Goedkeuring wijziging notarieel pensioenreglement

11 juni 1998

Nr. 701282/98/6

Directie Wetgeving

De Staatssecretaris van Justitie,

Overwegende dat de Wet van 11 september 1997 tot wijziging van de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds in verband met de invoering van een flexibele pensioenregeling (Stb. 395) op 1 november 1997 in werking is getreden met terugwerkende kracht tot 1 januari 1997;

Gelet op artikel 4, zesde lid, van de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds;

De Verzekeringskamer gehoord;

Gezien het ingevolge artikel 19, vierde lid, van de statuten van de Stichting Notarieel Pensioenfonds uitgebrachte advies;

Besluit:

Goed te keuren de navolgende, door het Bestuur van de Stichting Notarieel Pensioenfonds mede in verband met voornoemde wijziging voorgestelde wijziging van het bij akte van 12 mei 1955 door dit bestuur vastgestelde pensioenreglement, zoals dit laatstelijk is gewijzigd door de bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 14 december 1995, Directie Wetgeving, nr. 525482/95/6 goedgekeurde wijziging;

Het Pensioenreglement komt te luiden:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

a. Notaris: een notaris als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het Notarisambt.

b. Kandidaat-notaris: een kandidaat-notaris als bedoeld in artikel 1 van de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds.

c. Notariële instelling: een instelling aangewezen overeenkomstig artikel 1 onder letter b genoemde wet.

d. Fonds: Stichting Notarieel Pensioenfonds.

e. Bestuur: het bestuur van het fonds.

f. Deelnemer: iedere notaris en iedere kandidaat-notaris, behoudens het bepaalde in artikel 5, tweede en derde lid van de onder letter b genoemde wet.

g. Partner:

1. Degene met wie de deelnemer of gewezen deelnemer is gehuwd respectievelijk een geregistreerd partnerschap is aangegaan, dan wel

2. De ongehuwde persoon met wie een ongehuwde deelnemer of ongehuwde gewezen deelnemer overeenkomstig een in een notariële akte vastgelegde en door het bestuur geaccepteerde samenlevingsovereenkomst sedert ten minste zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding op een gemeenschappelijk adres voert en met wie geen bloed- of aanverwantschap in de rechte lijn bestaat, behoudens opgaand in de tweede graad of hoger.

h. Partnerschap: de relatie met een partner als omschreven onder letter g.

i. Gewezen partner:

1. degene wiens huwelijk met een deelnemer of gewezen deelnemer door echtscheiding is geëindigd dan wel na scheiding van tafel en bed is ontbonden, dan wel

2. degene wiens geregistreerd partnerschap met een deelnemer of gewezen deelnemer is geëindigd, dan wel

3. degene met wie de deelnemer of gewezen deelnemer een partnerschap heeft gehad zoals bedoeld onder letter g sub 2, dat is geëindigd door beëindiging van de gezamenlijke huishouding of de samenlevingsovereenkomst, anders dan door overlijden van de deelnemer of gewezen deelnemer of het sluiten van een huwelijk van de deelnemer of gewezen deelnemer met dezelfde partner.

j. Nabestaande: degene die ten tijde van het overlijden van de deelnemer of gewezen deelnemer diens partner was.

k. Nabestaandenpensioen: het pensioen dat toekomt aan de nabestaande.

l. Bijzonder nabestaandenpensioen: het pensioen dat na het overlijden van de deelnemer of gewezen deelnemer toekomt aan de gewezen partner.

m. Prijsindexcijfer: het totaal van de consumentenprijsindexcijfers voor alle huishoudens, zoals berekend door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); indien het CBS bedoeld indexcijfer niet meer hanteert, bepaalt het bestuur welk ander prijsindexcijfer, dat zoveel mogelijk overeenkomt met het afgeschafte cijfer, moet worden gebruikt.

n. Deeltijdpercentage: het percentage dat wordt gevonden door het aantal uren dat de kandidaat-notaris op basis van zijn arbeidsovereenkomst per week werkzaam is te relateren aan het aantal arbeidsuren waaruit een volledige werkweek bij de desbetreffende notaris of notariële instelling normaliter bestaat. Een uitkomst hoger dan 100% geldt als 100%.

Aanpassing van het deeltijdpercentage vindt plaats op de eerste dag van de maand volgend op die waarin het aantal uren dat de kandidaat-notaris op basis van zijn arbeidsovereenkomst per week werkzaam is, wijzigt.

o. Normale pensioendatum: de eerste dag van de maand volgend op die waarin de deelnemer of gewezen deelnemer de 65-jarige leeftijd bereikt.

p. Vroegste pensioendatum: de eerste dag van de maand volgend op die waarin de deelnemer of gewezen deel-nemer de 55-jarige leeftijd bereikt.

q. Uiterste pensioendatum: de eerste dag van de maand volgend op die waarin de gewezen deelnemer de 70-jarige leeftijd bereikt.

Artikel 2 Aanvang en einde van het deelnemerschap

1. Het deelnemerschap vangt aan met ingang van de dag waarop men de hoedanigheid van notaris of kandidaat-notaris verwerft of opnieuw verwerft.

2. Voor iedere deelnemer eindigt het deelnemerschap met ingang van de dag na die, waarop de deelnemer:

a. ophoudt als notaris werkzaam te zijn, tenzij de deelnemer in aansluiting hierop kandidaat-notaris of opnieuw notaris wordt;

b. ophoudt als kandidaat-notaris werkzaam te zijn, tenzij de deelnemer in aansluiting hierop notaris wordt;

c. komt te overlijden;

d. overeenkomstig het in artikel 15 lid 1 bepaalde als vermist wordt aangemerkt;

e. door het bestuur van het deelnemerschap op grond van het bepaalde in artikel 5 lid 3 van de Wet tot invoering van een leeftijdsgrens voor het notarisambt en oprichting van een notarieel pensioenfonds vervallen is verklaard;

f. de normale pensioendatum bereikt.

3. Indien een notaris in de uitoefening van zijn ambt is geschorst en de schorsing door ontzetting of afzetting wordt gevolgd, eindigt het deelnemerschap met ingang van de dag van aanvang van de schorsing.

4. Het bestuur kan degene van wie het deelnemerschap vervallen is verklaard op diens verzoek opnieuw tot het deelnemerschap toelaten, met ingang van een door het bestuur te bepalen tijdstip en onder door het bestuur te stellen voorwaarden.

5. Indien het deelnemerschap is geëindigd op de wijze zoals bedoeld onder letter a, letter b of letter e van lid 2 van dit artikel, wordt het deelnemerschap geacht te hebben voortgeduurd indien de gewezen deelnemer binnen zes maanden na het tijdstip van beëindiging van het deelnemerschap overlijdt. Een en ander mits de gewezen deelnemer voorafgaande aan de beëindiging van het deelnemerschap ten minste twee maanden deelnemer is geweest.

6. Het deelnemerschap ingevolge dit pensioenreglement kan niet eerder aanvangen dan op 1 januari 1997.

Artikel 3 Melding deelnemersgegevens aan het fonds

1. Binnen twee weken na de aanvang of het einde van de werkzaamheid van een kandidaat-notaris op een notaris-kantoor of bij een notariële instelling geeft de notaris of de instelling daarvan schriftelijk kennis aan het fonds.

2. Iedere notaris en notariële instelling is verplicht elk jaar vóór 1 februari aan het fonds de namen en adressen op te geven van de kandidaat-notarissen die bij de aanvang van het jaar op zijn kantoor of bij haar werkzaam waren.

Artikel 4 Dienstjaren

1. Dienstjaren in relatie tot duur deelnemerschap

Het pensioen van de deelnemer wordt berekend over het aantal verworven dienstjaren.

Het aantal dienstjaren is gelijk aan de duur van het deelnemerschap. Gedurende een periode van arbeidsongeschiktheid wordt conform artikel 10 het deelnemerschap voortgezet.

2. Deeltijdpercentage

Voor de berekening van de dienstjaren van een deelnemer met een deeltijdpercentage wordt de duur van het deelnemerschap vermenigvuldigd met het deeltijdpercentage.

Bij één of meer wijzigingen van het deeltijdpercentage wordt de duur van het deelnemerschap vermenigvuldigd met het gewogen gemiddelde van de deeltijdpercentages die gedurende het deelnemerschap van toepassing zijn geweest.

3. Deelnemerschap en ouderschapsverlof

Gedurende een periode waarin de deelnemer gebruik maakt van het in het Burgerlijk Wetboek vastgelegde recht op ouderschapsverlof blijft het deelnemerschap bestaan, met dien verstande dat voor de duur van het ouderschapsverlof een deeltijdpercentage of een nieuw deeltijdpercentage wordt vastgesteld. De deelnemer die gebruik maakt van een regeling van ouderschapsverlof kan gedurende het ouderschapsverlof het deelnemerschap op vrijwillige basis voortzetten op het niveau zoals dat gold voordat het ouderschapsverlof inging, mits de daarvoor door de deelnemer verschuldigde bijdrage in zijn geheel aan het fonds wordt afgedragen door de notaris, de maatschap, de rechtspersoon of notariële instelling waarbij de deelnemer in loondienst is. De werkgever is bevoegd om de in de vorige volzin bedoelde verschuldigde bijdrage in te houden op het salaris van de deelnemer. Het fonds verstrekt op aanvraag een opgave van de daartoe verschuldigde bijdrage.

De dekking van nabestaandenpensioen en wezenpensioen blijft gedurende het ouderschapsverlof gehandhaafd op het vóór het ouderschapsverlof geldende niveau.

Een periode van ouderschapsverlof kan voor de toepassing van dit reglement uitsluitend aanvangen en eindigen op de eerste dag van een maand.

Artikel 5 Ingang en einde van het ouderdomspensioen

1. De normale pensioendatum

Het ouderdomspensioen gaat, behoudens het bepaalde in de leden 2 en 4 van dit artikel, in op de normale pensioendatum.

2. Vervroeging van de pensioendatum

De deelnemer of gewezen deelnemer kan het fonds schriftelijk verzoeken om het ouderdomspensioen vóór de normale pensioendatum in te laten gaan. Het vervroegde ouderdomspensioen gaat in op de eerste dag van de maand samenvallend met of volgend op de in het verzoek genoemde datum, maar niet eerder dan op de vroegste pensioendatum en de eerste dag van de maand volgend op die waarin het verzoek door het fonds is ontvangen.

3. Samenloop vervroegd pensioen en voortgezet deelnemerschap

Indien van het recht op vervroegd ouderdomspensioen gebruik wordt gemaakt en het deelnemerschap daarnaast voortduurt, zal, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4 lid 2, de duur van het voortgezette deelnemerschap als een periode van deelnemerschap worden beschouwd.

De aan het voortgezette deelnemerschap gerelateerde aanspraak op ouderdomspensioen gaat, met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 lid 5, in op de eerste dag van de maand, volgende op die waarin het deelnemerschap definitief wordt beëindigd, doch uiterlijk op de uiterste pensioendatum.

4. Uitstel van de pensioendatum

De deelnemer of gewezen deelnemer kan -mits dit geschiedt vóór de normale pensioendatum- het fonds schriftelijk verzoeken om het ouderdomspensioen ná de normale pensioendatum in te laten gaan. Het uitgestelde ouderdomspensioen gaat in op de eerste dag van de maand samenvallend met of volgend op de in het verzoek genoemde datum, maar niet later dan op de uiterste pensioendatum.

5. Einde van het ouderdomspensioen

Het ouderdomspensioen eindigt aan het einde van de tweede maand na die waarin de rechthebbende is overleden.

6. Schorsing van het ouderdomspensioen

Het ouderdomspensioen wordt geschorst gedurende de tijd dat de partner, de gewezen partner of een kind van de rechthebbende een tijdelijk pensioen als bedoeld in artikel 15 geniet.

Artikel 6 Berekening van het ouderdomspensioen

1. Het ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar dat is verworven wegens deelnemerschap in een periode gelegen vóór de eerste dag van de maand volgend op die waarin de deelnemer de 41-jarige leeftijd heeft bereikt: f 1.219,27 per jaar.

2. Het ouderdomspensioen bedraagt per dienstjaar dat is verworven wegens deelnemerschap in een periode gelegen vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin de deelnemer de 41-jarige leeftijd heeft bereikt: f 1.828,90 per jaar.

3. De in de leden 1 en 2 van dit artikel genoemde bedragen gelden per 1 januari 1997.

Voor wat betreft de hoogte van deze bedragen in de hieropvolgende jaren wordt verwezen naar het in bijlage 6 opgenomen overzicht.

4. De bedragen genoemd in de leden 1 en 2 van dit artikel zullen jaarlijks per 1 januari worden aangepast aan het prijsindexcijfer, tenzij de financiële middelen van het fonds dat naar de mening van het bestuur niet toelaten. Uitgegaan wordt van de stijging van het prijsindexcijfer zoals deze zich gedurende de 12 maanden gelegen vóór de maand oktober van het voorafgaande jaar heeft voorgedaan.

Indien in enig jaar de financiële middelen van het fonds niet voldoende zijn om de aanpassing als bedoeld in de eerste volzin van dit lid volledig te financieren, zal het fonds het tekort in latere jaren, voor zover de financiële middelen zulks alsdan naar de mening van het bestuur toelaten, alsnog financieren.

5. Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 5 lid 2 (vervroeging van de pensioendatum) dan wel artikel 5 lid 4 (uitstel van de pensioendatum), zal het ouderdomspensioen zoals berekend conform de voorgaande leden van dit artikel worden verlaagd respectievelijk verhoogd overeenkomstig de in bijlage 1 opgenomen tabel.

6. Vanaf de leeftijd van 60 jaar zal - onverminderd het bepaalde in artikel 17 lid 4 en 5 - voor elke deelnemer die zijn beroep in loondienst uitoefent, dienen te worden nagegaan of het opgebouwde ouderdomspensioen niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen, mede in verband met diensttijd en genoten beloning, redelijk moet worden geacht. In het geval dat het ouderdomspensioen deze fiscale norm te boven gaat, zal de opbouw van het ouderdomspensioen over de volgende kalenderjaren dienen te worden gestaakt tot het moment waarop deze norm weer ruimte laat voor aanvullende pensioenopbouw.

Artikel 7 Arbeidsongeschiktheidspensioen

1. Recht op arbeidsongeschiktheidspensioen heeft een deelnemer of gewezen deelnemer die de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt en, op het ogenblik dat hij geheel of gedeeltelijk ophoudt als notaris of kandidaat-notaris werkzaam te zijn, naar het oordeel van het bestuur geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, behoudens het bepaalde in lid 7 van dit artikel.

Het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt vastgesteld overeenkomstig de volgende tabel:

stcrt-1998-114-p6-SC14350-1.gif

De hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen wordt aangepast indien naar het oordeel van het bestuur de mate van arbeidsongeschiktheid is gewijzigd.

2. Het bedrag van het volledige arbeidsongeschiktheidspensioen is gelijk aan het ouderdomspensioen waarop de deelnemer of gewezen deelnemer recht zou hebben indien hij, na onafgebroken deelnemer te zijn gebleven, op de normale pensioendatum zoals beschreven in artikel 5 lid 1 zou ophouden deelnemer te zijn, - en voorzover van toepassing - uitgaande van het laatstelijk voor de ingang van het arbeidson-geschiktheidspensioen geldende deeltijdpercentage.

3. a. Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatste heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

b. Onder arbeid wordt verstaan arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de deelnemer is berekend en die hem met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep in billijkheid kan worden opgedragen. Zoveel mogelijk wordt rekening gehouden met verkregen nieuwe bekwaamheden.

c. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid wordt buiten beschouwing gelaten of de deelnemer de arbeid feitelijk kan verkrijgen.

4. In afwijking van het bepaalde in het vorige lid, is de deelnemer van 50 jaar of ouder geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt, indien hij op het tijdstip waarop hij geheel of gedeeltelijk ophoudt als notaris of kandidaat-notaris werkzaam te zijn, naar het oordeel van het bestuur door ziels- of lichaamsgebreken ongeschikt is om in het notariaat als notaris of kandidaat-notaris arbeid te verrichten.

5. Ten aanzien van de deelnemer die jonger is dan 50 jaar, die geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt geoordeeld krachtens het bepaalde in lid 3 van dit artikel, blijft gedurende de gehele periode van diens gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid het in lid 3 van dit artikel beschreven arbeidsongeschiktheidscriterium van toepassing.

6. Bij de aanvang van het deelnemerschap zullen de aanspraken op arbeidsongeschiktheidspensioen afhankelijk worden gesteld van de inhoud van een gezondheidsverklaring dan wel van de uitslag van een geneeskundig onderzoek.

De kosten van een geneeskundig onderzoek zijn voor rekening van het fonds.

7. Indien de medisch adviseur van het fonds op grond van bij de aanvang van het deelnemerschap verkregen informatie van mening is dat de arbeidsongeschiktheidskansen van de desbetref-fende deelnemer boven de normale arbeidsongeschiktheidskansen liggen, zal het bestuur aan de deelnemer meedelen dat bij arbeidsongeschiktheid uit hoofde van die hogere arbeidsongeschiktheidskansen, het arbeidsongeschiktheidspensioen niet zal worden toegekend. Het bestuur geeft bij de mededeling als bedoeld in de vorige volzin aan welke risicofactoren tot de hogere arbeidsongeschiktheidskansen leiden.

8. De deelnemer wordt van de beslissing als bedoeld in het voorgaande lid schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 8 De aanvraag van arbeidsongeschiktheidspensioen

1. Bij het doen van een aanvraag voor arbeidsongeschiktheidspensioen dient de aanvrager tevens een schriftelijk advies van de behandelend arts recht-streeks te doen toekomen aan de medisch adviseur van het fonds. Deze aanvraag moet worden ingediend binnen twee maanden nadat de aanvrager wegens arbeidsongeschiktheid geheel respectievelijk gedeeltelijk is opgehouden als notaris of kandidaat-notaris werkzaam te zijn.

2. Het bestuur wijst één of meer deskundigen aan voor een onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van de betrokkene. De kosten van deze deskundigen komen ten laste van het fonds.

De aanvrager kan bij de aanvraag of bij de behandeling daarvan, zelf voor een dergelijk onderzoek een deskundige aanwijzen die het bestuur van advies kan dienen. De kosten van deze deskundige zijn steeds ten laste van de aanvrager.

3. De aangewezen deskundige(n) brengt (brengen) zo spoedig mogelijk een met redenen omkleed rapport uit aan het bestuur. Hierin wordt van het eventuele bestaan van ziekte of gebreken melding gemaakt. Daarbij wordt tevens aangegeven of de betrokkene wegens de bij hem vastgestelde ziekte of gebreken arbeidsongeschikt is en - zo ja - voor hoeveel procent dat het geval is.

4. Het bestuur beoordeelt aan de hand van de uitgebrachte rapporten of betrokkene uit hoofde van daarin geconstateerde ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt wordt geacht.

Indien het bestuur van oordeel is, dat de uitgebrachte rapporten onvoldoende gegevens bevatten om tot een verantwoord oordeel te geraken, kan het nogmaals een deskundige aanwijzen als bedoeld in lid 2 van dit artikel. Diens rapport wordt mede aan de bestuursbeslissing ten grondslag gelegd. De kosten van deze deskundige komen voor rekening van het fonds.

5. Het bestuur deelt zijn met redenen omklede beslissing onverwijld aan de aanvrager mee.

Artikel 9 Ingang en einde van het arbeidsongeschiktheidspensioen

1. Het arbeidsongeschiktheidspensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de aanvrager wegens arbeidsongeschiktheid geheel of gedeeltelijk ophoudt als notaris of kandidaat-notaris werkzaam te zijn.

2. Het arbeidsongeschiktheidspensioen eindigt:

a. aan het einde van de tweede maand na die waarin de rechthebbende is overleden;

b. op de eerste dag van de maand samenvallend met of volgend op het tijdstip waarop de rechthebbende na afloop van de periode van volledige arbeidsongeschiktheid opnieuw volledig bijdrageplichtig wordt;

c. op de eerste dag van de maand samenvallend met of volgend op het tijdstip waarop de rechthebbende na afloop van de periode van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid in combinatie met het als notaris of kandidaat-notaris werkzaam zijn, weer volledig bijdrageplichtig wordt;

d. op de eerste dag van de maand samenvallend met of volgend op het tijdstip waarop de rechthebbende, voordat hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, naar het oordeel van het bestuur niet meer arbeidsongeschikt is;

e. op de laatste dag van de maand waarin de rechthebbende de leeftijd van 65 jaar bereikt.

3. Het bestuur neemt een beslissing als bedoeld in het vorige lid onder letter d slechts nadat een deskundigen-onderzoek naar de arbeidsongeschiktheid van de rechthebbende heeft plaats gehad. Deze is verplicht zich aan zodanig onderzoek te onderwerpen. Het bepaalde in artikel 8 is van overeenkomstige toepassing.

4. Indien de rechthebbende niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek als bedoeld in het vorige lid, verliest hij het recht op arbeidsongeschiktheidspensioen met ingang van de dag waarop het bestuur verklaart dat dit het geval is, tenzij het bestuur bij zijn besluit een latere datum vaststelt.

5. Indien de rechthebbende

a. de door de medisch adviseur in het belang van een behandeling of genezing of tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid gegeven voorschriften zonder deugdelijke gronden niet opvolgt;

b. zich niet, zolang de medisch adviseur te kennen heeft gegeven dit noodzakelijk te achten, onder geneeskundige behandeling stelt of indien de rechthebbende de voorschriften van de behandelende geneeskundige niet opvolgt;

verliest hij het recht op arbeidsongeschiktheidspensioen met ingang van de dag waarop het bestuur verklaart dat dit het geval is, tenzij het bestuur bij zijn besluit een latere datum vaststelt.

6. Zodra het bestuur blijkt, dat degene ten aanzien van wie hij van zijn bevoegdheid als bedoeld in het voorgaande lid gebruik heeft gemaakt, naderhand zijn medewerking niet meer weigert, beslist het bestuur, in hoeverre van vorenbedoelde bevoegdheid gebruik moet worden blijven gemaakt.

Artikel 10 Voortzetting deelnemerschap tijdens arbeidsongeschiktheid

1. Gedurende de periode waarover arbeidsongeschiktheidspensioen wordt uitgekeerd, wordt het deelnemerschap voortgezet zonder dat voor de deelnemer bijdragen zijn verschuldigd, een en ander conform de volgende tabel:

stcrt-1998-114-p6-SC14350-2.gif

2. Het deeltijdpercentage geldend in de periode waarin arbeidsongeschiktheidspensioen wordt uitgekeerd, kan tezamen met het percentage waarvoor die periode wordt aangemerkt als een periode van deelnemerschap, niet meer bedragen dan het vóór de ingang van het arbeidsongeschiktheidspensioen geldende deeltijdpercentage.

Artikel 11 Nabestaandenpensioen

1. Recht op nabestaandenpensioen heeft degene die de partner van een deelnemer of gewezen deelnemer was ten tijde van diens overlijden, mits het partnerschap is aangevangen voordat de deelnemer of gewezen deelnemer de 65-jarige leeftijd heeft bereikt.

2. Een partnerschap met een partner, als bedoeld in artikel 1 letter g sub 2, vangt aan op het moment dat wordt voldaan aan alle in die bepaling opgenomen voorwaarden.

Een partnerschap met een partner, als bedoeld in artikel 1 letter g sub 2, eindigt op de datum waarop blijkens een gezamenlijke verklaring van de deelnemer en de partner de gemeenschappelijke huishouding is beëindigd.

De deelnemer en de partner dienen jaarlijks aan het bestuur te verklaren of de gemeenschappelijke huishouding al dan niet voortduurt. Indien deze verklaring in enig jaar niet wordt ontvangen, wordt de gemeenschappelijke huishouding geacht te zijn beëindigd per 1 januari van het betreffende jaar.

3. Het nabestaandenpensioen bedraagt, onverminderd het bepaalde in artikel 12 lid 4:

a. voor de nabestaande van een gepensioneerde deelnemer of gewezen deelnemer: 70% van het ouderdomspensioen, dat de deelnemer of gewezen deelnemer zou hebben genoten indien hij in leven zou zijn gebleven;

b. voor de nabestaande van een vervroegd gepensioneerde deelnemer of gewezen deelnemer: 70% van het ouderdomspensioen dat de deelnemer of gewezen deelnemer zou hebben genoten indien hij in leven zou zijn gebleven, zonder de vermindering als bedoeld in artikel 6 lid 5;

indien sprake is van een voortgezet deelnemerschap wordt voor de nabestaande van de vervroegd gepensioneerde deelnemer het bedrag als bedoeld in de vorige volzin verhoogd met 70% van het aan dat deelnemerschap gerelateerde ouderdomspensioen, dat deze deelnemer zou hebben genoten indien dit pensioen op de normale pensioendatum zou zijn ingegaan en hij van de datum van zijn overlijden tot de normale pensioendatum onafgebroken deelnemer zou zijn gebleven en - indien sprake is van deeltijdarbeid - uitgaande van het laatstelijk vóór de datum van zijn overlijden geldende deeltijdpercentage;

c. voor de nabestaande van een niet-gepensioneerde gewezen deelnemer: 70% van het ouderdomspensioen, dat de deelnemer op grond van de bij zijn overlijden verworven dienstjaren zou hebben genoten, indien dit pensioen op de normale pensioendatum zou zijn ingegaan;

d. voor de nabestaande van een niet-gepensioneerde deelnemer: 70% van het ouderdomspensioen, dat de deelnemer zou hebben genoten, indien zijn pensioen op de normale pensioendatum zou zijn ingegaan en hij van de datum van zijn overlijden tot de normale pensioendatum onafgebroken deelnemer zou zijn gebleven en - indien sprake is van deeltijdarbeid - uitgaande van het laatstelijk vóór de datum van overlijden geldende deeltijdpercentage.

4. Het uit lid 3 van dit artikel voortvloeiende nabestaandenpensioen wordt vermenigvuldigd met 90/70, indien en zolang de nabestaande jonger is dan 65 jaar. Indien artikel 16 lid 3 toepassing heeft gevonden, wordt het bepaalde in de vorige zin uitsluitend toegepast op het bedrag van het nabestaandenpensioen zoals dat zou luiden indien artikel 16 lid 3 niet toegepast zou zijn.

5. Indien de nabestaande meer dan tien jaar jonger is dan de deelnemer of gewezen deelnemer, wordt het nabestaandenpensioen verminderd met 2,5% voor ieder vol jaar dat het leeftijdsverschil meer dan tien jaar bedraagt.

6. Het nabestaandenpensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgende op die van het overlijden van de deelnemer of gewezen deelnemer.

7. Het nabestaandenpensioen eindigt aan het einde van de tweede kalendermaand na die waarin de rechthebbende is overleden.

Artikel 12 Bijzonder nabestaandenpensioen

1. Recht op bijzonder nabestaandenpensioen heeft de gewezen partner van de deelnemer of gewezen deelnemer, mits het partnerschap is aangegaan voordat de deelnemer of gewezen deelnemer de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. Het fonds verstrekt de gewezen partner van de deelnemer of gewezen deelnemer een bewijs van diens aanspraak.

2. Het bepaalde in lid 1 vindt geen toepassing, indien de (gewezen) partners zulks overeenkomen bij huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden of bij een schriftelijke overeenkomst met het oog op de beëindiging van het partnerschap. De overeenkomst is slechts geldig indien aan deze overeenkomst een verklaring van het fonds is gehecht, dat het bereid is een uit de afwijking voortvloeiend pensioenrisico te dekken.

3. Het bijzonder nabestaandenpensioen bedraagt 70% van het ouderdomspensioen dat de deelnemer of gewezen deelnemer zou hebben genoten indien uitsluitend de door hem op de datum van beëindiging van het partnerschap verworven dienstjaren daarvoor de grondslag zouden zijn geweest. Het bedrag van het uit de vorige zin voortvloeiende bijzonder nabestaandenpensioen wordt vermenigvuldigd met 90/70, indien en zolang de gewezen partner jonger is dan 65 jaar.

4. Indien de deelnemer na toepassing van de voorgaande leden van dit artikel opnieuw een partnerschap aangaat, zal het nabestaandenpensioen van de partner worden verminderd met het aan de gewezen partner of gewezen partners toegekende bijzonder nabestaandenpensioen. Bij de vaststelling van de vermindering als bedoeld in de vorige volzin wordt het bepaalde in artikel 11 lid 5 buiten beschouwing gelaten.

5. Indien de nabestaande meer dan tien jaar jonger is dan de deelnemer of gewezen deelnemer, wordt het bijzonder nabestaandenpensioen verminderd met 2,5% voor ieder vol jaar dat het leeftijdsverschil meer dan tien jaar bedraagt.

6. Het bijzonder nabestaandenpensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgende op die van het overlijden van de deelnemer of gewezen deelnemer.

7. Het bijzonder nabestaandenpensioen eindigt aan het einde van de tweede kalendermaand na die waarin de rechthebbende is overleden.

Artikel 13 Wet verevening pensioenrechten bij scheiding

1. In geval van echtscheiding, scheiding van tafel en bed, beëindiging of ontbinding - anders dan door overlijden van de deelnemer of gewezen deelnemer - van een geregistreerd partnerschap vindt verevening van het bij het fonds opgebouwde ouderdomspensioen plaats volgens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, tenzij partijen de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten bij huwelijkse of partnerschapsvoorwaarden of bij een schriftelijke overeenkomst met het oog op de beëindiging van het partnerschap.

2. Het fonds zal niet instemmen met de door partijen beoogde omzetting als bedoeld in artikel 5 van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, indien de omzetting die zij zijn overeengekomen naar de mening van het bestuur voor het fonds verzekeringstechnisch nadelig is. Het fonds kan de instemming met de omzetting afhankelijk stellen van de uitslag van een medisch onderzoek naar de gezondheid van de deelnemer.

3. De kosten van verevening of omzetting zal het fonds in gelijke delen aan beide partijen in rekening brengen.

4. In geval van beëindiging van een partnerschap van ongehuwde partners, zal het fonds dit artikel toepassen als ware sprake van echtscheiding, indien partijen dit zijn overeengekomen in de notarieel verleden samenlevingsovereenkomst dan wel in een notariële akte opgemaakt met het oog op de ontbinding van de samenlevingsovereenkomst.

5. Toepassing van het bepaalde in dit artikel heeft geen invloed op het bedrag van het arbeidsongeschiktheidspensioen als bedoeld in artikel 7 lid 2.

Artikel 14 Wezenpensioen

1. Recht op wezenpensioen hebben de minderjarige kinderen van een overleden deelnemer of gewezen deelnemer, die in familierechtelijke betrekking tot hem stonden.

Minderjarige pleegkinderen worden gelijkgesteld met de in de vorige zin bedoelde kinderen. Als pleegkind wordt aangemerkt het kind van wie ten genoegen van het bestuur wordt aangetoond dat het door een deelnemer of gewezen deelnemer ten tijde van diens overlijden als een eigen kind werd opgevoed en onderhouden. De vorige zin is niet van toepassing op pleegkinderen die als zodanig zijn aangenomen na de normale pensioendatum van de deelnemer of gewezen deelnemer.

2. Met minderjarige kinderen worden gelijkgesteld meerderjarige kinderen of pleegkinderen, die de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt en:

a. van wie de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het volgen van onderwijs of van een opleiding voor een beroep, dan wel

b. die tengevolge van ziekte of gebreken voor 55% of meer arbeidsongeschikt zijn in de zin van het bepaalde in de Algemene Kinderbijslagwet.

Het bestuur beoordeelt of aan deze eisen is voldaan.

3. Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op de kinderen van een deelnemer of gewezen deelnemer, die zijn geboren nadat de deelnemer of gewezen deelnemer de leeftijd van 65 jaar had bereikt of indien de kinderen daarna zijn gewettigd, geadopteerd of erkend, tenzij zij zijn geboren uit een partnerschap dat is aangevangen voordat de deelnemer de leeftijd van 65 jaar had bereikt.

4. Het wezenpensioen bedraagt:

a. voor de kinderen van een gepensioneerde deelnemer of gewezen deelnemer: voor ieder kind 25% van het ouderdomspensioen dat de deelnemer of gewezen deelnemer zou hebben genoten indien hij in leven zou zijn gebleven;

b. voor de kinderen van een vervroegd gepensioneerde deelnemer of gewezen deelnemer:

voor ieder kind 25% van het ouderdomspensioen dat de deelnemer of gewezen deelnemer zou hebben genoten indien hij in leven zou zijn gebleven, zonder de vermindering als bedoeld in artikel 6 lid 5.

Voor de kinderen van de vervroegd gepensioneerde deelnemer wiens deelnemerschap is voortgezet wordt het bedrag als bedoeld in de vorige volzin - voor ieder kind - verhoogd met 25% van het aan het voortgezette deelnemerschap gerelateerde ouderdomspensioen, dat deze zou hebben genoten indien dit pensioen op de normale pensioendatum zou zijn ingegaan en hij van de datum van zijn overlijden tot de normale pensioendatum onafgebroken deelnemer zou zijn gebleven en - indien sprake is van deeltijdarbeid - uitgaande van het laatstelijk vóór de datum van zijn overlijden geldende deeltijdpercentage;

c. voor de kinderen van een niet-gepensioneerde gewezen deelnemer: voor ieder kind 25% van het ouderdomspensioen, dat de deelnemer op grond van de bij zijn overlijden verworven dienstjaren zou hebben genoten, indien dit pensioen op de normale pensioendatum zou zijn ingegaan;

d. voor de kinderen van een niet-gepensioneerde deelnemer: voor ieder kind 25% van het ouderdomspensioen, dat de deelnemer zou hebben genoten, indien zijn pensioen op de normale pensioendatum zou zijn ingegaan en hij van de datum van zijn overlijden tot de normale pensioendatum onafgebroken deelnemer zou zijn gebleven en - indien sprake is van deeltijdarbeid - uitgaande van het laatstelijk vóór de datum van overlijden geldende deeltijdpercentage.

Het hierboven vermelde percentage van 25 wordt met ingang van 1 januari 1997 gedurende een overgangsperiode van 5 jaar geleidelijk verlaagd tot 15%.

Hierbij zal een jaarlijkse daling van 2% worden aangehouden. De aanspraken op wezenpensioen die per de verschillende wijzigingsdata reeds zijn verworven, zullen worden gerespecteerd en dientengevolge niet worden verlaagd.

5. Het wezenpensioen van kinderen, van wie de vader of de moeder aan het overlijden van de deelnemer of gewezen deelnemer recht op nabestaandenpensioen respectievelijk bijzonder nabestaandenpensioen ontleende of zou hebben ontleend, wordt verdubbeld indien of zodra dat nabestaandenpensioen respectievelijk bijzonder nabestaanden- pensioen niet meer wordt genoten.

6. Het wezenpensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgende op die van het overlijden van de deelnemer of gewezen deelnemer.

7. Het wezenpensioen eindigt aan het einde van de tweede kalendermaand na die waarin de rechthebbende is overleden.

Het wezenpensioen eindigt bovendien:

a. voor een rechthebbende, van wie de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door het volgen van onderwijs of van een opleiding voor een beroep dan wel die ten gevolge van ziekte of gebreken voor 55% of meer arbeidsongeschikt is, aan het einde van de kalendermaand waarin dit niet meer het geval is, maar in elk geval aan het einde van de kalendermaand waarin hij de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt;

b. voor iedere andere rechthebbende dan die onder a bedoeld, aan het einde van de kalendermaand waarin hij meerderjarig is geworden.

Artikel 15 Tijdelijk pensioen bij vermissing

1. Recht op tijdelijk pensioen hebben de partner, de gewezen partner en de minderjarige kinderen en de pleegkinderen van een deelnemer of gewezen deelnemer, ten aanzien van wie - dit ter beoordeling door het bestuur - gegronde redenen bestaan om hem als vermist aan te merken. Tijdens deze vermissing wordt de in artikel 1 onder g sub 2 bedoelde gezamenlijke huishouding geacht voort te bestaan.

2. De bepalingen betreffende het nabestaandenpensioen, het bijzonder nabestaandenpensioen en het wezenpensioen zijn op de tijdelijke pensioenen van overeenkomstige toepassing, voor zover hierna niet anders is bepaald.

3. Het tijdelijk pensioen gaat in op de eerste dag van de maand volgend op de door het bestuur te bepalen dag van vermissing.

4. Het tijdelijk pensioen eindigt:

a. in de gevallen bedoeld in de artikel 11 lid 7, 12 lid 6 en 14 lid 7;

b. met ingang van een door het bestuur te bepalen dag, wanneer de vermiste blijkt in leven te zijn;

c. met ingang van een door het bestuur te bepalen dag, wanneer de vermiste blijkt te zijn overleden.

5. Indien het in lid 1 van dit artikel bedoelde tijdstip ligt op of na de vervroegde of de normale pensioendatum, worden, in het geval als bedoeld in lid 4 onder b van dit artikel, de uitgekeerde bedragen van de tijdelijke pensioenen in mindering gebracht op het ouderdomspensioen, ongeacht wie de rechthebbenden op de onderscheidene pensioenen zijn.

6. Gedurende de periode dat de rechthebbende een tijdelijk pensioen geniet, worden rechten op nabestaandenpensioen, bijzonder nabestaandenpensioen en wezenpensioen geschorst.

Artikel 16 Keuzemogelijkheden

1. Hoger ouderdomspensioen in ruil voor nabestaandenpensioen

De deelnemer of gewezen deelnemer - ook zonder partner - heeft het recht om op de vervroegde pensioendatum dan wel - indien van vervroegde pensionering geen gebruik wordt gemaakt - op de normale pensioendatum, het nabestaandenpensioen geheel of gedeeltelijk om te zetten in een hoger ouderdomspensioen. De verlaging van het nabestaandenpensioen geschiedt door het in artikel 11 lid 3 vermelde percentage van 70% te verlagen met 5%-punten of met een veelvoud van 5%-punten. De verhoging van het ouderdomspensioen wordt vastgesteld op basis van de in bijlage 2 opgenomen tabel.

Indien de deelnemer of gewezen deelnemer een partner heeft, kan het keuzerecht als omschreven in dit lid slechts worden uitgeoefend met schriftelijke toestemming van die partner. Na gebruikmaking van de keuzemogelijkheid conform lid 1 van dit artikel, is het in artikel 11, lid 3, onder letter a of b bedoelde percentage van 70% niet langer van toepassing.

2. Hoger nabestaandenpensioen in ruil voor ouderdomspensioen

De deelnemer of gewezen deelnemer en zijn partner hebben het recht om op de vervroegde pensioendatum dan wel - indien van vervroegde pensionering geen gebruik wordt gemaakt - op de normale pensioendatum, het ouderdomspensioen geheel of gedeeltelijk om te zetten in een hoger nabestaandenpensioen. De verhoging van het nabestaandenpensioen geschiedt door het het oorspronkelijke nabestaandenpensioen te verhogen met 5%-punten of met een veelvoud van 5%-punten.

Het keuzerecht zal niet gelden voor die deelnemer voor wie op grond van het bepaalde in artikel 6 lid 6 de opbouw van het ouderdomspensioen is beperkt.

Het nabestaandenpensioen mag niet meer bedragen dan 100% van het verlaagde ouderdomspensioen. De verlaging van het ouderdomspensioen wordt vastgesteld op basis van de in bijlage 3 opgenomen tabel.

Het keuzerecht als omschreven in dit lid kan slechts worden uitgeoefend na verkregen schriftelijke instemming van de partner van de deelnemer of gewezen deelnemer. Indien pensioenverevening conform of naar analogie van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding heeft plaatsgevonden, kan, zolang de gewezen partner in leven is, het deel van het ouderdomspensioen, ten aanzien waarvan de gewezen partner recht op uitbetaling heeft, niet worden omgezet in nabestaandenpensioen.

Na gebruikmaking van het keuzerecht conform dit lid, is het in artikel 11, lid 3, onder letter a of b bedoelde percentage van 70% niet langer van toepassing.

3. Hoog/laag-constructie bij ouderdomspensioen

De deelnemer of de gewezen deelnemer heeft het recht om op de vervroegde pensioendatum dan wel - indien van vervroegde pensionering geen gebruik wordt gemaakt - op de normale pensioendatum zijn alsdan ingaande ouderdomspensioen om te zetten in een ouderdomspensioen dat gedurende een door de deelnemer of gewezen deelnemer te bepalen periode:

a. hoger is dan het oorspronkelijke ouderdomspensioen en in de periode daarna lager is dan het oorspronkelijke ouderdomspensioen, of

b. lager is dan het oorspronkelijke ouderdomspensioen en in de periode daarna hoger is dan het oorspronkelijke ouderdomspensioen.

Een en ander vindt plaats onder de voorwaarde dat -berekend op het tijdstip van omzetting- de hoogste uitkering van het ouderdomspensioen niet meer dan 33 1/3 %

hoger is dan de laagste uitkering van het ouderdomspensioen. De berekening wordt door het fonds vastgesteld op basis van verzekeringstechnische (actuariële) gelijkwaardigheid.

Bij toepassing van het bepaalde in dit lid, wordt voor de berekening van het nabestaanden-, het bijzonder nabestaanden- en het wezenpensioen uitgegaan van het ouderdomspensioen dat zonder toepassing van het bepaalde in dit lid zou zijn uitgekeerd.

Artikel 17 De hoogte van de verplichte bijdragen

1. De volledige bijdrage

Voor iedere deelnemer is, behoudens het bepaalde in artikel 10, de bijdrage verschuldigd aan het fonds, zoals deze voortvloeit uit de in bijlage 4 opgenomen tabel. De voor de deelnemer verschuldigde bijdrage in enig kalenderjaar wordt berekend op basis van de leeftijd van de deelnemer per 31 december van het voorgaande kalenderjaar vermeerderd met één jaar.

De verplichte bijdrage kan worden verhoogd of verminderd op de wijze als bepaald in lid 4 en 5 van artikel 24.

2. Deelnemers werkzaam in deeltijd

De voor de deelnemer, die in deeltijd werkzaam is, te betalen bijdrage wordt vastgesteld door de in lid 1 van dit artikel bedoelde bijdrage te vermenigvuldigen met het deeltijdpercentage.

3. Begrenzing bijdragen kandidaat-notarissen werkzaam in loondienst

Voor de kandidaat-notaris die in loondienst is van een notaris of notariële instelling geldt, dat de voor hem verschuldigde bijdrage niet hoger is dan 20% van de voor de desbetreffende kandidaat-notaris in het betreffende jaar geldende bijdragegrondslag, zoals berekend conform het gestelde in bijlage 5.

De partner van een notaris, werkzaam als kandidaat-notaris op het kantoor van deze notaris, wordt in de zin van dit reglement gelijkgesteld met een kandidaat-notaris die deel uitmaakt van een maatschap, waardoor dientengevolge géén aanspraak kan worden gemaakt op de begrenzing van de bijdrage.

4. Kandidaat-notarissen in loondienst ouder dan 50

Voor kandidaat-notarissen van 50 jaar of ouder, op wie het bepaalde in lid 3 van dit artikel van toepassing is, geldt in aanvulling op lid 3 van dit artikel, dat de opbouw van ouderdomspensioen over het betreffende kalenderjaar kan worden beperkt.

De in de vorige volzin bedoelde beperkte pensioenopbouw wordt vastgesteld door het bedrag van de pensioenopbouw ter zake van het betreffende kalenderjaar, zoals bedoeld in artikel 6 lid 2, te vermenigvuldigen met de hoogste van de breuken A en B zoals berekend conform lid 5 van dit artikel.

5. Berekening breuken A en B voor kandidaten-notarissen in loondienst ouder dan 50

Breuk A is gelijk aan X gedeeld door Y.

X = de in lid 3 van dit artikel bedoelde bijdrage;

Y = de conform de leden 1 en 2 van dit artikel vastgestelde bijdrage.

Breuk B is gelijk aan P gedeeld door Q.

P = ((I / D) x 76%) - AOW.

I = inkomen op jaarbasis van de deelnemer ;

D = deeltijdpercentage van de deelnemer;

AOW = tweemaal de som van het bruto bedrag op jaarbasis en de daarbij behorende vakantie-uitkering die een gehuwde pensioengerechtigde, met een echtgenoot van 65 jaar of ouder, ingevolge de Algemene Ouderdomswet verkrijgt (het deel van de AOW-uitkering dat als overhevelingstoeslag wordt aangemerkt blijft hierbij buiten beschouwing);

Q = het maximaal bereikbare notariële pensioen, dat wordt gesteld op een bedrag gelijk aan 14 maal het voor het betreffende jaar geldende bedrag bedoeld in artikel 6 lid 1 vermeerderd met 24 maal het bedrag bedoeld in artikel 6 lid 2.

6. Kandidaat-notarissen die deel uitmaken van een maatschap en notarissen

Kandidaat-notarissen die deel uitmaken van een maatschap en notarissen kunnen het fonds verzoeken de door hen verschuldigde bijdrage te beperken tot een bedrag gelijk aan 15% van hun beroepswinst in het betreffende kalenderjaar. Het bedrag van de pensioenopbouw over het betreffende kalenderjaar, zoals voortvloeiend uit artikel 6 lid 1 casu quo artikel 6 lid 2, zal bij toepassing van het bepaalde in de eerste volzin van dit lid worden beperkt.

De in de vorige volzin bedoelde beperkte pensioenopbouw wordt vastgesteld door het bedrag van de pensioenopbouw terzake van het betreffende kalenderjaar, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 casu quo artikel 6 lid 2, te vermenigvuldigen met een breuk. In deze breuk is de teller gelijk aan de bijdrage zoals deze voortvloeit uit de eerste volzin van dit lid en de noemer gelijk aan de bijdrage, zoals deze zou voortvloeien uit lid 1 van dit artikel.

7. Beroepsinkomen

Het beroepsinkomen van deelnemers op wie het bepaalde in lid 4 van dit artikel van toepassing is en de beroepswinst, worden vastgesteld op basis van het Reglement beroepsinkomen.

Artikel 18 De betaling van de verplichte bijdragen

1. Betalingstermijn verplichte bijdragen

De jaarbijdrage zoals deze voortvloeit uit artikel 17 is aan het fonds verschuldigd in twee termijnen, elk ter grootte van de helft van de jaarbijdrage. De eerste termijn van de jaarbijdrage is verschuldigd per 1 maart van enig kalenderjaar en de tweede termijn van de jaarbijdrage per 1 september van enig kalenderjaar.

Bij aanvang van het deelnemerschap op een andere datum dan 1 maart of 1 september is een pro rata storting verschuldigd tot de eerstvolgende eerste maart of eerste september.

Op 1 maart of 1 september onmiddellijk voorafgaande aan de vervroegde of de normale pensioendatum van de deelnemer is een pro rata bijdrage verschuldigd voor de periode van 1 maart of 1 september tot de vervroegde of de normale pensioendatum.

De voorgaande volzin is niet van toepassing indien na vervroegde pensionering het deelnemerschap geheel of gedeeltelijk wordt voortgezet.

2. Betaling verplichte bijdrage

De voor de in loondienst werkzame kandidaat-notaris verschuldigde bijdrage wordt in zijn geheel aan het fonds afgedragen door de notaris, de maatschap, de rechtspersoon of notariële instelling waarbij de kandidaat-notaris in loondienst is.

De in de vorige volzin bedoelde werkgever is bevoegd om ten hoogste de helft van de verschuldigde bijdrage in te houden op het salaris van de kandidaat-notaris.

De voor de deelnemer, die zijn beroep niet in loondienst uitoefent, verschuldigde bijdrage wordt door die deelnemer zelf aan het fonds afgedragen.

3. Opgave beroepsinkomen/beroepswinst bij begrensde bijdragebetaling

Binnen één maand na afloop van elk kalenderjaar doet de deelnemer die gebruik wil maken van het bepaalde in artikel 17 lid 3 of 6 daarvan opgave aan het fonds. Binnen twee maanden na afloop van de in de vorige volzin genoemde termijn doet de desbetreffende deelnemer op door het bestuur vast te stellen wijze opgave van zijn beroepsinkomen of beroepswinst over het afgelopen kalenderjaar.

4. Nabetaling te weinig betaalde bedragen

Hetgeen door dan wel voor een deelnemer verschuldigd is en niet overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel is afgedragen aan het fonds, moet door de notaris of notariële instelling worden voldaan op een door het bestuur te bepalen wijze en binnen door het bestuur te bepalen termijnen.

5. Rentevergoeding bij te late betaling van de bijdragen

Indien een notaris of notariële instelling een verschuldigde bijdrage later voldoet dan op de door het bestuur vastgestelde vervaldag wordt door de notaris of de notariële instelling over het niet tijdig betaalde bedrag een door het bestuur jaarlijks vast te stellen rente verschuldigd - tot ten hoogste de wettelijke rente - over de periode tussen de vervaldag en de dag van de voldoening.

6. Beëindiging deelnemerschap door overlijden van de deelnemer

Indien het deelnemerschap door het overlijden van de deelnemer een einde neemt, zal een restitutie worden verleend van de bijdrage of de pro rata bijdrage over de periode vanaf de eerste dag van de maand volgend op het overlijden tot en met de laatste dag waarover de bijdrage was betaald.

7. Beëindiging van het deelnemerschap anders dan door overlijden

Wanneer het deelnemerschap anders dan door overlijden een einde neemt, deelt de notaris of de notariële instelling dit binnen één maand daarna schriftelijk aan het fonds mede, in welk geval een pro rata restitutie wordt verleend, berekend over de periode van het einde van het deelnemerschap tot en met de laatste dag waarover de bijdrage was betaald.

8. Restitutie teveel betaalde bijdragen

Ten aanzien van de deelnemer op wie artikel 17 lid 3 of lid 6 van toepassing is en in de gevallen als bedoeld in de 6 en 7 van dit artikel, zal het fonds teveel betaalde bijdragen terugstorten, zodra door het bestuur is vastgesteld dat teveel is betaald en hoe groot het teveel betaalde bedrag is. Over de teveel betaalde bijdragen wordt door het fonds rente vergoed over de periode tussen de oorspronkelijke vervaldag dan wel de latere datum van betaling en de dag van de restitutie door het fonds. Het rentepercentage is gelijk aan het rentepercentage bedoeld in lid 5 van dit artikel.

Artikel 19 Inkoop extra dienstjaren

Een deelnemer heeft het recht om perioden van ouderschapsverlof (mits binnen de wettelijke termijnen), van sabbatical year, van zorgverlof en van onvrijwillig ontslag (gedurende een termijn van een loongerelateerde werkloosheidsuitkering) voor pensioen in te kopen. De door de deelnemer verschuldigde inkoopsom voor de inkoop van het pensioenbedrag wordt door het bestuur naar redelijkheid vastgesteld, mede op basis van de in de actuariële en bedrijfstechnische nota van het fonds vastgelegde actuariële grondslagen. De inkoopsom kan worden betaald in door bestuur vast te stellen termijnen.

In het kader van een waarde-overdracht heeft een deelnemer het recht om onder aanwending van een door de pensioenuitvoerder van diens vorige werkgever over te dragen afkoopsom aanspraken op pensioen te verwerven. De vaststelling van de aanspraken op pensioen geschiedt op basis van de door het bestuur vast te stellen rekenregels. De waardeoverdracht vindt uitsluitend plaats indien de overdracht zonder enige belasting- of premieheffing ten laste van het fonds mag geschieden.

Artikel 20 Aanvraag en uitbetaling van het pensioen

1. Het bestuur gaat over tot betaling van het pensioen nadat door of vanwege de belanghebbende daartoe een schriftelijke aanvraag is ingediend. Bij de schriftelijke aanvraag wordt aangegeven op welke bank- of girorekening het fonds de betaling kan verrichten.

2. Indien de vaststelling van de grootte van een pensioen door bijzondere omstandigheden wordt vertraagd, kan een voorschot op het pensioen worden verstrekt.

3. Het pensioen wordt in kwartaaltermijnen voldaan. Indien het recht op pensioen ontstaat vóór de laatste maand van een kalenderkwartaal geschiedt de uitbetaling van de eerste termijn, zo nodig pro rata berekend, aan het einde van dat kwartaal. Ontstaat het recht op pensioen in de laatste maand van een kalenderkwartaal dan geschiedt de uitbetaling van de eerste, pro rata berekende, termijn aan het einde van het volgende kwartaal tegelijk met de betaling van de tweede termijn.

4. Het pensioen wordt op een door het bestuur te bepalen wijze uitgekeerd aan degene, die bevoegd is de uitkering in ontvangst te nemen. Een volmacht tot inning moet schriftelijk worden gegeven en behoeft de goedkeuring van het bestuur.

5. Pensioentermijnen, die niet zijn ingevorderd binnen vijf jaar na de eerste dag waarop zij gevorderd konden worden, vervallen aan het fonds.

Artikel 21 Beëindiging deelnemerschap

1. Restitutie eigen bijdragen

Degene, die gedurende een tijdvak korter dan een jaar deelnemer is geweest, kan op zijn aanvraag bij beëindiging van zijn deelnemerschap, anders dan door overlijden of het bereiken van de (vervroegde) pensioendatum een uitkering ontvangen, die ten minste gelijk is aan de door of voor hem betaalde bijdragen.

2. Waarde-overdracht door het fonds

Op verzoek van de nog niet gepensioneerde gewezen deelnemer zal het fonds aanspraken op pensioen afkopen, indien:

a. die afkoop er toe strekt het de rechthebbende mogelijk te maken om onder aanwending van die afkoopsom bij de pensioenuitvoerder van diens nieuwe werkgever aanspraken op pensioen te verwerven;

b. de afkoopsom rechtstreeks wordt overgedragen aan de onder letter a genoemde pensioenuitvoerder;

c. de in letter a genoemde pensioenuitvoerder is:

1e. als bedoeld in artikel 2 leden 1 en 4 van de Pensioen- en spaarfondsenwet, dan wel

2e. een beroepspensioenfonds in de zin van de Wet betreffende verplichte deelneming in een beroepspensioenregeling.

d. de partner van de gewezen deelnemer heeft ingestemd met de afkoop;

e. de gehele door het fonds overgedragen afkoopsom wordt aangewend voor pensioen of aanspraken op pensioen.

3. De vaststelling van de waarde van de af te kopen aanspraken op pensioen geschiedt op basis van door het bestuur vast te stellen rekenregels.

4. De waardeoverdracht vindt uitsluitend plaats indien de overdracht zonder enige belasting- of premieheffifflfflffing ten laste van het fonds mag geschieden.

Artikel 22 Bescherming pensioenaanspraken

1. De aanspraak op ouderdomspensioen van een deelnemer of gewezen deelnemer kan zonder toestemming van diens partner niet bij overeenkomst tussen die deelnemer of gewezen deelnemer en het fonds of de notaris dan wel notariële instelling bij welke hij in dienst is, worden verminderd, anders dan bij afkoop zoals bedoeld in artikel 21 lid 2, tenzij de partners het recht op pensioenverevening ingevolge de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding hebben uitgesloten.

2. De aanspraak op nabestaandenpensioen ten behoeve van de partner van een deelnemer of gewezen deelnemer kan zonder toestemming van die partner niet bij overeenkomst tussen de deelnemer of gewezen deelnemer en het fonds of de notaris dan wel notariële instelling bij welke hij in dienst is, worden verminderd anders dan bij afkoop zoals bedoeld in artikel 21 leden 1 en 2. De aanspraak op bijzonder nabestaandenpensioen van de gewezen partner kan uitsluitend door toepassing van artikel 12 lid 2 worden verminderd.

Elk beding, strijdig met het bepaalde in de vorige twee volzinnen, is nietig.

Artikel 23 Verstrekking van gegevens aan het fonds

1. Notarissen, kandidaat-notarissen en notariële instellingen alsmede zij, die aan de bepalingen van dit reglement een recht op uitkering ontlenen, zijn - ook nadat zij die hoedanigheid of dat recht hebben verloren - verplicht aan het bestuur of aan één of meer door het bestuur aangewezen personen alle gegevens te verstrekken, waarvan het bestuur ter vaststelling van het deelnemerschap of van daaruit voortvloeiende rechten of verplichtingen de kennisneming wenselijk oordeelt.

2. Deze verplichting tot het verstrekken van gegevens bestaat ook jegens de organen, waarbij beroep tegen beslissingen van het bestuur is ingesteld.

3. De gegevens dienen schriftelijk, mondeling of door het verlenen van inzage in boeken en andere bescheiden te worden verstrekt, zulks ter keuze van degene die het verstrekken van de gegevens verlangt en binnen de door deze te bepalen termijn.

Artikel 24 Pensioenverplichtingen en financiering

1. De verplichtingen van het fonds ter zake van de vóór 1 januari 1997 opgebouwde pensioenaanspraken worden onderscheiden in:

a. die ter zake van onvoorwaardelijke pensioenaanspraken en

b. die ter zake van voorwaardelijke pensioenaanspraken.

De pensioenaanspraken die zijn opgebouwd in verband met perioden van deelnemerschap vanaf 1 januari 1997 zijn volledig onvoorwaardelijk.

2. Het vermogen van het fonds is in de eerste plaats bestemd ter dekking van de onvoorwaardelijke aanspraken.

3. De dekkingsgraad van het fonds: het bestuur is verplicht de financiering van het fonds zodanig in te richten dat het fonds gemiddeld en op den duur een dekkingsgraad van 100% heeft. De dekkingsgraad wordt gedefinieerd als de bezittingen van het fonds gedeeld door de op basis van een rekenrente van 4% berekende contante waarde van alle opgebouwde pensioenen en aanspraken op pensioen. De wijze van financiering wordt neergelegd in een door de actuaris van het fonds opgestelde actuariële nota.

4. Dekkingsgraad beneden 85%: indien aan het einde van enig boekjaar blijkt dat de dekkingsgraad van het fonds lager is dan 85% is het bestuur verplicht te zorgen dat door middel van een éénmalige verhoging van de verplichte bijdragen de dekkingsgraad aan het einde van het daarop volgende boekjaar ten minste 85% bedraagt.

De verhoging van de verplichte bijdragen wordt door het bestuur vastgesteld, op basis van een aan het bestuur uitgebracht advies van de actuaris van het fonds.

Het bestuur is bevoegd te besluiten dat niet uitsluitend door middel van een éénmalige verhoging van de verplichte bijdragen, maar mede door middel van een gelijke evenredige verlaging van de voorwaardelijke en -zo nodig- de onvoorwaardelijke pensioenaanspraken ter zake van reeds verstreken perioden van deelnemerschap, de dekkingsgraad op 85% wordt gebracht. Het bestuur kan van deze bevoegdheid uitsluitend gebruik maken indien de dekkingsgraad door bijzondere omstandigheden beneden 85% is gedaald en naar zijn mening de redelijkheid en billijkheid vergen dat de dekkingsgraad niet louter door een éénmalige verhoging van de verplichte bijdragen op 85% wordt gebracht.

Indien het bestuur van zijn bevoegdheid als bedoeld in dit lid gebruik heeft gemaakt, zal het bestuur, indien en voor zover de middelen zulks nadien toelaten, er naar streven dat de wijziging van de voorwaardelijke en de onvoorwaardelijke pensioenaanspraken ongedaan wordt gemaakt.

5. Dekkingsgraad boven 115%: indien aan het einde van enig boekjaar blijkt dat de dekkingsgraad van het fonds hoger is dan 115% is het bestuur verplicht te zorgen dat door middel van een éénmalige vermindering van de verplichte bijdragen de dekkingsgraad aan het einde van het daarop volgende boekjaar ten hoogste 115% bedraagt.

De vermindering van de verplichte bijdragen wordt door het bestuur vastgesteld, op basis van een aan het bestuur uitgebracht advies van de actuaris van het fonds.

Het bestuur is bevoegd te besluiten dat niet uitsluitend door middel van een éénmalige verlaging van de verplichte bijdragen, maar mede door middel van een gelijke evenredige verhoging van de voorwaardelijke en - zo mogelijk - de onvoorwaardelijke pensioenaanspraken ter zake van reeds verstreken perioden van deelnemerschap, de dekkingsgraad op 115% wordt gebracht. Het bestuur kan van deze bevoegdheid uitsluitend gebruik maken indien naar zijn mening de redelijkheid en billijkheid vergen dat de dekkingsgraad niet louter door een éénmalige verlaging van de verplichte bijdragen op 115% wordt gebracht.

Artikel 25 Onvoorziene gevallen

In alle gevallen waarin dit reglement niet voorziet beslist het bestuur.

Artikel 26 Overgangsbepalingen

1. De aanspraken op ouderdomspensioen die zijn verworven op basis van het pensioenreglement van het fonds dat tot en met 31 december 1996 van toepassing was, worden voor degenen die op 1 januari 1997 deelnemer zijn per genoemde datum door het fonds vastgesteld. De van deze aanspraken op ouderdomspensioen afgeleide aanspraken op nabestaandenpensioen worden eveneens per dezelfde datum vastgesteld.

De deelnemer die over perioden gelegen vóór 1 januari 1997 aan het fonds heeft deelgenomen, ontvangt van het in de vorige volzin bedoelde pensioenaanspraken een schriftelijke opgave van het fonds.

De in dit lid bedoeld pensioenaanspraken worden aangepast conform het bepaalde in artikel 6 lid 4 van dit reglement.

2. De vaststelling van de in het eerste lid van dit artikel bedoelde pensioenaanspraken geschiedt op basis van het tot en met 31 december 1996 geldende reglement.

Ten aanzien van de voorwaarden waaronder de pensioenaanspraken tot uitkering komen en eindigen zijn de bepalingen van het onderhavige pensioenregle- ment van toepassing.

Artikel 16 (keuzemogelijkheden) is van overeenkomstigetoepassing op de tot en met 31 december 1996 opgebouwde pensioenaanspraken van degenen die op 31 december 1996 en 1 januari 1997 deelnemer waren.

3. De pensioenaanspraken van degenen van wie vóór of op 31 december 1996 het deelnemerschap aan het fonds is beëindigd, blijven volledig beheerst door het tot die datum geldende reglement van het fonds.

4. Voor de in loondienst werkzame kandidaat-notarissen voor wie de helft van de uit artikel 17 voortvloeiende bijdrage hoger is dan de bijdrage die verschuldigd zou zijn als het tot 31 december 1996 geldende reglement nog van toepassing zou zijn, wordt tot en met het jaar 2000 de bijdrage gedeeltelijk vastgesteld op basis van het tot en met 31 december 1996 geldende reglement en gedeeltelijk op basis van het vanaf 1 januari 1997 geldende reglement, een en ander conform onderstaande tabel.

stcrt-1998-114-p6-SC14350-3.gif

Het dubbele van de hierboven berekende bijdrage dient in zijn geheel aan het fonds te worden afgedragen door de notaris, de maatschap, de rechtspersoon of notariële instelling waarbij de kandidaat-notaris in loondienst is. De in de vorige volzin bedoelde werkgever is bevoegd om ten hoogste de helft van de verschuldigde bijdrage in te houden op het salaris van de kandidaat-notaris.

Artikel 27 Aanpassing bijlagen

De bij dit reglement behorende bijlagen kunnen worden gewijzigd bij bestuursbesluit, op basis van een aan het bestuur uitgebracht actuarieel advies.

Artikel 28 Inwerkingtreding

De wijziging vervat in dit vijfenveertigste wijzigingsbesluit zal met terugwerkende kracht in werking treden op 1 januari 1997.

Het bepaalde in artikel 17 leden 4 en 5 treedt in werking op 1 januari 2007.

Deze beschikking zal in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 11 juni 1998.
De Staatssecretaris voornoemd,
E.M.A. Schmitz.

Bijlage 1 Tabel herrekening ouderdomspensioen bij vervroeging en uitstel van de pensioendatum

stcrt-1998-114-p6-SC14350-4.gif

Indien de pensioendatum van de deelnemer is gelegen op de eerste dag van een maand gelegen na de vroegste en vóór de laatste pensioendatum, welke niet gelijk is aan de eerste dag van een maand volgend op die waarin de verjaardag van de deelnemer valt, wordt het uitkeringspercentage van het ouderdomspensioen gevonden door toepassing van lineaire interpolatie.

Bijlage 2 Tabel omzetting nabestaandenpensioen in ouderdomspensioen

stcrt-1998-114-p6-SC14350-5.gifstcrt-1998-114-p6-SC14350-6.gif

Bijlage 3 Tabel omzetting ouderdomspensioen in nabestaandenpensioen

stcrt-1998-114-p6-SC14350-7.gif

Bijlage 4 Tabel vaststelling pensioenbijdrage per duizend gulden pensioen

Verplichte bijdrage voor de opbouw van f 1.000 gulden ouderdomspensioen met bijbehorend nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen per leeftijd

stcrt-1998-114-p6-SC14350-8.gifstcrt-1998-114-p6-SC14350-9.gif

Bijlage 5 Berekening bijdragegrondslag voor kandidaat-notarissen in loondienst

1. Bijdragegrondslag 1997

De bijdragegrondslag voor 1997 is gelijk aan het bedrag dat wordt gevonden door het op jaarbasis berekende bruto inkomen van de kandidaat-notaris, vermeerderd met de daarbij behorende overhevelingstoeslag opslagpremies, te vermenigvuldigen met 90% en dit resultaat - uitgaande van een deeltijdpercentage van 100 - te verminderen met f 21.700. Het in de vorige zin genoemde bedrag van f 21.700 geldt per 1 januari 1997. Het in de vorige zin genoemde bedrag wordt jaarlijks per 1 januari aangepast aan de prijsindex zoals bedoeld in artikel 1.

2. Bijdragegrondslag 1998

De bijdragegrondslag voor 1998 is gelijk aan het bedrag dat wordt gevonden door het op jaarbasis berekende bruto inkomen van de kandidaat-notaris te vermeerderen met de daarbij behorende overhevelingstoeslag opslagpremies en dit resultaat - uitgaande van een deeltijdpercentage van 100 - te verminderen met f 22.206. Het in de vorige zin genoemde bedrag van f 22.206 geldt per 1 januari 1998 en zal jaarlijks per 1 januari worden aangepast aan de prijsindex zoals bedoeld in artikel 1.

Bijlage 6 Overzicht van de pensioenbedragen per dienstjaar (artikel 6 leden 1 en 2)

stcrt-1998-114-p6-SC14350-10.gif
Naar boven