemiddeld niet is afgenomen ten opzichte van een voorgaande periode. Dit is het geval indien het nettotonnage van de landelijke vloot onder de vlag van een van de lidstaten als percentage van het netto-tonnage van het totaal van de landelijke vloot, van kwalificerende schepen niet is afgenomen. Nederland heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door een aanpassing van artikel 3.22 Wet IB 2001. Blijkens artikel 3.22, zesde lid, onderdeel c, juncto artikel 3.22, tiende lid, Wet IB 2001 wordt jaarlijks bij ministeriële regeling bepaald of op landelijk niveau de nettotonnage van kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten als percentage van de netto-tonnage van kwalificerende schepen in een bepaalde periode vergeleken met de daaraan voorafgaande periode, niet is afgenomen. De bedoelde ministeriële regeling wordt vastgesteld in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat. Uit berekeningen blijkt dat het aandeel van de tonnage onder Nederlandse vlag, of de vlag van een andere lidstaat in de periode 2005 tot en met 2007 ten opzichte van de periode 2004 tot en met 2006 echter gemiddeld is gedaald van 71,295% naar 67,880%. Omdat is vastgesteld dat op landelijk niveau de netto-tonnage van voor de tonnageregeling kwalificerende schepen die de vlag voeren van een van de lidstaten gedurende de periode 2005 tot en met 2007 ten opzichte van de periode 2004 tot en met 2006 is afgenomen, dient de in artikel 9a opgenomen bepaling te vervallen. Dit houdt in dat voor schepen die in het kalenderjaar 2009 in gebruik worden genomen, de voorwaarde dat het schip de vlag voert van een van de lidstaten wel geldt, tenzij een van de uitzonderingsgronden van artikel 3.22, zesde lid, onderdeel a of b, van toepassing is.

Artikel I, onderdeel D (artikel 28 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Om gebruik te kunnen maken van de regeling voor ‘groen beleggen’ moeten projecten bij ministeriële regeling of door middel van een verklaring zijn aangewezen als projecten die in het belang zijn van de bescherming van het milieu, waaronder natuur en bos. Er zijn drie ministeriële regelingen die daartoe strekken, namelijk de Regeling groenprojecten 2005, de Regeling groenprojecten buitenland 2002 en de Regeling groenprojecten Nederlandse Antillen en Aruba 2002. Laatstgenoemde regeling was abusievelijk niet opgenomen in de opsomming in artikel 28 van de URIB 2001. Dit verzuim wordt thans hersteld.

Artikel I, onderdeel E (artikel 29 van het Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Artikel 29 van de URIB 2001 bevat de voorwaarden voor een verzoek tot aanwijzing als groenfonds, sociaal-ethisch fonds of cultureel fonds. In het nieuwe vijfde lid van genoemd artikel 29 is bepaald dat de Belastingdienst zal zorgen voor de bekendmaking van de door de inspecteur aangewezen fondsen. Het voorschrift luidt dat de aanwijzing publiek bekend wordt gemaakt op een daartoe geschikte wijze. De Belastingdienst doet dit in de praktijk door publicatie op de website van de Belastingdienst (www.belastingdienst.nl ). De belastingplichtige particulier die belegt in deze fondsen, kan aan de publicatie het vertrouwen ontlenen over de toepasbaarheid van de fiscale faciliteiten van de artikelen 5.14, 5.15 en 5.18a van de Wet IB 2001.

Artikel I, onderdeel F (artikel 29b van het Uitvoeringregeling inkomstenbelasting 2001)

Artikel 29b van de URIB 2001 bevat de bepalingen terzake van de intrekking van een aanwijzing als groenfonds, sociaal-ethisch fonds of cultureel fonds. Evenals de aanwijzing zelf, zal ook intrekking van een aanwijzing via www.belastingdienst.nl of op andere wijze bekend worden gemaakt aan het publiek.

Artikel I, onderdeel G (artikel 33 van het Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

Het vijfde lid van artikel 33 van de URIB 2001 verklaart de artikelen 29 en 29b van de URIB 2001 van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het verzoek om aanwijzing als participatiemaatschappij op het terrein van de afhandeling van dat verzoek, de informatieverstrekking en de intrekking. Deze bepaling wordt nu aangevuld met het oog op het publiek bekend maken van de aanwijzing en intrekking.

Artikel I, onderdeel H (artikel 36 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

De bedragen van de maximumaftrek voor levensonderhoud van kinderen zijn geactualiseerd op basis van de bedragen die zijn vastgesteld in de Regeling indexering AKW-bedragen juli 2008.

Artikel I, onderdeel I (artikel 40 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 40 van de URIB 2001 is bepaald welk bedrag aan weekenduitgaven voor gehandicapten in aanmerking kan worden genomen. In de tekst zoals deze geldt tot de in dit onderdeel opgenomen wijziging wordt daarbij verwezen naar het in artikel 6.18, zesde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001, zoals dit tot 1 januari 2009 luidt, genoemde bedrag van € 0,20 per kilometer. Met ingang van 1 januari 2009 vervalt de laatstgenoemde bepaling (in het kader van de uit het Belastingplan 2008 voortvloeiende afschaffing van de buitengewone uitgavenregeling, waar dit artikel onderdeel van was). In het kader van de invoering van de regeling uitgaven voor specifieke zorgkosten7 – waarin een vergelijkbare bepaling is opgenomen als het voornoemde artikel 6.18, zesde lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001 –, wordt de kilometervergoeding met ingang van 1 januari 2009 binnen de regeling uitgaven voor specifieke zorgkosten gesteld op € 0,19 per kilometer en bovendien niet langer geïndexeerd. Hiermee is beoogd de kilometervergoedingen binnen de Wet IB 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 met elkaar in overeenstemming te brengen. Ook binnen de regeling weekenduitgaven voor gehandicapten wordt derhalve een kilometervergoeding van € 0,19 per kilometer opgenomen. Het voorgaande is aanleiding om per 1 januari 2009 in artikel 40 van de URIB 2001 niet langer te verwijzen naar de regeling in de Wet IB 2001, maar het per die datum geldende bedrag van € 0,19 per kilometer in de bepaling zelf op te nemen.

Artikel I, onderdeel J (artikel 40a van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001)

In artikel 40a van de URIB 2001 zijn de instanties opgenomen waarvan de afgegeven verklaring tot erkenning van een procedure erkenning verworven competenties als een erkende EVC-procedure tot gevolg heeft dat de kosten van het volgen van die procedure in aanmerking kunnen worden genomen als scholingsuitgaven.

Een van de genoemde instanties betreft het Kwaliteitscentrum examinering beroepsonderwijs. Echter, ingevolge de Wet van 22 mei 2008, houdende wijziging van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met de overgang van het toezicht op de kwaliteit van de examinering van de beroepsopleidingen naar de Inspectie van het onderwijs (Stb. 204) worden de taken van het Kwaliteitscentrum examinering beroepsonderwijs voortaan uitgevoerd door de Inspectie van het onderwijs. Deze wet is per 13 juni 2008 in werking getreden. Daarom wordt met terugwerkende kracht tot en met 13 juni 2008 in artikel 40a, onderdeel a, van de URIB 2001 ‘het Kwaliteitscentrum examinering beroepsonderwijs’ vervangen door ‘de Inspectie van het onderwijs’.

De wijzigingen in artikel 40a, onderdelen b en c, van de URIB 2001 betreffen redactionele aanpassingen waarmee geen inhoudelijke wijzigingen zijn beoogd.

Artikel II

Artikel II, onderdeel A (artikel 25 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Met de wijziging van artikel 25 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (hierna: URLB 2001) wordt een nieuwe invulling gegeven aan de situaties waarbij in ieder geval aangenomen wordt dat de werknemer in het kader van de dienstbetrekking is verhuisd. Door deze wijziging is dit alleen nog het geval indien de werknemer binnen twee jaar na aanvaarding van een nieuwe dienstbetrekking of na overplaatsing binnen de bestaande dienstbetrekking verhuist naar een woning binnen een afstand van 10 kilometer van de nieuwe plaats van zijn dienstbetrekking terwijl hij op een afstand groter dan 25 kilometer van deze plaats woonde. Deze wijziging hangt samen met de in het Belastingplan 2009 opgenomen wijziging van artikel 15a, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964). De laatstgenoemde wijziging is toegelicht in de tweede nota van wijziging8

Artikel II, onderdeel B (artikel 28 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De regeling voor vaste vrije reiskostenvergoedingen van artikel 28 van de URLB 2001 (tekst 2008) wordt per 1 januari 2009 opgenomen in artikel 15a van de Wet LB 1964. De wijziging van artikel 15a van de Wet LB 1964 is opgenomen in het Belastingplan 2009 en is toegelicht in de tweede nota van wijziging9 bij het Belastingplan 2009. Hierdoor kan artikel 28 (tekst 2008) van de URLB 2001 per 1 januari 2009 vervangen worden door een nieuw artikel 28, waarin uitvoering wordt gegeven aan de in artikel 15a, derde lid, van de Wet LB 1964 opgenomen delegatiebepaling. In het nieuwe artikel 28 worden instanties aangewezen waarvan de afgegeven verklaring tot erkenning van een procedure erkenning verworven competenties als een erkende EVC-procedure, tot gevolg heeft dat de kosten van het volgen van die procedure in aanmerking kunnen worden genomen als uitgaven voor het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en inkomen. Hierbij is in beginsel aangesloten bij de instanties die zijn aangewezen in de tot 1 januari 2009 geldende (maar ingevolge deze wijzigingsregeling eveneens aangepaste) tekst van artikel 40a van de URIB 2001 en van artikel 12bb van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering. Na inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling zijn alle genoemde overeenkomstige bepalingen inhoudelijk gelijkluidend.

Artikel II, onderdeel C (artikel 34 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor de waarde van bewassing, energie en water zijn geactualiseerd.

Artikel II, onderdeel D (artikel 35 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor inwoning zijn geactualiseerd.

Artikel II, onderdeel E (artikel 47 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De tot 1 januari 2009 geldende tekst van artikel 47, tweede lid, van de URLB 2001 bepaalde dat het eerste lid van dat artikel niet van toepassing is indien er sprake is van een vaste vrije reiskostenvergoeding op grond van artikel 28 van de URLB 2001. Omdat de regeling voor vaste vrije reiskostenvergoedingen in het Belastingplan 2009 is overgeheveld naar artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB 1964, wordt de verwijzing in artikel 47, tweede lid, van de URLB 2001 naar artikel 28 van de URLB 2001 vervangen door een verwijzing naar artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB 1964. Met deze aanpassing is geen inhoudelijke wijziging beoogd. De wijziging van artikel 15a, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB 1964 is toegelicht in de tweede nota van wijziging10 bij het Belastingplan 2009.

Artikel II, onderdeel F (artikel 51 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor huisvesting aan boord van schepen en op boorplatforms en in pakwagens van kermisexploitanten zijn geactualiseerd.

Artikel II, onderdeel G (artikel 55 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

De bedragen van het waarderingsvoorschrift voor maaltijden in bedrijfskantines zijn geactualiseerd.

Artikel II, onderdeel H (artikel 59 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Het in artikel 59 van de URLB 2001 genoemde rentepercentage wordt gesteld op het percentage van de heffings- en invorderingsrente bij belastingen zoals dat is vastgesteld voor het eerste kalenderkwartaal van het kalenderjaar. Aan de hand van dit rentepercentage wordt bepaald in hoeverre een rentevoordeel ter zake van een geldlening aan personeel tot de vrije verstrekkingen behoort.

Artikel II, onderdeel I (artikel 61k van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

In artikel 61k, tweede, vierde en vijfde lid van de URLB 2001 worden enkele redactionele wijzigingen aangebracht.

In het nieuwe zesde lid van artikel 61k van de URLB 2001 is bepaald dat de aanwijzing van buitenlandse kredietinstellingen, verzekeraars of beheerders van beleggingsinstellingen als toegelaten instantie om een levensloopregeling uit te voeren, gepubliceerd wordt. Het voorschrift luidt dat de aanwijzing publiek bekend wordt gemaakt op een daartoe geschikte wijze. Publicatie zal kunnen plaatsvinden op de website van de Belastingdienst (www.belastingdienst.nl). De belastingplichtige te goeder trouw die een levensloopvoorziening wil onderbrengen bij een buitenlandse kredietinstelling, verzekeraar of beheerder van een beleggingsinstelling, kan aan de publicatie het vertrouwen ontlenen dat de buitenlandse instelling kwalificeert als toegelaten aanbieder. Ook de intrekking van de aanwijzing zal op www.belastingdienst.nl of op andere wijze bekend worden gemaakt aan het publiek.

Artikel II, onderdelen J en L (artikelen 81 en 85 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Ingevolge de SZW-intrekkingsregeling 2004 is de Regeling compensatie inkomensachteruitgang ex-banenpoolers met ingang van 22 september 2004 vervallen. Omdat de laatstgenoemde regeling inmiddels ook materieel is uitgewerkt, zijn de in artikel 81, onderdeel d, en artikel 85 van de URLB 2001 opgenomen bepalingen, die betrekking hadden op ingevolge de Regeling compensatie inkomensachteruitgang ex-banenpoolers verstrekte subsidies, overbodig geworden. Door de hier opgenomen wijzigingen vervallen deze bepalingen.

Artikel II, onderdeel K (artikel 84a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Ingevolge artikel IV, onderdeel OO, van de regeling van de Minister van Financiën van 12 december 2006, nr. DB 2006-658 M, tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen (Stcrt. 251) is onderdeel h van artikel 82, eerste lid, van de URLB 2001 verletterd tot onderdeel d. De verwijzing naar dat onderdeel in artikel 84a, onderdeel b, van de URLB 2001 was hierbij abusievelijk niet aangepast. Met de wijziging van artikel 84a, onderdeel b, van de URLB 2001 vindt deze aanpassing, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2007, alsnog plaats.

Artikel II, onderdeel M (artikel 87 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001)

Artikel 87 van de URLB 2001 bevat de zogenoemde doorbetaaldloonregeling. Het artikel vervalt met ingang van 1 januari 2009 omdat deze regeling dan krachtens de Overige fiscale maatregelen 2008 in herziene vorm wordt opgenomen in artikel 32d van de Wet LB 1964 en, wat de premies werknemersverzekeringen betreft, in artikel 59, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.

Artikel III

Artikel III (artikel 19b van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen)

De tot 1 januari 2009 geldende tekst van artikel 19b, eerste lid, onderdelen a en b, van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen (hierna: URWW) bepaalt dat – in afwijking van artikel 19 van die regeling – ook binnen de in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 genoemde termijn van vier jaar over het tegoed van de spaarloonregeling mag worden beschikt ten behoeve van de voldoening van premies voor lijfrenten en kapitaalverzekeringen. Aan deze deblokkeringsmogelijkheid is respectievelijk in onderdeel a voor lijfrenten en in onderdeel b voor kapitaalverzekeringen de voorwaarde verbonden dat de polis van de desbetreffende lijfrente respectievelijk kapitaalverzekering onbezwaard deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of dat van zijn echtgenoot respectievelijk fiscale partner. Deze eis houdt bijvoorbeeld in dat een dergelijke polis niet mag zijn verpand.

Bij een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) is doorgaans sprake van verpanding van de overeenkomst van levensverzekering aan de hypotheeknemer (de kredietverstrekker). Het gevolg van de verpanding in combinatie met de eis van een onbezwaard deel uitmaken van het vermogen, is dat de tussentijdse deblokkeringsmogelijkheid van het spaarloon voor premies of stortingen voor een KEW feitelijk niet kan worden benut. Ook maakt dat de per 1 januari 2008 in artikel 19b, zesde lid, van de URWW opgenomen bepaling voor de spaarrekening eigen woning (SEW) en het beleggingsrecht eigen woning (BEW), op basis waarvan dit artikel van overeenkomstige toepassing is op naar een SEW overgemaakte bedragen en op naar een beheerder van een BEW overgemaakte bedragen ter verkrijging van rechten van deelneming, feitelijk een weinig betekenisvolle bepaling.

Ook voor wat betreft de lijfrente is de eis van het onbezwaard deel uitmaken van het vermogen een weinig betekenisvolle bepaling. Als een lijfrente formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid gaat dienen, anders dan op grond van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, van de Wet inkomstenbelasting 2001 of ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990, is er immers geen sprake meer van een fiscaal gefaciliteerde box 1 lijfrente.

Een dergelijke lijfrente gaat dan over naar box 3 en er worden negatieve uitgaven in aanmerking genomen (artikel 3.133, eerste lid, onderdeel e, Wet IB 2001). Een dergelijke lijfrente voldoet dan per definitie niet aan artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, van de URWW, omdat er geen sprake meer is van een box 1 lijfrente als bedoeld in artikel 3.124 en 3.125 van de Wet IB 2001. Dergelijke lijfrentepolissen zijn daarmee automatisch uitgesloten van de toepassing van artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, van de URWW. De eis van het onbezwaard deel uitmaken van het vermogen heeft voor dergelijke polissen derhalve geen toegevoegde waarde.

Voor situaties waarin sprake is van een (op grond van artikel 3.126, eerste lid, onderdeel d, onder 2°, van de Wet IB 2001 of ten behoeve van uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, Invorderingswet 1990) ‘toegestane’ bezwaring, vormt de eis van het onbezwaard deel uitmaken van het vermogen wel een belemmering voor een tussentijdse deblokkering van het tegoed van de spaarloonregeling. Hoewel deze combinatie in de praktijk wellicht niet vaak zal voorkomen, is er in ieder geval ook geen reden om deze eis voor deze situaties te handhaven. Deze eis komt daarom per 1 januari 2009 zowel voor lijfrenten, en daarmee ook voor lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten, als voor kapitaalverzekeringen, inclusief de KEW en daarmee ook voor de SEW en BEW, te vervallen.

Daarnaast wordt een wijziging aangebracht ten aanzien van de eis van wiens vermogen de polis deel moet uitmaken. In artikel 19b, eerste lid, onderdeel a, van de URWW is opgenomen dat de polis deel moet uitmaken van het vermogen van de werknemer of dat van zijn echtgenoot. Er is geen reden om de polis die deel uitmaakt van het vermogen van de fiscale partner anders dan de echtgenoot uit te sluiten van de deblokkeringsmogelijkheid. Daarom wordt in genoemd onderdeel a de echtgenoot vervangen door de partner in de zin van artikel 1.2 van de Wet IB 2001.

In artikel 19b, eerste lid, onderdeel b, van de URWW geldt reeds de eis dat de polis deel uitmaakt van het vermogen van de werknemer of dat van zijn fiscale partner. De verwijzing naar het fiscaal partnerschap is echter ten onrechte beperkt tot een verwijzing naar artikel 1.2, eerste lid, van de Wet IB 2001. Daarom wordt in genoemd onderdeel b de verwijzing aangepast tot een verwijzing naar geheel artikel 1.2 van de Wet IB 2001. De bepaling is daarmee ook in overeenstemming gebracht met artikel 19a van de URWW.

De verwijzing naar artikel 1.2 van de Wet IB 2001 is in overeenkomstige zin aangepast in de overige leden van artikel 19b van de URWW.

Met de wijziging van de verwijzing naar artikel 2, achtste lid, wordt een onjuiste verwijzing hersteld. Met deze wijziging is geen inhoudelijke wijziging beoogd. De wijziging werkt terug tot en met de datum waarop de onjuistheid van de verwijzing is ontstaan.

Artikel IV

Artikel IV, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De tot 1 januari 2009 geldende tekst van artikel 1, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering (hierna: URAV) bepaalt wat voor deze regeling onder de Centrale organisatie werk en inkomen wordt verstaan. De Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) worden per 1 januari 2009 samengevoegd, waarbij de nieuwe organisatie de naam UWV draagt. In de nieuwe tekst wordt daarom voortaan bepaald wat voor de URAV onder het UWV wordt verstaan.

Artikel IV, onderdeel B (artikel 2 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

In de tot 1 januari 2009 geldende tekst van artikel 2, derde lid, van de URAV is een verwijzing opgenomen naar artikel 5 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Laatstgenoemde bepaling wordt ingevolge de Overige fiscale maatregelen 2009 echter gewijzigd met ingang van 1 januari 2009. In samenhang daarmee is de verwijzing in artikel 2, derde lid, van de URAV overeenkomstig aangepast.

Artikel IV, onderdeel C (artikel 3 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

In de tot 1 januari 2009 geldende tekst van artikel 3 van de URAV is een verwijzing opgenomen naar artikel 5 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen. Laatstgenoemde bepaling wordt ingevolge de Overige fiscale maatregelen 2009 echter gewijzigd met ingang van 1 januari 2009. In samenhang daarmee is de verwijzing in artikel 3 van de URAV overeenkomstig aangepast.

Artikel IV, onderdeel D (artikel 6 van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

De bedragen zoals opgenomen in de tabel van artikel 6, eerste lid, van de URAV zijn geactualiseerd voor 2009. De tabel ziet op de inkomensevenredige vermindering van de afdrachtvermindering onderwijs en van het toetsloon in de situatie dat het loon van werknemers niet per tijdseenheid wordt berekend. In die situatie wordt bij de berekening uitgegaan van het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met het uit de tabel volgende bedrag in plaats van verminderd met het overwerkloon, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen.

Artikel IV, onderdeel E (artikel 12aa van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

Met de wijziging van artikel 12aa, derde lid, van de URAV wordt een onjuiste verwijzing naar artikel 14 van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen hersteld. Met deze wijziging is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Tevens wordt in dit derde lid het UWV genoemd in plaats van de Centrale organisatie werk en inkomen. De reden hiervoor is toegelicht bij artikel IV, onderdeel A (artikel 1 van de URAV).

Artikel IV, onderdeel F (artikel 12bb van de Uitvoeringsregeling afdrachtvermindering)

In artikel 12bb van de URAV zijn de instanties opgenomen waarvan de afgegeven verklaring tot erkenning van een procedure erkenning verworven competenties als een erkende EVC-procedure, tot gevolg heeft dat de afdrachtvermindering onderwijs van toepassing is (mits de inhoudingsplichtige de kosten voor zijn rekening neemt).

Voor een toelichting op de wijziging van dit artikel wordt verwezen naar de toelichting op de in artikel I, onderdeel J, opgenomen wijziging van artikel 40a van de URIB 2001.

Artikel V

Artikel V, onderdeel A (artikel 6 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Door de in de Fiscale onderhoudswet 2009 opgenomen wijziging van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van de Wet op de omzetbelasting 1968, is het ook mogelijk om via de notariële akte van levering de keuze voor de uitzondering van de vrijstelling voor de levering van onroerende zaken tot uitdrukking te brengen. Tot de genoemde wetswijziging is dit alleen mogelijk door het indienen van een gezamenlijk verzoek van de leverancier en de afnemer daartoe bij de inspecteur. De voorwaarden die aan deze keuze via de notariële akte zijn verbonden dienen echter gelijk te zijn aan de optie via een gezamenlijk verzoek. Hiertoe dient artikel 6, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 te worden uitgebreid met de keuze via de notariële akte.

Artikel V, onderdeel B (artikel 6a van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Door de in de Fiscale onderhoudswet 2009 opgenomen wijziging van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, onder 5°, van de Wet op de omzetbelasting 1968, is het ook mogelijk om via een schriftelijke huurovereenkomst de keuze voor de uitzondering van de vrijstelling voor de verhuur van onroerende zaken tot uitdrukking te brengen. Tot de wetswijziging is dit wettelijk alleen mogelijk door het indienen van een gezamenlijk verzoek van de leverancier en de afnemer daartoe bij de inspecteur. De voorwaarden die aan deze keuze via de schriftelijke huurovereenkomst zijn verbonden dienen echter gelijk te zijn aan de optie via een gezamenlijk verzoek. Hiertoe dient artikel 6a, eerste en tweede lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 te worden uitgebreid met de keuze via de schriftelijke huurovereenkomst.

Bij beleidsbesluit van 15 september 1998, nr. VB 98/192011 heeft de Staatssecretaris goedgekeurd dat het overleggen van een verklaring inzake het gebruik, binnen vier weken na afloop van het boekjaar waarin men de onroerende zaak is gaan huren, achterwege kan blijven indien aan de voor de uitzondering geldende voorwaarden voor gebruik is voldaan. Hiermee heeft deze verplichting in dat geval haar belang verloren en wordt het zevende lid daarop aangepast.

Artikel V, onderdeel C (artikel 26 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

De Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer (in werking getreden op 1 september 2008) heeft in civiele zaken de in het verleden bestaande procesvertegenwoordiging door een procureur afgeschaft. Dit betekent dat de regel is komen te vervallen dat een advocaat in een ander arrondissement dan waarin hij is gevestigd bij een rechtbank, voor zover het niet kantonzaken betreft, of een gerechtshof alleen kan procederen door gebruik te maken van de diensten van een in dat andere arrondissement ingeschreven procureur.

In artikel 26, eerste lid, van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 worden ondernemers aangewezen voor toepassing van het zogenoemde kasstelsel. De afschaffing van het instituut procureur maakte het noodzakelijk om in onderdeel a, onder 12°, van dat lid het begrip procureur te laten vervallen. Met de onderhavige wijzigingsregeling is dit bereikt.

De wijziging van artikel 26, eerste lid, onderdeel a, onder 12°, heeft terugwerkende kracht tot en met 1 september 2008. Dit houdt verband met de inwerkingtreding per die datum van de Wet afschaffing procuraat en invoering elektronisch berichtenverkeer.

Artikel V, onderdeel D (bijlage L Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968)

Ingevolge artikel 29a van de Uitvoeringsbeschikking zijn in de bij die beschikking behorende bijlage L de gouden beleggingsmunten opgenomen die door de Europese Commissie zijn gepubliceerd in de C-versie van het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze munten worden daarmee geacht te voldoen aan de criteria voor beleggingsmunten in artikel 28j, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 – zie onderdeel c van dat lid – en wel gedurende het gehele jaar waarvoor de gepubliceerde lijst geldt. Voor deze munten geldt dan het vrijstellingsregime voor beleggingsgoud. De voor het jaar 2008 geldende lijst zoals die in bijlage L was opgenomen, wordt thans vervangen door een nieuwe lijst voor het jaar 2009. Daarbij zij nog vermeld dat de lijst is opgesteld in de alfabetische volgorde van de namen van de landen en de munteenheden. Binnen eenzelfde categorie zijn de munten in volgorde van toenemende muntwaarde vermeld. In de lijst geeft de munteenheid de op de munten vermelde valuta weer. In die gevallen waarin de valuta niet in Romeins schrift op de munt is aangegeven, is de munteenheid in zoverre tussen haakjes vermeld. Ten slotte zij nog opgemerkt dat voor niet op de lijst voorkomende gouden munten eveneens het vrijstellingsregime geldt mits die munten voldoen aan de vrijstellingscriteria van artikel 28j, eerste lid, onderdeel b, van de wet.

Artikel VI

Artikel VI, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 (hierna: UR AWR 1994) wordt met ingang van 1 januari 2009 ook uitvoering gegeven aan de in de artikelen 21d, eerste lid, laatste volzin, en 21k, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgenomen delegatiebepalingen met betrekking tot de basisregistratie inkomen. Artikel 1 van die regeling wordt om die reden met een verwijzing naar die artikelen aangevuld. Tevens wordt dat artikel aangevuld met een verwijzing naar artikel 30f van de AWR. Aan de in artikel 30f, vierde lid, van de AWR opgenomen delegatiebepaling was al eerder uitvoering gegeven in de genoemde uitvoeringsregeling, maar in genoemd artikel 1 werd abusievelijk nog niet naar genoemd artikel 30f verwezen. Met ingang van 1 januari 2009 gebeurt dit alsnog.

Artikel VI, onderdelen B en C (artikel 20 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Deze wijziging hangt samen met de Wet van 11 december 2008 tot wijziging van enige belastingwetten (Belastingheffing excessieve beloningsbestanddelen) (Stb. 547). Ingevolge die wet wordt namelijk – naast de reeds bestaande pseudo-eindheffing voor regelingen voor vervroegde uittreding, bedoeld in artikel 32aa van de Wet op de loonbelasting 1964 – een tweetal pseudo-eindheffingen geïntroduceerd nl. de pseudo-eindheffing bij excessieve vertrekvergoedingen en – met ingang van 1 januari 2010 – de pseudo-eindheffing bij backservice voor hoge inkomens. Gezien het naar verwachting geringe aantal keer dat een dergelijke pseudo-eindheffing zal voorkomen, is ervoor gekozen de aangifte voor wat betreft deze pseudo-eindheffingen niet via de loonaangifte te laten lopen, maar is gekozen voor een schriftelijk afhandeling van deze pseudo-eindheffingen op in de aangiftebrief, bedoeld in artikel 4a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994, aan te geven wijze. Om deze schriftelijke afhandeling van deze pseudo-eindheffingen mogelijk te maken is via de hier opgenomen wijziging een uitzondering gecreëerd op de hoofdregel dat de aangifte voor de loonbelasting op elektronische wijze geschiedt.

Artikel VI, onderdeel D (artikel 21c van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Artikel 10 van de Wet op de dividendbelasting 1965 (hierna: Wet DB 1965) bevat de mogelijkheid van teruggaaf van dividendbelasting. Bij Overige fiscale maatregelen 2008, die met ingang van 1 januari 2008 in werking is getreden, is artikel 10 van de Wet DB 1965 gewijzigd; onder vernummering van het tot die datum geldende derde en vierde lid tot tweede en derde lid, is het tot die datum geldende tweede lid komen te vervallen.

Artikel 21c van de UR AWR 1994 bevat de termijn waarin de aangifte met daarin het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting dient te worden gedaan. Nu artikel 21c van de UR AWR 1994 abusievelijk nog niet was aangepast aan genoemde wetswijziging en derhalve bij de verwijzing in artikel 21c van de UR AWR 1994 naar artikel 10 van de Wet DB 1965 nog geen rekening was gehouden met de vernummering en het laten vervallen van het tweede lid van artikel 10 van de Wet DB 1965, geschiedt dit thans alsnog.

Met deze aanpassing is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel VI, onderdeel E (artikel 24 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Het herzieningensysteem dat al gold voor voorlopige aanslagen tot een negatief bedrag die voor of in de loop van het tijdvak worden vastgesteld (de voorlopige teruggaaf), zal ook gaan gelden voor voorlopige aanslagen tot een positief bedrag en voor na afloop van het tijdvak opgelegde voorlopige aanslagen. Voor alle voorlopige aanslagen wordt één programma ontwikkeld waarmee wijzigingen op een eenvoudige wijze kunnen worden doorgegeven aan de Belastingdienst. Door de werkwijze rond voorlopige aanslagen per 2009 eenduidig en uniform vorm te geven, ongeacht of er sprake is van een te betalen bedrag of een terug te ontvangen bedrag (en ongeacht of deze voor of in het tijdvak wordt vastgesteld dan wel na afloop van het tijdvak), wordt een integratie van beide processen mogelijk. Hiermee wordt een aanzienlijke vereenvoudiging van de procedure voor de burger en ondernemer en van de processen voor de Belastingdienst bereikt en worden de gegevens van de Belastingdienst actueler dan nu het geval is.

Artikel VI, onderdeel F (artikel 26 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Bij de Wet van 11 september 2008 houdende wijziging van de Wet op de kansspelbelasting in verband met kansspelen via internet (Stb. 385) zijn de kansspelen die via internet worden gespeeld onder het bereik van de kansspelbelasting gebracht. Die wet is met ingang van 1 november 2008 in werking getreden. In verband hiermee wordt in artikel 26, eerste lid, van de UR AWR 1994 ook degene die gelegenheid geeft tot deelneming aan binnenlandse kansspelen die via het internet worden gespeeld, opgenomen in de opsomming van belastingplichtigen voor wie een tijdvak van een kalendermaand geldt om de verschuldigde belasting te betalen.

Artikel VI, onderdeel G (artikel 27 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In artikel 27, tweede lid, van de UR AWR 1994 is met ingang van 1 januari 2009 geregeld dat de ondernemer die over enig kalenderjaar verpakkingenbelasting moet betalen, uiterlijk aan het einde van elk kwartaal van dat jaar een voorlopige betaling doet. Deze betaling bedraagt 25% van de verpakkingenbelasting die over het voorafgaande kalenderjaar verschuldigd zou zijn op basis van het tarief dat geldt voor het kalenderjaar waarin de voorlopige betalingen moeten worden gedaan. De ondernemer kan op deze manier zijn voorlopige betaling baseren op de aangifte van de hoeveelheden verpakkingen waarover in 2008 belasting is betaald.

Een ondernemer die zich in de loop van een kalenderjaar aanmeldt als belastingplichtige voor de verpakkingenbelasting heeft evenwel geen referenties van het voorafgaande jaar. Daardoor kan hij niet voldoen aan de verplichting van artikel 27, tweede lid, van de UR AWR 1994. Het nieuwe derde lid van artikel 27 voorziet erin dat een ‘nieuwe’ belastingplichtige kan worden gehouden voorlopige betalingen te doen in het jaar dat hij zich aanmeldt als belastingplichtige. Hij dient aan het eind van elk resterend kwartaal van het kalenderjaar een voorlopige betaling te doen. De laatste volzin van het derde lid bewerkstelligt dat ook het lopende kwartaal als een kwartaal wordt aangemerkt. De voorlopige betaling betreft telkens een evenredig deel van het geschatte bedrag van de over dat jaar verschuldigde verpakkingenbelasting. Het hoogte van het evenredige deel is afhankelijk van het aantal nog resterende (dus inclusief het lopende) kwartalen.

Een voorbeeld ter verduidelijking. Indien een ondernemer zich in mei 2009 aanmeldt als belastingplichtige voor de verpakkingenbelasting, dient hij drie maal een voorlopige betaling te doen van telkens 1/3 van het totale geschatte bedrag. De voorlopige betalingen dienen plaats te vinden aan het eind van juni 2009, september 2009 en december 2009. Betreft het een ondernemer die zich aanmeldt in september 2009 dan dient hij twee maal een voorlopige betaling te doen, te weten eind september en eind december, waarbij het evenredige deel telkens op de helft (½) wordt gesteld.

Het nieuwe vierde lid van artikel 27 UR AWR 1994 voorziet er in dat de in de loop van enig jaar voor de verpakkingenbelasting belastingplichtig geworden ondernemer in het eerstvolgende jaar zijn op basis van artikel 27, tweede lid, van de UR AWR 1994 verplichte voorlopige betalingen aan het eind van elk kalenderkwartaal kan doen op basis van de aanname dat zijn startjaar een volwaardig kalenderjaar was. Letterlijke toepassing van het tweede lid zou voor deze ondernemer immers betekenen dat hij elk kwartaal 25% betaalt op basis van zijn aangegeven kilogrammen van het jaar ervoor. Een ondernemer die in de loop van een kalenderjaar belastingplichtig wordt, beschikt het jaar erna niet over een volwaardig voorafgaand kalenderjaar. Bij wege van fictie wordt dat gedeelte van het kalenderjaar herrekend tot een volwaardig kalenderjaar. Dat laatste gegeven is dan uitgangspunt voor zijn voorlopige betalingen. Uiteraard geldt ook hier dat de voorlopige betaling wel geschiedt op basis van het tarief voor het kalenderjaar waarin de voorlopige betalingen moeten worden gedaan.

Een voorbeeld ter verduidelijking. Stel, iemand wordt in september 2009 belastingplichtig voor de verpakkingenbelasting. Over de vier maanden in 2009 heeft hij uiteindelijk 15 000 kg verpakkingen aangegeven (uitsplitsing naar materiaalsoorten wordt voor het leesgemak achterwege gelaten). Met de fictie dat 2009 als een volwaardig jaar moet worden beschouwd, worden 15 000 kg verpakkingen voor vier maanden herrekend tot 45 000 kg verpakkingen voor een heel jaar.

Artikel VI, onderdeel H (artikel 29 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Artikel 29 van de UR AWR 1994 bepaalt dat voor bepaalde personen het kalenderhalfjaar of het kalenderjaar het betalingstijdvak voor de loonbelasting is. Per 1 januari 2009 wordt hier een nieuwe categorie aan toegevoegd. Deze wijziging hangt samen met de zogenoemde regeling persoonsgebonden budget sociale werkvoorziening. Bij deze regeling gaat het om het stimuleren en ondersteunen van de toeleiding naar de arbeidsmarkt van personen met een lichamelijke, geestelijke of verstandelijke handicap. Onder voorwaarden krijgen zij de beschikking over een persoonsgebonden budget (PGB WIA) waarmee zij een beroep kunnen doen op bijvoorbeeld jobcoaches, doventolken of voorleeshulpen. Dit is nader uitgewerkt in artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de daarmee samenhangende Reïntegratieregeling.

De arbeidsverhouding tussen de PGB (WIA)-houder en de zorgverlener kan onder omstandigheden als dienstbetrekking worden opgevat. Dat heeft tot gevolg dat de PGB (WIA)-houder als inhoudingsplichtige geldt. Zonder nadere regeling geldt – voor zover deze situatie niet onder artikel 29, onderdelen a tot en met c, van de UR AWR 1994 valt – als aangiftetijdvak de kalendermaand.

Dit geeft problemen omdat de aangifte in dergelijke gevallen vaak via de Sociale Verzekeringsbank loopt. De SVB doet voor personen die zorg inkopen uit hun PGB op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (PGB AWBZ) of op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (PGB WMO), welke situaties vallen onder artikel 29, onderdeel b, van de UR AWR 1994, altijd een jaaraangifte. De onderhavige wijziging strekt ertoe de afdracht van loonbelasting ten aanzien van de ondersteuning door jobcoaches, doventolken en voorleeshulpen – ongeacht waar de diensten worden verricht – op dezelfde wijze te doen geschieden als het geval is ten aanzien van de overige zorgverlening. Voor beide situaties geldt als aangiftetijdvak voortaan het kalenderjaar.

Artikel VI, onderdeel I (artikel 30a van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Bij een terugmelding of overigens ontstane gerede twijfel als bedoeld in artikel 21d, eerste lid, onderdeel a onderscheidenlijk onderdeel d, van de AWR over een inkomensgegeven doet de inspecteur eerst een eerste check (zogenoemde quick scan) naar de juistheid van het inkomensgegeven, voordat hij het gegeven al dan niet ‘in onderzoek’ plaatst. Dit om te voorkomen dat onnodig de aantekening ‘in onderzoek’ wordt geplaatst bij een inkomensgegeven. In artikel 21d, eerste lid, laatste volzin, van de AWR is bepaald dat bij ministeriële regeling de termijn wordt geregeld waarbinnen de inspecteur bepaalt of de aantekening ‘in onderzoek’ al dan niet bij het gegeven wordt geplaatst. Deze termijn is in artikel 30a van de UR AWR 1994 gesteld op uiterlijk vijf werkdagen.

Artikel VI, onderdeel J (artikel 30b van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In artikel 21k, eerste lid, van de AWR is bepaald dat bij ministeriële regeling gevallen worden aangewezen waarin door de inspecteur een onjuist inkomensgegeven ambtshalve wordt verminderd.

Als het inkomen op een te hoog bedrag is bepaald, vermindert de inspecteur in alle gevallen – op verzoek of uit eigen beweging – dat inkomen. Er zijn slechts vijf uitzonderingen. In de eerste plaats is om doelmatigheidsredenen de mogelijkheid tot vermindering in de tijd beperkt, te weten tot zeven jaren na het einde van het jaar waarop het inkomensgegeven betrekking heeft. Daarbij is aangesloten bij de termijn voor de bewaarplicht voor administratieplichtigen. De andere vier uitzonderingen zijn ontleend aan het huidige beleid rond ambtshalve vermindering in de fiscaliteit. Het gaat daarbij kort gezegd om de situaties dat na het onherroepelijk vast komen te staan van de – met het inkomensgegeven samenhangende – inkomstenbelasting- of loonbelastingschuld er nieuwe jurisprudentie is gewezen, nieuw beleid is uitgevaardigd, dan wel een beroep op een fiscale faciliteit wordt gedaan dat bij de aangifte inkomstenbelasting of vóór de inhouding van loonbelasting had moeten worden gedaan. Tot slot wordt geen ambtshalve vermindering van het inkomensgegeven verleend als een ander inkomensgegeven (uit een ander kalenderjaar of van een andere betrokkene) ter zake van datzelfde feit op een te laag bedrag is bepaald, maar de met het laatstgenoemde inkomensgegeven samenhangende inkomstenbelasting of loonbelasting niet kan worden nagevorderd, onderscheidenlijk nageheven omdat de termijn voor navordering, onderscheidenlijk naheffing is verstreken.

Artikel VI, onderdeel J, onder 1 (artikel 43c, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Aan artikel 43, eerste lid, onderdeel a, van de UR AWR 1994 is een subonderdeel toegevoegd. Daarin wordt geregeld dat de Belastingdienst gegevens kan verstrekken aan de dienst Domeinen als deze het vermoeden heeft van een onbeheerd gelaten nalatenschap. De dienst Domeinen is belast met de afwikkeling van dergelijke nalatenschappen. Omgekeerd kan de dienst Domeinen de Belastingdienst informeren over vermoedelijk onbeheerde nalatenschappen ten behoeve van het opleggen van aanslagen successierecht.

De tekst van artikel 43c, eerste lid, onderdeel a, van de UR AWR 1994, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling, is opgenomen in het eerste subonderdeel. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om daarin een redactionele verbetering aan te brengen.

Artikel VI, onderdeel J, onder 2 (artikel 43c, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Aan artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de UR AWR 1994 is een subonderdeel toegevoegd. Daarin wordt geregeld dat de Belastingdienst gegevens kan verstrekken aan de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

De tekst van artikel 43c, eerste lid, onderdeel c, UR AWR 1994, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling, is opgenomen in het eerste subonderdeel.

Artikel VI, onderdeel J, onder 3 (artikel 43c, eerste lid, onderdeel e (nieuw), van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

De Belastingdienst heeft met de Rijksrecherche, die onder het bestuursorgaan Minister van Justitie valt, een convenant gesloten inzake informatieuitwisseling. Wat betreft de gegevensverstrekking door de Belastingdienst wordt in het nieuwe onderdeel e van artikel 43, eerste lid, van de UR AWR 1994 een juridische basis verleend aan dit convenant.

Artikel VI, onderdeel J, onder 4 (artikel 43c, eerste lid, onderdeel i (nieuw), van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Op basis van artikel 43c van de UR AWR 1994 is informatieverstrekking mogelijk aan de FIOD-ECD ten behoeve van de naleving van financieel-economische wetgeving. In 2007 zijn de zogenoemde ordeningstaken (zowel toezicht als opsporing) en het toezicht in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (de opvolger van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties) van de FIOD-ECD overgedragen aan de Belastingdienst/Holland Midden (unit MOT/Ordening)12. Teneinde de informatieverstrekking aan de Belastingdienst/Holland Midden voor deze niet-fiscale taken juridisch te borgen, wordt de omschrijving van onderdeel i (nieuw) aangepast.

Daarnaast wordt geregeld dat medewerkers van de FIOD-ECD fiscale gegevens kunnen gebruiken binnen het Samenwerkingsverband integraal terugdringen van synthetische drugs. De FIOD-ECD is in voor deze taak aangewezen als bijzondere opsporingsdienst in de zin van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. Hiermee wordt een onder het voormalige Voorschrift informatieverstrekking 1993 verleende ontheffing alsnog in artikel 43c van de UR AWR 1994 opgenomen.

Tot slot wordt opgemerkt dat gegevensverstrekking aan de Belastingdienst/Holland Midden ten behoeve van de uitvoering en handhaving van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme onder de werking van onderdeel t valt en daarom wordt uitgesloten in onderdeel i (nieuw).

Artikel VI, onderdeel J, onder 5 (artikel 43c, eerste lid, onderdeel j (nieuw), van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel j (nieuw), van de UR AWR 1994 bevat een opsomming van de gevallen van structurele informatieverstrekking door de Belastingdienst aan gemeenten. Het nieuwe vijfde subonderdeel van de hiervoor genoemde bepaling voorziet in verstrekking van kentekenregistergegevens aan gemeenten die een milieuzone hebben ingesteld en daar een ontheffingenbeleid op voeren. Het betreft hier in het bijzonder informatie over circus- en kermisauto’s waarvoor in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 een verlaagd tarief is opgenomen. Teneinde de ontheffingen voor deze circus- en kermiswagens ambtshalve te kunnen toepassen, dienen gemeenten over de kentekenregistergegevens te beschikken.

Vooruitlopend op de opname van deze nieuwe categorie in de onderhavige regeling is ontheffing verleend aan de Belastingdienst om de genoemde gegevens te verstrekken aan SenterNovem, die in mandaat van de gemeenten die een milieuzone hebben ingesteld de ontheffingverlening uitvoert. Met de uitbreiding van artikel 43c, eerste lid, onderdeel j (nieuw), van de UR AWR 1994 komt deze ontheffing te vervallen.

Artikel VI, onderdeel J, onder 6 (artikel 43c, eerste lid, onderdeel l (nieuw), van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In artikel 43c, eerste lid, onderdeel l (nieuw), onder 2o en 4o, van de UR AWR 1994 is geregeld dat de officier van justitie in het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek, onderscheidenlijk een ontnemingsvordering informatie over iemand zijn vermogen bij de Belastingdienst kan opvragen. Bij het instellen van strafrechtelijke financiële onderzoeken en ontnemingsvorderingen is ook van belang welk inkomen iemand geniet. Daarom wordt aan de genoemde subonderdelen het inkomen toegevoegd.

Artikel VI, onderdeel J, onder 7 (artikel 43c, eerste lid, onderdeel m (nieuw), van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

De Belastingdienst heeft met diverse gemeenten, politie, de officier van justitie en andere bestuursorganen convenanten gesloten voor de integrale handhaving van overheidsregelingen, met name gericht op handhavingsknelpunten. De provincies spelen ook een rol bij integrale overheidshandhaving, bijvoorbeeld bij aan te wijzen locaties voor woonwagencentra. Daarom worden deze toegevoegd aan artikel 43, eerste lid, onderdeel m (nieuw), van de UR AWR 1994. Ook de Koninklijke marechaussee en de Sociale Inlichten- en Opsporingsdienst, die overigens onder het bestuursorgaan Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid valt, spelen een rol bij integrale overheidshandhaving en worden daarom toegevoegd aan onderdeel m (nieuw).

Artikel VI, onderdeel J, onder 8 (artikel 43c, eerste lid, onderdeel o (oud), van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Artikel 43c, eerste lid, onderdeel o (oud), van de UR AWR 1994 regelde de verstrekking van gegevens terzake van de invoer van motorrijtuigen ten behoeve van de controle door de Dienst Wegverkeer van het kentekenregister en de controle op mogelijke diefstal en frauduleuze in-, uit- en doorvoer van motorrijtuigen. Dit is een categorie die voor 1 januari 2008, de datum waarop artikel 43c in de UR AWR 1994 werd opgenomen, was geregeld in bijlage 2A van het Voorschrift informatieverstrekking 1993 (Niet Fiscale Douanevoorschriften) en valt thans onder de werking van artikel 1:33 van Algemene douanewet. Dit betekent dat de tot 1 januari 2009 geldende tekst van het voormalige onderdeel o niet afzonderlijk hoeft te worden opgenomen in artikel 43c, eerste lid, van de UR AWR 1994. Dit wordt hersteld in artikel VI, onderdeel J, onder 8, van de onderhavige ministeriële regeling.

Artikel VI, onderdeel J, onder 9 (artikel 43c, eerste lid, onderdeel p, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

De Belastingdienst is op grond van artikel 43c, eerste lid, onderdeel p, van de UR AWR 1994 bevoegd aan de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa) gegevens over vennootschappelijke verhoudingen en afspraken tussen ondernemingen en personen te verstrekken. Een en ander ten behoeve van de uitvoering van de Mededingingswet. De NMa heeft als toezichthouder behoefte aan meer gegevensstromen afkomstig van de Belastingdienst. Het gaat daarbij niet alleen om de handhaving van de Mededingingswet, maar ook van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet. Voor deze wetten is de NMa ook als toezichthouder aangewezen. Een lijst met een limitatieve opsomming van te verstrekken gegevens zal worden toegevoegd aan het Convenant inzake informatie-uitwisseling tussen de Belastingdienst en de Raad van Bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit. Het betreft hier een zogeheten afsprakendocument dat zal worden opgesteld door de Belastingdienst in overleg met de NMa. Een afschrift van dit zogenoemde afsprakendocument ligt ter inzage op het Ministerie van Financiën.

Artikel VI, onderdeel J, onder 10 (artikel 43c, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

Uitgangspunt van artikel 43c van de UR AWR 1994 is dat de verstrekking van fiscale gegevens plaatsvindt op verzoek. De unit MOT/Ordening van de Belastingdienst/Holland Midden is voor de zogenoemde ordeningstaken (zie hiervoor de toelichting op artikel H, onder 4, van deze regeling) en de toezichtstaken in het kader van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (de opvolger van de Wet identificatie bij dienstverlening en de Wet melding ongebruikelijke transacties) afhankelijk van signalen van zowel binnen als buiten de Belastingdienst. Voor zover het gegevens van de Belastingdienst betreft, zou dit betekenen dat de unit MOT/Ordening daarvoor elke keer een afzonderlijk verzoek moet indienen bij de inspecteur. Aangezien de inspecteur en de unit MOT/Ordening deel uitmaken van dezelfde organisatie (de Belastingdienst), is het wenselijk dat de gegevensverstrekking aan de Belastingdienst/Holland Midden voor zover het betreft de genoemde taken ‘spontaan’, dat wil zeggen zonder voorafgaand verzoek, kan plaatsvinden. Daartoe wordt artikel 43c, tweede lid, van de UR AWR 1994 aangepast.

Artikel VI, onderdeel J, onder 11 (artikel 43c, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994)

In artikel 43c van de UR AWR 1994 is geregeld in welke gevallen de geheimhoudingsplicht van artikel 67, eerste lid, van de AWR niet geldt. Na invoering van de basisregistratie inkomen wordt voor het inkomen zoals dat wordt gedefinieerd in het derde lid, onderdeel a, van genoemd artikel 43c uitgegaan van het inkomen zoals dit in de basisregistratie inkomen is opgenomen. Daarom kan worden volstaan met een verwijzing naar artikel 21, onderdeel e, van de AWR.

Artikel VII

Artikel VII, onderdelen A en C (artikelen 1 en 6 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

De wijzigingen in artikel VII, onderdelen A en C, betreffen het herstel van een onjuiste verwijzing.

Artikel VII, onderdeel B, onder 1 en 2 (artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

In artikel 21b, tweede lid, van de AWR is bepaald dat de inspecteur is belast met de uitvoering van de basisregistratie inkomen. De inspecteur die verantwoordelijk is voor de heffing van inkomsten- en loonbelasting wordt ook verantwoordelijk voor de bepaling van het inkomensgegeven. Dit wordt geregeld in het tweede lid van artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 (hierna: UR BD 2003). De inspecteur (in casu B/CA) die verantwoordelijk is voor de centrale verwerking van gegevens wordt ook verantwoordelijk voor de verwerking van de inkomensgegevens (waaronder de verstrekking van gegevens aan afnemers en het ontvangen van terugmeldingen). Binnen de Belastingdienst zullen de gegevens op één plaats worden opgeslagen, namelijk bij het onderdeel van de Belastingdienst waar de massale werkstromen zijn belegd, de B/CA. Daarmee ligt de verantwoordelijkheid voor de basisregistratie inkomen formeel in één hand, namelijk in die van de inspecteur. Materieel worden de taken die samenhangen met de basisregistratie inkomen uitgevoerd door meerdere functionarissen die als inspecteur zijn aangewezen, overeenkomstig de bestaande organisatiestructuur van de Belastingdienst. Dit wordt geregeld in deze wijziging van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003.

Artikel VII, onderdeel B, onder 3, en onderdeel F (artikelen 3 en 26a van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Artikel 3, vijfde lid, van de UR BD 2003 regelt kort gezegd de taken van de Belastingdienst/Toeslagen. De wijziging van artikel 3, vijfde lid, onderdeel a, van de UR BD 2003 houdt verband met het kindgebonden budget dat per 1 januari 2009 de kindertoeslag vervangt. Artikel 26a van de UR BD 2003 voorziet er in dat de Belastingdienst/Toeslagen vanaf 2009 nog wel belast blijft met de afwikkeling van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van de kindertoeslag.

Artikel VII, onderdeel D (artikel 16, derde lid, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Op grond van artikel 16, derde lid, van de UR BD 2003 ressorteert de natuurlijke persoon, het lichaam of de entiteit met betrekking tot de behandeling van een teruggaafverzoek als bedoeld in de artikelen 20, 30, 45, 66, 67, 68, 69, 70, 78 en 92 van de Wet belastingen op milieugrondslag (Wbm) onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord. Inmiddels worden de verzoeken, bedoeld in de artikelen 78 en 92 van de Wbm, behandeld door de Belastingdienst/Rivierenland.

Daarnaast voorziet artikel IX, onderdeel N, van het Belastingplan 2009 in twee nieuwe teruggaafverzoeken voor de verpakkingenbelasting. Voor deze laatste verzoeken ressorteert de natuurlijke persoon, het lichaam of de entiteit eveneens onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Rivierenland.

In verband met het bovenstaande wordt het derde lid gewijzigd en een vierde lid toegevoegd.

Artikel VII, onderdeel E (artikel 19 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Met de in artikel VII, onderdeel D, opgenomen wijziging van artikel 19 van de UR BD 2003 wordt ten aanzien van de fiscale behandeling van (militaire) internationale organisaties vastgelegd dat deze instellingen – conform de sinds 1 maart 2008 geldende praktijk – met betrekking tot de heffing en inning van rijksbelastingen andere dan de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer, ressorteren onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Haaglanden. Ten aanzien van alle andere belastingen, inclusief de rechten bij invoer en de rechten bij uitvoer, blijven zij ingevolge artikel 3, derde lid, van de genoemde uitvoeringsregeling ressorteren onder de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Douane Zuid.

De onderhavige wijziging treedt – in verband met de sinds 1 maart 2008 geldende praktijk – met terugwerkende kracht tot en met 1 maart 2008 in werking.

Artikel VII, onderdeel F (artikel 26a van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

Deze wijziging is toegelicht bij de toelichting op artikel VII, onderdeel B, onder 3.

Artikel VII, onderdeel G (de bijlage van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003)

De in artikel VII, onderdeel G, opgenomen wijziging houdt verband met de gemeentelijke herindeling, waarbij:

  • de gemeenten Bennebroek en Bloemendaal zijn samengevoegd tot de gemeente Bloemendaal;

  • de gemeenten Alkemade en Jacobswoude zijn samengevoegd tot de gemeente Kaag en Braassem;

  • de gemeenten Ambt Montfort en Roerdalen zijn samengevoegd tot de gemeente Roerdalen;

  • de gemeenten Roermond en Swalmen zijn samengevoegd tot de gemeente Roermond;

  • de gemeenten Medemblik, Noorder-Koggenland en Wognum zijn samengevoegd tot de gemeente Medemblik

  • de gemeenten Binnenmaas en ’s-Gravendeel zijn samengevoegd tot de gemeente Binnenmaas;

  • de gemeenten Venhuizen en Drechterland zijn samengevoegd tot de gemeente Drechterland.

Artikel VIII

Artikel VIII, onderdeel A (artikel 1f van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Met de wijziging van artikel 1f, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (hierna: UR IW 1990) wordt mogelijke onduidelijkheid over de duur van de uitsteltermijn bij uitstel van betaling op grond van artikel 25, vijfde lid, van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW 1990) weggenomen.

Artikel 25, vijfde lid, van de IW 1990 noemt een termijn die uiterlijk aan het begin van het tiende jaar na afloop van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft eindigt. Dit betekent dat het uitstel van betaling – tenzij het uitstel van betaling tussentijds wordt beëindigd – ten hoogste tien jaar loopt, namelijk als de belastingaanslag aan het begin van het kalenderjaar waarover de aanslag wordt opgelegd is opgelegd. Artikel 1e, derde lid, UR IW 1990 sluit bij de wettekst aan. Artikel 1f, tweede lid, UR IW 1990 leek iets anders te suggereren, namelijk dat het uitstel van betaling altijd tien volle jaren beslaat.

Om onduidelijkheid te voorkomen en om artikel 1f, tweede lid, UR IW 1990 in overeenstemming te brengen met artikel 25, vijfde lid, IW 1990 en artikel 1e, derde lid, UR IW 1990, wordt deze wijziging aangebracht.

Artikel VIII, onderdeel B (artikel 12 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In artikel 12, tweede lid, onderdeel e, UR IW 1990 werd verwezen naar de Wet tegemoetkoming studiekosten. De Wet tegemoetkoming studiekosten is vervangen door de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Abusievelijk is de verwijzing in artikel 12, tweede lid, onderdeel e, UR IW 1990 naar de Wet tegemoetkoming studiekosten niet vervangen. Thans wordt deze verwijzing alsnog aangepast.

Artikel VIII, onderdeel C en G (artikelen 14 en 40d van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Deze wijzigingen houden verband met het kindgebonden budget dat per 1 januari 2009 de kindertoeslag vervangt. Artikel 40d voorziet erin dat de Belastingdienst/Toeslagen vanaf 2009 nog wel belast blijft met de afwikkeling van het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van de kindertoeslag.

Artikel VIII, onderdeel D (artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

Artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van de UR IW 1990 wordt uitgebreid met een nieuw onderdeel. Artikel 14 van de UR IW 1990 geeft invulling aan het netto-besteedbare inkomen zoals bedoeld in artikel 13 van de UR IW 1990, welk inkomen voor de bepaling van de betalingscapaciteit in verband met het verlenen van kwijtschelding wordt berekend. Ingevolge artikel VIII, onderdeel D, wordt een nieuwe categorie inkomsten uitgezonderd in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van de UR IW 1990 bij de bepaling van het netto-besteedbare inkomen. Het gaat om:

  • het bedrag aan inkomen dat ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Tijdelijk besluit bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB buiten beschouwing wordt gelaten bij de bepaling van het recht op een bijstandsuitkering voor de alleenstaande ouder met kinderen tot 12 jaar;

  • de eenmalige premie die op basis van artikel 3, vierde en vijfde lid, van het Tijdelijk besluit bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB wordt toegekend als de hiervoor genoemde alleenstaande ouder uit de bijstand stroomt.

In het Coalitieakkoord is de afspraak opgenomen dat er een regeling komt die werken in deeltijd voor sollicitatieplichtige alleenstaande ouders financieel aantrekkelijk maakt. Met het Tijdelijk besluit bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB wordt ter zake van deze regeling een experiment uitgevoerd. Genoemd besluit is gebaseerd op artikel 83 van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij wijze van experiment wordt een betere arbeidsinschakeling van alleenstaande ouders in het kader van de WWB onderzocht.

De beoogde startdatum van het experiment is 1 januari 2009 en de beoogde looptijd is drie jaar. Met de wijziging van artikel 14 van de UR IW 1990 wordt voorkomen dat het hiervoor bedoelde deel van de eigen inkomsten en de premie worden meegeteld bij de inkomsten van de belastingschuldige bij de bepaling van de betalingscapaciteit in verband met het verlenen van kwijtschelding.

Artikel VIII, onderdeel E (artikel 14 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

De beoogde looptijd van het Tijdelijk besluit bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB is drie jaar. De periode waarover inkomensvrijlating plaatsvindt op grond van dat besluit loopt van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010, maar in 2011 kan op grond van het Tijdelijk besluit bevordering arbeidsinschakeling alleenstaande ouders WWB nog betaling van premie plaatsvinden. Om die reden is in artikel VIII, onderdeel E, in samenhang met artikel XVIII, geregeld dat artikel 14, eerste lid, onderdeel c, onder 8°, van de UR IW 1990 met ingang van 1 januari 2012 vervalt.

Artikel VIII, onderdeel F (artikel 15 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990)

In de tot 1 januari 2009 geldende tekst van artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de UR IW 1990 wordt verwezen naar artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

In artikel V, onderdeel A, onder 2, van de Wet van 27 juni 2008 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken en enige andere wetten in verband met de invoering van een basisregistratie inkomen en een basisregistratie waarde onroerende zaken (Stb. 269) wordt artikel 2 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen gewijzigd. Deze wijziging, die per 1 januari 2009 in werking treedt, houdt in dat enkele onderdelen van genoemd artikel 2, eerste lid, waaronder het onderdeel waarnaar in artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de UR IW 1990 wordt verwezen, worden verletterd. De verwijzing in artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de UR IW 1990 wordt om die reden eveneens per die datum aangepast.

Artikel IX

Artikel IX, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken)

De basis voor de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken wijzigt per 1 januari 2009. Omdat artikel 2a van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken per 1 januari 2009 vervalt, kan ook de verwijzing naar dat artikel in de genoemde uitvoeringsregeling per die datum vervallen. Artikel 37g van de Wet waardering onroerende zaken wordt per die datum toegevoegd als basis voor de bepaling van de termijn van het plaatsen van de aantekening ‘in onderzoek’ bij het waardegegeven.

Artikel IX, onderdelen B en C (artikelen 3 en 4 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken)

De verwijzing naar de leden van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken wordt aangepast in verband met de wijziging van dat artikel.

Artikel IX, onderdelen D, E en F (opschrift hoofdstuk 3 en artikelen 5 en 6 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken)

Artikel 5 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken wordt per 1 januari 2009 aangepast omdat de bijdragen van het Rijk en de waterschappen aan de uitvoeringskosten van de waardering door de gemeenten vanaf die datum plaatsvinden via de algemene uitkering in plaats van via de specifieke uitkering. De tot 1 januari van de specifieke uitkering afgezonderde bijdrage van € 1 000 000 die aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van gezamenlijke activiteiten van efficiënte uitvoering van de wet wordt vanaf 1 januari 2009 afgezonderd van de algemene uitkering. In 2011 wordt geëvalueerd of dit bedrag structureel naar de VNG moet gaan voor de financiering van activiteiten die collectief gefinancierd moeten worden.

Artikel 6 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken vervalt per 1 januari 2009 omdat de bijdrage van de kosten van de waardering vanaf 1 januari 2009 toegevoegd worden aan de algemene uitkering (gemeentefonds). De mogelijkheid om de uitbetaling van een gemeente die in gebreke blijft bij de levering van gegevens gefaseerd te laten plaatsvinden of tijdelijk op te schorten, komt daarmee te vervallen. Ook het opschrift van hoofdstuk 3 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken wordt aangepast aan de nieuwe situatie.

Artikel IX, onderdeel G (opschrift hoofdstuk 4 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken)

Het opschrift van hoofdstuk 4 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken wordt vervangen door ‘Basisregistratie waarde onroerende zaken’.

Artikel IX, onderdeel H (artikel 7 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken)

De tot 1 januari 2009 geldende tekst van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken bevat een overgangsbepaling die gezien het tijdsverloop kan komen te vervallen. De tekst van dit artikel 7 wordt daarom vervangen door een nieuwe tekst, die invulling geeft aan het bepaalde in artikel 37g van de Wet waardering onroerende zaken. In genoemd artikel 37g staat dat een bij ministeriële regeling te bepalen termijn geldt waarbinnen het college van burgemeester en wethouders bepaalt of de aantekening ‘in onderzoek’ al dan niet wordt geplaatst in de situaties dat een terugmelding is gedaan of als er overigens gerede twijfel is ontstaan omtrent de juistheid van een waardegegeven. De in de nieuwe tekst van artikel 7 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken opgenomen termijn van vier dagen is een redelijke termijn waarbinnen het college bepaald kan hebben of de aantekening ‘in onderzoek’ bij een waardegegeven geplaatst moet worden.

Artikel IX, onderdeel I (opschrift hoofdstuk 5 van de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken)

Omdat in de Uitvoeringsregeling kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet waardering onroerende zaken een nieuw hoofdstuk 4 over de Basisregistratie WOZ wordt ingevoegd en artikel 7 van die regeling wordt vervangen, is een nieuwe hoofdstukaanduiding ingevoegd voor de artikelen 8 en 9 van die regeling.

Artikel X

Artikel X, onderdelen A en B (artikel 1 en artikel 4 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

Deze wijzigingen hangen samen met het vervallen van artikel 8, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, zoals geregeld in de wet van 27 juni 2008 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken en enige andere wetten in verband met de invoering van een basisregistratie inkomen en een basisregistratie waarde onroerende zaken (Stb. 269).

Artikel X, onderdeel C (artikel 5 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

In de tot 1 januari 2009 geldende tekst van artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: UR Awir) wordt verwezen naar artikel 2, eerste lid, onderdeel g, onder 2°, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen.

In artikel V, onderdeel A, onder 2, van de Wet van 27 juni 2008 tot wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Wet waardering onroerende zaken en enige andere wetten in verband met de invoering van een basisregistratie inkomen en een basisregistratie waarde onroerende zaken (Stb. 269) wordt artikel 2 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen gewijzigd. Deze wijziging, die per 1 januari 2009 in werking treedt, houdt in dat enkele onderdelen van genoemd artikel 2, eerste lid, waaronder het onderdeel waarnaar in artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de UR Awir wordt verwezen, worden verletterd. De verwijzing in artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de UR Awir wordt om die reden eveneens per die datum aangepast.

Artikel X, onderdeel D (artikel 8 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen)

Na de invoering van de basisregistratie inkomen is het in die registratie opgenomen inkomen (veelal aangeduid met: BRI-inkomen) het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Uitstel van betaling wordt verleend als door betrokkene bezwaren zijn geuit tegen het BRI-inkomen. Artikel 8, tweede lid, van de UR Awir wordt thans overeenkomstig aangepast.

Artikel XI

Artikel XI (Uitvoeringsregeling wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen)

De Uitvoeringsregeling wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen is de implementatie van Richtlijn nr. 2002/94/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 9 december 2002 tot vaststelling van de praktische maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van sommige bepalingen van Richtlijn nr. 2008/55/EG (Pb EG L 337). Per 1 januari 2009 vervalt Richtlijn nr. 2002/94/EG en wordt deze vervangen door Verordening nr. 1179/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 november 2008 tot vaststelling van regels tot uitvoering van Richtlijn nr. 2008/55/EG (Pb EG L 319). Aangezien een verordening rechtstreekse werking heeft, hoeven de daarin opgenomen bepalingen – behoudens bijzondere omstandigheden – niet in nationale regelingen te worden overgenomen. De Uitvoeringsregeling wederzijdse bijstand bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen wordt dan ook ingetrokken.

Artikel XII

Artikel XII (artikel 1 van de Regeling bekendmaking percentage heffingsrente en invorderingsrente bij belastingen)

Ingevolge artikel 30f, zesde lid, van de AWR en artikel 29 van de IW 1990 is het rentepercentage van de heffingsrente, onderscheidenlijk de invorderingsrente, in een kalenderkwartaal gelijk aan de op de eerste werkdag van de tweede kalendermaand voorafgaande aan dat kwartaal gegolden hebbende door de Europese Centrale Bank voor basisherfinancieringstransacties toegepaste interestvoet, dan wel, indien dit lager is, het naar de gemiddelde koers van die dag door de minister van Financiën berekende, ongewogen gemiddelde effectieve rendement van de laatste drie uitgegeven, aan Euronext effectenbeurs te Amsterdam genoteerde staatsleningen waarbij dit effectieve rendement naar beneden wordt afgerond op een vijfvoud van honderdstenprocenten en vervolgens wordt verminderd met 0,5 procentpunt, met dien verstande dat het aldus bepaalde percentage van de heffings- en invorderingsrente vervolgens wordt vermeerderd met 1,50 procentpunt.

Gelet op het feit dat de door de Europese Centrale Bank voor basisherfinancieringstransacties toegepaste interestvoet op 1 november 2008 3,75% bedroeg terwijl het hiervoor bedoelde gecorrigeerde rendement van staatsleningen op die dag 3,40% bedroeg, wordt het voor het eerste kwartaal 2009 te hanteren percentage van de heffingsrente en de invorderingsrente vastgesteld op 4,90%.

Artikel XIII

Artikel XIII, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Artikel 1 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: UR BPM 1992) wordt aangevuld met een verwijzing naar artikel 9a, tweede lid, en artikel 9ba, derde lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM 1992) in het kader van de toevoeging van artikel 6a van UR BPM 1992

Artikel XIII, onderdeel B (artikel 5 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

De in verband met de motie Jurgens c.s.14 (hierna: motie Jurgens) naar het niveau van een wet overgebrachte bepalingen moeten in de lagere regelgeving komen te vervallen. Artikel 5 van de UR BPM 1992 is een dergelijke bepaling. De inhoud van deze bepaling wordt opgenomen in artikel 6, derde lid, van de Wet BPM 1992.15

Artikel XIII, onderdeel C (artikel 6a van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Dit onderdeel heeft betrekking op de invoering van artikel 6a in de UR BPM 1992. Zoals in de artikelsgewijze toelichting van het Belastingplan 2009 en de toelichting bij de eerste nota van wijziging16 is vermeld is de CO2-uitstoot van personenauto’s met een Europese typegoedkeuring in de regel in het kentekenregister vermeld. Het is echter mogelijk dat in het kentekenregister de CO2-uitstoot niet aan een auto kan worden gekoppeld of dat de CO2-uitstoot van een auto niet bekend is in het kentekenregister. Dit is van belang voor de toepassing van artikel 9a van de Wet BPM 1992 indien het energielabel van een auto niet in het kentekenregister bekend is en de auto ook niet voorkomt in de brandstofverbruiksgids. Ook kan dit spelen bij de toepassing van artikel 9ba van de Wet BPM 1992, de CO2-toeslag voor onzuinige personenauto’s. Artikel 9ba, derde lid, van de Wet BPM 1992 voorziet per 1 januari 2009 in deze situaties door te bepalen dat als de omvang van de CO2-uitstoot niet op een bij ministeriële regeling bepaalde wijze is aangetoond, wordt uitgegaan van een forfaitaire uitstoot.

De wijze waarop de omvang van de CO2-emissie per kilometer wordt vastgesteld, wordt op basis van artikel 9a, tweede lid, en artikel 9ba, derde lid, van de Wet BPM 1992 voorgeschreven in artikel 6a van deze regeling. Artikel 6a van de UR BPM 1992 bepaalt dat de omvang van de CO2-uitstoot kan worden aangetoond op één van de hierna beschreven wijzen.

De meest voorkomende wijze zal zijn dat de omvang van de emissie van CO2 per kilometer blijkt uit een voor de auto verleende typegoedkeuring als bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994. In het kentekenregister wordt in de regel de omvang van de CO2-emissie van personenauto's met een Europese typegoedkeuring (ETG) vermeld.

Indien voor de auto geen typegoedkeuring maar een individuele goedkeuring als bedoeld in artikel 26 van de Wegenverkeerswet 1994 is verleend, blijkt de omvang van de emissie uit deze goedkeuring. De auto zal voor zo’n individuele goedkeuring ter keuring moeten worden aangeboden bij een keuringstation van de RDW. Bij die keuring dient belanghebbende het in artikel 7, tweede lid, van de UR BPM 1992 bedoelde EG-goedkeuringsformulier (het zogenoemde emissiecertificaat) te overleggen, alsmede in voorkomend geval het daar bedoelde testrapport.

De derde wijze waarop de omvang van de CO2-emissie kan worden aangetoond, is een testrapport van een individuele keuring inzake de omvang van de CO2-emissie, gemeten overeenkomstig richtlijn nr. 80/1268/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het brandstofverbruik van motorvoertuigen (PbEG L 375). Indien de meting met LPG of aardgas als brandstof is uitgevoerd, wordt de CO2-uitstoot van de auto met LPG of aardgas als brandstofsoort gehanteerd. Hiermee heeft belanghebbende de mogelijkheid om voor de toepassing van artikel 9a en 9ba van de Wet BPM 1992 de CO2-emissie te laten bepalen door bijvoorbeeld TNO. Dit is opgenomen in onderdeel c van artikel 6a van de UR BPM 1992.

De vierde wijze waarop de omvang van de CO2-emissie kan worden aangetoond, is opgenomen in onderdeel d van artikel 6a UR BPM 1992. Deze ziet op het overleggen van het certificaat van overeenstemming (document bedoeld in artikel 6 van richtlijn 70/156/EEG) dat behoort bij de personenauto. Het certificaat van overeenstemming is het ‘geboortebewijs' van het voertuig. Een certificaat van overeenstemming wordt door de fabrikant afgegeven voor een voertuig dat is gebouwd volgens een Europese typegoedkeuring. Een certificaat van overeenstemming vermeldt de specificaties conform de criteria van de ETG zoals onder meer de CO2-uitstoot en de fijnstofuitstoot van de personenauto. In principe moet het certificaat van overeenstemming met ieder voertuig worden meegeleverd. Daarnaast is het mogelijk een duplicaat certificaat van overeenstemming achteraf opnieuw aan te vragen bij de fabrikant van de auto.

Ook is toegestaan dat – bij gebreke van een certificaat van overeenstemming – een goedkeuring overeenkomstig een gelijkwaardig internationaal reglement bedoeld in artikel 9 van richtlijn 70/156/EEG voor de desbetreffende personenauto wordt overgelegd waarin de emissie van CO2 in gram per kilometer is vermeld en is vastgelegd op een gelijkwaardige wijze als overeenkomstig bijlage I van richtlijn 70/220/EEG. Hiervan is sprake indien de meting van het brandstofverbruik is verricht conform de reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, ECE 101-00.

Artikel XIII, onderdeel D (artikel 7 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992)

Artikel 9b van de Wet BPM 1992 voorziet per 1 januari 2009 in een BPM-bonus voor een auto die wordt aangedreven door een motor met compressieontsteking en is uitgerust met een affabriekroetfilter. In artikel 9b, vierde lid, van de Wet BPM 1992 is bepaald dat bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld ter uitvoering van dit artikel. Artikel 7 van de UR BPM 1992 betreft de wijze waarop moet blijken dat de auto voldoet aan de in artikel 9b, tweede lid, van de Wet BPM 1992 bedoelde emissiegrenswaarde, te weten een emissie van deeltjes van ten hoogste 5 mg per kilometer. Hiervoor zijn in principe dezelfde mogelijkheden vergelijkbaar met de vijf mogelijkheden in artikel 6a van de UR BPM 1992.

De meest voorkomende wijze zal zijn dat de omvang van de fijnstofemissie per kilometer blijkt uit een voor de auto verleende typegoedkeuring als bedoeld in artikel 22 van de Wegenverkeerswet 1994 (zoals in de regel een Europese typegoedkeuring, ETG). Ook kan de omvang van de emissie van deeltjes per kilometer blijken uit een individuele goedkeuring als bedoeld in artikel 26 van die wet. De auto zal dan ter keuring moeten worden aangeboden bij een keuringstation van de RDW. Bij die keuring dient belanghebbende het in artikel 7, derde lid, van de UR BPM 1992 bedoelde EG-goedkeuringsformulier (het zogenoemde emissiecertificaat) te overleggen, alsmede in voorkomend geval het in artikel 7, vierde lid, van de UR BPM 1992 bedoelde testrapport.

De derde wijze waarop de omvang van de fijnstofemissie kan worden aangetoond, is een testrapport van een individuele keuring inzake de omvang van de emissie van deeltjes, vastgesteld overeenkomstig bijlage I van richtlijn 70/220/EEG. Hiermee heeft belanghebbende de mogelijkheid om voor de toepassing van artikel 9b van de Wet BPM 1992 de emissie van deeltjes te laten bepalen door bijvoorbeeld TNO. Dit is opgenomen in onderdeel c van het artikel 7 van de UR BPM 1992.

De vierde wijze waarop de omvang van fijnstofemissie kan worden aangetoond, is opgenomen in onderdeel d van artikel 7 van de UR BPM 1992. Deze ziet op het overleggen van het certificaat van overeenstemming (document bedoeld in artikel 6 van richtlijn 70/156/EEG) dat behoort bij de personenauto. Het certificaat van overeenstemming is het ‘geboortebewijs' van het voertuig. Een certificaat van overeenstemming wordt door de fabrikant afgegeven voor een voertuig dat is gebouwd volgens een Europese typegoedkeuring. Een certificaat van overeenstemming vermeldt de specificaties conform de criteria van de ETG zoals onder meer de CO2-uitstoot en de fijnstofuitstoot van de personenauto. In principe moet het certificaat van overeenstemming met ieder voertuig worden meegeleverd. Daarnaast is het mogelijk een duplicaat certificaat van overeenstemming achteraf opnieuw aan te vragen bij de fabrikant van de auto. De omvang van de emissie van deeltjes moet ook in dit geval worden vastgesteld conform de terminologie en meetmethode van richtlijn 70/220/EEG. Ook is toegestaan dat – bij gebreke van een certificaat van overeenstemming – een goedkeuring overeenkomstig een gelijkwaardig internationaal reglement bedoeld in artikel 9 van richtlijn 70/156/EEG voor de desbetreffende personenauto wordt overgelegd waarin de emissie van deeltjes per kilometer is vermeld en is vastgelegd op een gelijkwaardige wijze als overeenkomstig bijlage I van richtlijn 70/220/EEG. Hiervan is sprake indien de meting van de fijnstofuitstoot is verricht conform de reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, ECE 83R03.

Artikel XIV

Artikel XIV, onderdeel A (artikel 1 van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

De nieuwe onderdelen d en e van het tweede lid bevatten de definitie van een krat en een doos. Deze definitie is van belang voor de toepassing van de lijst van logistieke hulpmiddelen die op grond van artikel XIV, onderdeel B, is opgenomen in het nieuwe eerste lid van artikel 32. Omdat voor een krat en een doos verschillende inhoudsmaten gelden, is van belang dat het onderscheid tussen die twee duidelijk getrokken wordt. Zowel de krat als de doos bestaan uit zes vlakken. Bij een krat is tenminste een van die vlakken open. Hierdoor is het mogelijk dat het verpakte product, zonder dat de verpakking wordt aangepast, kan worden in- of uitgepakt. Gedacht kan worden aan de fles drank die in of uit een krat kan worden gepakt. Een doos daarentegen is helemaal dicht en moet worden aangepast om het verpakte product in of uit te pakken. Gedacht kan worden aan een doos die moet worden opengevouwen of waarvan een deksel moet worden afgehaald. De volgende afbeeldingen dienen ter verduidelijking.

verkleinde afbeelding van Afbeelding 1: kartonnen doos

Afbeelding 1: kartonnen doos

verkleinde afbeelding van Afbeelding 2: kartonnen doos

Afbeelding 2: kartonnen doos

verkleinde afbeelding van Afbeelding 3: kartonnen krat

Afbeelding 3: kartonnen krat

verkleinde afbeelding van Afbeelding 4: kunststof krat

Afbeelding 4: kunststof krat

verkleinde afbeelding van Afbeelding 5: kunststof krat

Afbeelding 5: kunststof krat

verkleinde afbeelding van Afbeelding 6: houten krat

Afbeelding 6: houten krat

Artikel XIV, onderdeel B (artikel 32 Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

Artikel 32 bevat in het eerste lid de lijst van logistieke hulmiddelen en in het derde lid de lijst van producten, waarvan de hoofdfunctie een andere is dan een verpakkingsfunctie. De lijst van logistieke hulpmiddelen uit het eerste lid bevat acht categorieën die hierna zullen worden toegelicht. Van belang is dat het niet uitmaakt van welk materiaal het logistieke hulpmiddel is gemaakt, zo zijn bijvoorbeeld zowel houten als kunststof pallets een logistiek hulpmiddel.

Pallets (onderdeel a)

Pallets worden veelal gebruikt om een grote hoeveelheid producten op een makkelijke wijze per vrachtwagen te vervoeren. Ze zijn zo gemaakt dat ze eenvoudig met een heftruck in en uit een vrachtwagen kunnen worden gehaald. Zie afbeelding 7 voor een voorbeeld van een pallet.

verkleinde afbeelding van Afbeelding 7: pallet

Afbeelding 7: pallet

Opzetranden en palletboxen worden gebruikt voor het bij elkaar houden van de op de pallet vervoerde producten, zie afbeelding 8 en 9 voor voorbeelden van opzetranden en palletboxen.

verkleinde afbeelding van Afbeelding 8: opzetrand van een pallet

Afbeelding 8: opzetrand van een pallet

verkleinde afbeelding van Afbeelding 9: palletbox

Afbeelding 9: palletbox

Worden de producten op de pallet bijeengehouden door kunststof folie dan kwalificeert deze folie niet als logistiek hulpmiddel. De producten die op pallets worden vervoerd worden soms gescheiden in laagjes waarvoor tussenplaten worden gebruikt. Deze tussenplaten worden aangemerkt als logistiek hulpmiddel als ze eenzelfde oppervlakte hebben als de pallet en bedoeld zijn om in combinatie met de pallet te worden gebruikt. Zie afbeelding 10 voor een voorbeeld van een tussenplaat.

verkleinde afbeelding van Afbeelding 10: tussenplaat

Afbeelding 10: tussenplaat

Glasbokken (onderdeel b)

Glasbokken worden gebruik voor het vervoeren van grote stukken glas, vaak bedoeld voor ramen. Afbeelding 11 geeft een voorbeeld van een glasbok.

verkleinde afbeelding van Afbeelding 11: glasbok

Afbeelding 11: glasbok

Intermediate Bulk Containers (onderdeel c)

Een Intermediate Bulk Container (IBC) wordt gebruikt voor het in grote hoeveelheden vervoeren van o.a. vloeistoffen, korrels en levensmiddelen. Een IBC is meestal gebouwd op een palletconstructie zodat ze met een heftruck uit de vrachtwagen kunnen worden gehaald, worden verplaatst en gestapeld. IBC’s zijn er in vele maten en vormen. Van tanks tot stalen frames met kunststof zakken/boxen. Ze zijn groot van omvang (inhoudsmaten variëren van 450 liter tot 1600 liter en soms nog groter) en worden meermalig gebruikt. Afbeelding 12 is een voorbeeld van een IBC’s.

verkleinde afbeelding van Afbeelding 12: IBC

Afbeelding 12: IBC

Rolcontainers (onderdeel d)

Rolcontainers zijn voorzien van wielen en in de regel van twee of meer (demontabele) opstaande rekken. Afbeelding 13 is een voorbeeld van een rolcontainer.

verkleinde afbeelding van Afbeelding 13: rolcontainer

Afbeelding 13: rolcontainer

Vaten, jerrycans en gasflessen (onderdeel e)

Vaten, jerrycans en gasflessen zijn voldoende afgebakend in de spreektaal. Afbeeldingen 14 tot en met 18 zijn bedoeld als voorbeeld. Bij een inhoud vanaf 20 liter kwalificeren vaten, jerrycans en gasflessen als logistiek hulpmiddel.

verkleinde afbeelding van Afbeelding 14: olievat

Afbeelding 14: olievat

verkleinde afbeelding van Afbeelding 15: biervat

Afbeelding 15: biervat

verkleinde afbeelding van Afbeelding 16: kunststof vat

Afbeelding 16: kunststof vat

verkleinde afbeelding van Afbeelding 17: jerrycan

Afbeelding 17: jerrycan

Afbeelding 18: gasfles

Afbeelding 18: gasfles

Kratten (onderdeel f)

Artikel 1, tweede lid, onderdeel d, bevat een definitie van kratten. Voor de afbakening van kratten wordt daarom verwezen naar de aldaar gegeven toelichting. Kratten met een inhoud vanaf 8 liter kwalificeren als een logistiek hulpmiddel.

Dozen (onderdeel g)

Artikel 1, tweede lid, onderdeel e, bevat de definitie van dozen. Voor de afbakening van dozen wordt daarom verwezen naar de aldaar gegeven toelichting. Dozen met een inhoud vanaf 1 m3 kwalificeren als een logistiek hulpmiddel.

Big bags (onderdeel h)

Een big bag is een soort grote tas die wordt gebruikt voor het verpakken van zand, grind, stenen, sloopafval e.d. Aan de bovenkant heeft de big bag hengsels waaraan die kan worden opgetild door bijvoorbeeld een kraan. Een big bag met een inhoud vanaf 250 liter kwalificeert als een logistiek hulpmiddel. Afbeelding 19 geeft een voorbeeld van een big bag.

verkleinde afbeelding van Afbeelding 19: Big bag

Afbeelding 19: Big bag

Kernen, spoelen en haspels (onderdeel i)

Kernen, spoelen en haspels zijn cilindervormig en worden gebruikt om het te verpakken product om te wikkelen. Kernen kunnen zowel massief zijn als hol. Kernen, spoelen en haspels kwalificeren bij een lengte vanaf 50 cm als een logistiek hulpmiddel. Afbeelding 20 en 21 zijn een voorbeeld van een kern en een haspel.

verkleinde afbeelding van Afbeelding 20: kern

Afbeelding 20: kern

verkleinde afbeelding van Afbeelding 21: haspel

Afbeelding 21: haspel

In het tweede lid wordt bepaald dat voor zover de afbakening van de lijst van logistieke hulpmiddelen plaatsvindt aan de hand van de inhoudsmaat de inhoud dient te worden bepaald aan de hand van de binnenmaat. Hierdoor is het niet van belang hoe dik het materiaal van de verpakking is. Door uit te gaan van de binnenmaten wordt aangesloten bij de wijze waarop deze verpakkingen worden aangeboden. Hierbij zal in het algemeen worden aangegeven welke hoeveelheid in de verpakking kan worden verpakt.

De producten uit de opsomming van het derde lid zijn in het spraakgebruik voldoende afgebakend. Bij aanstekers en pennen wordt aangegeven dat het moet gaan om niet na te vullen aanstekers en pennen. Dit betekent niet dat aanstekers en pennen die wel zijn na te vullen als een (te belasten) verpakking kwalificeren. Aanstekers en pennen die wel navulbaar zijn, voldoen namelijk al vanuit zichzelf niet aan de definitie van verpakking en hoeven om die reden niet te worden uitgezonderd.

Artikel XIV, onderdeel C (artikel 32a van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

Met ingang van 1 januari 2009 bepaalt artikel 86, tweede lid, van de wet dat voor een fles voor drank, waarvoor op grond van een publiekrechtelijk voorschrift een op de consument gerichte statiegeldregeling geldt, een percentage van het normaal van toepassing zijnde tarief wordt toegepast. De precieze hoogte van dit percentage wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Het nieuwe artikel 32a voorziet daarin en stelt het percentage op 50%. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het milieuvoordeel van een statiegeldsysteem. Een statiegeldsysteem zorgt namelijk voor hogere recyclingpercentages en minder zwerfafval.

Artikel XIV, onderdeel D (artikel 32a van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag)

Omdat artikel 86, derde lid, van de wet met ingang van 1 januari 2009 wordt vernummerd tot artikel 86, tweede lid, van de wet wordt de bewoording van artikel 32a aangepast. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Artikel XV

Artikel XV (artikel 2bis van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971)

In artikel 2bis van de Uitvoeringsbeschikking vennootschapsbelasting 1971 wordt uitvoering gegeven aan artikel 10, derde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Daarbij wordt voor de begrippen werknemer en loon verwezen naar de Wet op de loonbelasting 1964. Maatgevend is het loon dat de werknemer heeft genoten in het laatste kalenderjaar dat voor aanvang van het boekjaar is geëindigd.

Artikel XVI

De wijziging van de Meldingsregeling milieu-investeringsaftrek is technisch van aard.

Artikel XVII

De wijziging van de Uitvoeringsregeling willekeurige afschrijving en investeringsaftrek Nederlandse Antillen en Aruba 2001 is technisch van aard.

Artikel XVIII

Artikel XVIII (inwerkingtreding)

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze regeling. Ingevolge het eerste lid treedt deze regeling met ingang van 1 januari 2009 in werking, met dien verstande dat een aantal bepalingen terugwerken tot een eerdere datum. Daarnaast wordt in het tweede en in het derde lid een afwijkend tijdstip van inwerkingtreding van de in die leden genoemde bepalingen geregeld. Voor de toelichting op de laatstgenoemde bepalingen en op de bepalingen die terugwerken, wordt verwezen naar de toelichting op de desbetreffende bepalingen.

De Staatssecretaris van Financiën,

J.C. de Jager.


XNoot
6

Kamerstukken II, 2008/09, 31 704, nr. 34.

XNoot
7

Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten.

XNoot
8

Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 34.

XNoot
9

Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 34.

XNoot
10

Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 34.

XNoot
11

FED 1998/777.

XNoot
12

Ministeriële regeling van 16 november 2007, nr. FM 2007-01491 M, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling Wet identificatie bij dienstverlening en Wet melding ongebruikelijke transacties (Stcrt. 227).

XNoot
14

Kamerstukken I 2006/07, 26 200 VI, nr. 65 en 21 109, D.

XNoot
15

Wet van 18 december 2008, houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Fiscale Onderhoudswet 2009) (Stb. 567).

XNoot
16

Kamerstukken II 2008/09, 31 704, nr. 3, blz. 72, en nr. 9, blz. 6.