Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Verkeer en Waterstaat | Staatscourant 1997, 86 pagina 9 | Besluiten van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Verkeer en Waterstaat | Staatscourant 1997, 86 pagina 9 | Besluiten van algemene strekking |
«Waterstaatswet 1900»
6 mei 1997
Nr. HW/AK 97/6257
Hoofddirectie van de Waterstaat/Hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische Zaken
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
Gelet op het bepaalde in artikel 5, tweede lid van de Waterstaatswet 1900 en het daarop gebaseerde Organiek Besluit Rijkswaterstaat (KB 14 januari 1971, Stb. 42), alsmede gelet op de bepalingen in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit:
De Stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg (hierna te noemen ’de kering’) wordt vanaf de ingebruikname tot 1 oktober 1998 gesloten bij een verwachte waterstand van de Nieuwe Maas te Rotterdam ter hoogte van het Boerengat van ten minste NAP +3.20 m.
De kering wordt vanaf 1 oktober 1998 gesloten bij een verwachte waterstand van de Nieuwe Maas te Rotterdam ter hoogte van het Boerengat van ten minste NAP +3.00 m.
Na 1 mei 2003 worden de consequenties van het in de artikelen 1 en 2 weergegeven sluitregime geëvalueerd, waarbij enerzijds zal worden bezien of en in welke mate de buitendijks gelegen gebieden hinder hebben ondervonden van wateroverlast en anderzijds of en in welke mate de sluiting nadelige gevolgen heeft gehad voor de haven van Rotterdam en de daarmee verwante scheepvaartbelangen.
Indien op 1 mei 2003 de kering nog niet gesloten is geweest zal de evaluatie plaatsvinden na de eerste sluiting.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt gepubliceerd.
Dit besluit kan worden aangehaald als ’Besluit gebruik stormvloedkering Nieuwe Waterweg’.
Tervisielegging besluit met bijlagen
Bij het besluit behoort een nota, waarin de ingebrachte zienswijzen zijn gerubriceerd en waarin het gemotiveerde oordeel van de Minister ten aanzien van die zienswijzen is neergelegd. Voorts is met betrekking tot het te nemen besluit een rapport uitgebracht door het Overlegorgaan Waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden. De nota en het rapport liggen tezamen met het besluit vanaf 12 mei 1997 ter visie op de navolgende adressen:
- de gemeentehuizen van Alblasserdam, Bergambacht, Binnenmaas, Capelle aan den IJssel, Dordrecht, Gorinchem, Hardinxveld-Giessendam, Hendrik-Ido-Ambacht, Krimpen aan den IJssel, Liesveld, Maassluis, Nederlek, Nieuw-Lekkerland, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam (ook deelgemeente Hoek van Holland), Rozenburg, Schiedam, Schoonhoven, Sliedrecht, Spijkenisse, Vlaardingen, Werkendam en Zwijndrecht;
- de (hoofd)vestigingen van de openbare bibliotheken in bovengenoemde gemeenten;
- de kantoren van de hoogheemraadschappen van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden (Gorinchem), Delfland (Delft), de Krimpenerwaard (Krimpen aan den IJssel) en Schieland (Rotterdam) en de kantoren van de waterschappen De Brielse Dijkring (Brielle), de Groote Waard (Klaaswaal) en IJsselmonde (Barendrecht);
- de provinciehuizen van Noord-Brabant (Den Bosch) en Zuid-Holland (Den Haag);
- de kantoren van Rijkswaterstaat, directie Noord-Brabant (Waterstraat 16 in Den Bosch) en directie Zuid-Holland
(Boompjes 200 in Rotterdam);
- de bibliotheek van het ministerie van Verkeer en Waterstaat in Den Haag.
Een ieder die meent ten gevolge van dit besluit rechtstreeks in zijn belang te zijn getroffen kan daartegen op grond van de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de dag waarop dit is bekendgemaakt een bezwaarschrift indienen. Het bezwaarschrift moet worden gericht aan de Minister van Verkeer en Waterstaat, p/a de Hoofdingenieur-Directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Zuid-Hol-land, postbus 556, 3000 AN Rotterdam.
Het bezwaarschrift dient ten minste te bevatten:
- uw naam en adres;
- de dagtekening;
- vermelding van het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en zo mogelijk datum en kenmerk van het besluit;
- een opgave van de redenen waarom u zich met het besluit niet kunt verenigen.
De indiener van een bezwaarschrift is tevens in de gelegenheid om - gelijktijdig met of na indiening van het bezwaarschrift - een verzoek te doen tot het treffen van een voorlopige voorziening. Een zodanig verzoek dient te worden gericht tot de president van de rechtbank in het arrondissement waarin de verzoeker zijn woon- of vestigingsplaats heeft. In verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening wordt een bedrag aan griffierecht geheven. Omtrent de hoogte daarvan, de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit dient te worden voldaan krijgt de verzoeker na indiening van het verzoek bericht van de griffier van de rechtbank.
Ingevolge artikel 2 aanhef en onder C van het Organiek Besluit Rijkswaterstaat wordt aan Rijkswaterstaat ondermeer opgedragen het beheer van waterkeringen. Het vaststellen van een sluitregime voor de stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg dient daaronder te worden begrepen. De Minister van Verkeer en Waterstaat dient derhalve alvorens tot ingebruikname van de kering over te gaan een besluit te nemen waarin is bepaald onder welke condities en op welk moment metterdaad tot sluiting van de kering wordt overgegaan. De kering in de Nieuwe Waterweg, waarvan de voltooiing en officiële ingebruikname zijn voorzien in mei 1997, is gebouwd ter uitvoering van de Deltawet, met het doel bij stormvloeden de veiligheid in het benedenrivierengebied te garanderen.
De primaire functie van de kering is het reduceren van extreem hoge waterstanden in het benedenrivierengebied en het op die wijze garanderen van de veiligheid. Bij het vaststellen van het sluitregime dient aan die functie vanzelfsprekend geen afbreuk te worden gedaan. Daarnaast is als voorwaarde gesteld, dat de hinder voor de scheepvaart ten gevolge van het sluitregime zo veel als mogelijk wordt beperkt in verband met een optimale bereikbaarheid van de Rotterdamse haven. Uitgangspunt bij het ontwerp van de kering is geweest sluiting bij een verwachte waterstand van tenminste NAP +3.20 m op de Nieuwe Maas te Rotterdam (ter hoogte van het Boerengat). Dit komt overeen met een gemiddelde sluitfrequentie van maximaal ongeveer 1 maal per 10 jaar.
Inmiddels is echter vastgesteld, dat het technisch mogelijk is de kering bij een lagere verwachte waterstand te sluiten, zij het echter onder stormomstandigheden niet lager dan NAP +2.80 m. Voordeel van sluiting van de kering bij een lagere verwachte waterstand dan NAP +3.20 m is, dat op die manier wateroverlast in buitendijkse gebieden in het benedenrivierengebied verder kan worden beperkt. Gedacht moet daarbij ondermeer worden aan delen van de binnensteden van Dordrecht, Zwijndrecht, Rotterdam, Vlaardingen en Maassluis. Ten gevolge van de hoogwaters in 1993 en 1995 is meer nog dan voorheen de noodzaak ingezien om de schade ten gevolge van optredend hoog water zo veel als mogelijk te beperken, hetgeen overigens onverlet laat dat wonenden en werkenden in die buitendijkse gebieden in beginsel verondersteld worden de risico’s van hoog water te kennen en bovendien te hebben aanvaard. De ten gevolge daarvan ontstane schade kan dan ook in beginsel niet worden verhaald op de overheid.
Tegenover het belang van buitendijkse gebieden bij een eerdere sluiting van de kering staat echter het belang van de scheepvaart en de Rotterdamse haven om de sluitfrequentie zo gering mogelijk te doen zijn. Elke sluiting van de kering kan immers economische schade veroorzaken in de vorm van tijdelijke improductiviteit. Daarenboven is het niet denkbeeldig dat het imago van de Rotterdamse haven als ’open haven’ wordt geschaad indien de bereikbaarheid daarvan te zeer wordt belemmerd.
Teneinde tot een afgewogen en prudent oordeel te kunnen komen is onderzoek gedaan naar de gemiddelde maatschappelijke kosten per jaar bij een sluitpeil van respectievelijk NAP +3.20 m, NAP +3.00 m en NAP +2.80 m. Gebleken is dat de maatschappelijke kosten bij een sluitpeil van NAP +2.80 m het laagst zijn, waarbij echter bedacht dient te worden dat (niet te kwantificeren) kosten van mogelijk schade aan het imago van de Rotterdamse haven niet in de berekeningen zijn opgenomen. Naast een onderzoek naar de maatschappelijke kosten is in het kader van een zorgvuldige besluitvorming in november 1996 een drietal openbare informatiebijeenkomsten gehouden in Hoek van Holland, Rotterdam en Dordrecht, waarbij belanghebbenden in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te spreken. Daarnaast is bestuurlijk overleg gevoerd met de bestuurders van de betrokken decentrale overheden (gemeenten, waterschappen, provincie Zuid-Holland en de Rotterdamse haven). Vertegenwoordigers van de diverse belangengroeperingen hebben van de geboden gelegenheid gebruik gemaakt hun voorkeur kenbaar te maken.
Op basis van het hierboven beschreven inspraaktraject heb ik mij - na alle belangen te hebben afgewogen - een voorlopig oordeel gevormd omtrent het meest wenselijke sluitpeil. Ik heb dat oordeel neergelegd in een ontwerp-besluit en vervolgens bekendgemaakt op de in de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven wijze, met de mededeling dat belanghebbenden in de gelegenheid zijn daaromtrent schriftelijk hun zienswijze kenbaar te maken. Van die gelegenheid is door een twintigtal belanghebbenden gebruik gemaakt. Ik heb voorts kennis genomen van het rapport van bevindingen d.d. 27 januari 1997 van het Overlegorgaan Waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden, waarin zij zich uitspreekt voor een voorlopig sluitpeil van NAP +3.00 m met daaraan gekoppeld een evaluatie van het gevoerde beheer na een periode van 5 jaar. Op de bij dit besluit behorende bijlage 1 zijn de ingebrachte zienswijzen gerubriceerd en heb ik mijn gemotiveerde oordeel gegeven omtrent die zienswijzen. Tevens is als bijlage 2 bijgevoegd het rapport van het Overlegorgaan Waterbeheer en Noordzee-aangelegenheden.
Alles afwegend ben ik tot het oordeel gekomen, dat een sluitpeil van NAP +3.00 m - overeenkomend met een sluitfrequentie van maximaal gemiddeld eens per 5 jaar - het meest recht doet aan de tegengestelde belangen van de betrokken partijen. Nochtans hecht ik eraan de effecten van dit besluit na 1 mei 2003 te evalueren, teneinde te bezien of er redenen zijn om tot heroverweging van het genomen besluit te komen. Bij de afweging van belangen heb ik in ogenschouw genomen dat ten gevolge van het ingebruik nemen van de kering voor de buitendijkse gebieden hoe dan ook een verbetering optreedt, nu immers extreem hoge waterstanden ook bij een sluitpeil van NAP +3.00 m worden voorkomen.
Hiervoor is reeds opgemerkt, dat het ontwerp van de kering is gebaseerd op een sluitpeil van NAP +3.20 m. Het beslis- en besturingssysteem van de kering dient te worden aangepast aan het thans gekozen sluitpeil. Vanwege daaraan te stellen veiligheidseisen is het niet mogelijk die aanpassing te doen plaatsvinden voor het stormseizoen 1997-1998. Reden waarom er voor is gekozen tot 1 oktober 1998 het sluitpeil van NAP +3.20 m te hanteren.
De Minister van Verkeer en Waterstaat,
A. Jorritsma-Lebbink.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-1997-86-p9-SC9247.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.