Beleidsregels ontheffing voorschriften voor nationaliteits- en inschrijvingskenmerken van luchtvaartuigen

19 juli 1995

Nr. DGRLD/LI/95.200144

Rijksluchtvaartdienst

De Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst,

Gelet op artikel 6 van de ministeriële regeling van 10 augustus 1992, nr. LI/92.5378 (Stcrt. 1992, 159);

Maakt bekend:

Enig artikel

Ontheffing van de voorschriften voor het aanbrengen van nationaliteits- en in-schrijvingskenmerken op Nederlandse burgerluchtvaartuigen wordt in principe op aanvraag verleend aan de eigenaren of houders van ex-militaire luchtvaartuigen die aantonen dat hun luchtvaartuig:

a. ex-militaire kenmerken voert met instemming van het Hoofd van de Stafgroep Juridische Zaken van de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten of de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten en, indien toepasselijk, de betreffende buitenlandse militaire autoriteit;

b. de burgerkenmerken voert op ten minste beide zijden met een hoogte van ten minste 5 cm;

c. als Nederlands luchtvaartuig herkenbaar is.

Deze beleidsmaatregel zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.


’s-Gravenhage, 19 juli 1995.
De Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst,
J. W. Weck.

Toelichting

Algemeen

Er is een toenemende belangstelling voor het vliegen met historische vliegtuigen. In het streven naar authenticiteit willen eigenaren van ex-militaire vliegtuigen liever geen grote burgerkenmerken op hun vliegtuigen aanbrengen. Bij het schrijven van de voorschriften voor het voeren van een burger nationaliteits- en inschrijvingskenmerk is daar al rekening mee gehouden door een ontheffingsclausule op te nemen. Tot op heden was niet vastgelegd onder welke voorwaarden ontheffing zal worden verleend.

In overleg met het Ministerie van Defensie en de Nederlandse Federatie voor Historische Luchtvaart zijn bijgaande beleidsregels tot stand gekomen.

In het burger luchtvaartuigregister wordt aantekening gehouden van de ex-militaire kenmerken die worden gevoerd door de luchtvaartuigen waarvoor ontheffing is verleend. Daarmee wordt voldaan aan de gedachte achter Bijlage 7 van het Verdrag van Chicago dat voor een handhaving van luchtvaartwet- en regelgeving het nodig is dat luchtvaartuigen herkenbaar zijn en via toegankelijke registers eigenaren of houders van luchtvaartuigen achterhaald kunnen worden en via hen zo nodig de bestuurder(s).

Artikelsgewijs

De onder a genoemde instemming van het Ministerie van Defensie kan worden gevraagd:

voor beschildering en registratie als ex-luchtmachtvliegtuigen, via het Hoofd van de Stafgroep Juridische Zaken

van de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten

Postbus 20703

2500 ES Den Haag

voor beschildering en registratie als ex-marinevliegtuigen, via

het Hoofd van de Stafgroep Juridische Zaken van de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten

Postbus 90701

2500 ES Den Haag

Voor het voeren van een buitenlandse ex-militaire beschildering en registratie is eerst de instemming nodig van de betreffende buitenlandse autoriteit en vervolgens die van het Nederlandse Ministerie van Defensie.

Vervolgens kan de ontheffing samen met de melding in het luchtvaartuigregister worden aangevraagd bij de

Rijksluchtvaartdienst

Hoofd van de Afdeling Algemene Zaken

Postbus 575

2130 AN Hoofddorp

De onder c genoemde herkenbaarheid als Nederlands luchtvaartuig kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden door het voeren van een Nederlands ’roundel’.

De Directeur-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst,

J. W. Weck.

Naar boven