Aanpassing van het wettelijk minimumloon per 1 januari 2000
7 oktober 1999
ASEA/LIV/99/56962
Directie Algemene Sociaal-Economische Aangelegenheden
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;
Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag,
Besluit:
Artikel 1
De bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, b, en c van de
Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag worden met ingang van 1 januari
2000 onderscheidenlijk als volgt vastgesteld:
a. f 406,30;
b. f 555,30;
c. f 111,06.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2000
’s-Gravenhage, 7 oktober 1999.
De Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid,K.G. de Vries.
Toelichting
Uitgangspunt van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna
te noemen Wet WML), zoals gewijzigd bij Wet van 14 november 1991, Stb. 624
(Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid, hierna te noemen WKA), is dat de
algemene welvaartsontwikkeling zo mogelijk ook tot uitdrukking moet komen
in de inkomens van werknemers en uitkeringsgerechtigden op minimumniveau.
Dit uitgangspunt is vervat in de hoofdregel van de Wet WML die bestaat uit
een koppeling van het minimumloon en de sociale uitkeringen aan de gemiddelde
contractloonontwikkeling.
Afwijking van de hoofdregel is mogelijk indien sprake is van een bovenmatige
loonontwikkeling dan wel een bovenmatige volumeontwikkeling in de sociale
zekerheidsregelingen (artikel 14, vijfde lid, Wet WML). De toelichting van
de WKA geeft aan dat de afwijkingsgronden actueel zijn, indien de verhouding
tussen inactieven en actieven een norm van 82,6 overschrijdt. Voor 2000 geldt
dat de I/A-verhouding ruim onder de geformuleerde norm blijft.
In artikel 14, eerste tot en met derde lid, van de Wet WML wordt de aanpassing
van het minimumloon geregeld. Hierbij wordt uitgegaan van het gemiddelde van
de procentuele ontwikkeling van de contractlonen in de marktsector, de gepremieerde
en gesubsidieerde sector, en bij de overheid, zoals dat door het CPB wordt
berekend.
Het aanpassingspercentage is, conform hetgeen wettelijk is geregeld, als
volgt vastgesteld. Uitgangspunt is de helft van de CPB-raming voor de contractloonstijging
in 2000 zoals deze is gepubliceerd in de MEV 2000. Dit is 0,5 * 2,94 = 1,47.
Hierbij wordt opgeteld het verschil in de contractloonraming voor 1999 tussen
hetgeen is gepubliceerd in het CEP 1999 en de MEV 2000. Dit verschil bedraagt
-0,18 (2,70 minus 2,88), zodat het onafgeronde aanpassingspercentage 1,29
bedraagt. Dit wordt vermenigvuldigd met het (onafgeronde) WML zoals berekend
voor de aanpassing per 1 juli 1999. Na (wettelijke) afronding bedraagt het
bruto WML per 1 januari 2000 f 2406,30 per maand, f 555,30 per week en f 111,06
per dag. Het aanpassingspercentage na afronding is 1,26.
De hiermee corresponderende wettelijke minimumjeugdlonen bedragen op grond
van de staffeling geregeld in het Koninklijk Besluit van 29 juni 1983 (Stb.
300) per 1 januari 2000:
Wettelijke minimumjeugdlonen per 1 januari 2000

Volgens artikel 12 van de Wet WML is bij een kortere arbeidstijd dan de
gebruikelijke het minimum(jeugd)loon naar evenredigheid lager. Dit is bijvoorbeeld
van toepassing als werknemers in het kader van de partiële leerplicht
een aantal dagen per week onderwijs volgen.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
K.G. de Vries.