Wijziging nadere regeling Kinderarbeid

20 februari 1996

nr. AV/RV/96/249

Directie Arbeidsverhoudingen

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikel 3:2, derde lid, van de Arbeidstijdenwet;

Besluit:

Artikel I

De Nadere regeling kinderarbeid wordt als volgt gewijzigd:

A.

Artikel 4:1 wordt onder handhaving van het opschrift gewijzigd als volgt:

Artikel 4:1

1. Indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een schoolweek niet-industriële hulparbeid van lichte aard verricht, niet zijnde een uitvoering, dan wordt in acht genomen, dat dat kind:

a. op zondag geen arbeid verricht;

b. op dagen dat onderwijs wordt gevolgd geen arbeid verricht;

c. een onafgebroken rusttijd heeft van ten minste 14 uren in elke periode van 24 achtereenvolgende uren, waarin de periode tussen 19.00 uur en 08.00 uur begrepen is;

d. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste 6 uren per dag.

e. indien op een dag langer arbeid wordt verricht dan 4,5 uur, die arbeid afwisselt met een pauze van ten minste een half uur aaneengesloten.

2. Met inachtneming van het eerste lid, onderdelen a, c en e, wordt, indien een kind van 13 of 14 jaar tijdens een schoolweek incidenteel niet-industriële hulparbeid van lichte aard verricht, die bestaat uit:

1° het oppassen bij familie of kennissen,

2° het wassen van auto’s,

3° het behulpzaam zijn:

- bij het verspreiden van folders en huis- aan huisbladen,

- in een gezinshuishouding,

- op een kinderboerderij,

tevens in acht genomen, dat dat kind:

a. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;

b. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste 2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten hoogste 6 uren per dag op andere dagen.

3. Met inachtneming van het eerste lid, onderdelen a, c en e, wordt, indien tijdens een schoolweek hulparbeid van lichte aard in de landbouw of in een winkel die met een woonhuis één geheel vormt, wordt verricht door een eigen, aangehuwd, pleeg- of adoptiekind van 13 of 14 jaar van de verantwoordelijke persoon, dat in dat woonhuis bij hem inwoont, tevens in acht genomen, dat dat kind:

a. op niet meer dan ten hoogste 5 dagen arbeid verricht;

b. niet langer arbeid verricht dan 12 uren, waarvan ten hoogste 2 uren per dag op dagen dat onderwijs wordt gevolgd en ten hoogste 6 uren per dag op andere dagen.

B.

In artikel 10:1 wordt ’de artikelen 4:1 en 8’ vervangen door: de artikelen 4:1 en 6:1.

Artikel II

1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

2. In afwijking van het eerste lid treedt deze regeling in werking met ingang van het tijdstip waarop de Arbeidstijdenwet in werking treedt krachtens artikel I, tweede tot en met vierde lid, van het Besluit van 4 december 1995 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.


’s-Gravenhage 20 februari 1996.
De Minister voornoemd,
A.P.W. Melkert.

Toelichting

Algemeen

In deze regeling wordt de Nadere regeling kinderarbeid, zoals gepubliceerd in de Stcrt. van 19 december 1995, nr. 246, gewijzigd. De Nadere regeling kinderar-beid dient ter uitvoering van artikel 3:2, derde lid, van de Arbeidstijdenwet. De regeling was opgesteld conform de tekst van de memorie van toelichting op de Arbeidstijdenwet (Kamerstukken II 1993/94 23 646, nr. 3, blz. 90).

Naar aanleiding van de publikatie van de Nadere regeling kinderarbeid en de reacties daarop van de Onderwijsbon-den en de Dienstenbonden zijn door het Tweede Kamerlid Van Nieuwenhoven (PvdA) kamervragen gesteld over de regels voor 13- en 14-jarigen. Door de regeling zouden de werkgevers de mogelijkheid hebben om 13- en 14-jarigen structurele contracten voor 12 uren per week aan te bieden, wat verdringingseffecten en nadelige consequenties voor de schoolprestaties zou kunnen veroorzaken. Het wetsvoorstel Winkeltijdenwet (Kamerstukken 24 226), dat op dit moment nog in behandeling is bij de Eerste Kamer, was ten tijde van het indienen van het wetsvoorstel Arbeidstijdenwet nog niet bekend. Dit wetsvoorstel Winkeltijdenwet zou tot gevolg kunnen hebben, dat het structureel aanstellen van 13- en 14-jarigen wordt bevorderd, met name vanuit artikel 4:1 van de Nadere regeling kinderarbeid. Het nieuwe feit van de Winkeltijdenwet is mede de aanleiding geweest om de nadere regeling te heroverwegen.

Door de wijziging van artikel 4:1 van de Nadere regeling kinderarbeid is het niet langer mogelijk voor 13- en 14-jarigen om op schooldagen niet-industriële hulparbeid van lichte aard te verrichten in een bedrijfsmatige omgeving. Alleen op niet-schooldagen, behalve de zondag, is dit soort arbeid nog toegestaan. Het is voor 13- en 14-jarigen nog wel toegestaan om op schooldagen, buiten schooltijd, niet-industriële (hulp)arbeid van lichte aard te verrichten in de eigen leefomgeving, waaronder wordt verstaan: oppassen, klusjes rond het huis en in de buurt (auto’s wassen, incidenteel helpen bij folders e.d. rondbrengen of bij werkzaamheden in een gezinsomgeving) en hulpwerkzaamheden op een kinderboerderij. Het betreft hier werk-zaamheden die beperkt van aard zijn en veelal incidenteel van karakter en deze zullen derhalve niet leiden tot een dagelijkse structurele inzet van kinderen gedurende een langere periode. Voor eigen, aangehuwd, pleeg- of adoptiekinderen van landbouwers en winkeliers, waarbij het bedrijf één geheel vormt met het woonhuis, is een uitzondering gemaakt. Zij mogen, evenals onder de Arbeidswet 1919 al het geval was, op schooldagen wel in het bedrijf van hun ouder(s) hulpwerkzaamheden verrichten. Opgemerkt zij, dat voor alle hiervoor bedoelde (toegestane) werkzaamheden het verbod van arbeid op zondag voor kinderen van 13 en 14 jaar gehandhaafd blijft.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A In artikel 4:1 wordt de niet-industriële hulparbeid van lichte aard tijdens schoolweken door 13- en 14-jarigen geregeld.

In het eerste lid van dit artikel wordt aangegeven dat kinderen van 13 en 14 jaar geen arbeid mogen verrichten op schooldagen en op zondagen. Zij mogen tijdens schoolweken alleen niet-industriële hulparbeid van lichte aard verrichten op zaterdag en op eventuele andere vrije dagen. 13- en 14- jarigen mogen dan maximaal 6 uur per dag en 12 uur per week werken. Met de term ’niet-industriële hulparbeid van lichte aard’ wordt bedoeld dat deze kinderen alleen hand- en spandiensten mogen verrichten en geen zelfstandige produktie-arbeid. De inhoud van die arbeid die door de betrokken kinderen wordt verricht en de wijze waarop die arbeid is georganiseerd, moeten waarborgen in zich hebben om de veiligheid, de gezondheid en de ontwikkeling van het kind te beschermen. Onder dit begrip vallen bijvoorbeeld:

- lichte hulpwerkzaamheden in een winkel

- hulpwerkzaamheden in restaurants, hotels, zoals het helpen bij het bedienen;

- hulpwerkzaamheden bijvoorbeeld bij een manege, op een camping, in een speeltuin, in een pretpark, in een bowlingcentrum, in een museum;

- lichte hulpwerkzaamheden in de landbouw, zoals groenten en fruit plukken, lichte oogstwerkzaamheden, het voeren van kleine dieren;

- het oppassen bij familie of kennissen,

- het wassen van auto’s

- het behulpzaam zijn:

- bij het verspreiden van folders en huis- en huisbladen,

- in een gezinshuishouding,

- op een kinderboerderij.

Voor alle duidelijkheid, het gaat hier om voorbeelden. Een limitatieve opsomming van de mogelijkheden kan niet worden gegeven, maar de reikwijdte van het begrip is met deze voorbeelden wel gegeven.

In het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt op het verbod van arbeid door 13- en 14-jarigen op schooldagen. Alleen wanneer de niet-industriële hulparbeid bestaat uit het incidenteel:

- oppassen bij familie of kennissen,

- wassen van auto’s

- behulpzaam zijn:

- bij het verspreiden van folders en huis- aan huisbladen,

- in een gezinshuishouding,

- op een kinderboerderij;

dan mag een kind van 13 of 14 jaar deze arbeid, op een schooldag per dag maximaal 2 uur verrichten. Voor alle duidelijkheid: het betreft hier wel een limitatieve opsomming. Tevens is in dit tweede lid aangegeven dat een kind op maximaal 5 dagen per week mag werken. In het totaal mag een kind van 13 of 14 tijdens een schoolweek nooit meer arbeid verrichten dan 12 uur per week.

In het derde lid van dit artikel wordt een uitzondering gemaakt voor de 13 en 14 jarige eigen, aangehuwde, pleeg- of adoptiekinderen van een winkelier of landbouwer. Deze kinderen mogen op schooldagen (naast hetgeen er in het tweede lid is bepaald) niet-industriële hulparbeid van lichte aard verrichten in het bedrijf van de ouder(s) wanneer het bedrijf één geheel vormt met het woonhuis waar het kind woont. Hoewel het ook hier om een bedrijfsmatige omgeving gaat geldt voor deze kinderen dat de arbeid wordt verricht in de eigen leefomgeving. Voor hen wordt de situatie van voor de inwer-kingtreding van de Arbeidstijdenwet gehandhaafd, met dien verstande dat zij nu maximaal 2 uur op een schooldag en 12 uur per week mogen werken, en op maximaal 5 dagen per week arbeid mogen verrichten, hetgeen een beperking inhoudt van het week-maximum.

Artikel I, onderdeel B In artikel 10:1 wordt aangegeven dat wanneer kinderen van 13 en 14 jaar in een schoolweek zowel niet-industriële hulparbeid van lichte aard verrichten als meewerken aan een uitvoering, het totale aantal arbeidsuren per dag niet meer mag zijn dan 2 en dat er per week in het totaal niet meer dan 12 uur gewerkt mag worden.

Artikel II In dit artikel wordt de inwerkingtreding van deze wijziging op de Nadere regeling kinderarbeid aangegeven.

Dit artikel sluit aan op de gefaseerde inwerkingtreding van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit (zie Stb. 1995 nr. 600).

In het eerste lid van artikel II is aangegeven dat deze regeling met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, in werking treedt voor die werkgevers en werknemers voor wie op dat moment de Arbeidstijdenwet reeds van toepassing is.

In het tweede lid van dit artikel is aangegeven dat voor werkgevers en werknemers voor wie op dat moment de Arbeidstijdenwet nog niet van kracht is, deze regeling van kracht wordt op het moment dat voor hen de Arbeidstijdenwet wel van toepassing is. De gefaseerde inwerkingtreding houdt verband met de inwerkingtreding van collectieve regelingen, waaronder bijvoorbeeld collectieve arbeidsovereenkomsten.

De wet is weliswaar op 1 januari 1996 inwerkinggetreden, maar voor sectoren waarvan de collectieve regeling op een latere datum in 1996 expireert, treedt de wet pas dan in werking, tenzij er een bijzondere regeling wordt getroffen. De regeling voor de 13- en 14-jarigen volgt deze lijn van inwerkingtreding.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A.P.W. Melkert.

Naar boven