Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Verkeer en WaterstaatStaatscourant 1998, 70 pagina 10Overig

Gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4

«Wet gemeenschappelijke regelingen»

1. De tracébesluiten HSL-Zuid, A 16 en A 4, zoals omschreven in artikel 1 onder f van de hieronder opgenomen gemeenschappelijke regeling Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4, worden aangemerkt als schadeveroorzakende besluiten.

2. De gemeenschappelijke regeling Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4 is in werking getreden op 1 april 1998 na opname in het register, als bedoeld in artikel 27, tweede lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, van de Provincie Zuid-Holland.

3. De hieronder opgenomen nadeelcompensatieverordening is vastgesteld door het algemeen bestuur van voormeld Schadevergoedingsschap in zijn vergadering van 6 april 1998.

4. Daar waar in de tekst (resp. artikel 1 onder f van de gemeenschappelijke regeling en artikel 1 onder g van de nadeelcompensatieverordening) verwezen wordt naar het uitvoeringsbesluit A 16, wordt op die plaatsen onder ’Moerdijk’ niet de gemeente Moerdijk bedoeld, maar verwezen naar het Hollandsch Diep, ten zuiden waarvan de verbredingswerken aan de A 16 beginnen;

5. Daar waar in de aanhef en in artikel 1 van de gemeenschappelijke regeling de gemeente Made wordt genoemd, dient dit vanaf 25 april 1998 gelezen te worden als ’Drimmelen’.


Den Haag, 7 april 1998. De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink.

Gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-zuid, A 16 en A 4

De Minister van Verkeer en Waterstaat, handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, en de raden van de gemeenten Haarlemmermeer, Alkemade, Jacobswoude, Leiderdorp, Leiden, Rijnwoude, Zoeterwoude, Bleiswijk, Berkel en Rodenrijs, Bergschenhoek, Rotterdam, Heerjansdam, Zwijndrecht, Binnenmaas, ’s-Gravendeel, Strijen, Dordrecht, Moerdijk, Made, Breda en Zundert;

Gelet op de artikelen 94 en 95 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

Besluit:

Hoofdstuk I Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

a. de regeling: deze gemeenschappelijke regeling ingevolge de artikelen 94 en 95 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

b. het Schap: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, bedoeld in artikel 3 van deze regeling en tevens bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht;

c. de Minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat;

d. de deelnemers: de raden van de gemeenten Haarlemmermeer, Alkemade, Jacobswoude, Leiderdorp, Leiden, Rijnwoude, Zoeterwoude, Bleiswijk, Berkel en Rodenrijs, Bergschenhoek, Rotterdam, Heerjansdam, Zwijndrecht, Binnenmaas, ’s-Gravendeel, Strijen, Dordrecht, Moerdijk, Made, Breda, Zundert en de Minister.

e. de raad: de gemeenteraad van een aan deze gemeenschappelijke regeling deelnemende gemeente;

f. het tracébesluit:

- het uitvoeringsbesluit HSL-Zuid als bedoeld in artikel 24 van de Tracéwet (inclusief de werken aan de A 16 van Prinsenbeek-Noord tot knooppunt Galder, de werken aan de A 58 tot aan de gemeentegrens van Breda, en de aanleg van knooppunt Princeville, die in dat tracébesluit zijn opgenomen),

respectievelijk

- de uitvoeringsbesluiten tot de verbreding van de A 4 (gedeelte Zoeterwoude-knooppunt Burgerveen), als bedoeld in artikel 15 van de Tracéwet respectievelijk

- het uitvoeringsbesluit tot de verbreding van de A 16 (gedeelte Moerdijk tot Prinsenbeek-Noord), als bedoeld in artikel 15 van de Tracéwet;

g. HSL-Zuid: voor deze gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid worden hieronder mede verstaan de werken aan de A 4 en A 16, voorzover onder f) genoemd.

Hoofdstuk II Doel en reikwijdte van de regeling

Artikel 2

1. Het doel van de regeling is het bevorderen dat de behandeling van verzoeken om schadevergoeding die verband houden met de aanleg van de HSL-Zuid en de verbreding, verlegging en reconstructie van de A-16, zoals bedoeld in artikel 1 onder f, respectievelijk de A-4, zoals bedoeld in artikel 1 onder f, en de beslissingen op die verzoeken doelmatig, deskundig en op gelijke wijze plaatsvinden. Door deze regeling wordt tevens voor de burgers duidelijkheid geschapen over de terzake bevoegde instantie.

2. Op grond van de regeling kan slechts schadevergoeding op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, toegekend worden als de schade een gevolg is van het onherroepelijke tracébesluit en/of de daaruit rechtstreeks voortvloeiende besluiten en rechtmatige uitvoeringshandelingen van bestuursorganen, en deze schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van degene die schade lijdt behoort te blijven en voor zover vergoeding van deze schade niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. De hoogte van de schadevergoeding wordt naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld.

3. Schade die het gevolg is van verlegging, verwijdering of vervanging van kabels en leidingen ten gevolge van de werken als bedoeld in artikel 1 valt niet onder deze regeling.

Hoofdstuk III Het Schap

Artikel 3

1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam genaamd: Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4 hierna te noemen: het Schap.

2. Het Schap is gevestigd te Rotterdam.

Artikel 4

De bestuursorganen van het Schap zijn:

a. het algemeen bestuur;

b. het dagelijks bestuur;

c. de voorzitter;

d. het uitvoeringsorgaan, bedoeld in artikel 17.

Hoofdstuk IV Het algemeen bestuur

Artikel 5

1. Het algemeen bestuur bestaat uit evenveel leden als er deelnemers zijn.

2. Één lid van het algemeen bestuur wordt door de Minister aangewezen. De Minister kan een plaatsvervanger aanwijzen voor het door de Minister aangewezen lid.

3. De overige leden van het algemeen bestuur worden door de raden van de deelnemende gemeenten uit hun midden, de voorzitters van die raden inbegrepen, aangewezen. Elk der raden kan uit zijn midden een plaatsvervanger aanwijzen voor het door hem aangewezen lid van het algemeen bestuur. Artikel 15, eerste lid, Gemeentewet en X 8 Kieswet zijn van overeenkomstige toepassing op de in dit lid bedoelde leden.

4. Het ten aanzien van de leden van het algemeen bestuur bepaalde in de Wet gemeenschappelijke regelingen en in deze regeling, is van overeenkomstige toepassing op hun plaatsvervangers.

5. De leden van het algemeen bestuur bedoeld in het derde lid hebben ieder één stem. Het lid bedoeld in het tweede lid heeft evenveel stemmen als er leden als bedoeld in het derde lid zijn.

Artikel 6

1. Het door de Minister aangewezen lid van het algemeen bestuur wordt voor onbepaalde tijd benoemd.

2. De leden, bedoeld in artikel 5 derde lid, worden benoemd voor een zittingsduur van vier jaar. Deze leden treden echter af op de dag waarop de zittingsperiode in de raad afloopt.

3. De raad besluit in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de aanwijzing van het lid en zijn plaatsvervanger in het algemeen bestuur. Aftredende leden kunnen opnieuw als lid worden aangewezen.

4. Een lid van het algemeen bestuur dat ophoudt lid van de raad of burgemeester te zijn houdt daarmee tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn.

5. Een lid van het algemeen bestuur kan ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mede aan de raad of de Minister die hem heeft aangewezen. De raad of de Minister wijzen binnen één maand een nieuw lid van het algemeen bestuur aan.

6. Van elke aanwijzing of wijziging in het algemeen bestuur doet de aanwijzende deelnemer schriftelijk mededeling aan het dagelijks bestuur.

Artikel 7

1. Het algemeen bestuur vergadert tenminste tweemaal per jaar en voorts zo dikwijls de voorzitter dit nodig oordeelt, of indien tenminste een derde van het aantal leden als bedoeld in artikel 5, derde lid, of het lid als bedoeld in artikel 5, tweede lid, zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen hebben/heeft verzocht. Op de vergadering van het algemeen bestuur is artikel 56 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

2. Het algemeen bestuur besluit bij meerderheid van stemmen. Wordt over een voorstel geen stemming gevraagd, dan is het aangenomen.

3. Staken de stemmen, dan is het voorstel niet aangenomen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt bij staking van stemmen het nemen van een besluit verdaagd tot een volgende vergadering. Staken de stemmen in deze volgende vergadering opnieuw, ongeacht of deze voltallig is of niet, dan is het voorstel niet aangenomen.

4. Is een voorstel door staking van de stemmen niet aangenomen, dan wordt over het voorstel beslist bij bindend advies dat uitgebracht wordt door een door het algemeen bestuur aan te wijzen commissie bestaande uit drie onafhankelijke deskundigen. Één van de onafhankelijke deskundigen wordt bij gewone meerderheid van stemmen door de leden als bedoeld in artikel 5 derde lid benoemd. Het lid als bedoeld in artikel 5 tweede lid benoemt één onafhankelijke deskundige. Beide op deze wijze benoemde onafhankelijke deskundigen benoemen tezamen de derde onafhankelijke deskundige.

Artikel 8

1. Een lid van het algemeen bestuur is aan de raad die hem als lid heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor de uitoefening van zijn lidmaatschap. Het afleggen van verantwoording geschiedt volgens door de betrokken raad nader te stellen regels. Het door de Minister aangewezen lid is aan de Minister verantwoording verschuldigd voor de uitoefening van zijn lidmaatschap.

2. Een lid van het algemeen bestuur kan door de raad die hem heeft benoemd ontslagen worden. Op de procedure van het ontslag van een dergelijk lid zijn de artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Het door de Minister aangewezen lid kan door de Minister worden ontslagen.

3. Onverminderd artikel 16, zesde lid, Wet gemeenschappelijke regelingen geeft een lid van het algemeen bestuur binnen twee maanden mondeling of schriftelijk de door een of meer leden van de raad, die hem als lid heeft aangewezen, gevraagde inlichtingen, tenzij dit in strijd is met het algemeen belang. Het door de Minister aangewezen lid geeft de Minister mondeling of schriftelijk zo spoedig mogelijk de door de Minister gevraagde inlichtingen.

4. Over al hetgeen het Schap betreft verstrekt het dagelijks bestuur de deelnemers desgevraagd en binnen drie maanden na dat verzoek, inlichtingen, tenzij het verstrekken van inlichtingen in strijd is met de zorgvuldigheid of met het openbaar belang.

Artikel 9

1. Het algemeen bestuur is bij uitsluiting bevoegd, welke bevoegdheid door de raden van de deelnemers aan het schap is overgedragen, ter zake van de behandeling van en de beslissing op een aanvraag om schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, doch uitsluitend voor zover deze schade voortvloeit uit het onherroepelijke tracébesluit en/of daaruit rechtstreeks voortvloeiende bestuursbesluiten en rechtmatige uitvoeringshandelingen.

2. Het algemeen bestuur is bij uitsluiting bevoegd ter zake van de behandeling van en de beslissing op een aanvraag om schadevergoeding op basis van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, welke bevoegdheid door de Minister is overgedragen, doch uitsluitend voor zover deze schade voortvloeit uit het onherroepelijke tracébesluit en daaruit rechtstreeks voortvloeiende bestuursbesluiten en rechtmatige uitvoeringshandelingen.

3. Het algemeen bestuur kan de bevoegdheden, zoals vermeld in lid 1 en 2, mandateren aan de voorzitter.

Artikel 10

Op de behandeling van en de beslissing op een aanvraag om schadevergoeding als bedoeld in artikel 9 is de door het algemeen bestuur vast te stellen nadeelcompensatieverordening van toepassing.

Hoofdstuk V Het dagelijks bestuur

Artikel 11

1. Het dagelijks bestuur bestaat uit tenminste drie leden, te weten de voorzitter, het door de Minister aangewezen lid van het algemeen bestuur, en ten minste één ander door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen lid.

2. Elk lid van het dagelijks bestuur heeft één stem.

3. Het door de Minister benoemde lid van het dagelijks bestuur wordt benoemd voor onbepaalde tijd. De overige leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen voor een zittingsduur van vier jaar. Zij treden af wanneer de zittingsperiode in de gemeenteraad afloopt of wanneer zij ophouden voorzitter van de raad te zijn.

4. Het algemeen bestuur besluit in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de aanwijzing van door het algemeen bestuur aan te wijzen leden van het dagelijks bestuur en de plaatsvervangers daarvan. Aftredende leden van het dagelijks bestuur kunnen opnieuw als lid van het dagelijks bestuur aangewezen worden.

5. Het lid dat ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

6. Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen 6 maanden, een nieuw lid aan. Wanneer de ontstane vacature gepaard gaat met een vacature in het algemeen bestuur, dan vangt de termijn van 6 maanden aan op het moment dat het dagelijks bestuur de mededeling als bedoeld in artikel 6, zesde lid, ontvangt.

Artikel 12

1. Het dagelijks bestuur is belast met:

a. de voorbereiding van alles waarover in de vergadering van het algemeen bestuur zal worden beraadslaagd en besloten;

b. de zorg voor de uitvoering van de besluiten van het algemeen bestuur;

c. het beheren van de inkomsten en uitgaven van het Schap;

d. de zorg voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

e. het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit;

f. het verstrekken van inlichtingen aan de deelnemers aan deze regeling.

2. Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls de voorzitter dit nodig oordeelt of indien een ander lid van het dagelijks bestuur zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, heeft verzocht. In het laatste geval wordt de vergadering binnen drie weken gehouden. Op de vergadering van het dagelijks bestuur is artikel 56 Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13

1. De leden van het dagelijks bestuur zijn, te zamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur en beleid.

2. De leden van het dagelijks bestuur geven, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde beleid nodig is. Zij geven tezamen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of leden daarvan hierom verzoeken, binnen acht weken alle gevraagde inlichtingen, een en ander voorzover zulks niet in strijd is met het openbaar belang.

Artikel 14

1. Een lid van het dagelijks bestuur kan ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mede aan de raad of de Minister die hem in het algemeen bestuur benoemd heeft.

2. Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur ontslagen worden. Het lid van het dagelijks bestuur dat is aangewezen door de Minister kan niet door het algemeen bestuur ontslagen worden, maar alleen door de Minister.

Hoofdstuk VI De voorzitter

Artikel 15

1. De voorzitter van het algemeen bestuur wordt door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen bij meerderheid van stemmen.

2. De voorzitter van het algemeen bestuur is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur.

3. Het algemeen bestuur wijst één lid van het dagelijks bestuur bij meerderheid van stemmen aan als plaatsvervangend-voorzitter. De voorzitter kan niet tevens plaatsvervangend-voorzitter zijn. De plaatsvervangend-voorzitter vervangt de voorzitter bij diens afwezigheid.

Artikel 16

1. De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

2. De voorzitter is belast met de uitvoering van besluiten van het dagelijks bestuur en tekent de stukken die van het algemeen bestuur en/of dagelijks bestuur uitgaan.

3. De voorzitter neemt, indien het algemeen bestuur hem daartoe overeenkomstig artikel 9 lid 3 heeft gemandateerd, de besluiten op verzoeken om schadevergoeding.

4. De voorzitter vertegenwoordigt het Schap in en buiten rechte. Hij kan een door hem aan te wijzen persoon machtigen om deze vertegenwoordiging namens hem uit te oefenen. Aan deze machtiging kan de voorzitter voorwaarden verbinden. Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente die partij is in een geding waarbij het Schap is betrokken, oefent de plaatsvervangend-voorzitter de in dit lid bedoelde bevoegdheid uit.

Hoofdstuk VII Het uitvoeringsorgaan

Artikel 17

1. Het algemeen bestuur kan een uitvoeringsorgaan instellen dat belast wordt met de voorbereiding en uitvoering van de op grond van artikel 9 genoemde beslissingen. Het uitvoeringsorgaan is over de wijze waarop het zijn taken vervult verantwoording verschuldigd aan het algemeen bestuur.

2. Het uitvoeringsorgaan wordt door het algemeen bestuur samengesteld uit een voordracht van door de Minister en de raden aangewezen personen.

3. De leden van het uitvoeringsorgaan zijn ieder afzonderlijk verantwoording verschuldigd aan zowel het dagelijks bestuur als het algemeen bestuur.

Hoofdstuk VIII Ondersteuning

Artikel 18

1. De Minister stelt, gehoord het dagelijks bestuur, de bestuursorganen van het Schap voldoende ondersteuning, waaronder een secretaris, ter beschikking. De secretaris woont de vergaderingen van het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en het uitvoeringsorgaan bij.

2. De secretaris ondertekent mede alle stukken die van het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en het uitvoeringsorgaan uitgaan.

3. De Minister benoemt, gehoord het dagelijks bestuur, tevens een plaatsvervangend-secretaris die de secretaris vervangt bij diens afwezigheid.

Hoofdstuk IX Financiën

Artikel 19

De met de uitoefening van de in artikel 9 genoemde bevoegdheden gemoeide kosten komen ten laste van het Rijk.

Hoofdstuk X Archief

Artikel 20

De voorschriften omtrent de zorg, de bewaring en het beheer van de bescheiden van de Minister zijn van overeenkomstige toepassing op de zorg, de bewaring en het beheer van de bescheiden van het Schap.

Hoofdstuk XI Uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 21

Een deelnemer kan uittreden bij besluit van de raad van de betrokken gemeente, onderscheidenlijk bij besluit van de Minister. De uittreding vindt niet eerder plaats dan na opname van het besluit tot uittreding in het register als bedoeld in artikel 27, tweede lid, Wet gemeenschappelijke regelingen. Besluit de Minister uit te treden dan is dit een besluit tot tussentijdse opheffing als bedoeld in artikel 23.

Artikel 22

1. Tot wijziging van de regeling wordt op voorstel van het algemeen bestuur besloten door de raden en de Minister.

2. Een wijziging van de regeling komt tot stand als het in het eerste lid bedoelde voorstel is aanvaard door de raden van tenminste twee derde van de deelnemende gemeenten en de Minister.

3. De wijziging treedt niet eerder in werking dan na opname van het besluit tot wijziging in het register als bedoeld in artikel 27, tweede lid, Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 23

1. De regeling eindigt op 1 januari 2016. Tot eerdere opheffing of verlenging van de regeling kan worden besloten op voorstel van het algemeen bestuur door de raden en de Minister.

2. Een besluit tot opheffing of verlenging is tot stand gekomen zodra het in het eerste lid bedoelde voorstel is aanvaard door de raden van tenminste twee derden van de deelnemende gemeenten, en de Minister.

3. De tussentijdse opheffing gaat in één jaar na opname van het besluit tot tussentijdse opheffing in het register als bedoeld in artikel 27, tweede lid, Wet gemeenschappelijke regelingen. De beëindiging van de regeling gaat in één jaar na opname van het besluit tot beëindiging in het register als bedoeld in artikel 27, tweede lid, Wet gemeenschappelijke regelingen.

4. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen, daaronder in ieder geval begrepen de financiële gevolgen, van de beëindiging, de verlenging en de tussentijdse opheffing van de regeling.

In alle gevallen van beëindiging of tussentijdse opheffing vervalt een eventueel batig saldo aan de Staat der Nederlanden.

5. Ingeval van beëindiging of tussentijdse opheffing besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarbij tevens een liquidatieplan vast. Dit liquidatieplan behoeft de goedkeuring van de Minister.

6. Zo nodig blijven de bestuursorganen van het Schap ook na het tijdstip van beëindiging of tussentijdse opheffing in functie totdat de liquidatie van het Schap is voltooid.

Hoofdstuk XII Slotbepalingen

Artikel 24

De bij de Wet gemeenschappelijke regelingen voorgeschreven toezending van de regeling, alsmede van de besluiten tot uittreding, wijziging, beëindiging, verlenging of tussentijdse opheffing geschiedt door de Minister.

Artikel 25

Deze regeling treedt in werking op de datum van vaststelling van het eerste tracébesluit als bedoeld in artikel 1 onder f), en in ieder geval uiterlijk op de eerste dag van de maand na die waarin zij is opgenomen in het register bedoeld in artikel 27, tweede lid, Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 26

Deze regeling kan worden aangehaald als ’Gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4’. Zij zal in de Staatscourant worden gepubliceerd.

Het Algemeen Bestuur van het schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A4 heeft, ter uitvoering van artikel 10 van de gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4, op zijn eerste vergadering op 6 april 1998 te Rotterdam de navolgende Nadeelcompensatieverordening vastgesteld:

Nadeelcompensatieverordening HSL-Zuid, A 16 en A 4

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze nadeelcompensatieverordening wordt verstaan onder:

a. De regeling: de gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4 ingevolge de artikelen 94 en 95 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

b. Het algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4 als bedoeld in hoofdstuk IV van de gemeenschappelijke regeling Schadevergoedingsschap HSL-Zuid.

c. Het uitvoeringsorgaan: het uitvoeringsorgaan van het schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4 als bedoeld in hoofdstuk VII van de gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4.

d. De commissie: de adviescommissie als bedoeld in artikel 5 van deze verordening.

e. Verzoek: een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 3 van deze verordening.

f. Verzoeker: de belanghebbende die een verzoek als bedoeld in artikel 3 van deze verordening indient.

g. Het tracébesluit:

- het uitvoeringsbesluit HSL-Zuid als bedoeld in artikel 24 van de Tracéwet (inclusief de werken aan de A 16 van Prinsenbeek-Noord tot knooppunt Galder, de werken aan de A 58 tot aan de gemeentegrens van Breda, en de aanleg van knooppunt Princeville, die in dat tracébesluit zijn opgenomen), respectievelijk

- de uitvoeringsbesluiten tot de verbreding van de A 4 (gedeelte Zoeterwoude-knooppunt Burgerveen), als bedoeld in artikel 15 van de Tracéwet

respectievelijk

- het uitvoeringsbesluit tot de verbreding van de A 16 (gedeelte Moerdijk tot Prinsenbeek-Noord), als bedoeld in artikel 15 van de Tracéwet.

Artikel 2 Het recht op schadevergoeding

1. Het algemeen bestuur kent, gelet op de artikelen 2 en 9 van de regeling, op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, schadevergoeding toe als de schade een gevolg is van het onherroepelijke tracébesluit en de daaruit rechtstreeks voortvloeiende besluiten en/of rechtmatige uitvoeringshandelingen van bestuursorganen, mits deze schade niet of niet geheel ten laste van degene die schade lijdt behoort te blijven en voorzover vergoeding van deze schade niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. De hoogte van de schadevergoeding wordt naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld.

2. De vergoeding wordt bepaald in geld; niettemin kan het algemeen bestuur de vergoeding toekennen in een andere vorm dan een betaling van een geldsom.

3. Het recht op vergoeding van schade ontstaat niet eerder dan na het onherroepelijk worden van het tracébesluit.

4. Het algemeen bestuur beslist niet eerder op een ingekomen verzoek dan nadat het recht op schadevergoeding is ontstaan.

Artikel 3 Het verzoek om schadevergoeding

1. Het verzoek om schadevergoeding wordt gericht aan het algemeen bestuur van het schap en wordt zo spoedig mogelijk na inwerkingtreding van het tracébesluit schriftelijk ingediend bij het uitvoeringsorgaan van het Schap.

2. Het verzoek wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de verzoeker;

- de dagtekening;

- een aanduiding van het besluit en/of handelen dat de schade naar het oordeel van de verzoeker heeft veroorzaakt;

- voorzover mogelijk een opgave van aard en omvang van de schade, alsmede een specificatie van het bedrag van de schade;

- indien een vergoeding in natura wordt gewenst: een omschrijving van de wijze waarop de schade naar het oordeel van verzoeker dient te worden vergoed en een opgave van de kosten die hieraan verbonden zijn naar het oordeel van verzoeker.

3. De verzoeker verschaft tevens de gegevens en bescheiden die voor het nemen van de beslissing op zijn verzoek nodig zijn en waarover verzoeker redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4. Het uitvoeringsorgaan bevestigt de ontvangst van het verzoek zo spoedig mogelijk, doch ten minste binnen twee weken na de ontvangst ervan, en stelt de verzoeker in kennis van de te volgen procedure.

5. Indien, naar het oordeel van het uitvoeringsorgaan niet of onvoldoende is voldaan aan het bepaalde in het tweede en derde lid, stelt het uitvoeringsorgaan verzoeker in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen een termijn van acht weken na verzending van de brief waarin verzoeker op het verzuim is gewezen.

Artikel 4 Vereenvoudigde behandeling van het verzoek

1. Het algemeen bestuur neemt het verzoek niet in behandeling indien het niet overeenkomstig artikel 3 is ingediend.

2. Het algemeen bestuur wijst het verzoek zonder nader onderzoek af indien het naar het oordeel van het algemeen bestuur kennelijk ongegrond is.

3. Het besluit van het algemeen bestuur om het verzoek niet in behandeling te nemen of wegens kennelijke ongegrondheid af te wijzen, wordt aan de verzoeker bij aangetekende brief medegedeeld binnen acht weken na ontvangst van het verzoek of binnen vier weken na ontvangst van de ingevolge artikel 3, vijfde lid, ingezonden ontbrekende gegevens of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

4. Het algemeen bestuur kan de in het vorige lid genoemde termijnen eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. Het uitvoeringsorgaan stelt de verzoeker daarvan schriftelijk in kennis.

Artikel 5 De adviescommissie

1. Indien geen toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 4, eerste of tweede lid, stelt het uitvoeringsorgaan een commissie in. De commissie heeft tot taak het algemeen bestuur van advies te dienen over de op het verzoek te nemen beslissing.

2. De door het uitvoeringsorgaan te benoemen commissie wordt samengesteld uit personen die voorkomen op een door het algemeen bestuur samengestelde lijst van personen die benoembaar zijn in een adviescommissie.

3. De commissie bestaat uit drie onafhankelijke deskundigen. In eenvoudige gevallen kan het uitvoeringsorgaan volstaan met de benoeming van slechts één onafhankelijke deskundige.

4. De commissie wordt ingesteld binnen acht weken na ontvangst van het verzoek of binnen vier weken na ontvangst van de ingevolge artikel 3, vijfde lid, ingezonden ontbrekende gegevens.

5. Het uitvoeringsorgaan kan de in het vorige lid genoemde termijnen eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. Het uitvoeringsorgaan stelt de verzoeker hiervan schriftelijk in kennis.

6. Het uitvoeringsorgaan stelt verzoeker schriftelijk in kennis van de benoemde commissie. Deze kennisgeving bevat de namen van de deskundigen, hun beroep en de plaats waar zij hun werkzaamheden plegen te verrichten. De verzoeker kan binnen twee weken na verzending van de kennisgeving schriftelijk bedenkingen uiten tegen de voorgenomen samenstelling, in welk geval het uitvoeringsorgaan eenmalig tot een andere benoeming zal overgaan.

Artikel 6 Het door de commissie te verrichten onderzoek

1. Door de commissie wordt een onderzoek ingesteld naar:

- de vraag of de schade een gevolg is van een besluit of uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 2, tweede lid van de regeling;

- de omvang van de schade;

- de vraag of de schade redelijkerwijs niet, of niet geheel ten laste van de verzoeker dient te blijven;

- de vraag of de vergoeding van de schade geheel of gedeeltelijk anderszins is verzekerd;

- de vraag of en in hoeverre er aanleiding bestaat om een bijdrage in de deskundigenkosten toe te kennen.

2. De commissie brengt schriftelijk verslag uit over haar bevindingen, welke bevindingen gemotiveerd dienen te worden. De commissie adviseert het algemeen bestuur over de hoogte van de uit te keren vergoeding en doet, indien daar aanleiding voor is, voorstellen voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door een vergoeding in geld, beperkt of ongedaan kan worden gemaakt. De waarde van deze maatregelen en voorzieningen gaat de hoogte van de vergoeding van de anders op hetzelfde verzoek uit te keren vergoeding in geld niet te boven.

Artikel 7 Bevoegdheden en verplichtingen

1. Het uitvoeringsorgaan stelt aan de commissie, al dan niet op verzoek, de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van haar taak. Artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur is van overeenkomstige toepassing.

2. De verzoeker verschaft de commissie de gegevens en bescheiden die voor de advisering nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Indien de verzoeker meent dat de door hem verstrekte gegevens strikt vertrouwelijk zijn dan dient dit door de verzoeker uitdrukkelijk te worden aangegeven.

3. De commissie kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Indien met het verstrekken van inlichtingen, of het verlenen van adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de commissie deze bevoegdheid eerst uit na instemming van het uitvoeringsorgaan.

4. De commissie kan indien nodig een plaatsopneming houden.

Artikel 8 Procedure adviescommissie

1. De commissie stelt de verzoeker in kennis van de te volgen procedure.

2. De commissie stelt verzoeker, het uitvoeringsorgaan en eventueel meegebrachte deskundigen in de gelegenheid tot het geven van een mondelinge toelichting. Van de toelichtingen wordt een verslag gemaakt welk verslag aan de verzoeker en aan het uitvoeringsorgaan wordt toegezonden.

3. Voordat de commissie haar definitieve advies opstelt, stelt de commissie een concept-advies op. Dit concept-advies wordt uiterlijk zes maanden nadat de commissie is ingesteld aan de verzoeker en het uitvoeringsorgaan toegezonden. Indien niet binnen deze termijn een concept-advies opgesteld kan worden, deelt de commissie aan verzoeker en het uitvoeringsorgaan gemotiveerd mee waarom deze termijn overschreden wordt. Zij geeft daarbij tevens een termijn aan waarbinnen het concept-advies aan de verzoeker en aan het uitvoeringsorgaan zal worden toegezonden. Deze termijn bedraagt ten hoogste zes maanden.

4. Verzoeker en het uitvoeringsorgaan maken uiterlijk binnen vier weken na verzending van het concept-advies eventuele bedenkingen daartegen schriftelijk aan de commissie kenbaar.

5. De commissie stelt haar definitieve advies vast binnen vier weken na het verstrijken van de in het vierde lid genoemde termijn. Deze termijn kan door de commissie, onder opgaaf van redenen, eenmaal met ten hoogste vier weken verlengd worden. Het definitieve advies wordt terstond door de commissie aan verzoeker en het uitvoeringsorgaan toegezonden.

6. In eenvoudige gevallen kan de commissie met goedvinden van partijen bepalen dat zij, in afwijking van de in deze verordening beschreven procedure, een verkorte behandeling zal toepassen.

Artikel 9 Het besluit op het verzoek om schadevergoeding

1. Het algemeen bestuur beslist binnen zes weken na ontvangst van het advies van de commissie op het verzoek om schadevergoeding, doch niet eerder dan nadat het recht op schadevergoeding is ontstaan. De motivering van het besluit wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit. Ter motivering kan worden volstaan met een verwijzing naar het advies van de commissie. Indien het besluit afwijkt van het advies van de commissie wordt dit gemotiveerd.

De bekendmaking van het besluit van het algemeen bestuur geschiedt uiterlijk zes weken na het nemen van dat besluit, door middel van toezending of uitreiking aan de verzoeker.

2. Het algemeen bestuur kan het nemen van het besluit, onder opgaaf van redenen, eenmaal voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Artikel 10 Betaling

1. Het uitvoeringsorgaan draagt binnen zes weken na het onherroepelijk worden van het besluit van het algemeen bestuur zorg voor betaling van de te vergoeden schade.

2. In het geval het besluit van het algemeen bestuur een vergoeding betreft in een andere vorm dan geld, dan wordt binnen een redelijke termijn na het onherroepelijk worden van de in artikel 2 van de regeling bedoelde besluiten, een aanvang gemaakt met de werkzaamheden zoals deze zijn vastgelegd in het besluit van het algemeen bestuur.

Artikel 11 Voorschot

1. De verzoeker, die naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding in geld, kan bij het algemeen bestuur om een voorschot verzoeken. Dit verzoek dient schriftelijk te worden ingediend bij het uitvoeringsorgaan. Het algemeen bestuur beslist op het verzoek, gehoord de commissie als voor de behandeling van het verzoek waarvoor een voorschot wordt gevraagd een commissie wordt ingesteld.

2. Indien het algemeen bestuur besluit tot het verlenen van een voorschot wordt daarmee geen aanspraak op schadevergoeding erkend.

3. Het voorschot kan uitsluitend worden verleend indien de verzoeker schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is of wordt uitbetaald. Het algemeen bestuur kan daarvoor zekerheidsstelling verlangen.

4. Het algemeen bestuur kan ambtshalve na het besluit als bedoeld in artikel 9 lid 1, hangende de bezwaar- en/of de beroepsprocedure overgaan tot het toekennen van een voorschot, onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in lid 3.

Artikel 12 Hardheidsclausule

Indien een strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot een beslissing die onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt kan van het gestelde in artikel 2, eerste lid, worden afgeweken.

Artikel 13 Publicatie en citeertitel

Deze nadeelcompensatieverordening wordt met toelichting in ieder geval in de Staatscourant gepubliceerd en kan worden aangehaald als: ’Nadeelcompensatieverordening HSL-Zuid, A 16 en A 4’.

Toelichting bij de ’Nadeelcompensatieverordening HSL-Zuid, A 16 en A 4’

1 Inleiding

De HSL-Zuid is een spoorlijn die Nederland moet aansluiten op het Europese net van hogesnelheidsverbindingen. In Europees verband is afgesproken dat deze aansluiting in zuidelijke richting zal worden gerealiseerd. De HSL-Zuid wordt tussen Amsterdam/Schiphol en Rotterdam aangelegd volgens een nieuw tracé dat rechtstreeks vanaf Nieuw-Vennep, oostelijk van Leiderdorp en Zoetermeer, naar Rotterdam loopt. Tussen Rotterdam en het Hollandsch Diep wordt de HSL-Zuid gerealiseerd volgens een nieuw tracé door IJsselmonde en de Hoeksche Waard. Tussen het Hollandsch Diep en de Belgische grens wordt de HSL-Zuid gerealiseerd volgens een tracé dat vrijwel geheel bundelt met de autosnelweg A 16. Vrijwel tegelijkertijd met de aanleg van de HSL-Zuid wordt de A 16 ten zuiden van het Hollandsch Diep verbreed, verlegd en gereconstrueerd. Hetzelfde geldt voor de autosnelweg A 4 tussen Burgerveen en Leiden. Daar waar in de definitie van het uitvoeringsbesluit A 16 (artikel 1 onder f van de gemeenschappelijke regeling en artikel 1 onder g van de Nadeelcompensatieverordening) ’Moerdijk’ staat vermeld, wordt daarmee op die plaatsen dus niet ’de gemeente Moerdijk’ bedoeld; de verbreding van de A 16 start immers direct ten zuiden van het Hollandsch Diep.

Ten gevolge van de besluitvorming die de feitelijke aanleg van de HSL-Zuid, de A 16 en A 4 mogelijk maakt, kunnen belanghebbenden schade ondervinden die redelijkerwijze voor vergoeding in aanmerking komt. De Nadeelcompensatieverordening HSL-Zuid, A 16 en A 4 voorziet in de behandeling en eventuele toekenning van een schadevergoeding. Bevoegd gezag in het kader van deze nadeelcompensatieverordening is het algemeen bestuur van het schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4.

In deze toelichting wordt uiteen gezet waarom deze nadeelcompensatieverordening HSL-Zuid is vastgesteld. Er wordt aandacht besteed aan de grondslag, het bijzondere karakter en de reikwijdte van deze verordening. Voorts wordt in grote lijnen aangegeven welke factoren en normen van betekenis zijn voor de bepaling van de omvang van een eventueel uit te keren schadevergoeding.

Ten slotte volgt een artikelsgewijze toelichting.

2 Reden voor de vaststelling van de Nadeelcompensatieverordening HSL-Zuid, A 16 en A 4

De ministers van Verkeer en Waterstaat en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) hebben besloten de tracébesluiten HSL-Zuid, A 16 en A 4 aan te merken als schadetoebrengende besluiten. Het tracébesluit HSL-Zuid ziet op de aanleg van de HSL-Zuid, de werken aan de A 16 vanaf Prinsenbeek-Noord tot aan het knooppunt Galder, de aanleg van het knooppunt Princeville en de aanleg van de werken aan de A 58 tot aan de gemeentegrens van Breda. Het tracébesluit A 16 ziet op de verbreding van de A 16 vanaf Moerdijk tot Prinsenbeek-Noord en het tracébesluit A 4 ziet op de verbreding van de A 4 tussen Zoeterwoude en het knooppunt Burgerveen. Deze tracébesluiten worden verder aangeduid als de tracébesluiten HSL-Zuid, A 16 en A 4. De Minister van Verkeer en Waterstaat en de bij de aanleg van de HSL-Zuid, de A 16 en de A 4 betrokken gemeenten hebben ervoor gekozen om voor de behandeling van de verzoeken om schadevergoeding op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen het schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4 in het leven te roepen. Het schadevergoedingsschap heeft deze nadeelcompensatieverordening vastgesteld waarin regels gegeven worden omtrent de wijze waarop het algemeen bestuur van het schadevergoedingsschap uitvoering geeft aan haar beleid, dat gericht is op het zo vroegtijdig mogelijk compenseren van nadelen als gevolg van bestuurlijk handelen van of namens de Minister in verband met de aanleg van de HSL-Zuid, de A 16 en de A 4. Door publicatie van deze nadeelcompensatieverordening wordt algemeen bekend gemaakt op welke wijze en naar welke normen verzoeken om vergoeding van planschade en nadeelcompensatie door het schadevergoedingsschap zullen worden behandeld en beoordeeld. Een verzoek om vergoeding van schade kan worden ingediend vanaf het moment waarop de in deze nadeelcompensatieverordening genoemde respectievelijke tracébesluiten in werking zijn getreden. Voor alle verzoeken om schadevergoeding geldt dat de beslissing op het verzoek niet eerder kan worden genomen dan het moment waarop het recht op schadevergoeding is ontstaan. Het recht op schadevergoeding ontstaat op het moment dat het desbetreffende tracébesluit onherroepelijk is geworden. Omdat de behandeling van een verzoek om schadevergoeding reeds eerder een aanvang kan nemen, zal per saldo de beslissing op een eerder tijdstip worden genomen dan normaliter het geval zou zijn.

3 Grondslag van de nadeelcompensatieverordening

Deze nadeelcompensatieverordening is op artikel 10 van de gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4 gebaseerd en is een uitwerking van het evenredigheidsbeginsel zoals dat is vastgelegd in artikel 3:4 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met het bepaalde in de tracébesluiten HSL-Zuid, A-16 en A-4.

Het bijzondere karakter van de onderhavige regeling

Het bijzondere karakter van deze nadeelcompensatieverordening komt tot uitdrukking in de keuze om zowel te voorzien in de behandeling van nadeelcompensatieclaims als planschadeclaims.

Artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) is de juridische titel voor het al dan niet toekennen van schade vanwege een in planologisch opzicht gewijzigde situatie. De eventuele toekenning van nadeelcompensatie is gekoppeld aan de door het recht voorgeschreven plicht van belangenafweging die aan het besluit danwel de maatregel vooraf gaat. Artikel 3:4 tweede lid Awb geeft aan dat het niet bij die afweging alleen mag blijven, doch een vergoeding behoort te worden aangeboden indien en voorzover een burger onevenredig zwaar wordt getroffen in vergelijking met andere burgers die in een vergelijkbare positie verkeren.

Omdat de tracébesluiten HSL-Zuid, A 16 en A 4 door de Ministers van Verkeer en Waterstaat en VROM zijn aangemerkt als schadetoebrengenden besluiten kunnen belanghebbenden op grond van de nadeelcompensatieverordening niet alleen in een eerder stadium een verzoek om vergoeding indienen, maar kunnen zij ook een verzoek om schadevergoeding indienen voor die gevallen waarbij sprake is van schade ten gevolge van besluiten als bedoeld in artikel 49 WRO, die rechtstreeks voortvloeien uit de tracébesluiten. Hetzelfde geldt voor schade tengevolge van de daaruit rechtstreeks voortvloeiende rechtmatige uitvoeringshandelingen.

De nadeelcompensatieverordening beoogt niet alleen een mogelijkheid te bieden voor een eerdere behandeling van planschadeclaims doch ook te voorzien in het toekennen van schadevergoeding in die gevallen, waarin geen nadrukkelijke wettelijke schadevergoedingsregeling voorhanden is, terwijl in deze gevallen schade welke redelijkerwijs niet voor rekening van de belanghebbenden behoort te blijven, onder omstandigheden wel voor vergoeding in aanmerking kan komen.

Door het vaststellen van deze nadeelcompensatieverordening wordt een regeling in het leven geroepen op grond waarvan benadeelden op voorhand voldoende zekerheid wordt verschaft op welke wijze een verzoek om schadevergoeding kan worden ingediend en volgens welke normen de eventuele schade die redelijkerwijs niet ten laste van belanghebbende behoort te blijven, zal worden vergoed.

Omtrent de vraag of schadevergoeding dient te worden uitgekeerd zal het algemeen bestuur van het schadevergoedingsschap zich doorgaans laten adviseren door een adviescommissie bestaande uit onafhankelijke deskundigen. Belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun standpunten ten overstaan van deze deskundigen uiteen te zetten. Uiteindelijk beslist het algemeen bestuur van het schadevergoedingsschap, de adviescommissie gehoord, op een ingekomen verzoek om schadevergoeding. Deze beslissing is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Het gevolg hiervan is dat een dergelijk besluit voor bezwaar en beroep vatbaar is indien een belanghebbende zich niet met het besluit kan verenigen. Voor bezwaar kan een belanghebbende zich wenden tot het orgaan dat de beslissing heeft genomen, in dit geval het algemeen bestuur van het schadevergoedingsschap HSL-Zuid. Na de bezwaarschriftenprocedure te hebben doorlopen kan een belanghebbende in beroep gaan bij de rechter.

Het zal niet in alle gevallen mogelijk zijn benadeelden, voordat een handeling door de Minister wordt verricht, of voordat een besluit wordt genomen, zekerheid te verschaffen omtrent de vraag of, en tot welk bedrag de door hen geleden of nog te lijden schade vergoed zal worden. Deze nadeelcompensatieverordening laat echter onverlet dat, waar mogelijk aan de benadeelden vooraf inzicht wordt verschaft over de omvang van een eventuele schadevergoeding. In de praktijk kunnen dan ook reeds tijdens het besluitvormingsproces in de gevallen die zich daartoe lenen, de eventuele schadevergoedingsmogelijkheden die daarmee samenhangen aan de orde komen. Met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding behoeft derhalve niet per se te worden gewacht tot na het afronden van de besluitvormingsprocedure, dan wel het voltooien van een schadeveroorzakend werk of schadeveroorzakende gedraging. Ook in eerdere stadia van deze procedure kan dat geschieden.

Het is echter in het bijzonder ten aanzien van schadeveroorzakende besluiten, waartegen binnen een bepaalde termijn rechtsmiddelen zijn aan te wenden, onvermijdelijk, dat in die gevallen het recht op schadevergoeding eerst ontstaat en derhalve een definitief besluit over het toekennen van een schadevergoeding eerst kan worden genomen op grond van de onherroepelijk geworden tracébesluiten. Eerst dan staan de voorschriften welke aan het besluit zijn verbonden definitief vast en daarmee ook de schade die uit dat besluit voortvloeit.

Teneinde het daartoe te leiden dat een definitief besluit over het toekennen van een schadevergoeding gelijktijdig met, of zo spoedig mogelijk na het onherroepelijk worden van het desbetreffende tracébesluit, wordt genomen, is het mogelijk dat met betrekking tot het desbetreffende tracébesluit een verzoek om schadevergoeding al kan worden gedaan nadat het desbetreffende tracébesluit inwerking is getreden of wanneer benadeelden schade lijden ten gevolge van een rechtmatig feitelijke uitvoeringshandeling voortvloeiende uit het desbetreffende tracébesluit. In dit verband zij er voorts nog op gewezen, dat deze nadeelcompensatieverordening zowel voorziet in de mogelijkheid om in de daarvoor in aanmerking komende gevallen een voorschot te verlenen op de eventueel na het doorlopen van de in deze nadeelcompensatieverordening beschreven procedure toe te kennen schadevergoeding, als in een hardheidsclausule op grond waarvan in bijzondere gevallen kan worden afgeweken van het moment waarop het recht op schadevergoeding ontstaat wanneer zeer bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven.

4 Reikwijdte van de nadeelcompensatieverordening

Deze nadeelcompensatieverordening ziet uitsluitend op besluiten of rechtmatige uitvoeringshandelingen en planologische maatregelen als bedoeld in artikel 49 WRO, rechtstreeks voortvloeiende uit de onherroepelijke tracébesluiten HSL-Zuid, A 16 en A 4 alsmede de daaruit voortvloeiende besluiten van bestuursorganen en rechtmatige uitvoeringshandelingen.

Ten aanzien van de eventuele schade die een belanghebbende kan gaan lijden als gevolg van besluiten of rechtmatige uitvoeringshandelingen door of namens de Minister dan wel door andere bestuursorganen, respectievelijk genomen of verricht, geldt steeds de eis dat die schade het directe gevolg moet zijn van een besluit of handeling die rechtstreeks voortvloeit uit de genoemde onherroepelijke tracébesluiten dan wel van enig ander besluit of rechtmatige uitvoeringshandeling welke in samenhang met deze tracébesluiten is genomen, mits deze nadeelcompensatieverordening door het algemeen bestuur van het schadevergoedingsschap in een later stadium van toepassing is verklaard.

Als rechtmatig verrichte uitvoeringshandelingen zijn onder andere aan te merken: het doen vervallen van een bestaande uitrit, het fysiek opheffen van een bestaande spoorwegovergang, het aanleggen van een nieuwe ontsluitingsweg, het dempen van een bestaande sloot en het afsluiten van een verkeersweg. Zoals gezegd kunnen deze rechtmatige uitvoeringshandelingen niet alleen door of namens de Minister worden verricht, doch ook door of namens andere bestuursorganen, zoals bijvoorbeeld provincies, gemeenten en/of waterschappen. Hoewel vrijwel alle hiervoorgenoemde uitvoeringshandelingen op enigerlei wijze vergunning- dan wel ontheffingplichtig zijn en er derhalve voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering een besluit moet zijn genomen, zijn hierop uitzonderingen denkbaar waarvoor deze vergunning- dan wel ontheffingsplicht niet geldt. De nadeelcompensatieverordening wil ook voor die uitzonderlijke gevallen, waarbij sprake is van schade ten gevolge van een rechtmatige uitvoeringshandeling, een voorziening treffen. Bij de beoordeling van die schade geldt echter steeds het vereiste dat er een voldoende hechte samenhang moet bestaan tussen het nadeel veroorzaakt door de rechtmatige uitvoeringshandeling en één van de onherroepelijke tracébesluiten HSL-Zuid, A 16 en A 4 dan wel enig ander besluit dat in samenhang met deze tracébesluiten is genomen en waarop deze nadeelcompensatieverordening door het algemeen bestuur van het schap in een later stadium van toepassing is verklaard.

Op de nadeelcompensatieverordening kan echter geen beroep worden gedaan indien en voor zover schadevergoeding anderszins verzekerd is danwel wanneer bijvoorbeeld door aankoop, onteigening of anderszins in een vergoeding is voorzien. De nadeelcompensatieverordening HSL-Zuid, A 16 en A 4 ziet, gelet op artikel 2 lid 3 van de regeling, evenmin op schade-aanspraken welke ontstaan als gevolg van de noodzakelijke verwijdering of verplaatsing van kabels en leidingen. Daarvoor geldt een andere systematiek.

Deze nadeelcompensatieverordening beoogt evenmin de gevolgen van onrechtmatige overheidsdaden of van toerekenbare tekortkomingen van de Minister te regelen. Deze onderwerpen worden immers beheerst door het burgerlijk recht.

Het is evenwel denkbaar, dat een benadeelde een claim indient op grond van deze nadeelcompensatieverordening, terwijl niet duidelijk is of benadeelde zich daarbij baseert op rechtmatig, dan wel onrechtmatig toegebrachte schade, of dat voor het algemeen bestuur van het schadevergoedingsschap onduidelijk is of al dan niet een rechtmatig handelen als schadeoorzaak wordt aangewezen. Het algemeen bestuur van het schadevergoedingsschap zal zich daarover dienen te beraden, zonodig nadat daaromtrent verzoeker gehoord is. Een belanghebbende/gelaedeerde mag echter daarvan geen hinder ondervinden en het is aan het algemeen bestuur van het schadevergoedingsschap om het betreffende verzoek om schadevergoeding naar zijn rechtsvorm te onderscheiden en adequaat te doen behandelen. Om die reden is ervoor gekozen dat belanghebbenden bij één loket een verzoek om schadevergoeding kunnen indienen. Indien het algemeen bestuur tot het oordeel komt dat het schadevergoedingsverzoek buiten het bereik van deze nadeelcompensatieverordening valt, dan zal zij belanghebbende daarvan in kennis stellen en aangeven of het betreffende verzoek op andere wijze door de Minister in behandeling wordt genomen. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt, dat het algemeen bestuur van het schadevergoedingsschap dienaangaande niet het laatste woord heeft. De uiteindelijke beslissing daarover is aan de rechter. Als richtsnoer kan echter het volgende dienst doen:

- Deze nadeelcompensatieverordening is van toepassing op een schadeveroorzakend handelen of een schadeveroorzakend besluit dat als onrechtmatig zou zijn aan te merken, indien de onderhavige verordening niet zou zijn vastgesteld en niet zou worden toegepast, doch dat overigens voor wat betreft de wijze van totstandkoming en de inhoud daarvan rechtmatig is.

- Een handeling, die, ook al is deze nadeelcompensatieverordening vastgesteld en ook al zou deze worden toegepast, als onrechtmatig is aan te merken, bijvoorbeeld wegens een onbevoegd handelen, een handelen in strijd met wettelijke voorschriften, of een handelen in strijd met een contractuele verplichting, valt daarentegen buiten het bereik van deze nadeelcompensatieverordening. In dat geval wordt het verzoek op grond van deze regeling afgewezen en behandeld als een vordering naar burgerlijk recht.

Niet geheel ondenkbaar is, dat benadeelde, na een afwijzing als vorenbedoeld de burgerlijke rechter benadert ter zake van een beweerdelijk door of namens de Minister jegens hem gepleegde onrechtmatige daad, terwijl de burgerlijke rechter tot het oordeel komt, dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen. In een dergelijk geval kan de benadeelde opnieuw een verzoek indienen. Het algemeen bestuur zal in dat geval bezien of het opnieuw ingediende schadevergoedingsverzoek alsnog op basis van deze nadeelcompensatieverordening afgewikkeld kan worden.

Ingeval het algemeen bestuur de nadeelcompensatieverordening op het opnieuw ingediende schadevergoedingsverzoek van toepassing acht, wordt er vervolgens voor wat betreft toepassing van deze verordening van uit gegaan, dat het schadeveroorzakende besluit of de schadeveroorzakende handeling, zowel wat betreft de inhoud daarvan, als de wijze van totstandkoming rechtmatig is.

Samenloop met Betuweroute

Omdat op een gedeelte van het grondgebied van de gemeente Rotterdam (het gaat om het stuk vanaf de zuidkant van het perron van station Lombardijen tot aan de grens van de gemeente Barendrecht) en op het grondgebied van de gemeente Barendrecht sprake is van fysieke samenloop van de Betuweroute met de HSL-Zuid is besloten om de vergoeding van planschade en nadeelcompensatie voor de aanleg van de HSL-Zuid plaats te laten vinden op grond van de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute zoals deze is gepubliceerd in de Staatscourant 1996, 189. Bij het station Lombardijen takken de HSL-sporen af van de bestaande spoorlijn Rotterdam-Dordrecht (ter hoogte van HSL-km 7.2). Het oostelijk HSL-spoor kruist met een fly-over constructie op een hoogte van 9 meter boven maaiveld het andere HSL-spoor, de sporen richting Dordrecht en de goederensporen. Beide HSL-sporen liggen na deze kruising in Rotterdam ten westen van de bestaande sporen. De dive-under onder de goederensporen begint in de gemeente Rotterdam. Het voorafgaande betekent dat de inwoners van Rotterdam voor vergoeding van eventueel geleden planschade en nadeelcompensatie tengevolge van de aanleg van het hierboven omschreven deel van de HSL-Zuid (zuidkant station van het perron van Station Lombardijen tot aan de gemeentegrens met de gemeente Barendrecht) een beroep dienen te doen op de Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute. Voor de inwoners van de gemeente Barendrecht geldt hetzelfde. De minister van Verkeer en Waterstaat heeft hiertoe besloten na overleg met de gemeente Rotterdam en de gemeente Barendrecht. Achtergrond van deze keuze zijn de nauwe fysieke verwevenheid van het project HSL-Zuid met het project Betuweroute en het voornemen om de werkzaamheden ten behoeve van beiden projecten ter plaatse zoveel mogelijk in een bouwstroom plaats te laten vinden.

5 Onderscheid tussen nadeelcompensatie- en planschadegevallen

Overigens is het noodzakelijk een onderscheid te maken tussen de behandeling van verzoeken die zien op planschadegevallen ex artikel 49 WRO en de behandeling van nadeelcompensatiegevallen. Immers, de voorwaarde voor toekenning van een schadevergoeding op grond van artikel 49 WRO veronderstelt een in planologisch opzicht gewijzigde en nadeliger situatie, terwijl daarvan bij de nadeelcompensatiegevallen geen sprake behoeft te zijn.

Omdat het algemeen bestuur in zijn besluit op een concreet verzoek om schadevergoeding niet alleen rekening dient te houden met bestaande wettelijke grondslagen, doch ook met de in de rechtspraktijk uitgekristalliseerde causaliteitseisen bij de toekenning van een planschade- en/of een nadeelcompensatievergoeding wordt hieromtrent eerst een nader onderscheid aangebracht. Daarna volgt een nadere toelichting op de schadebegroting en de toepassing van de redelijkheidsnorm die in beginsel voor beide vormen van schadevergoeding gelijk is.

5.1 Nadeelcompensatiegevallen

Teneinde te kunnen bepalen of er aanleiding bestaat nadeelcompensatie toe te kennen, dient eerst bezien te worden of de schade veroorzaakt is door een besluit van de Minister danwel door een besluit dat namens de Minister is genomen, of door andere gedragingen van of namens de Minister. De schade dient in de tijd op de gedraging van of namens de Minister gevolgd te zijn. Voorts dient ter beoordeling van het causaal verband (zulks mede ter begroting van de schadeomvang) een vergelijking te worden gemaakt tussen de situatie, zoals die was voorafgaande aan de schade veroorzakende maatregel en de situatie nadat de maatregel werd getroffen. Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van voor vergoeding in aanmerking komend nadeel in de zin van deze regeling, is dus beslissend het antwoord op de vraag, of nadeel is opgetreden, dat zonder deze maatregel achterwege zou zijn gebleven. Indien zonder het besluit, of zonder het handelen van of namens de Minister de schade zich eveneens zou hebben voorgedaan, is er geen oorzakelijk verband in de zin van deze nadeelcompensatieverordening.

5.2 Planschadegevallen

Teneinde te kunnen bepalen of er aanleiding bestaat een schadevergoeding vanwege planschade toe te kennen, dient eerst te worden bezien of hiervan daadwerkelijk sprake is. Planschade is een vorm van schadevergoeding gebaseerd op artikel 49 WRO. Het toebrengen van deze schade is een direct of indirect gevolg van rechtmatig handelen door de overheid, er wordt immers gebruik gemaakt van wettelijke bevoegdheden. Van planschadevergoeding kan pas sprake zijn als er een planologische wijziging is ontstaan waardoor de ene burger zwaarder wordt getroffen dan de ander in overeenkomstige gevallen en de schade redelijkerwijze niet te zijnen laste behoort te blijven. Die meerdere schade behoort dan naar billijkheid te worden vergoed. Schade als gevolg van planologische maatregelen is meestal schade, die veroorzaakt wordt door een beperking van eigen gebruiksmogelijkheden of door ontwikkelingen in de directe omgeving. In artikel 49 WRO zijn een aantal planologische maatregelen opgesomd die aanleiding kunnen zijn voor het recht op planschadevergoeding. In het geval van de tracébesluiten HSL-Zuid, A 16 en A 4 ligt het betreffende tracébesluit ten grondslag aan deze planologische maatregelen. De hiernavolgende opsomming ziet op de wettekst, gevolgd door een nadere toelichting in hoofdlijnen.

De wettelijke basis:

Artikel 49 WRO luidt als volgt:

’Voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van:

a. de bepalingen van een bestemmingsplan,

b. het besluit omtrent vrijstelling, als bedoeld in de artikelen 17, 18, 18a of 19,

c. het besluit tot het verlenen van vrijstelling ingevolge artikel 40, of van een vergunning of andere beschikking ingevolge artikel 41,

d. de aanhouding van het besluit omtrent het verlenen van een bouw of aanlegvergunning ingevolge artikel 50, eerste lid van de Woningwet danwel ingevolge artikel 46, tweede lid,

e. aanwijzingen als bedoeld in artikel 37, tweede of vijfde lid,

f. het koninklijk besluit als bedoeld in artikel 66, tweede lid, schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd kent de gemeenteraad hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. Ingeval van schade ten gevolge van de aanhouding bedoeld onder d. kan het verzoek om schadevergoeding eerst worden ingediend na de terinzagelegging van het vastgestelde bestemmingsplan’.

Een belanghebbende in de zin van artikel 49 WRO is iedereen die meent schade te lijden en daarbij een eigen persoonlijk belang heeft. Hij is degene die een verzoek om schadevergoeding kan indienen. Dat betekent dus niet alleen de eigenaar, maar ook bijvoorbeeld de zakelijk gerechtigde, de huurder en/of een pachter.

Op een verzoek om schadevergoeding van een belanghebbende kan normaliter pas inhoudelijk een beslissing worden genomen als er sprake is van een onherroepelijk gewijzigde planologische situatie. Normaliter is de gemeenteraad de instantie die een beslissing moet nemen op een verzoek om op grond van artikel 49 WRO een planschadevergoeding toe te kennen. Echter voor wat betreft de aanleg van de HSL-Zuid, de A 16 en de A 4 hebben de aan het schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4 deelnemende gemeenten deze bevoegdheid overgedragen aan het schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4.

In de onderdelen a tot en met f van artikel 49 WRO wordt een opsomming gegeven van planologische maatregelen die kunnen leiden tot een in planologisch opzicht gewijzigde situatie.

sub a:

Een bestemmingsplan is een gemeentelijk plan bestaande uit voorschriften en een of meer kaarten die het gebruik regelen van de gronden en van de zich daarop bevindende opstallen.

De bestemmingsplankaart geeft aan voor welk gebied het betreffende bestemmingsplan geldt.

In verband met de aanleg van de HSL-Zuid, de A 16 en de A 4 zullen de meeste gemeenten een nieuw bestemmingsplan moeten maken, omdat de geldende bestemmingsplannen hierin niet voorzien. Zodra er sprake is van een nieuw bestemmingsplan dat definitief voorziet in de aanleg van de HSL-Zuid, de A 16 of de A 4, (men spreekt dan van een ’vigerend’, ’onherroepelijk’ of ’rechtens onaantastbaar’ bestemmingsplan) is er sprake van een gewijzigde planologische situatie. In het kader van de aanleg van de HSL-Zuid, A 16 en A 4 is echter op het moment van het onherroepelijk worden van de tracébesluiten al duidelijk hoe de nieuwe planologische situatie zal zijn.

sub b:

Het begrip vrijstelling ziet op de bevoegdheid van het college van Burgemeester en Wethouders en in bepaalde gevallen de gemeenteraad, om vrijstelling te verlenen van de gebruiksvoorschriften van een geldend bestemmingsplan. Voor een dergelijke vrijstellingssituatie, geldt uitdrukkelijk dat niet inhoudelijk op een verzoek om planschade kan worden beslist voordat het besluit waarbij de vrijstelling is verleend onherroepelijk is en er dus geen mogelijkheid meer bestaat van bezwaar, beroep of hoger beroep. Het ligt echter in de rede dat in die gevallen waarin een tracébesluit eerder onherroepelijk is geworden dan dat de vrijstelling onherroepelijk is geworden, tot betaling van de schadevergoeding wordt overgegaan nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden. Vanaf dat moment is immers duidelijk hoe de nieuwe planologische situatie zal zijn.

Artikel 17 WRO heeft betrekking op afwijkingen van het bestemmingsplan voor een bepaalde termijn. Deze termijn kan ten hoogste vijf jaar zijn. Er kan vrijstelling worden verleend van de voorschriften maar ook van de bestemming zelf. Omdat de aanleg van de HSL-Zuid, de A-16 of de A-4 geen tijdelijk karakter hebben, is het niet mogelijk dat ten behoeve hiervan een beroep op dit artikel wordt gedaan. Het is echter wel mogelijk dat er in verband met de aanleg van genoemde werken tijdelijk bouwketen worden geplaatst op locaties alwaar dit volgens het vigerende bestemmingsplan niet is toegestaan. In dergelijke situaties kan door het college van Burgemeester en Wethouders gebruik worden gemaakt van dit artikel, om tijdelijke plaatsing mogelijk te maken.

Voor deze nadeelcompensatieverordening is de vrijstelling als bedoeld in artikel 18 WRO van minder belang, zodat behandeling hiervan achterwege kan blijven.

Artikel 18a WRO geeft het college van Burgemeester en Wethouders de bevoegdheid om vrijstelling te verlenen van een (vigerend) bestemmingsplan voor gedeeltelijke veranderingen of vernieuwingen van bouwwerken alsmede voor bouwwerken van beperkte betekenis (planologische ’kruimelgevallen’).

Artikel 19 WRO geeft het college van Burgemeester en Wethouders en in voorkomend geval de gemeenteraad, de bevoegdheid om voor een gebied waarvoor een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening van een bestemmingsplan ter inzage is gelegd, vrijstelling te verlenen van het (vigerende) bestemmingsplan. Er zal in voorkomend geval eerst een voorbereidingsbesluit, als bedoeld in artikel 21 WRO, genomen moeten zijn. Door het nemen van een voorbereidingsbesluit verklaart de raad van een gemeente dat voor een bepaald gebied een nieuw bestemmingsplan wordt voorbereid. Voordat de vrijstelling kan worden verleend dient door Gedeputeerde Staten van de Provincie een zogenaamde verklaring van geen bezwaar te zijn afgegeven.

Het doel van deze procedure is, dat in afwijking van het vigerende plan bijvoorbeeld een bouwvergunning of een aanlegvergunning wordt verleend voor een bouwplan of werk dat moet passen in het toekomstig bestemmingsplan. Men loopt als het ware vooruit op de totstandkoming van een nieuw bestemmingsplan. Naar verwachting zal deze vorm van vrijstelling zich veelvuldig gaan voordoen bij de aanleg van de HSL-Zuid, A 16 en A 4. Zodra de vrijstelling en de bouw- of aanlegvergunning is verleend en er op eventuele ingekomen bezwaren of ingestelde beroepen definitief is beslist kan er inhoudelijk op een verzoek om planschadevergoeding worden beslist. Indien het tracébesluit dat ten grondslag ligt aan het verzoek om vrijstelling ex artikel 19 WRO eerder onherroepelijk is dan dit verzoek om vrijstelling en de eventueel daarbijbehorende bouw- en aanlegvergunningen, ligt het in de rede om al tot schadevergoeding over te gaan vanaf het moment dat het tracébesluit onherroepelijk is geworden. De nieuwe planologische situatie staat dan immers vast.

sub c:

Op grond van artikel 40 WRO kunnen Gedeputeerde Staten van de Provincie of de minister van VROM voor de verwezenlijking van een project, aan het college van Burgemeester en Wethouders verzoeken vrijstelling te verlenen van het vigerende bestemmingsplan.

De op grond van deze bepaling verleende vrijstelling dient eerst rechtens onaantastbaar te zijn, tenzij het aan dit vrijstellingsverzoek ten grondslag liggende tracébesluit eerder onherroepelijk is geworden, voordat inhoudelijk op een verzoek om planschadevergoeding kan worden beslist.

In samenhang met artikel 40 WRO, dat alleen ziet op het verlenen van een vrijstelling, is in artikel 41 WRO een regeling getroffen voor andere verzoeken dan een verzoek om vrijstelling, die noodzakelijk zijn voor de realisering van een project, b.v. bouwvergunningen of milieuvergunningen.Ook hier geldt dat van deze bevoegdheid alleen gebruik mag worden gemaakt als bovengemeentelijke plannen dat vorderen, de verwezenlijking van dat project in de naaste toekomst noodzakelijk is en de besluitvorming omtrent dat project is vastgelopen. Op een verzoek om planschadevergoeding kan eerst inhoudelijk worden beslist als het betreffende besluit tot vrijstelling, danwel vergunningverlening onherroepelijk is geworden. Indien echter het tracébesluit dat aan dit verzoek om vrijstelling ten grondslag ligt eerder onherroepelijk wordt dan deze vrijstelling ligt het in de rede om vanaf het onherroepelijk worden van het tracébesluit tot het vergoeden van de schade over te gaan om dat vanaf dat moment de nieuwe planologische situatie vast staat.

sub d:

Dit onderdeel ziet op het aanhouden door het college van Burgemeester en Wethouders, van een besluit omtrent het verlenen van een bouw- of aanlegvergunning op grond van artikel 50, eerste lid van de Woningwet (Ww) ofwel op grond van artikel 46, tweede lid van de Ww. Aanhouden betekent dat de vergunning (nog) niet verleend (of geweigerd) wordt. Zolang de aanhoudingsplicht bestaat mag het gewenste bouwwerk dus niet gebouwd worden. Op deze wijze kan voorkomen worden dat er ontwikkelingen gaan plaatsvinden die strijdig kunnen zijn met de toekomstig gewenste planologische situatie. Deze aanhoudingsplicht kan worden doorbroken wanneer het bouwplan in overeenstemming is met het toekomstige plan en vooraf door Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar is afgegeven. Deze situatie kan zich voordoen wanneer in het kader van de reconstructie van een woning of een bedrijfsgebouw een bouwvergunning wordt aangevraagd en (nog) niet wordt verleend, omdat er b.v. een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 WRO is genomen of omdat er een (nieuw) ontwerp-bestemmingsplan ter visie is gelegd.

De eventuele planschade die hieruit kan voortvloeien ziet slechts op vertragingsschade die is ontstaan ten gevolge van het niet tijdig kunnen uitvoeren van gewenste bouwactiviteiten.

In het kader van de aanleg van de HSL Zuid, de A 16 of de A 4 is het denkbaar dat een eigenaar een gedeelte van zijn terrein met opstal zal moeten verkopen.

Wanneer de eigenaar dan op eigen (overblijvend) terrein zou willen reconstrueren, dient hij daarvoor een bouwvergunning aan te vragen bij de gemeente. Als er voor het gebied waar de reconstructie van de opstal dient plaats te vinden een voorbereidingsbesluit is genomen dan dient deze aanvraag te worden aangehouden tot aan het moment waarop de aanhoudingsplicht een einde neemt en de bouwvergunning wordt verleend, danwel geweigerd. De vertragingsschade ziet op situaties waarbij de gevraagde bouwvergunning pas in een later stadium wordt verleend.

sub e:

De Minister van VROM danwel Gedeputeerde Staten kunnen de gemeente verplichten een bestemmingsplan vast te stellen of te herzien en aanwijzingen geven over de inhoud van een bestemmingsplan. Op grond van de Tracéwet kan een aanwijzing gegeven worden, indien gemeenten niet bereid zijn om planologische medewerking te verlenen. Dit kan tegelijkertijd met het nemen van het tracébesluit HSL-Zuid, A 16 of A 4. Zodra het Tracébesluit onherroepelijk wordt is ook een mogelijke aanwijzing onherroepelijk. Vanaf dat moment kan er normaliter inhoudelijk worden beslist op een verzoek om vergoeding van planschade.

sub f:

Het koninklijk besluit als bedoeld in artikel 66 tweede lid WRO is in het kader van de HSL-Zuid, de A 16 en de A 4 niet relevant zodat de behandeling hiervan verder buiten beschouwing kan blijven.

De causaliteitsvraag

Ten aanzien van de causaliteitsvraag bij planschade geldt een tweetal uitgangspunten die door de onafhankelijke schadebeoordelingscommissie in haar onderzoek wordt betrokken. Eerst dient er te worden nagegaan in hoeverre er sprake is van een gewijzigd planologisch regime. Dan dient te worden beoordeeld of uit het verschil schade kan voortspruiten voor belanghebbende. Daarbij is niet relevant wat er feitelijk is gerealiseerd doch wat op grond van het voorheen geldende planologische regime maximaal gerealiseerd had kunnen worden.

Bij de vergelijking van de planologische regimes wordt derhalve niet alleen nagegaan of er ten gevolge van de tracébesluiten HSL-Zuid, A 16 en A 4 sprake is van een in planologisch opzicht gewijzigde situatie, doch ook of er sprake is van een in planologisch opzicht nadeliger situatie. Als daarvan sprake is dan is de eerste causaliteitsvraag positief beantwoord en wordt daarna nagegaan of de gestelde schade een gevolg is van het gewijzigde planologische regime.

Ten aanzien van de vergoeding van schade geldt dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking dient te komen die redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de benadeelde behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.

6 Schadebegroting

Voor wat de wijze van schadebegroting betreft worden in deze nadeelcompensatieverordening geen regels gegeven. Dat zou gelet op de veelheid van schade-oorzaken en mogelijke schadegevolgen waarop deze nadeelcompensatieverordening betrekking heeft niet alleen onmogelijk zijn, doch bovendien zijn bij toepassing van deze nadeelcompensatieverordening, al naar gelang de omstandigheden van het geval, meerdere methoden denkbaar met behulp waarvan in de praktijk de schade begroot kan worden. De schade wordt dus begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is, terwijl zonodig de omvang van de schade dient te worden geschat.

7 De redelijkheidsnorm

Indien eenmaal is vastgesteld, dat ofwel als gevolg van een gedraging van of namens de Minister schade is veroorzaakt, danwel dat er sprake is van schade ten gevolge van een (nog te wijzigen) gewijzigd planologisch regime, dient vervolgens de vraag beantwoord te worden of deze schade redelijkerwijs ten laste van getroffene behoort te blijven.

Algemene uitspraken over de vraag wanneer een bepaald nadeel geacht moet worden redelijkerwijs niet ten laste van getroffene te kunnen blijven, zijn niet of nauwelijks mogelijk. Bovendien gaan de ontwikkelingen dienaangaande in de rechtspraak dermate snel dat een vandaag passend antwoord morgen alweer anders kan luiden. In grote lijnen kan echter wel worden aangegeven wat voor de beantwoording van deze vraag van betekenis kan zijn. Bij de toepassing van de redelijkheidsnorm wordt de actuele planschade- en nadeelcompensatie jurisprudentie nauwlettend gevolgd.

Bij de aan de gelaedeerde toe te rekenen omstandigheden gaat het voornamelijk om de voorzienbaarheid van de nadeeltoebrengende ontwikkeling of maatregelen en om de plicht om de schade zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te beperken. Waar het voorzienbare ontwikkelingen en maatregelen betreft is de aanvaarding van de daardoor veroorzaakte nadelen aan de orde. Hierbij spelen globaal genomen twee soorten overwegingen een rol, te weten:

a. Overwegingen met betrekking tot de algemene omstandigheden, de algemene maatschappelijke ontwikkelingen die tot een gedraging van de Minister hebben geleid en die verband houden met de schade. Men spreekt dan wel van normaal maatschappelijk risico.

b. Overwegingen met betrekking tot, los van de normale maatschappelijke ontwikkelingen, aan de benadeelde in dit specifieke geval toe te rekenen omstandigheden op grond waarvan de schade voor eigen rekening van de benadeelde dient te blijven. In dat verband wordt vaak gesproken van risico-aanvaarding.

Bij het normaal maatschappelijk risico is de aard van de voorzienbaarheid algemeen en betreft ze het rekening moeten houden met een bepaalde ontwikkeling, waarvan de precieze aard van de daarop betrekking hebbende overheidsmaatregel of -besluit, het tijdstip van realisering en de wijze van uitvoering, alsmede de omvang van de te duchten schade nog onzeker zijn. Voorzienbaar is slechts dat de betreffende ontwikkeling zal plaatsvinden.

Bij risico-aanvaarding is de voorzienbaarheid concreter en betreft ze een of meer concrete aspecten van de ontwikkeling, namelijk de maatregelen waarin ze gestalte krijgt.

Bij risico-aanvaarding kan een onderscheid gemaakt worden tussen passieve en actieve risico-aanvaarding.

Bij actieve risico-aanvaarding geldt als uitgangspunt, dat degene die zich in een situatie begeeft, welke mogelijk onderhevig is aan invloeden ten gevolge van overheidsingrijpen, zorgvuldig dient te onderzoeken welke maatregelen gelden, welke reeds zijn aangekondigd en welke maatregelen - op korte termijn - te verwachten zijn. De individuele persoon moet dus zelf nagaan of het verantwoord is om op een bepaald moment bepaalde kosten te maken of investeringen te doen. Van degene die zich in een dergelijke situatie begeeft mag verwacht worden, dat hij bij die beslissing de risico’s van nadeel veroorzakende overheidsingrepen heeft ingecalculeerd, zodat de risico’s, indien zich deze verwerkelijken redelijkerwijs voor zijn rekening dienen te blijven. De kenbaarheid van de concrete planologische ontwikkeling wordt in het kader van deze nadeelcompensatieverordening in elk geval aangenomen vanaf het moment dat de PKB-4 HSL-Zuid door het parlement is vastgesteld voor wat betreft de aanleg van de HSL-Zuid en voor de aanleg van de A 4 en de A 16 vanaf het moment dat de ontwerp-tracébesluiten ter visie zijn gelegd.

Voorts is van belang, of belanghebbende bij het zich begeven in een situatie een keuze heeft gemaakt, waaraan bijvoorbeeld kostenoverwegingen ten grondslag lagen. Indien hij zich in een goedkopere, doch risicovollere situatie heeft begeven, is dat risico door gelaedeerde aanvaard.

Er zijn echter ook uitzonderingen denkbaar op de regel van de risico-aanvaarding wanneer van de belanghebbende redelijkerwijze niet gevergd kon worden dat hij rekening zou houden met een bepaalde overheidsmaatregel, of met schade zoals deze zich later aan hem manifesteerde. Het gaat dan over de situatie dat een belanghebbende er wel rekening mee moest houden dat de overheid te eniger tijd bepaalde maatregelen zou nemen, maar dat de voorzienbaarheid wordt doorbroken door de aard van de maatregel, het tijdstip waarop ze worden genomen, de wijze van uitvoering of de omvang van de schade. Bij de beoordeling of al dan niet sprake is van een voorzienbare maatregel wordt mede gelet op de aard van die maatregel. Deze kan afwijken van hetgeen redelijkerwijs verwacht mocht worden.

Bij ruimtelijke aspecten die de voorzienbaarheid kunnen doorbreken moet gedacht worden aan de situatie dat de ontwikkeling op zich zelf genomen wel voorzienbaar was, maar dat redelijkerwijs niet voorzienbaar was dat zij juist op deze plaats door middel van een bepaalde maatregel zou worden geëffectueerd. Met name ook de structuur van de omgeving kan van belang zijn voor het antwoord op de vraag of in het licht van de structuur een wijziging van de ruimtelijke situatie op de betreffende locatie in de lijn der verwachtingen lag. Temporele aspecten behoren ook tot de omstandigheden die de voorzienbaarheid kunnen doorbreken. Denkbaar is bijvoorbeeld dat een op zichzelf voorzienbare maatregel veel eerder geëffectueerd wordt dan in de lijn der verwachtingen lag of dat hij op een bijzonder ongunstig tijdstip wordt uitgevoerd.

Evenmin is sprake van actieve risico-aanvaarding van voorzienbare maatregelen omdat de investering op zichzelf genomen redelijk was. Dergelijke situaties kunnen zich voordoen bij het plegen van investeringen om de concurrentiepositie veilig te stellen danwel wanneer een belanghebbende in feite geen andere keuze had.

Van passieve risico-aanvaarding is ondermeer sprake wanneer benadeelde te kort is geschoten in de zorg voor de eigen belangen. Onder passieve risico-aanvaarding kunnen derhalve allerlei vormen van ’riskant stilzitten’ van benadeelde begrepen worden. Voorts kan de schade zodanig excessief zijn in verhouding tot het te dienen belang, of althans zo abnormaal zijn dat men er redelijkerwijs geen rekening mee behoefde te houden waardoor er aanleiding kan zijn om alsnog nadeelcompensatie toe te kennen.

Overigens is degene die het nadeel ondervindt gehouden de nodige maatregelen te nemen om de schade te beperken. De omvang van deze gehoudenheid wordt echter eveneens beperkt door de redelijkheid.

Voorzover een belanghebbende ook voordelen ten deel zijn gevallen als gevolg van de schadeveroorzakende maatregel, worden die op de te vergoeden schade in mindering gebracht.

Schade anderszins reeds vergoed

Steeds zal beoordeeld moeten worden of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende anderszins is verzekerd omdat voorkomen moet worden dat een belanghebbende een dubbele vergoeding krijgt voor dezelfde schade.

8 Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In deze bepaling worden enkele kernbegrippen omschreven.

Artikel 2

Dit artikel verwoordt de materiële maatstaf aan de hand waarvan het algemeen bestuur verzoeken om schadevergoeding beoordeelt. Bij de formulering is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij artikel 49 WRO, omdat met de toepassing daarvan in de praktijk veel ervaring is opgedaan en omdat deze bepaling de stand van het nadeelcompensatierecht adequaat weergeeft. Voor een uitwerking van de te hanteren maatstaven wordt verwezen naar het algemeen deel van deze toelichting. Deze nadeelcompensatieverordening treedt niet in de plaats van bestaande nadeelcompensatieregelingen. Schades waarvoor een bijzondere regeling bestaat dienen volgens die bijzondere regeling behandeld te worden. Dit geldt, mede gelet op artikel 2 lid 3 van de regeling, met name voor schades die het gevolg zijn van het moeten verleggen van kabels en leidingen in verband met de aanleg van de HSL-Zuid, A 16 en A 4. Dergelijke schades dienen vergoed te worden volgens de bestaande schadevergoedingsregelingen voor het verleggen van kabels en leidingen.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de schade kan worden weggenomen door betaling van een geldsom of op een andere wijze. Hiermee wordt niet beoogd om de bestaande praktijk, inhoudende dat allereerst wordt beproefd of schadevergoeding in natura mogelijk is, te verlaten.

In het derde en het vierde lid is bepaald wanneer het recht op schadevergoeding ontstaat. Voorwaarde voor het al dan niet toekennen van schadevergoeding is dat het desbetreffende tracébesluit onherroepelijk is.

Artikel 3

In dit artikel worden regels gegeven voor het indienen van een verzoek om schadevergoeding.

Eerste lid

De benadeelde dient een verzoek om schadevergoeding zo spoedig mogelijk in te dienen. Deze bepaling berust op de gedachte dat een benadeelde die zonder goede reden onnodig lang wacht met het indienen van zijn claim zijn aanspraak verliest. Het moet immers uit bestuurlijk oogpunt ongewenst worden geacht dat nog verzoeken om schadevergoeding worden ingediend jaren nadat het nadeel gebleken is. Niettemin is ervan afgezien een bepaalde termijn te noemen waarbinnen het verzoek moet worden gedaan, nu het lijden van schade of het ondervinden van nadeel door handelen of besluiten van of namens de Minister voor de belanghebbenden niet steeds aanstonds duidelijk is. Er zijn immers gevallen waarin de schade eerst lange tijd nadien intreedt, of voor de benadeelde kenbaar wordt. De gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A 16 en A 4 eindigt op 1 januari 2016, tien jaar na het beoogde begin van de exploitatie van de HSL-Zuid zodat benadeelden tot die datum een verzoek tot schadevergoeding op grond van deze nadeelcompensatieverordening kunnen doen. Overigens kan het schadevergoedingsschap beslissen, indien dat noodzakelijk is voor een juiste afhandeling van de door de aanleg van de HSL-Zuid, de A 16 en de A 4, om de gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid voor 1 januari 2016 op te heffen of juist te verlengen.

Tweede en derde lid

Van een verzoeker wordt verlangd dat hij alle gegevens - van welke aard dan ook - verschaft die het algemeen bestuur van het schap nodig heeft voor het beoordelen van de gegrondheid van de schadeclaim. Met de administratieve behandeling van de claim wordt het uitvoeringsorgaan belast. De benadeelde wordt in de gelegenheid gesteld om suggesties te doen over de wijze waarop hij schadeloos gesteld wil worden. Schadeloosstelling kan op twee manieren plaats vinden: door geld of door het nemen van feitelijke maatregelen. In het eerste geval dient in het verzoekschrift de hoogte van het naar het oordeel van verzoeker te vergoeden schadebedrag aangegeven te worden. Dat bedrag behoeft niet hetzelfde te zijn als de totale geleden schade, alleen al omdat in de vergoeding daarvan deels voorzien kan zijn door een andere compensatieregeling.

Vierde lid

Het uitvoeringsorgaan bevestigt de ontvangst van het verzoek binnen twee weken. In verband met het bepaalde in artikel 4:14 Awb zal verzoeker worden ingelicht over de met de behandeling van het verzoek ten hoogste gemoeide termijnen.

Vijfde lid

Indien de verzoeker onvoldoende gegevens heeft verstrekt om de gegrondheid van het verzoek te kunnen beoordelen, stelt het uitvoeringsorgaan conform artikel 4:5, eerste lid, Awb verzoeker in de gelegenheid om de ontbrekende gegevens alsnog te verschaffen.

Artikel 4

Dit artikel maakt een vereenvoudigde behandeling van het verzoek om schadevergoeding mogelijk indien een verzoek daartoe aanleiding geeft.

Eerste lid

In het eerste lid van artikel 4 is in overeenstemming met artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaald dat een verzoek buiten behandeling wordt gelaten indien de verzoeker nalatig blijft om de voor de beoordeling van het verzoek benodigde gegevens te verschaffen.

Tweede/derde lid

Indien een verzoek naar het oordeel van het algemeen bestuur kennelijk ongegrond is, wordt het zonder behandeling door de adviescommissie afgewezen. Daarvan is bij voorbeeld sprake wanneer aanstonds - dat wil zeggen bij een summier onderzoek - duidelijk is dat het geleden nadeel niet door of namens de Minister in het kader van één van de tracébesluiten HSL-Zuid, A 16 of A 4 veroorzaakt is. Kennelijk ongegrond is voorts het verzoek betreffende een schade waarvan de vergoeding anderszins is verzekerd. Een bijzonder geval is het verzoek waaraan naar het oordeel van het algemeen bestuur een onrechtmatige daad of een toerekenbaar tekortschieten ten grondslag is gelegd. Deze nadeelcompensatieverordening heeft uitsluitend betrekking op schades die het gevolg zijn van rechtmatige overheidsdaden.

Het algemeen bestuur dient binnen acht weken na de ontvangst van de benodigde gegevens zijn beslissing op het verzoek aan verzoeker bij aangetekende brief kenbaar te maken. Deze bepaling geldt uitsluitend voor het geval dat beslist wordt zonder raadpleging van een adviescommissie. Lid 4 maakt het mogelijk de termijn met een redelijke termijn te verlengen indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven.

Artikel 5

Eerste en tweede lid

Indien een verzoek niet buiten behandeling wordt gelaten, of wegens kennelijke ongegrondheid wordt afgewezen, stelt het uitvoeringsorgaan een terzake deskundige onafhankelijke adviescommissie in. Deze commissie heeft tot taak het algemeen bestuur te adviseren inzake de op het verzoek te nemen beslissing.

Deze nadeelcompensatieverordening voorziet erin dat een adviescommissie wordt ingesteld wanneer het verzoek niet op voet van artikel 4 vereenvoudigd is afgedaan. Er is niet voorzien in een vaste commissie teneinde het uitvoeringsorgaan in de gelegenheid te stellen de samenstelling van de commissie af te stemmen op de omstandigheden van het geval. De te benoemen commissieleden dienen voor te komen op een lijst van onafhankelijke deskundigen die goedgekeurd is door het algemeen bestuur. Bij het samenstellen van de commissie kan onder andere acht worden geslagen op de voor dat geval benodigde specifieke deskundigheid. Hoewel dat niet uitdrukkelijk bepaald is, zal het voorzitterschap van de commissie in verband met de aard van de materie, in de regel worden opgedragen aan een jurist. De overige leden zullen doorgaans een andere deskundigheid inbrengen, bij voorbeeld die van makelaar, rentmeester, accountant of boekhoudkundige. Soms zal het wenselijk zijn een lid te benoemen op grond van een specifiek technische deskundigheid.

De nadeelcompensatieverordening gaat ervan uit dat de adviescommissie uit drie leden bestaat. Er is echter voorzien in de mogelijkheid in eenvoudige, niet op het eerste gezicht ongegronde, gevallen een commissie in te stellen die uit een enkele onafhankelijke deskundige bestaat.

Derde lid

Het uitvoeringsorgaan stelt de adviescommissie in met inachtneming van de termijnen zoals vermeld onder sub a en b. In verband met het bepaalde in artikel 4:14 Awb zal de indiener hierover bij de bevestiging van de ontvangst van zijn verzoek worden ingelicht.

Vierde lid

In dit lid is bepaald dat het uitvoeringsorgaan de in het derde lid bedoelde termijn kan verlengen. Een ruim bemeten behandelingstermijn kan nodig zijn in verband met de tijd die gemoeid kan zijn met het beantwoorden van de vraag of het verzoek eenvoudig kan worden afgedaan conform het bepaalde in artikel 4, alsmede met de tijd die nodig is voor het samenstellen en benoemen van een adviescommissie.

Vijfde lid

Het vijfde lid bepaalt dat het uitvoeringsorgaan aan de verzoeker kennis geeft van zijn voornemen om een commissie in te stellen. De kennisgeving bevat de namen van de deskundigen die hij wil benoemen, hun beroep en een opgave van de plaats waar zij hun werkzaamheden plegen te verrichten. Belanghebbenden zijn in de gelegenheid bezwaar te maken tegen de voorgenomen samenstelling. Voor alle duidelijkheid wordt erop gewezen dat de beslissing van het uitvoeringsorgaan tot instelling van een commissie een voorbereidingshandeling is waartegen bij de administratieve rechter geen beroep kan worden ingesteld.

Artikel 6

De commissie heeft tot taak het algemeen bestuur te adviseren over de op het verzoek te nemen beslissing en stelt daartoe een onderzoek in naar de schadeoorzaak, de schadeomvang, de aansprakelijkheid, de vraag of en in hoeverre er aanleiding bestaat om een bijdrage in de deskundigenkosten toe te kennen en de vraag of de vergoeding van de schade niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd. Wanneer blijkt dat de schade niet voortvloeit uit één van de tracébesluiten HSLZuid, A 16 of A 4, behoeven uiteraard niet de andere vragen beantwoord te worden. Het zal voorts niet altijd nodig zijn de omvang van de schade nauwkeurig vast te stellen, bijvoorbeeld wanneer duidelijk is dat de schade vanwege voorzienbaarheid of kennelijke bewuste risico-aanvaarding redelijkerwijs ten laste van de verzoeker behoort te blijven. Overigens dient de commissie, in verband met een mogelijke korting vanwege maatschappelijk risico, in haar advisering aan te geven of het betreffende verzoek gekwalificeerd moet worden als een planschade- of nadeelcompensatiegeval. Het tweede lid brengt tot uitdrukking dat het advies van de commissie, zo aansprakelijkheid moet worden aangenomen, mede de hoogte van de schadevergoeding betreft. De commissie kan ook maatregelen (in natura) voorstellen die geschikt zijn om de schade te beperken of ongedaan te maken. In de praktijk wordt laatstgenoemde mogelijkheid allereerst onderzocht. Het is niet de bedoeling dat deze nadeelcompensatieverordening daarin verandering brengt.

Artikel 7

Eerste en tweede lid

In het eerste lid wordt geregeld dat het uitvoeringsorgaan aan de commissie de gegevens verschaft die nodig zijn voor een goede vervulling van haar taak. Het tweede lid legt een soortgelijke verplichting op aan de verzoeker. Ook hij dient de gegevens te verschaffen die de commissie nodig heeft voor een goede vervulling van haar taak. De verzoeker zal waarschijnlijk al gegevens hebben overgelegd bij het indienen van zijn verzoek, maar het is niet onmogelijk te achten dat de commissie het overleggen van nadere gegevens nodig vindt.

Derde en vierde lid

Het derde lid biedt de commissie de mogelijkheid inlichtingen in te winnen bij derden. Indien daaraan kosten verbonden zijn, is met het oog op die kosten voorafgaande instemming van het uitvoeringsorgaan nodig.

Op grond van het vierde lid kan de commissie de situatie ter plekke in ogenschouw nemen. De commissie komt uiteraard niet de bevoegdheid toe plaatsen te betreden tegen de wil van de rechthebbende.

Artikel 8

Dit artikel beschrijft de procedure volgens welke de commissie dient te adviseren. Deze procedure komt in grote lijnen overeen met hetgeen ten aanzien van planschade en nadeelcompensatie gebruikelijk is. Het grote voordeel van het opstellen van een concept-rapport is dat onjuiste feiten en aannames nog door de commissie gecorrigeerd kunnen worden.

Artikel 9

Het algemeen bestuur beslist in principe binnen zes weken na ontvangst van het advies van de commissie op het verzoek, doch niet eerder dan nadat het desbetreffende tracébesluit onherroepelijk is geworden. Deze termijn is in overeenstemming met wat gebruikelijk is in vergelijkbare procedures. De bekendmaking van het besluit dient, uiterlijk plaats te vinden binnen zes weken na de beslissing van het algemeen bestuur op het verzoek om schadevergoeding.

Artikel 10

In dit artikel is bepaald binnen welke termijn de betaling door het uitvoeringsorgaan dient te geschieden.

Artikel 11

Dit artikel geeft regels omtrent de behandeling van een verzoek om een voorschot te verlenen. Deze bepaling is opgenomen om de geleden schade zonodig te beperken, dan wel aan een belanghebbende de mogelijkheid te bieden tijdig te starten met bijvoorbeeld een vervangingsinvestering.

Het verlenen van een voorschot kan worden opgevat als een voorbereidingsbesluit zodat daar geen bezwaar en beroep tegen open staat. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat wanneer er een schadevergoeding in geld wordt toegekend, de betaling hiervan zal geschieden met inachtneming van het gestelde in artikel 10 eerste lid, onder verrekening van betaalde voorschotten.

Artikel 12

Deze nadeelcompensatieverordening voorziet erin dat indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven van het gestelde in artikel 2 eerste lid kan worden afgeweken. Welke omstandigheden daartoe behoren valt niet goed in te schatten en zal van geval tot geval beoordeeld worden.

Artikel 13

In dit artikel is geregeld dat de Nadeelcompensatieverordening HSL-Zuid, A 16 en A 4 in elk geval in de Staatscourant wordt gepubliceerd.