Percelen begrepen in het stadsvernieuwingszaken ’Schilderswijk-Centrum
zesde herziening’
Besluit van 26 augustus 1998 no. 98.004164 tot goedkeuring
van het besluit van de raad van ’s-Gravenhage van 23 april 1998, no.
98, tot onteigening als bedoeld in Titel IV van de onteigeningswet
Wij Beatrix, bij de Gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van
Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening
en Milieubeheer van 16 juli 1998, no. MJZ98068912, Centrale Directie Juridische
Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.
Gelezen de brief van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage
van 8 mei 1998, kenmerk WS 98 1833.
Gelet op Titel IV van de onteigeningswet en Titel 10.2 van de Algemene
wet bestuursrecht.
De Raad van State gehoord (advies van 30 juli 1998 no. W08.98.0332.).
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
Ordening en Milieubeheer van 19 augustus 1998 no. MJZ98079623, Centrale Directie
Juridische Zaken, Afdeling Algemeen Juridische en Bestuurlijke Zaken.
Beschikken bij dit besluit over de goedkeuring van het besluit van de
raad van ’s-Gravenhage van 23 april 1998, no. 98, tot onteigening ingevolge
artikel 77, eerste lid, aanhef en onder 1°, van de onteigeningswet, ten
name van die gemeente, van de bij dat besluit aangewezen percelen en perceelsgedeelten.
Overwegingen
Ingevolge voornoemd artikel 77 van de onteigeningswet in samenhang met
de artikelen 31 en 32 van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing kan, zonder
voorafgaande verklaring bij de wet dat het algemeen nut onteigening vordert,
onteigening plaatsvinden onder meer ten behoeve van de uitvoering van een
stadsvernieuwingsplan. De ter onteigening aangewezen percelen en perceelsgedeelten
zijn begrepen in het stadsvernieuwingsplan ’Schilderswijk-Centrum zesde
herziening’ van de gemeente ’s-Gravenhage. Blijkens het raadsbesluit
tot onteigening wenst de gemeente ’s-Gravenhage de daarin bedoelde gronden
in eigendom te verkrijgen ter uitvoering van het zojuist genoemde stadsvernieuwingsplan.
In verband met het feit, dat ten tijde van het nemen van het raadsbesluit
tot onteigening het stadsvernieuwingsplan ’Schilderswijk-Centrum zesde
herziening’ nog niet onherroepelijk was goedgekeurd is in het raadsbesluit
onder meer bepaald, dat:
a. de vordering tot onteigening ter uitvoering van het besluit eerst kan
worden ingesteld indien en voor zover het stadsvernieuwingsplan ’Schilderswijk-Centrum
zesde herziening’ ten aanzien van de in het besluit bedoelde percelen
onherroepelijk is en
b. het besluit vervalt, indien en voor zover goedkeuring wordt onthouden
aan delen van bovengenoemd stadsvernieuwingsplan, welke betrekking hebben
op de in het besluit genoemde percelen.
De door de gemeente ter plaatse voorgestane wijze van planuitvoering,
zo heeft het ter zake ingestelde onderzoek uitgewezen, behelst de realisering
van het project ’Koppen Hoefkade 1e fase’. Bedoeld
project voorziet in sloop van de bestaande bebouwing met vervangende nieuwbouw ‐
een en ander met de teruglegging van de rooilijn aan de Hoefkade ‐ van
woningen met plaatselijk winkelruimte en een parkeergarage.
De ter onteigening aangewezen percelen en perceelsgedeelten maken voorts
deel uit van een bij meergenoemd stadsvernieuwingsplan aangewezen gebied,
als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing.
Het raadsbesluit tot onteigening heeft overeenkomstig artikel 84, eerste
lid, van de onteigeningswet met ingang van 11 mei 1998 gedurende vier weken
voor een ieder ter inzage gelegen op de secretarie van de gemeente ’s-Gravenhage.
Binnen deze termijn zijn tegen het raadsbesluit bij Ons geen schriftelijk
bedenkingen naar voren gebracht.
Het moet in het belang van de volkshuisvesting en een goede ruimtelijke
ontwikkeling van de gemeente ’s-Gravenhage worden geacht, dat zij de
eigendom van bovenbedoelde percelen en perceelsgedeelten verkrijgt en er bestaan
geen termen aan genoemd raadsbesluit de goedkeuring te onthouden.
Beslissing
Wij hebben goedgevonden en verstaan:
vorengenoemd besluit van de raad van ’s-Gravenhage goed te keuren.
Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met het raadsbesluit in de
Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden
aan de Raad van State.
Gelet op de bepalingen in de Onteigeningswet, in het bijzonder art. 77
lid 1 onder 1,
I. ten behoeve van de uitvoering van het stadsvernieuwingsplan ’Schilderswijk-Centrum
zesde herziening’, ter verkrijging van de vrije beschikking over de
eigendommen en de daarop rustende rechten, ten name van de gemeente Den Haag
te onteigenen de percelen zoals aangegeven op het bij dit besluit behorende
en als zodanig gewaarmerkte grondplan nummer GZ 8080 en lijst, vermeldende
de grootte en kadastrale nummers van de te onteigenen percelen alsmede de
namen van de eigenaars volgens de registers van het kadaster;
II. te bepalen dat de vordering tot onteigening ter uitvoering van dit
besluit eerst kan worden ingesteld indien en voor zover het stadsvernieuwingsplan ’Schilderswijk-Centrum
zesde herziening’ ten aanzien van de in dit besluit bedoelde percelen
onherroepelijk is;
te bepalen dat dit besluit vervalt, indien en voor zover goedkeuring wordt
onthouden aan delen van bovengenoemd stadsvernieuwingsplan, welke betrekking
hebben op de in dit besluit genoemde percelen;
III. ten name van de gemeente te procederen tot benoeming van derden als
bedoeld in artikel 20 van de Onteigeningswet;
tot opneming door deskundigen voor de aanvang van het geding als bedoeld
in artikel 54a van de Onteigeningswet;
tot onteigening (in eerste aanleg en - en nodig - in hoger beroep
en cassatie, zowel eisende als - zo nodig - verwerende), indien
en voor zover bovenvermelde percelen niet door de gemeente bij minnelijke
verwerving, vrij en lasten en rechten in eigendom zijn of kunnen worden verkregen.
Behoort bij besluit van de Gemeenteraad van ‘s-Gravenhage van 23
april 1998, nr. 98.