Onteigening in de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen en Uithoorn

Omlegging provinciale weg N201 met bijkomende werken

Besluit van 4 juli 2006, nr. 06.002339 houdende aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ten algemenen nutte

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Beschikken bij dit besluit op het verzoek van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 29 september 2005, kenmerk 2005-30465, tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening ingevolge artikel 72a van de onteigeningswet ten behoeve van de omlegging van de provinciale weg N201 vanaf de aansluiting op de Legmeerdijk tot en met de aansluiting op de Middenweg van de Bovenkerkerpolder - Amsterdamseweg met bijkomende werken in de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen en Uithoorn.

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat heeft de beslissing op het verzoek voorgedragen bij brief van 14 juni 2006, nr. RWSCD BJV 2006/4892, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed.

Overeenkomstig artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht hebben de in artikel 63 van de onteigeningswet genoemde stukken alsmede het ontwerp van dit besluit in de periode van 24 november 2005 tot en met 4 januari 2006 in de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen en Uithoorn ter inzage gelegen. Voorafgaand daaraan is de terinzagelegging overeenkomstig artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht aangekondigd in de Staatscourant van 23 november 2005, nr. 228, de Telegraaf, het Witte Weekblad en het Amstelveens Weekblad, alle edities van 23 november 2005.

Belanghebbenden zijn hierbij uitgenodigd voor een hoorzitting in de gemeente Aalsmeer op donderdag 5 januari 2006. Voorts is overeenkomstig artikel 3:13 van de Algemene wet bestuursrecht voorafgaand aan de terinzagelegging het ontwerpbesluit toegezonden aan belanghebbenden en aan de aanvrager.

In genoemde kennisgevingen zijn belanghebbenden voorts op de hoogte gesteld van de mogelijkheid tot het naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren brengen van zienswijzen.

Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt door:

1. Ing. R.B. Adriaanse (Adriaanse Vastgoed B.V.), mr. J.M.S. Salomons (DAS rechtsbijstand) alsmede de heer G.C. van der Schans namens de heer G.C. van der Schans en mevrouw K.M. van der Schans-Wendels, laatstgenoemden beiden eigenaar van de onroerende zaak met het grondplannummer 40 (gemeente Uithoorn);

2. De heer P.J.W. Bockweg alsmede ing. R.B. Adriaanse en mr. C. Lubben (SRK rechtsbijstand) namens de heer P.J.W. Bockweg, mede-eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 10 (gemeente Aalsmeer)

3. Ing. R.B. Adriaanse namens de heer H.C. Berkelaar en mevrouw M.J. Swartjes, de heer Berkelaar mede-eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 9 (gemeente Aalsmeer);

4. De heer J.H.T. Blom, van wie geen onroerende zaken ter onteigening hoeven te worden aangewezen en namens hem mr. G.J.I.M. Seelen (Geelkerken & Linskens);

5. De heer C.J.M. Buis (Buis Pomona) namens de erven van de heer D.J. Groeneweg, eigenaren van de onroerende zaken met de grondplannummers 69,149,162,74,150,75,71, 76,77,79,100 en102 (gemeente Amstelveen);

6. De heer D.P. Baardse, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplan-nummers 55, 56 en 57 (gemeente Amstelveen) alsmede diens echtgenote, mevrouw M. Baardse-Klaasse Bos;

7. Mevrouw Hoffman-Van Santen, van wie geen onroerende zaken ter onteigening hoeven te worden aangewezen;

8. De heer C.J.M. Buis (Buis-Pomona) namens de heer R. Ziegltrum, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 31,53 en 73 (gemeente Amstelveen) alsmede namens diens huurder Salomo Handelsbedrijven;

9. De heer C.J.M. Buis (Buis-Pomona) namens Duif’s Florist B.V., eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 1,32,50, 51 en 52 (gemeente Aalsmeer);

10. De heer C.J.M. Buis (Buis-Pomona) namens fa. G. Kooij en Zn, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 29 (gemeente Amstelveen);

11. De heer C.J.M. Buis (Buis-Pomona) namens de familie Van Egmond, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 95 (gemeente Amstelveen);

12. De heer C.J.M. Buis (Buis-Pomona) namens de familie Raadschelders, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 23,26 en 28 (gemeente Amstelveen);

13. De heer C.J.M. Buis (Buis-Pomona) namens de heren V.E van Baal, F.A.J. van Baal en R. Veerhuis (de maatschap Van Baal en Veerhuis), eigenaren van de onroerende zaken met de grondplannummers 25 en 27 (gemeente Amstelveen);

14. De heer L.P.W. van Santen (Santen & Gasille) namens P. Kooij en Zonen B.V., eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 47 (gemeente Aalsmeer);

15. Mr. P.J.L.J. Duijsens (Duijsens Van der Klei Zwijnenberg) namens J.M. van der Hoeven B.V., eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 61 en 97 (gemeente Amstelveen);

16. De heer W. Verhoeven (Vellekoop) namens: de heer J.A. Blom, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 16 en 18 (gemeente Amstelveen) alsmede de heer W.N. Blom, eigenaar van de onroerende zaak met het grondplannummer 17 (gemeente Amstelveen);

17. De heer W. Verhoeven (Vellekoop) namens H.J. Verkuijl B.V., eigenaar van de onroerende zaak met het grondplannummer 22 (gemeente Amstelveen) alsmede de heer H.J. Verkuijl, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 163 (gemeente Amstelveen);

18. De heer J.J.C.M. Machielsen (Van der Hoeven en Machielsen) namens de familie J.J.M. Brockhoff, waarvan geen onroerende zaken ter onteigening zijn aangewezen;

19. De heer J.J.C.M. Machielsen (Van der Hoeven en Machielsen) namens Kwekerij de Wilgenhoek B.V., waarvan geen onroerende zaken ter onteigening zijn aangewezen;

20. De heer J.J.C.M. Machielsen (Van der Hoeven en Machielsen) namens Familie H. de Ruiter, waarvan geen onroerende zaken ter onteigening zijn aangewezen;

21. De heer J.J.C.M. Machielsen (Van der Hoeven en Machielsen) namens Kwekerij Aqua Plant, waarvan geen onroerende zaken ter onteigening zijn aangewezen;

22. De heer J.J.C.M. Machielsen (Van der Hoeven en Machielsen) namens familie L.J.M. Ottevanger, waarvan geen onroerende zaken ter onteigening zijn aangewezen;

23. De heer J.J.C.M. Machielsen (Van der Hoeven en Machielsen) namens de heer J.A.J. Goes, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 4, 35,36 en 37 (gemeente Aalsmeer);

24. Ir. G. Achterveld (Achterveld Advies BV) namens de heer J.L. Veldt, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 8 (gemeente Aalsmeer) alsmede diens echtgenote mevrouw W.C. Veldt-Konst;

25. Ir. G. Achterveld (Achterveld Advies BV) namens mevrouw M.W. Veldt, mevrouw M.E. Veldt en mevrouw M.C. Veldt, eigenaren van de onroerende zaken met de grondplannummers 2 en 3 (gemeente Aalsmeer).

Overwegingen

Ingevolge artikel 72a van de onteigeningswet kan, zonder voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert, onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de aanleg en verbetering van wegen.

Reclamanten sub 1

Namens en door reclamanten sub 1 wordt de noodzaak tot onteigening bestreden omdat er geen serieuze pogingen zijn ondernomen om de onroerende zaak in der minne te verkrijgen; in dat kader wordt de gedane aanbieding als onvoldoende en strijdig met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gekwalificeerd.

Het optreden van de namens de verzoeker om onteigening optredende taxateurs werd als intimiderend en onprofessioneel ervaren; de binnen drie weken in het vooruitzicht gestelde aanbiedingsbrief liet acht maanden op zich wachten, terwijl zowel de toonzetting daarvan als de daarin opgenomen termijn waarbinnen gereageerd diende te worden als onacceptabel worden aangemerkt. In dat kader viel ook een zinsnede slecht, waarin een dwangsom van € 5000,<\m> per dag werd gesteld verbeurd te zijn, indien niet uiterlijk op 1 februari 2006 tot ontruimde levering zou zijn overgegaan. Ook spreken reclamanten er hun verbazing over uit, dat geen aanbod is gedaan het gehele perceel (groot 2870 centiare) over te nemen, zodat men met een geringe oppervlakte (114 centiare) blijft zitten.

Gezien het gecombineerde gebruik van de onroerende zaak voor zowel woon-, recreatieve- als bedrijfsdoeleinden is een vervangende locatie op basis van het uitgebrachte aanbod onmogelijk te verkrijgen, terwijl ook geen dergelijke locatie door de verzoeker om onteigening, te weten de Provincie Noord-Holland (hierna: de provincie) wordt aangeboden.

Tevens wordt gesteld, dat er voldoende planologische basis ontbreekt.

Ten aanzien van het door verzoeker om onteigening gevoerde minnelijke overleg overwegen Wij vooreerst dat ten opzichte van de burger eerst naar dit middel (het starten van de administratieve onteigeningsprocedure) kan en mag worden gegrepen, indien langs minnelijke weg redelijkerwijs niet of niet in de gewenste vorm overeenstemming kan worden bereikt. Daarbij geldt, dat in de procedure op grond van Titel IIa van de onteigeningswet in het algemeen genoegzaam aan deze eis is voldaan, indien voor de tervisielegging van de onteigeningsbescheiden een aanvang met het minnelijk overleg is gemaakt. Dit overleg dient tot een redelijk punt te worden voortgezet alvorens, na gebleken noodzaak daartoe, de administratieve procedure kan worden ingezet. Daarbij is het wenselijk doch niet altijd noodzakelijk, dat ten tijde van de tervisielegging van de onteigeningsbescheiden reeds een formeel bod is uitgebracht. Voldoende is, dat sprake is geweest van een redelijke doch vruchteloos gebleken poging om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven. Alsdan kan een verzoeker om onteigening - teneinde op een redelijk tijdstip tot uitvoering van het betreffende plan van het werk over te kunnen gaan- in beginsel tot onteigening besluiten. Het zou te ver gaan de eis te stellen dat partijen reeds ten tijde van de tervisielegging van het plan van het werk in eerste instantie moeten zijn “uitonderhandeld”. Wij zijn van mening dat, zoals hiervoor beschreven, het voldoende is als op dit tijdstip met de onderhandelingen een aanvang is gemaakt en genoegzaam is komen vast te staan, dat deze onderhandelingen niet tot het gewenste resultaat zullen leiden.

Er is dus sprake van een tweevoudige verplichting tot onderhandelen van de partij, die tot onteigening wenst over te gaan: vooreerst in het stadium van de administratieve fase van de onteigeningsprocedure en wel voor de tervisielegging van het plan van het werk en vervolgens, na het nemen van het Koninklijk besluit, en vóórdat tot dagvaarding, als bedoeld in artikel 18 van de onteigeningswet wordt overgegaan, zijnde het tijdstip waarop de gerechtelijke fase van de onteigeningsprocedure aanvangt.

Uit door de provincie overgelegde stukken blijkt, dat tijdens overleg met de adviseur van reclamanten op 10 januari 2005 reeds over de gewenste leverdatum van de onroerende zaak (1 februari 2006) is gesproken. Na verscheidene vervolggesprekken is namens de provincie de aanbieding d.d. 9 september 2005 uitgebracht met daarin de door reclamanten gewraakte clausules. Voorts is gebleken dat op 4 oktober 2005 nader overleg is gevoerd met de adviseur van reclamanten, waarbij de oplevertermijn en de boeteclausule zijn genuanceerd en alternatieven bespreekbaar zijn gesteld. Vervolgens heeft de adviseur op 21 oktober 2005 het (gewijzigde) aanbod afgewezen. Met het oog hierop en mede gelet op de datum van de start van de administratieve onteigeningsprocedure op 24 november 2005, zijn Wij van mening, dat er voldoende pogingen zijn ondernomen om de onroerende zaak in eigendom te verkrijgen en dat daarbij geen sprake is geweest van handelen in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Voorts merken Wij het volgende op. In de aanbiedingsbrief werd verzocht binnen twee weken na dagtekening van dat schrijven te reageren. Het bezwaar van reclamanten tegen deze termijn is ingegeven door vergelijking met de termijn van acht maanden, die de provincie zelf nodig had om na opname van de onroerende zaak tot een aanbieding te komen. Hieromtrent merkt de provincie op, dat een en ander is veroorzaakt doordat bij de waardebepaling van dit specifieke object met diverse functies en bestemmingen extra nauwgezetheid is vereist. De onderhandelingen zullen dan ook met het betrachten van de nodige zorgvuldigheid worden voortgezet.

Voor wat betreft de mening van reclamanten, dat met de aangeboden vergoeding geen vervangende locatie verkregen kan worden merken Wij op, dat dit aspect betrekking heeft op de hoogte van de schadeloosstelling, die in het kader van de onderhavige administratieve procedure niet ter beoordeling staat, maar, bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming, in de gerechtelijke procedure aan de orde komt.

Reclamanten verzoeken de provincie een vervangende locatie aan te bieden. Hieromtrent overwegen Wij als volgt. De onteigeningswet verplicht de verzoeker om onteigening niet tot schadeloosstelling in de vorm van compensatiegronden, woningen of oplossingen anderszins. Indien belanghebbende in een zienswijze de wens kenbaar heeft gemaakt tot schadeloosstelling in een andere vorm dan geld, gaat dit verder dan de mogelijkheden die de onteigeningswet biedt om binnen redelijke termijnen te komen tot minnelijke overeenstemming. Mogelijkheden tot schadeloosstelling in die zin zullen in der minne en in sommige gevallen in samenwerking met andere overheden bezien moeten worden. Alhoewel dergelijke zienswijzen in het verlengde van het bovenstaande in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig beoordeeld worden, komen zij wel in deze procedure in het kader van de toetsing van het minnelijk overleg aan de orde. De noodzaak van de onteigening is immers mede afhankelijk van de wijze waarop het minnelijk overleg is en zal verlopen.

De provincie heeft ter zake laten weten, dat zij niet over een vervangend object beschikt, doch dat een en ander bij de onderhandelingen wordt betrokken doordat de namens de provincie optredende onderhandelaars zich op de markt oriënteren naar de beschikbaarheid van een dergelijk object.

Wij overwegen derhalve, dat de provincie op een zorgvuldige wijze met het compensatieverzoek heeft gehandeld.

Hoewel het optreden van de namens de provincie afgevaardigde taxateurs alsmede de inhoud (onder andere dreiging met dwangsom) en toonzetting van de door laatstgenoemden op basis van hun onderzoek geschreven brief door reclamanten als onaangenaam werd ervaren, zien Wij hierin op basis van de door de provincie overgelegde stukken en de tijdens de hoorzitting geleverde informatie van partijen geen grond om binnen het beoordelingskader van deze administratieve onteigeningsprocedure te concluderen, dat er in casu geen sprake is geweest van een serieuze poging om de onroerende zaak in der minne te verwerven.

Met betrekking tot de door reclamanten uitgesproken voorkeur voor een aanbod voor de verwerving van het gehele perceel merken Wij op dat uit van de provincie verkregen informatie is gebleken, dat de onderhandelingen zijn gericht op verwerving van het totale perceel van reclamanten.

Uit de aanbiedingsbrief blijkt dan ook dat het aanbod betrekking heeft op de aankoop van het totale perceel met een grootte van 2870 centiare.

Het overleg met reclamanten gaat door. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Tenslotte zijn reclamanten van mening, dat er onvoldoende planologische grondslag bestaat. Voor zover zij hiermee de relatie tussen de procedures uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening en de onteigeningswet op het oog hebben, geldt het volgende. Voor het kunnen starten van een administratieve onteigeningsprocedure geldt het vereiste dat een aanvang is genomen met de planologische inpassing van het project of werk, ten behoeve waarvan de onteigening wordt verzocht. Hierbij geldt dat een anticipatieprocedure als bedoeld in de artikelen 19 en 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening dan wel een bestemmingsplanprocedure op grond van deze wet moet zijn gestart. Hierbij geldt bovendien, dat belanghebbenden de mogelijkheid moeten hebben tot het naar voren brengen van zienswijzen in een planologische procedure voorafgaand of tenminste gelijktijdig met de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure. Aangezien aan deze vereisten is voldaan, zoals blijkt uit het hierna gestelde onder het lemma “planologie”, kon de provincie de administratieve onteigeningsprocedure te starten.

Indien reclamanten met hun zienswijze willen aangeven, dat de administratieve procedure prematuur is geëntameerd omdat het daarmee beoogde werk bij gebrek aan planologische vergunningen nog niet kan worden gerealiseerd overwegen Wij, dat de uitvoering eerst kan aanvangen nadat, de benodigde (planologische) procedures zijn doorlopen en de vereiste vergunningen en ontheffingen zijn verleend.

Reclamant sub 2

Met betrekking tot reclamant sub 2 overwegen Wij dat de verzoeker om onteigening heeft aangegeven overeenstemming met reclamant bereikt te hebben, zodat de onroerende zaak van reclamant niet ter onteigening zal worden aangewezen. Behandeling van de zienswijze kan dan ook achterwege blijven. De lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken is dienovereenkomstig aangepast.

Reclamanten sub 3

Met betrekking tot reclamanten sub 3 overwegen Wij dat de verzoeker om onteigening heeft aangegeven overeenstemming met reclamanten bereikt te hebben, zodat de onroerende zaak van reclamanten niet ter onteigening zal worden aangewezen. Behandeling van de zienswijze kan dan ook achterwege blijven. De lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken is dienovereenkomstig aangepast.

Reclamant sub 4

De door en namens reclamant sub 4 ingebrachte zienswijze heeft betrekking op de navolgende aspecten:

1. Hoewel van reclamant geen gronden ter onteigening worden aangewezen, meent hij belanghebbende bij dit Koninklijke Besluit te zijn mede omdat het voor hem van het grootste belang is dat de ontsluiting van zijn percelen gewaarborgd is.

2. Nu cliënt naar zijn mening belanghebbende is, hadden de stukken hem op grond van artikel 3:13 Awb toegezonden moeten worden; nu dit niet is gebeurd is gehandeld in strijd met de wet.

3. De onderhavige administratieve onteigening heeft slechts betrekking op de ontsluiting van de percelen van reclamant; de gronden die de provincie voor de realisatie van een deel van de N201 van reclamant nodig heeft, komen op een later tijdstip aan de orde. Reclamant zou graag van de provincie coördinatie van de procedures zien zodat beoordeeld kan worden of de provincie voldoende pogingen heeft ondernomen om in minnelijk overleg tot overeenstemming te komen en in redelijkheid met de administratieve onteigeningsprocedure kon beginnen.

4. Reclamant vreest dat de ook voor diens bedrijfspercelen geplande ontsluitingsweg onvoldoende breed is voor twee tegemoetkomende vrachtwagens; ook zijn de bochten dermate scherp, dat vrachtwagens zoals die nu van en naar het terrein van reclamant rijden, deze niet kunnen maken. Voorts is reclamant uit de ter inzage gelegde tekeningen alsook de hem door de provincie toegezonden tekeningen onvoldoende duidelijk geworden, hoe de ontsluitingsweg er uit zal komen te zien. Er ontbreekt een goede ruimtelijke onderbouwing. Het lijkt reclamant niet juist om de ontsluitingsweg voor een bedrijf waar veel vrachtauto’s komen, op de geplande wijze tussen woningen door te laten slingeren. Tevens voorziet hij akoestische problemen. Reclamant acht de plannen op gespannen voet staan met het in het bestemmingsplan voorkomende beginsel “duurzaam en veilig”.

5. Reclamant is niet duidelijk geworden, welke (planologische) stukken de basis vormen voor de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure.

6. Reclamant stelt vraagtekens bij de hogere geluidswaarde van 59 dB voor Legmeerdijk 291; hij verwijst ernaar dat de Raad van State erop gewezen heeft dat bij het onderzoek ook cumulatie van geluid dient te worden meegenomen.

7. Reclamant voorziet de nodige problemen bij de praktische uitvoering van het plan van de provincie.

Naar aanleiding van deze zienswijze overwegen Wij het volgende. Van reclamant sub 4 worden in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure geen onroerende zaken ter onteigening aangewezen. Daardoor is hij geen belanghebbende in de zin van artikel 64 van de onteigeningswet; de van toepassingverklaring van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht op de voorbereiding van de beslissing tot onteigening maakt dit niet anders. De onderdelen 1 en 2 van de zienswijze kunnen derhalve niet als juist worden aangemerkt, zodat de verdere inhoudelijke beschouwing van de zienswijze uit dien hoofde niet aan de orde is. Echter, de provincie heeft inmiddels een onteigeningsverzoek ingediend waarbij gronden van reclamant ter onteigening worden aangewezen ten behoeve van een volgende fasering van hetzelfde werk, te weten de omlegging van de Provinciale weg N201. In deze procedure kan de zienswijze van reclamant worden ingebracht; van deze mogelijkheid heeft reclamant, zoals Ons is gebleken, inmiddels gebruik gemaakt. Tevens merken Wij op, dat Ons gebleken is dat de bedenkingen van reclamant tegen de tracering en vormgeving van de ontsluitingsweg als zienswijze zijn ingediend in de voor de strekking van de vraagstelling relevante procedure ex artikel 19,eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in het kader van de aanleg van de N201 voor het aanpassen van de aansluitingen op de Legmeerdijk.

Reclamanten sub 5

De namens de reclamanten sub 5 ingebrachte zienswijze kan in essentie als volgt worden weergegeven.

1. Met betrekking tot de gevolgen van het voorgenomen werk voor de bedrijfsvoering: het tracé is over de boerderij en opstallen geprojecteerd en doorsnijdt de bijbehorende gronden op een wijze, die voortzetting van het bedrijf onmogelijk maakt; de resterende oppervlaktes zullen derhalve ook verkocht moeten worden.

2. Met betrekking tot de hoogte van de aangeboden schadeloosstelling: de tot nu toe uitgebrachte aanbiedingen bieden onvoldoende financiële dekking om de hervestiging van het bedrijf mogelijk te maken. Reden hiervoor is o.a., dat een aantal ontwikkelingen die een positieve invloed op de prijsvorming zouden moeten hebben onvoldoende door de provincie in aanmerking zijn genomen.

3. Op een verzoek aan de provincie om tegen de getaxeerde prijs een aanbieding van vervangende grond te doen, is gereageerd met een schrijven waarin gesteld is, dat geen gronden beschikbaar zijn.

4. Benadrukt wordt, dat reclamanten bereid zijn op basis van reële uitgangspunten tot verkoop over te gaan.

Naar aanleiding van deze zienswijze overwegen Wij als volgt.

Aan het in onderdeel 1 vervat verzoek dat het gehele bedrijf bij de verkoop-transactie zou dienen te worden betrokken, is blijkens mededeling van de provincie tegemoetgekomen doordat er een tweetal aanbiedingen is geformuleerd: een aanbieding voor de verwerving van het gedeelte dat uitsluitend nodig is voor de uitvoering van het werk en een aanbod voor de verwerving van alle bij reclamanten in eigendom zijnde onroerende zaken.

Ten aanzien van onderdeel 2 merken Wij op, dat dit betrekking heeft op de hoogte van de schadeloosstelling die in het kader van de onderhavige administratieve procedure niet ter beoordeling staat, maar bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming, in de gerechtelijke procedure aan de orde komt.

Onderdeel 3 ziet op de reactie van de provincie op een verzoek om compensatie-gronden. Wij begrijpen deze zienswijze in die zin, dat hiermee namens reclamanten aan de provincie de uitnodiging werd gedaan daadwerkelijk vervangende grond te leveren dan wel op de markt aan te wijzen voor de prijs, die de provincie in haar aanbieding als marktconform aanmerkte. Met het aanvoeren van de negatieve reactie hierop willen reclamanten klaarblijkelijk aantonen, dat vervanging voor die prijs niet mogelijk is en dat het door de provincie gedane aanbod derhalve niet reëel is. Indien reclamanten met het indienen van dit onderdeel deze redenering beogen, heeft dit punt betrekking op de hoogte van de aangeboden schadeloosstelling en verwijzen Wij naar hetgeen hierboven bij onderdeel 2 is opgemerkt.

Voor zoveel reclamanten willen aanvoeren, dat het tot de plicht van de provincie behoort om vervangende gronden aan te bieden, verwijzen Wij naar het overwogene ten aanzien van het verzoek om een vervangende locatie van reclamanten sub 1. De reactie van de provincie vormt dan kennelijk het sluitstuk van een door of namens de provincie uitgevoerd onderzoek, zodat in de onderhandelingsfase zorgvuldig is gehandeld met het verzoek om compensatie-gronden.

Het overleg met reclamanten gaat door. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden. Hierin past de door reclamanten in onderdeel 4 uitgesproken bereidheid.

Reclamanten sub 6

De zienswijze van reclamanten sub 6 ziet, voor zover deze het onderhavige vastgestelde plan voor het werk en de voorgestelde onteigening betreft, op de op de volgende wijze gerubriceerde aspecten:

1. Inbreuk op privacy, onder meer door het kwijtraken van een groot deel van de voortuin en een stuk weide, welke oppervlaktes thans een buffer vormen tussen de functies wonen en verkeer, alsmede door overlast door meer verkeer, mede veroorzaakt door de aanzuigende werking van het te realiseren bedrijventerrein.

2. De hiermee samenhangende toename van stank en geluid.

3. Zorgen over de afwatering van de aan te leggen asfaltverharding.

4. Onnodig tijdverlies bij- en de ergernis over het optreden namens de provincie in de onderhandelingsfase omdat afspraken niet worden nagekomen; reclamanten voelen zich niet serieus behandeld.

5. Een verre van toereikend aanbod dat ook te laat is verzonden.

Deze zienswijze leidt tot de volgende opmerkingen en overwegingen.

Punt 1 hangt nauw samen met de keuze van het tracé, welke keuze niet in de onderhavige administratieve procedure ter beoordeling staat, maar waartegen de mogelijkheid tot het inbrengen van onder andere zienswijzen haar plaats heeft in de procedures van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De in dit onderdeel beschreven nadelen kunnen eveneens niet in deze administratieve procedure aan de orde komen, doch wel in de eventuele gerechtelijke onteigeningsprocedure, waarin de hoogte van de schadeloosstelling zal worden bepaald. Wij merken op, dat de post vermogensschade en de hiertoe behorende waardevermindering van het overblij-vende, waarin de beschreven nadelen over het algemeen financieel tot uitdrukking worden gebracht, deel uitmaakt van de toe te kennen schadeloosstelling.

Punt 2 voorziet meer stank en geluid. Hieromtrent overwegen Wij, dat deze aspecten niet in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure aan de orde kunnen komen, doch in de procedures uit de Wet geluidhinder, het Besluit Luchtkwaliteit en de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Overigens is van de zijde van de provincie meegedeeld, dat de toepasselijke rapportages op het gebied van geluid en luchtkwaliteit aan de reclamant zijn toegezonden dan wel overhandigd.

Voor wat betreft punt 3 merken Wij op dat de verzoeker om onteigening heeft aangegeven dat de afwatering dusdanig zal plaatsvinden, dat hierdoor voor reclamanten geen hinder of andere nadelige gevolgen ontstaan.

Punt 4 geeft aanleiding tot de volgende opmerkingen. Uit door de provincie overgelegde stukken blijkt, dat op 7 juli 2005 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen reclamanten, hun deskundige en vertegenwoordigers van de provincie. Hierbij werd afgesproken, dat namens de provincie in de loop van augustus 2005 contact zou worden opgenomen voor de taxatie en verder overleg. Op 6 september 2005 vond vervolgens een vervolggesprek plaats, hetgeen uitmondde in een schriftelijke, gespecificeerde aanbieding d.d. 8 september 2005.

Wij overwegen het volgende.

Hoewel het optreden van de namens de provincie afgevaardigde taxateurs door reclamanten als onaangenaam werd ervaren, zien Wij hierin op basis van de door de provincie overgelegde stukken en de tijdens de hoorzitting geleverde informatie van partijen geen grond om binnen het beoordelingskader van deze administratieve onteigeningsprocedure te concluderen, dat er in casu geen sprake is geweest van een serieuze poging om de onroerende zaak in der minne te verwerven.

Punt 5 heeft betrekking op de hoogte van de schadeloosstelling, die niet in deze administratieve procedure aan de orde komt, doch wel in de eventuele gerechtelijke onteigeningsprocedure. Met betrekking tot de opmerking van reclamanten omtrent het tijdstip van toezending van het aanbod verwijzen Wij vooreerst naar hetgeen ten aanzien van het minnelijk overleg bij reclamanten sub 1 is overwogen.

De schriftelijke aanbieding van de provincie is op 8 september 2005 verzonden, terwijl de tervisielegging van het ontwerpbesluit en de in artikel 63 lid 2 van de onteigeningswet vereiste stukken ingaande 24 november 2005 plaatsvond. Wij overwegen, dat reclamanten hiermee een voldoende redelijke termijn is geboden om een reactie op het aanbod te formuleren.

Het overleg met reclamanten gaat door. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Reclamant sub 7

Van reclamant sub 7 hoeven geen onroerende zaken ter onteigening te worden aangewezen. Daardoor is zij geen belanghebbende in de zin van artikel 64 van de onteigeningswet; de van toepassingverklaring van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op de voorbereiding van het besluit tot onteigening maakt dit niet anders. Hoewel derhalve niet inhoudelijk op de zienswijze behoeft te worden ingegaan, overwegen Wij het volgende. De ingebrachte zienswijze heeft betrekking op de voorziene verslechtering van het woon- en leefmilieu als gevolg van het gebruik van het te maken werk, met name door geluidsoverlast en verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze aspecten komen niet in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure aan de orde, doch in de procedures uit de Wet geluidhinder, het Besluit Luchtkwaliteit en de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Reclamanten sub 8

De zienswijze van reclamanten sub 8 heeft betrekking op de vergoeding door de provincie van een groot aantal kostenposten, die onder andere verbonden zijn aan en betrekking hebben op de aanpassing van het terrein aan de nieuwe situatie. Tevens stellen reclamanten de ontsluitingsproblematiek aan de orde en benodigde compensatie voor de te vervallen parkeerruimte voor vrachtauto’s. Tenslotte wordt aangevoerd, dat tijdelijk gebruik van gronden door de aannemer niet mogelijk is en dat de door de provincie gewenste datum van oplevering, geheel leeg en ongevorderd, voor reclamanten onmogelijk te halen is; om hieraan te kunnen voldoen zal eerst in de ontsluitingsproblematiek moeten zijn voorzien.

Wij merken in dit verband op, dat de diverse kostenposten, die het direct en noodzakelijk gevolg zijn van de eigendomsoverdracht, onderdeel uitmaken van de schadeloosstelling, die in het kader van de onderhavige administratieve procedure niet ter beoordeling staat, maar, bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming, in de gerechtelijke procedure aan de orde komt.

Echter is ons gebleken, dat de provincie met reclamanten tot overeenstemming zal trachten te komen omtrent bovengenoemde aspecten. Er zullen afspraken worden gemaakt over een eventuele alternatieve ontsluiting als vervanging van de huidige, totdat de nieuwe ontsluiting aan de zuidzijde van het perceel is gerealiseerd. Met betrekking tot de vervallen parkeerruimte levert de provincie gronden aan de gemeente Amstelveen; reclamant Ziegltrum komt in aanmerking om die gronden als compensatie van die gemeente te verwerven.

Het overleg met reclamanten gaat door. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Reclamant sub 9

Reclamant sub 9 stelt, dat de eigendomsoverdracht van de gronden die noodzakelijk zijn voor de nieuwe ontsluiting op de Legmeerdijk een dermate grote wijziging van de bedrijfsvoering tot gevolg heeft, dat op korte termijn geen minnelijke overeenstemming valt te bereiken. De thans gekozen oplossing is verre van ideaal en niet gewenst. Tevens wordt veel geluidsoverlast van de nieuwe ontsluiting verwacht.

Ten aanzien van deze zienswijze overwegen Wij het volgende. De voorziene wijziging van de bedrijfsvoering vormt voor de provincie een onderwerp bij het gevoerde en voort te zetten minnelijke overleg. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

De voorliggende verkeerskundige oplossing en de daarmee samenhangende tracering hangt samen met de keuze van het tracé, welke keuze niet in de onderhavige administratieve procedure ter beoordeling staat, maar waartegen de mogelijkheid tot het inbrengen van o.a. zienswijzen haar plaats heeft in de procedures van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Het aspect geluidhinder/overlast komt evenmin in deze procedure aan de orde, doch in die op basis van de Wet geluidhinder en, daarmee samenhangend, in de procedures van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Reclamant sub 10

Met betrekking tot reclamant sub 10 overwegen Wij dat de verzoeker om onteigening heeft aangegeven overeenstemming met reclamant bereikt te hebben, zodat de onroerende zaak van reclamant niet ter onteigening zal worden aangewezen. Behandeling van de zienswijze kan dan ook achterwege blijven. De lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken is dienovereenkomstig aangepast.

Reclamant sub 11

Reclamant sub 11 merkt in zijn zienswijze op, dat hij akkoord gaat met de financiële opzet van de door de provincie gedane aanbieding. Hij wenst echter afspraken te maken over de afvoer van vrijkomende materialen van de te slopen opstallen. In een nadere reactie heeft de provincie aangegeven deze wens met de voor haar optredende taxatiecommissie te bespreken en met reclamant in verder overleg te treden om zo tot een passende oplossing te komen.

Overigens merken Wij op, dat deze zienswijze betrekking heeft onderdelen die zijn aan te merken als behorende tot de schadeloosstelling, die in het kader van de onderhavige administratieve procedure niet ter beoordeling staat, maar bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming, in de gerechtelijke procedure aan de orde komt.

Reclamant sub 12

De zienswijze van reclamant sub 12 behelst het verzoek uit de lijst van te onteigenen onroerende zaken te worden verwijderd, aangezien de overdracht van de betrokken eigendommen inmiddels heeft plaatsgevonden. Nu hierdoor de basis aan de aanwijzing ter onteigening is ontvallen, zal aan dit verzoek worden voldaan door het schrappen van de grondplannummers 23,26 en 28 (gemeente Amstelveen). De lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken is dienovereenkomstig aangepast.

Reclamanten sub 13

Reclamanten sub 13 verzoeken uit de lijst van te onteigenen onroerende zaken te worden verwijderd aangezien de overdracht van de betrokken eigendommen inmiddels heeft plaatsgevonden. Ook de verzoeker om onteigening heeft aangegeven de opneming van gronden van reclamanten sub 13 in het onteigeningsbesluit niet langer op prijs te stellen. Nu hierdoor de basis aan de aanwijzing ter onteigening is ontvallen, zal aan dit verzoek worden voldaan door het schrappen van de grondplannummers 25 en 27 (gemeente Amstelveen). De lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken is dienovereenkomstig aangepast.

Reclamant sub 14

De zienswijze van reclamant sub 14 valt in drie onderdelen uiteen:

1. De zuidelijke bocht van de beoogde ontsluiting van het terrein van reclamant zou een onmogelijke draaihoek voor vrachtauto’s hebben; hierdoor ontstaat, anders dan de provincie van mening is, een vermogensschade aan het na uitvoering van het werk resterende gedeelte van de onroerende zaak van reclamant.

2. Reclamant kan zich niet vinden in het door de provincie uitgebrachte aanbod.

3. Tijdens de minnelijke onderhandelingen is nooit gesproken over de aanwezigheid van een water- en gasleiding, inclusief de bijbehorende meterkast ten behoeve van de gasaansluiting, aanwezig in de te verwerven strook grond.

Hieromtrent merken Wij het volgende op. Onderdeel 1 bevat een aanmerking over het ontwerp van het werk, ten behoeve waarvan de onteigeningsbevoegdheid wordt verzocht. Uit van de provincie ontvangen nadere berichten blijkt, dat zij van mening is dat de ontsluiting van het perceel van reclamant dezelfde functionaliteit heeft als de huidige. De provincie verklaart zich bereid op korte termijn contact met reclamant op te nemen om een en ander toe te lichten, waarbij reclamant diens wensen kenbaar kan maken. Voor zoveel onderdeel 1 ziet op de aanwezigheid van dan wel de hoogte van waardevermindering van het overblijvende merken Wij op, dat deze post onderdeel uitmaakt van de schadeloosstelling, die in het kader van de onderhavige administratieve procedure niet ter beoordeling staat, maar, bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming, in de gerechtelijke procedure aan de orde komt. Hetzelfde geldt ten aanzien van onderdeel 2; het overleg met reclamanten gaat door. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing/voor reclamant passend aanbod kunnen leiden.

Voor wat betreft onderdeel 3 heeft de provincie aangegeven, dat zij bij de uitvoering van het werk zal zorgdragen voor de oplossing van de problematiek van de water- en gasleiding met bijkomende werken.

Reclamant sub 15

Reclamant sub 15 is van mening dat onteigening niet noodzakelijk is, omdat de weg ook naast diens gronden kan worden aangelegd. Tevens wordt het nut van het te maken werk betwist; dit zou in het geheel niet nodig zijn en ook niet de noodzake-lijke verlichting van de verkeersproblematiek met zich meebrengen.

Ter zake overwegen Wij het volgende. De zienswijze van reclamant heeft betrekking op de keuze van het tracé (en het daarmee samenhangende grondbeslag) en de verkeerskundige afwegingen, die daaraan ten grondslag liggen. Deze aspecten staan echter niet in de onderhavige administratieve procedure ter beoordeling, maar in de procedures van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Overigens wordt opgemerkt dat de verzoeker om onteigening heeft aangegeven inmiddels overeenstemming met reclamant te hebben bereikt zodat de onroerende zaken met de grondplannummers 61 en 97 niet ter onteigening behoeven te worden aangewezen. De lijst van ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken is dienovereenkomstig aangepast.

Reclamanten sub 16

De namens reclamanten sub 16 ingediende zienswijze betreft een verschil van inzicht tussen de verwervende partij en reclamanten inzake de basis van de transactie. Samengevat zijn reclamanten de mening toegedaan, dat gedeeltelijke verkoop van het bedrijf met aanpassing aan de nieuwe situatie (hetgeen de door de verwervende partij voorgestane oplossingsrichting is) bedrijfstechnisch niet mogelijk is, dat integrale verkoop (waartoe de aankopende partij bereid is) een te laag bedrag oplevert om een vervangend, bestaand bedrijf aan te kopen en dat derhalve van een berekening op basis van integrale verkoop met reconstructie elders dient te worden uitgegaan. Dit laatste is des te meer aangewezen, nu geen bestaand, vervangend bedrijf op de markt aanwezig is. Daarbij zijn de door de provincie gewenste opleverdata niet haalbaar.

Reclamanten verbinden aan het bovenstaande de conclusie, dat namens de provincie onvoldoende serieus is getracht om tijdig op minnelijke basis overeenstemming te bereiken.

Wij merken het volgende op. De hoogte van de schadeloosstelling alsmede de basis waarop de berekening daarvan heeft plaatsgevonden staat in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, doch komt in de eventuele gerechtelijke procedure aan de orde. Opleverdata kunnen, bij uitblijven van minnelijke overeenstemming, niet eerder gerealiseerd worden dan nadat de eigendom middels de gerechtelijke onteigeningsprocedure op de provincie is overgegaan. Aan het uit de zienswijze van reclamant blijkende verschil van inzicht kan echter niet de conclusie worden verbonden, dat er sprake is van onvoldoende serieus minnelijk overleg. Dit kan anders zijn, indien het aanbod namens de provincie kennelijk onredelijk is geweest zodat onvoldoende basis voor minnelijk overleg aanwezig zou zijn. Hiervan is Ons echter niet gebleken. Het overleg met reclamanten wordt voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor reclamanten passend aanbod kunnen leiden.

Uit nadere berichten van de verzoeker om onteigening is gebleken, dat de mogelijkheid tot integrale aankoop open blijft.

Reclamanten sub 17

De zienswijze van reclamanten sub 17 houdt in, dat gedeeltelijke verkoop van het bedrijf met aanpassing aan de nieuwe situatie (hetgeen de door de verwervende partij voorgestane oplossingsrichting is) bedrijfstechnisch niet mogelijk is. In de aan gedeeltelijke verkoop verbonden schadeloosstelling kunnen reclamanten zich niet vinden.

In vervolggesprekken is gesproken over integrale verkoop, doch bleef een verschil van mening bestaan over enkele schadecomponenten. Reclamanten zijn van mening, dat door de kopende partij onvoldoende serieus getracht wordt om tijdig op minnelijke basis overeenstemming te bereiken. De door de provincie gewenste opleverdata zijn niet haalbaar.

Wij merken het volgende op. De hoogte van de schadeloosstelling alsmede de basis waarop de berekening daarvan heeft plaatsgevonden staat in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, doch komt in de eventuele gerechtelijke procedure aan de orde. Opleverdata kunnen, bij uitblijven van minnelijke overeenstemming, niet eerder gerealiseerd worden dan nadat de eigendom middels de gerechtelijke onteigeningsprocedure op de provincie is overgegaan.

Uit overgelegde gegevens is Ons gebleken, dat op 6 september 2005 een schriftelijk aanbod is uitgebracht, gebaseerd op gedeeltelijke aankoop. Sinds die datum heeft vervolgoverleg plaatsgevonden, waarbij is uitgegaan van totale aankoop en reconstructie elders; laatstelijk is overleg geweest op 16 december 2005. In laatstgenoemd gesprek bleken wederom aspecten van inkomens- en stagnatieschade partijen verdeeld te houden; namens reclamanten werd verzocht een en ander opnieuw te beoordelen, waarna een nieuwe afspraak gemaakt zou kunnen worden.

Wij overwegen derhalve, dat in casu sprake is geweest van een redelijke doch vruchteloze poging om hetgeen onteigend moet worden langs minnelijke weg te verwerven en dat genoegzaam is komen vast te staan, dat de verwerving langs minnelijke weg vooralsnog niet tot de mogelijkheden behoorde. Het stond de provincie dus vrij om, gezien de urgentie van het uit te voeren werk, de administratieve onteigeningsprocedure te starten. Het overleg met reclamanten wordt voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht tot een voor reclamanten passend aanbod kunnen leiden.

Uit nadere berichten van de verzoeker om onteigening is gebleken, dat de mogelijkheid tot integrale aankoop open blijft.

Reclamanten sub 18

Van reclamanten sub 18 hoeven in de onderhavige administratieve onteigenings-procedure geen onroerende zaken ter onteigening te worden aangewezen. Daardoor zijn zij geen belanghebbenden in de zin van artikel 64 van de onteigeningswet; de van toepassingverklaring van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht op de voorbereiding van de beslissing tot onteigening maakt dit niet anders, zodat verdere inhoudelijke beschouwing van de zienswijze uit dien hoofde niet aan de orde is. Echter, de provincie heeft inmiddels een onteigeningsverzoek ingediend waarbij gronden van reclamanten ter onteigening worden aangewezen ten behoeve van een volgende fasering van hetzelfde werk, te weten de omlegging van de Provinciale weg N201. In deze procedure kan de zienswijze van reclamanten worden ingebracht; van deze mogelijkheid hebben reclamanten, zoals Ons is gebleken, inmiddels gebruik gemaakt. Wij merken tenslotte op, dat de in de namens reclamanten door deskundige Machielsen ingebrachte zienswijze genoemde Hornweg-problematiek geen betrekking heeft op het werk, waarvoor thans onteigening wordt verzocht. Een en ander behoort tot de volgende fasering van het werk, waarvoor de provincie inmiddels een afzonderlijk onteigeningsverzoek heeft ingediend.

Reclamanten sub 19 en 20

Van reclamanten sub 19 en 20 (rechthebbenden op gezamenlijke onroerende zaken) hoeven geen onroerende zaken ter onteigening te worden aangewezen. Hetgeen is opgemerkt ten aanzien van reclamanten sub 18 is van overeenkomstige toepassing.

Reclamant sub 21

Van reclamant sub 21 hoeven geen onroerende zaken ter onteigening te worden aangewezen en zullen in de latere fasering van het onderhavige werk evenmin aangewezen worden. Reclamant is derhalve geen belanghebbende; voor de overweging terzake verwijzen Wij naar hetgeen te dien aanzien bij reclamant sub 18 is gesteld. Voor zoveel de zienswijze betrekking heeft op de tracékeuze (en daarmee samenhangend grondbeslag) merken Wij op dat deze keuze niet in de onderhavige administratieve procedure ter beoordeling staat, maar dat de mogelijkheid tot het inbrengen van onder andere zienswijzen haar plaats heeft in de procedures van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Reclamanten sub 22

Van reclamanten sub 22 hoeven geen onroerende zaken ter onteigening te worden aangewezen. Hetgeen is opgemerkt ten aanzien van reclamanten sub 18 is van overeenkomstige toepassing.

Reclamant sub 23

De zienswijze van reclamant sub 23 valt in een drietal onderdelen uiteen:

1. Ten aanzien van het tracé en de planologie: het ruimtebeslag is op een aantal plaatsen te beperkt om de weg te kunnen aanleggen, rekeninghoudend met de hoogteverschillen; er is onduidelijkheid over bestemmingen in het gebied, met de daaraan verbonden problemen ten aanzien van het niet verlenen van vergunningen.

2. Voor wat betreft de hoogte van de schadeloosstelling: hierover bestaan nog onduidelijkheden, zoals het al dan niet kunnen afmaken van een lopende teelt. Reclamant is dan ook van mening dat het instrument onteigening in dit stadium niet mag worden ingezet; tevens is er onvoldoende getracht het goed in der minne te verkrijgen. Ook wenst reclamant zekerheid te verkrijgen dat het plantmateriaal op het overblijvende geen schade zal ondervinden.

3. Terzake de door de provincie gewenste termijnen van bedrijfsverplaatsing: de geboden tijd hiervoor is te kort. Niet duidelijk is, waar hervestiging dient plaats te vinden.

Ten aanzien van deze onderdelen merken Wij het volgende op.

Ad 1. Wij verwijzen naar hetgeen door Ons inzake de tracékeuze is opgemerkt naar aanleiding van de zienswijze van reclamant sub 21. Ook het toewijzen van diverse functies aan een gebied geschiedt binnen het raamwerk van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Ter verduidelijking kan nog het volgende dienen. De provincie heeft gekozen voor afzonderlijke onteigeningsprocedures voor elk van de drie deelprojecten omdat het totale project omlegging N201 een gefaseerde uitvoering met daarop toegesneden planningen kent. De begrenzing van de procedures en de deelprojecten is tevens afgestemd op de verschillende planologische procedures. Een veelheid aan deze procedures is bij een project van dergelijke omvang veelal onontkoombaar.

Ad 2. Uit namens de provincie ter beschikking gestelde stukken blijkt, dat naar aanleiding van een bespreking d.d. 1 september 2005 een schriftelijk, gespecificeerd aanbod is uitgebracht gedateerd 8 september 2005. Hierop volgend heeft verder overleg plaatsgevonden, hetgeen geleid heeft tot minnelijke overeenstemming met reclamant. Dit impliceert, dat het daartoe gevoerde minnelijk overleg inmiddels voldoende is geweest om de onduidelijkheden over de diverse onderdelen van de schadeloosstelling op te lossen. Hetzelfde geldt dan voor de in onderdeel 3 naar voren gebrachte problematiek.

Zijdens de provincie wordt om handhaving in de lijst van te onteigenen onroerende zaken verzocht, aangezien de juridische levering nog niet heeft plaatsgevonden. Wij merken op, dat blijkens de onteigeningspraktijk het bereiken van een grote mate van overeenstemming niet in alle gevallen automatisch leidt tot spoedige ondertekening van een koopovereenkomst en een probleemloze eigendoms-overdracht. De urgentie van de onteigening laat echter geen vertraging toe in de aanwijzing ter onteigening van de betreffende onroerende zaken, zodat deze vooralsnog in de lijst van te onteigenen onroerende zaken gehandhaafd zullen blijven.

Reclamanten sub 24 en 25

Reclamanten sub 24 en 25 brengen als zienswijze het volgende naar voren.

1. De voorgenomen onteigening wordt, in ieder geval voor zover deze betrekking heeft op de gronden van reclamanten, niet op de juiste titel gevoerd. Ter plaatse van deze eigendommen betreft het een lokale weg van ondergeschikte betekenis die dient ter ontsluiting van een gedeelte van een (nog gedacht) bedrijventerrein. Het betreft hier een lokaal belang, waarvoor de raad van de gemeente Aalsmeer het te zijner tijd tot onteigening bevoegde gezag vormt. Ten aanzien van de provincie is derhalve geen sprake van een algemeen belang, waardoor niet valt in te zien waarom de eigendom bij de provincie zou moeten komen te berusten.

2. In de planologische procedure ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening zijn door reclamanten zienswijzen naar voren gebracht, die betrekking hebben op de ontsluitingsweg zoals te onderzoeken alternatieven in relatie tot verkeersafwikkeling, verkeersveiligheid en milieuconsequenties als verslechtering van luchtkwaliteit en aantasting van ecologische waarden. Ook de tracering en de vraag naar een goede ontsluiting van woningen en gronden is daarbij aan de orde gesteld.

Reclamanten wensen die zienswijzen ook in de onderhavige administratieve procedure in te brengen.

Naar aanleiding van deze zienswijze overwegen Wij als volgt.

Ad 1. De provincie heeft in casu verzocht om toepassing van Titel IIa van de onteigeningswet, terwijl reclamanten betogen dat Titel IV onteigeningswet de juiste titel zou zijn. Voor de toepassing van Titel IIa is van belang, dat het werk waarvoor onteigend wordt onder de reikwijdte van deze titel te brengen is.

In het voorliggende plan wordt de Legmeerdijk gereconstrueerd, waardoor een aantal percelen hun op- en afritten zal kwijtraken. De door reclamanten bedoelde weg ten westen van de Legmeerdijk dient primair als ontsluiting van deze percelen en maakt op grond hiervan deel uit van de totale omlegging van de N201. Het is niet uitgesloten, dat deze weg in de toekomst de functie zal gaan vervullen van ontsluitingsweg van het bedrijventerrein, maar dit is thans nog niet aan de orde. Wij zijn dan ook van mening dat de voor de ontsluitingsweg benodigde onroerende zaken terecht onderdeel uitmaken van het plan van het werk; de realisatie van die weg behoort dan ook tot de verantwoordelijkheid van de provincie. Wij zijn dan ook van oordeel dat het besluit tot aanwijzing van onroerende zaken terecht op grond van Titel IIa is aangevraagd.

Ad 2. Zoals hierboven bij reclamant sub 7 ten aanzien van milieuaspecten alsmede bij reclamant sub 6 bij onderdeel 1 aangaande de tracering c.a. is overwogen, komen de bij dit onderdeel aangevoerde onderwerpen niet in deze administratieve onteigeningsprocedure aan de orde. Zij zullen, voor zover daarin relevant, in het kader van de ruimtelijke procedures worden (mee)gewogen.

Overige overwegingen

Nut en noodzaak van het te maken werk

De huidige N201 leidt tot problemen op het gebied van bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid in de regio. Niet alleen in, maar ook buiten de spits treden opstoppingen op zowel op de N201 zelf als op de kruisende wegen. De ligging en de drukte op de N201 leiden tot milieubelastende en onveilige situaties in de woonkernen van Aalsmeer en Uithoorn. Er is daar sprake van geluidsoverlast, verkeersonveiligheid en barrièrewerking. Tevens is er vanwege de drukte op de N201 veel sluipverkeer in de woonwijken grenzend aan de N201.

In de gemeente Haarlemmermeer speelt vooral het bereikbaarheidsprobleem als gevolg van de ontwikkeling van de regio Schiphol als Mainport. Deze problematiek is niet alleen manifest op het hoofdwegennet, maar ook op het onderliggende wegennet en in het bijzonder op de N201.

De verwachte ontwikkelingen in de regio - onder andere de geplande groei van Schiphol en de Bloemenveiling Aalsmeer en de ontwikkeling van bedrijfsterreinen - zullen de problemen in de toekomst steeds nijpender maken. De bereikbaarheid van genoemde economische centra zal verder verslechteren en de leefbaarheid van de kernen Aalsmeer, Amstelveen en Uithoorn komt verder onder druk te staan.

Om bovenstaande problematiek op te lossen is een nieuw tracé voor de N201 ontworpen. Dit tracé loopt buiten de dorpskernen van Aalsmeer en Uithoorn om.

Daardoor wordt de overlast van files in de dorpskernen voor een belangrijk deel weggenomen. Dat draagt niet alleen bij aan een verbetering van de leefbaarheid, maar het vergroot ook de verkeersdoorstroming en het vermindert de milieubelasting. Ongelijkvloerse kruisingen zorgen daarnaast voor een verbetering van de verkeersveiligheid.

Met nieuwe ontsluitingen op de A9 en de A4 wordt de doorstroming naar het hoofdwegennet structureel aangepakt.

De planologische grondslag in de gemeente Aalsmeer wordt gevormd door het bestemmingsplan 1e herziening N201-zone, vastgesteld op 27 januari 2005, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten bij besluit van 23 augustus 2005, nr. 2005-10170.

Mede gelet op de lopende procedures ten aanzien van dit bestemmingsplan is een vrijstellingsprocedure ex artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestart. De desbetreffende terinzagelegging heeft plaatsgevonden van 30 september 20055 tot en met 28 oktober 2005.

De planologische grondslag in de gemeente Amstelveen wordt gevormd door het bestemmingsplan Eerste herziening bestemmingsplan N201 Amstelveen, dat is vastgesteld op 30 november 2005.

De planologische grondslag in de gemeente Uithoorn wordt gevormd door

• Bestemmingsplan Legmeer-West, dat is vastgesteld op 27 januari 2005 en goedgekeurd bij besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 30 augustus 2005.

• Bestemmingsplan Landelijk Gebied 1984, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 20 mei 1986.

Wegens strijd met de geldende bestemmingen is een vrijstellingsprocedure ex artikel 19, eerste lid van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestart. De desbetreffende stukken hebben van 13 mei tot en met 9 juni 2005 ter inzage gelegen. Gedeputeerde Staten hebben op 20 december 2005 onder nr. 2005-4459 de verklaring van geen bezwaar afgegeven. De vrijstelling is op 6 februari 2006 door Burgemeester en Wethouders verleend.

• Bestemmingsplan bedrijventerrein Uithoorn.

Het bestemmingsplan voor het bedrijventerrein Uithoorn is onherroepelijk. Het plan is ter inzage gelegd op 16 september 1995, vastgesteld door de gemeenteraad op 23 mei 1996 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 17 december 1996.

Het moet in het belang van de verbetering van de wegenstructuur en de verkeersveiligheid noodzakelijk worden geacht, dat de Provincie Noord-Holland de eigendom verkrijgt van de in dit besluit genoemde onroerende zaken.

Beslissing

Gelet op de onteigeningswet,

Gehoord de Raad van State, advies van 23 juni2006, nr. W09.06.0188/V, en gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 juni 2006, nr. RWSCD BJV 2006/6552, Rijkswaterstaat Corporate Dienst, Eenheid Bestuurlijk Juridische Zaken en Vastgoed;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Ten behoeve van de aanleg van de omlegging van de provinciale weg N201 vanaf de aansluiting op de Legmeerdijk tot en met de aansluiting op de Middenweg van de Bovenkerkerpolder - Amsterdamseweg met bijkomende werken in de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen en Uithoorn zullen ten algemenen nutte en ten name van de provincie Noord-Holland worden onteigend de onroerende zaken, aangeduid op de grondtekeningen die ingevolge artikel 63 van de onteigeningswet in de gemeenten Aalsmeer, Amstelveen en Uithoorn ter inzage hebben gelegen als:

Lijst van te onteigenen onroerende zaken in de kadastrale gemeente Aalsmeer

Nr. grondplan

Te onteigenen grootte

van het perceel kadastraal bekend

    

Als

Ter grootte van

sectie en nummer

Ten name van

 

ha

a

ca

 

ha

a

ca

 

1

 

1

38

wonen terrein (grasland)

1

98

86

B 6386

Handelskwekerij Duif's Florist B.V., Aalsmeer

51

 

1

24

wonen terrein (grasland)

1

98

86

B 6386

als grondplannummer 1

32

 

3

16

wonen terrein (grasland)

1

98

86

B 6386

als grondplannummer 1

2

 

10

73

terrein (akkerbouw)

 

58

60

B 6366

Veldt, Maria Wilhelmina, Soest;

         

Veldt, Maria Elisabeth, Amsterdam;

         

Veldt, Maria Catarina, Amsterdam;

         

ieder voor 1/3 deel

3

 

11

97

terrein (akkerbouw)

1

2

65

B 6550

als grondplannummer 2

4

 

58

29

wonen terrein (akkerbouw)

1

53

25

B 6363

Goes, Jacobus Antonius Joannes, Aalsmeer, gehuwd met:

         

Schirmann, Carolina Hendrika, Aalsmeer

35

 

81

66

wonen terrein (akkerbouw)

1

53

25

B 6363

als grondplannummer 4

36

 

10

43

wonen terrein (akkerbouw)

1

53

25

B 6363

als grondplannummer 4

37

 

2

87

wonen terrein (akkerbouw)

1

53

25

B 6363

als grondplannummer 4

8

  

20

bedrijfsschuur erf tuin

 

37

35

B 6552

Veldt, Joseph Lodewijk, Aalsmeer, gehuwd met:

         

Konst, Wilhelmina Cornelia, Aalsmeer

11

  

10

wonen

 

3

25

B 6369

PH Ruigrok Kwekerij BV, Hillegom

47

 

6

50

kassen erf oprijlaan teelland

1

99

38

B 6375

P. Kooij en Zonen B.V., Aalsmeer

49

 

1

49

wonen erf-tuin

 

1 7

48

B 6380

De provincie Noord-Holland, Haarlem

50

 

8

17

bedrijvigheid (kas)

1

89

10

B 6374

als grondplannummer 1

    

terrein (teelt-kweek)

     

52

 

3

85

wonen erf-tuin

 

15

95

B 6373

als grondplannummer 1

12

 

10

71

wegen

 

16

0

O 6716

Waterschap Drecht en Vecht, Hilversum

45

 

24

80

wegen

 

29

31

O 3370

als grondplannummer 12

14

 

7

01

wegen

 

54

75

O 3337

Provincie Noord-Holland, Haarlem

44

 

5

86

wegen

 

54

75

O 3337

als grondplannummer 14

15

 

31

05

wegen

1

96

55

O 3369

als grondplannummer 14

43

 

41

36

wegen

1

96

55

O 3369

als grondplannummer 14

16

  

41

wonen terrein (akkerbouw)

1

1

50

O 3345

Blom, Jasper Alouisius, Amstelveen, gehuwd met:

         

Levarht, Agatha Maria, Amstelveen

18

 

1

35

wonen terrein (akkerbouw)

1

1

50

O 3345

als grondplannummer 16

17

 

73

95

bedrijvigheid (kas)

1

87

0

O 3344

Blom, Wilhelmus Nicolaas, Amstelveen;

         

zakelijk gerechtigde als bedoeld in art. 5 lid 3, onder B van de Belemmeringenwet Privaatrecht op gedeelte van perceel:

         

N.V. Nederlandse Gasunie, Groningen

19

 

85

97

terrein (akkerbouw)

4

7

92

O 3181

† Blom, Wilhelmus Antonius, Aalsmeer,

         

gehuwd met: Verlaan, Anna Elizabeth, Aalsmeer

20

 

1

06

water

 

51

60

O 2574

als grondplannummer 12

64

 

1

30

water

 

51

60

O 2574

als grondplannummer 12

147

  

15

water

 

51

60

O 2574

als grondplannummer 12

160

  

28

water

 

51

60

O 2574

als grondplannummer 12

21

 

2

82

wegen

2

86

90

O 2647

De gemeente Amstelveen, Amstelveen

67

 

6

95

wegen

2

86

90

O 2647

als grondplannummer 21

68

  

76

wegen

2

86

90

O 2647

als grondplannummer 21

148

  

45

wegen

2

86

90

O 2647

als grondplannummer 21

161

 

1

55

wegen

2

86

90

O 2647

als grondplannummer 21

22

 

17

24

bedrijvigheid (agrarisch)

terrein (teelt-kweek)

1

56

92

O 7005

Rozenkwekerij H.J. Verkuijl B.V., Amstelveen

163

 

5

19

erf-tuin

 

10

38

O 7006

Verkuijl, Hendrik Jan, Nieuw Vennep, gehuwd met:

         

Oldenburg, Astrid Johanna, Nieuw-Vennep

30

geheel

wonen (agrarisch)

terrein (grasland)

3

86

39

O 6569

Provincie Noord-Holland, Haarlem;

         

zakelijk recht als bedoeld in art 5 lid 3, onder B van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

         

Openbare nutsvoorziening en dienstverlening Amstelland N.V., Amstelveen

31

  

48

wonen terrein

1

56

60

O 4250

Ziegltrum, Roland, Vaterstetten,

    

nieuwbouw bedrijvigheid

    

Bondsrepubliek Duitsland,

gehuwd met: Wagner, Hildegard Theresia, Vaterstetten,

         

Bondsrepubliek Duitsland,

         

zakelijk gerechtigde als bedoeld in art. 5 lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet

         

Privaatrecht:

         

Openbare nutsvoorziening en dienstverlening

         

Amstelland N.V., Amstelveen

53

 

10

87

wonen terrein

     
    

nieuwbouw bedrijvigheid

1

56

60

O 4250

als grondplannummer 31

73

 

2

21

wonen terrein

1

56

60

O 4250

als grondplannummer 31

    

nieuwbouw bedrijvigheid

     

55

 

1

25

bedrijvigheid (kas) erf-tuin

 

79

40

O 5459

Baardse, Dirk Pieter, Amstelveen,

gehuwd met:

         

Klaasse Bos, Maria, Amstelveen;

         

zakelijk gerechtigde als bedoeld in art. 5 lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet

         

Privaatrecht op ged. van perceel:

         

Openbare nutsvoorziening en dienstverlening Amstelland N.V., Amstelveen

56

  

19

erf-tuin

  

95

O 5616

als grondplannummer 55

57

  

75

wonen erf-tuin

 

14

50

O 5458

als grondplannummer 55

59

geheel

wonen erf-tuin

 

18

15

O 6108

als grondplannummer 30

60

 

3

91

terrein (grasland)

 

7

79

O 6570

Klaasse Bos, Hendrik, Aalsmeer,

         

gehuwd met:

         

Elderen van Anna Maria, Aalsmeer,

         

zakelijk gerechtigde als bedoeld in art. 5 lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

         

Openbare nutsvoorziening en dienstverlening Amstelland N.V;

         

gerechtigde opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: N.V. Nuon Infra West, Amsterdam

90

 

3

44

terrein (grasland)

 

7

79

O 6570

als grondplannummer 60

98

  

44

terrein (grasland)

 

7

79

O 6570

als grondplannummer 60

62

geheel

terrein (akkerbouw)

1

85

50

O 3917

Provincie Noord-Holland, Haarlem;

         

zakelijk recht als bedoeld in art 5 lid 3, onder B van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

         

De provincie Noord-Holland, Haarlem

65

  

77

water

1

20

85

O 3127

als grondplannummer 12

80

 

2

72

water

1

20

85

O 3127

als grondplannummer 12

69

 

34

47

wonen erf-tuin

 

45

0

O 1524

† Groeneweg, Dirk Jan, Amstelveen, gehuwd met: Oranje, Tine, Amstelveen,

         

gerechtigde opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: N.V. Nuon Infra West, Amsterdam

149

 

9

81

wonen erf-tuin

 

45

0

O 1524

als grondplannummer 69

162

  

72

wonen erf-tuin

 

45

0

O 1524

als grondplannummer 69

74

 

19

36

berging-stalling

(garage-schuur)

2

35

25

O 3559

† Groeneweg, Dirk Jan, Amstelveen,

    

terrein (akkerbouw)

    

gehuwd met: Qranje, Tine, Amstelveen,

         

zakelijk gerechtigde als bedoeld in art. 5 lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

         

Openbare nutsvoorziening en dienstverlening Amstelland N.V., Amstelveen;

         

zakelijk gerechtigde als bedoeld in art. 5 lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

         

De provincie Noord-Holland, Haarlem

150

  

46

berging-stalling

2

35

25

O 3559

als grondplannummer 74

    

(garage-schuur)

     
    

terrein (akkerbouw)

     

75

 

84

28

terrein (akkerbouw)

3

16

80

O 1010

† Groeneweg, Dirk Jan, Amstelveen, gehuwd met: Oranje, Tine, Amstelveen,

         

zakelijk gerechtigde als bedoeld in art. 5 lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

         

Openbare nutsvoorziening en dienstverlening Amstelland N.V., Amstelveen;

         

gerechtigde opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: N.V. Nuon Infra West, Amsterdam;

         

zakelijk gerechtigde als bedoeld in art. 5 lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

         

De provincie Noord-Holland, Haarlem

71

 

9

12

terrein (akkerbouw)

3

16

80

O 1009

† Groeneweg, Dirk Jan, Amstelveen,

         

gehuwd met: Oranje, Tine, Amstelveen,

         

zakelijk gerechtigde als bedoeld in art. 5 lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

         

Openbare nutsvoorziening en dienstverlening Amstelland N.V., Amstelveen;

         

gerechtigde opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: N.V. Nuon Infra West, Amsterdam

76

 

34

02

terrein (akkerbouw)

3

16

80

O 1009

als grondplannummer 71

77

 

41

73

wonen terrein (akkerbouw)

3

16

80

O 1008

als grondplannummer 71

79

1

14

31

terrein (akkerbouw)

4

10

90

O 6833

† Groeneweg, Dirk Jan, Amstelveen, gehuwd met: Oranje, Tine, Amstelveen, zakelijk gerechtigde als bedoeld in art. 5 lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

         

Openbare nutsvoorziening en dienstverlening Amstelland N.V, Amstelveen

81

 

9

25

openbaar vervoer

 

79

78

O 1776

als grondplannummer 21

82

3

10

95

terrein (akkerbouw)

8

89

10

O 3619

Agrimm B.V., Amstelveen

86

geheel

wegen

1

46

70

O 6661

als grondplannummer 14

87

geheel

water

 

15

00

O 3123

als grondplannummer 12

91

geheel

water

 

2

50

O 3119

als grondplannummer 12

92

 

9

50

terrein (akkerbouw)

3

2

25

O 2985

lmmink, Maurits, Amstelveen

93

 

50

29

bouwwerken waterwerken wegen

4

2

2

O 6658

De provincie Noord-Holland, Haarlem;

         

zakelijk gerechtigde als bedoeld in art. 5 lid 3, onder B, van de Belemmerin genwet Privaatrecht op ged. van perceel:

         

N.V. Nederlandse Gasunie, Groningen

94

 

1

85

water

 

40

10

O 3117

als grondplannummer 12

95

 

6

73

terrein (akkerbouw)

2

94

40

O 3110

Egmond van, Adrianus Gerardus Johannes, Aalsmeer, gehuwd met:

         

Stolk, Hendrina, Lijnden;

         

Egmond van, Gerardus Johannes, Amstelveen,

         

gehuwd met:

         

Gijsbers, Diana, Amstelveen;

         

Egmond van, Johannes Adrianus Gerardus, Amstelveen, gehuwd met:

         

Stam, lrene Maria, Amstelveen;

         

Egmond van, Antonius Adrianus, Purmerend, gehuwd met:

         

Fransen, Cornelia, Purmerend;

         

ieder voor 1/4 deel

96

 

1

45

terrein (akkerbouw)

2

95

10

O 2994

Beinum van, Gerlach Gerrit, Amstelveen

100

 

3

80

terrein (akkerbouw)

2

56

50

O 4581

† Groeneweg, Dirk Jan, Amstelveen, gehuwd met: Oranje, Tine, Amstelveen

101

  

81

water

 

2

50

O 3121

als grondplannummer 12

102

2

52

80

terrein (akkerbouw)

10

21

37

O 3958

als grondplannummer 100

103

 

30

41

wonen

1

76

5

O 3957

† Tol van, Leendert Arie, Amstelveen, gehuwd met:

         

Hoogendoorn, Elisabeth, Amstelveen

108

  

48

wegen

 

48

50

O 1598

als grondplannummer 21

109

 

3

95

wegen

 

48

50

O 1598

als grondplannummer 21

110

 

1

41

wegen

 

48

50

O 1598

als grondplannummer 21

111

 

36

73

dijk

1

5

0

N 527

Boerlage, Gerrit Daniel, Laren NH, voor 1/105 deel;

         

Boerlage, Jacob Gijsbert, Nuenen, voor 1/105 deel;

         

Boerlage, Jan Roelof, Amstelveen, voor 11/105 deel;

         

Boerlage, Johanna Marie, Soest, voor 2/21 deel;

         

Boerlage, Louise Marie, Soest, voor 1/15 deel;

         

Degenaar, Antonie Gerrit, Heemstede, voor 4/105 deel;

         

Degenaar, Jan, Alkmaar, voor 1/21 deel;

         

Degenaar, Louis Jean, Dordrecht, voor 1/35 deel;

         

Holst, Casper Hendrik, Leidschendam, voor 11/2100 deel;

         

Holst, Gilles, Aalst, voor 1/35 deel;

         

Holst, Gilles, Aerdenhout, voor 11/2100 deel;

         

Holst, Johannes Conradus, Geldrop, voor 11/2100 deel;

         

Holst, Johannes Martinus, Eindhoven, voor 11/2100 deel;

         

Holst, Louise Marie, Haarlem, voor 13/210 deel;

         

Holst, Wilhelmus Hermannus, Eindhoven, voor 11/2100 deel;

         

Kaars Sijpesteijn, Antje, Utrecht, voor 11/2100 deel;

         

Kaars Sijpesteijn, Casper Hendrik, Krommenie, voor 11/2100 deel;

         

Kaars Sijpesteijn, Gerrit Willem Adriaan, Aerdenhout, voor 11/2100 deel;

         

Kaars Sijpesteijn, Johanna Antonetta, Groningen, voor 11/2100 deel;

         

Kaars Sijpesteijn, Willem, Beverwijk, voor 11/2100 deel;

         

Lange de, Petronella Everharda, Alkmaar, voor 4/105 deel;

         

Rasch, Anton Petrus, Emmeloord, voor 1/35 deel;

         

Timmer, Anna Petronella Antonia, Haarlem voor 2/35 deel;

         

Boerlage, Theodoor Frans, Calafornia, Santa Monica, Verenigde Staten van Amerika, voor 6/35 deel;

         

Rasch, Christiaan Jan, Den Helder, voor 1/35 deel;

         

Rasch, Johanna Anna Maria, Haarlem, voor 1/35 deel;

         

Degenaar, Nancy, Deventer, voor 1/35 deel;

         

Boerlage, Robert Egbert Arij, Nuenen, voor 1/105 deel;

         

Vleut, Jacoba Gerarda lsabella, Zandvoort, voor 1/15 deel

112

 

1

43

dijk

1

5

0

N 527

als grondplannummer 111

113

 

1

96

dijk

1

5

0

N 527

als grondplannummer 111

114

 

1

63

dijk

1

5

0

N 527

als grondplannummer 111

115

 

1

63

terrein (grasland)

1

19

20

N 141

als grondplannummer 111

116

 

13

95

terrein (grasland)

1

21

90

N 142

als grondplannummer 111

117

 

61

32

terrein (grasland)

1

19

20

N 150

als grondplannummer 111

118

 

51

03

terrein (grasland)

1

1 8

30

N 467

als grondplannummer 111

119

 

4

94

terrein (grasland)

1

22

80

N 466

als grondplannummer 111

120

 

2

49

water

 

51

80

N 566

als grondplannummer 12

121

 

98

75

terrein (grasland)

8

0

10

N 533

Poel van der, Petrus Leonardus, Uithoorn

122

 

38

03

terrein (grasland)

1

51

40

N 449

Snelderwaard, Johannes Cornelis, Amstelveen

123

 

11

18

terrein (grasland)

1

51

0

N 450

als grondplannummer 122

124

 

1

01

terrein (grasland)

1

45

30

N 167

als grondplannummer 122

125

 

26

25

berging-stalling

(garage-schuur)

1

38

90

N 438

als grondplannummer 122

    

terrein (grasland)

     

126

 

36

49

terrein (grasland)

1

42

60

N 437

Schaik van, Lijda, Amstelveen, gehuwd met: Koster, Barend, Amstelveen †

129

  

9

terrein (grasland)

1

42

60

N 437

als grondplannummer 126

127

 

40

96

terrein (grasland)

1

49

0

N 436

als grondplannummer 126

131

 

4

10

terrein (grasland)

1

49

0

N 436

als grondplannummer 126

128

 

57

02

terrein (grasland)

1

43

0

N 435

als grondplannummer 126

130

 

3

14

water

 

68

10

N 568

als grondplannummer 12

134

  

35

water

 

68

10

N 568

als grondplannummer 12

132

 

3

26

wegen

onbekend

N 570

Waterschap Drecht en Vecht, Hilversum;

         

De gemeente Amstelveen, Amstelveen;

         

ieder voor een onbekend aandeel

133

  

14

wegen

onbekend

N 570

als grondplannummer 132

135

 

33

37

terrein (grasland)

1

42

70

N 434

als grondplannummer 126

136

 

24

81

terrein (grasland)

1

24

0

N 191

als grondplannummer 126

137

 

23

50

terrein (grasland)

 

77

80

N 192

als grondplannummer 126

138

 

2

36

terrein (grasland)

 

15

40

N 432

als grondplannummer 126

139

 

4

05

dijk

2

11

20

N 513

als grondplannummer 12

140

 

2

53

water

1

23

75

N 512

als grondplannummer 12

141

 

7

94

dijk

2

75

40

N 511

Eigendom belast met opstal:

         

De gemeente Amstelveen, Amstelveen;

         

Opstalgerechtigde:

         

Polder Noorderlegmeer, Amstelveen;

142

  

49

wegen

 

4

70

N 514

als grondplannummer 12

151

  

50

terrein (akkerbouw)

 

27

5

O 3560

als grondplannummer 12

Lijst van te onteigenen onroerende zaken in de kadastrale gemeente Uithoorn

Nr. grondplan

Te onteigenen grootte

van het perceel kadastraal bekend

    

Als

Ter grootte van

sectie en nummer

Ten name van

 

ha

a

ca

 

ha

a

ca

 

39

geheel

wegen

  

58

A 1171

Waterschap Drecht en Vecht, Hilversum

40

 

27

56

wonen terrein (grasland)

 

28

70

A 1377

Schans van der, Gijsbert Cornelis, Uithoorn;

         

gehuwd met:

         

Wendels, Karin Marjanne, Uithoorn;

         

Wendels, Karin Marjanne, Uithoorn;

         

gehuwd met:

         

Schans van der, Gijsbert Cornelis, Uithoorn;

         

ieder voor 1/2 deel

41

 

10

01

wegen

 

38

20

A 1131

De gemeente Uithoorn, Uithoorn

42

 

2

72

wonen

1

0

0

A 1130

Verenigde Bloemenveilingen Aalsmeer BA Aalsmeer;

         

Opstalgerechtigde:

         

N.V. Nuon Infra West, Amsterdam

63

  

26

wegen

1

29

50

D 3044

als grondplannummer 41

66

 

48

90

parken - plantsoenen

22

78

86

D 5511

als grondplannummer 41

70

 

3

37

wegen

 

92

60

D 3095

als grondplannummer 41

143

 

5

10

dijk

1

14

67

B 8495

De gemeente Uithoorn, Uithoorn;

         

zakelijk gerechtigde als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op ged. van perceel:

         

Provinciaal Electriciteitsbedrijf van Noord-Holland, Bloemendaal

159

  

25

dijk

1

14

67

B 8495

als grondplannummer 143

144

 

9

31

wegen

1

97

5

B 8630

als grondplannummer 143

145

 

7

34

terrein (natuur)

 

17

90

B 8365

als grondplannummer 41

Onze Minister van Verkeer en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift aan de Raad van State zal worden gezonden.

’s-Gravenhage, 4 juli 2006 .
Beatrix.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,K.M.H. Peijs.

Naar boven