Besluit van 20 maart 2026 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in verband met de mogelijkheid van het aanbieden van het praktijkgerichte vak in het havo [KetenID WGK26130]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 december 2025, nr. WJZ/55158309 (ID 26130);

Gelet op de artikelen 2.21, tweede lid, onderdelen b en c, 2.21, derde lid en vierde lid, onderdeel b, 2.24, vijfde lid, onderdeel b, 2.51, zesde lid, 2.57, derde lid, onderdeel a, 2.58, zesde lid, onderdeel a, en 8.9a, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 8, vierde lid, van de Wet register onderwijsdeelnemers;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 maart 2026, nr. W05.25.00384/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 maart 2026, nr. WJZ/62566231 (ID 26130)

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING VAN HET UITVOERINGSBESLUIT WVO 2020

Het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vervanging van de punt aan het slot van het eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4°, door een puntkomma wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

  • 5°. praktijkgericht vak technologie: 360.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van het tweede lid, onderdeel d, subonderdeel 3°, door een puntkomma wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

  • 4°. praktijkgericht vak technologie: 360.

3. Onder vervanging van de punt aan het slot van het derde lid, onderdeel d, subonderdeel 4°, door een puntkomma wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

  • 5°. praktijkgericht vak maatschappij: 360.

4. Onder vervanging van «; en» aan het slot van het vierde lid, onderdeel c, subonderdeel 3° door een puntkomma wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

  • 4°. praktijkgericht vak maatschappij: 360; en

5. Onder vervanging van de punt aan het slot van het vierde lid, onderdeel d, subonderdeel 3°, door een puntkomma wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

  • 4°. praktijkgericht vak maatschappij: 360.

B

Artikel 2.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan onderdeel a wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

  • 4°. van het praktijkgerichte vak technologie en het praktijkgerichte vak maatschappij er één deel kan uitmaken van het profiel;

2. Aan onderdeel c worden twee subonderdelen toegevoegd, luidende:

  • 4°. praktijkgericht vak technologie: 120;

  • 5°. praktijkgericht vak maatschappij: 120;

C

Artikel 2.31a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het bevoegd gezag dat het praktijkgerichte vak technologie, dan wel het praktijkgerichte vak maatschappij, bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.12, aanbiedt werkt indien mogelijk, samen met ten minste één regionale arbeidsmarktpartij, dan wel instelling voor hoger onderwijs bij het uitvoeren van het praktijkgerichte vak.

D

Aan artikel 3.4, vierde lid, onderdeel c, wordt toegevoegd «, met dien verstande dat het extra vak niet het praktijkgerichte vak technologie, dan wel het praktijkgerichte vak maatschappij, bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.12 kan betreffen, indien de examenkandidaat in het vrije deel reeds een praktijkgericht vak heeft gevolgd.»

E

In artikel 3.34, tweede lid, wordt onder verlettering van onderdeel c tot d een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • c. het praktijkgerichte vak technologie, bedoeld in artikel 2.12, onderdeel c, subonderdeel 4° of het praktijkgerichte vak maatschappij, bedoeld in artikel 2.12, onderdeel c, subonderdeel 5°».

F

Artikel 3.41 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt na «vmbo» ingevoegd «of havo».

2. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Op de cijferlijst van een examenkandidaat als bedoeld in artikel 3.52 die eindexamen havo aan een school heeft afgelegd in het praktijkgerichte vak technologie, dan wel het praktijkgerichte vak maatschappij, bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.12, worden vermeld:

    • a. de schoolsoort;

    • b. de cijfers voor het schoolexamen;

    • c. het eindcijfer voor het praktijkgerichte vak technologie, dan wel het praktijkgerichte vak maatschappij.

G

Artikel 3.52 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift komt « aan vbo of mavo school» te vervallen.

2. In het tweede lid wordt «kan een leerling in de theoretische leerweg» vervangen door «, dan wel een school voor havo kan een leerling».

H

Het tweede lid van artikel 4.4. vervalt, onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot tweede tot en met zesde lid.

I

Aan artikel 4.20, tweede lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel b door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. het praktijkgerichte vak technologie, bedoeld in artikel 2.12, onderdeel c, subonderdeel 4° of het praktijkgerichte vak maatschappij, bedoeld in artikel 2.12, onderdeel c, subonderdeel 5°.

J

Artikel 8.9 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel d, wordt «subonderdelen 1° en 2°» vervangen door «subonderdelen 1°, 2°, 4° en 5°».

2. Aan het tweede lid, onderdeel c, wordt toegevoegd «, met uitzondering van het praktijkgerichte vak technologie en het praktijkgerichte vak maatschappij, bedoeld in de artikelen 2.11 en 2.12».

ARTIKEL II. WIJZIGING VAN HET BESLUIT REGISTER ONDERWIJSDEELNEMERS

Het Besluit register onderwijsdeelnemers wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 6, derde lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel n door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • o. de aanduiding dat de onderwijsdeelnemer een praktijkgericht vak technologie of een praktijkgericht vak maatschappij volgt als bedoeld in artikel 2.11, dan wel artikel 2.12 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

B

In de tabel in de bijlage wordt na de regel die begint met «artikel 6, derde lid, onderdeel n» een regel ingevoegd, waarbij in de eerste en tweede kolom van die regel de tekst «artikel 6, derde lid, onderdeel o» respectievelijk «volgen praktijkgericht vak havo» wordt opgenomen, in de kolommen behorende bij de artikelen 23, 24, 26, 27 en 34 «x» wordt opgenomen en in de overige kolommen telkens «–» wordt opgenomen.

ARTIKEL III. INWERKINGTREDING

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 20 maart 2026

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.Z.C.M. Tielen

Uitgegeven de zevenentwintigste maart 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

In de afgelopen jaren is er door scholen, leraren en curriculumexperts hard gewerkt aan het ontwikkelen en implementeren van praktijkgerichte vakken in het havo. Dit zijn nieuwe vakken waarbij leerlingen verschillende levensechte en realistische opdrachten bij of voor opdrachtgevers (bedrijven, instellingen of overheden) uitvoeren. De ontwikkelde praktijkgerichte vakken worden met deze wijziging verankerd in het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, zodat leerlingen deze praktijkgerichte vakken als volwaardig examenvak kunnen afronden. De praktijkgerichte vakken worden aan het onderwijsprogramma van het havo toegevoegd als profielkeuzevak of als keuzevak in het vrije deel. Er zijn twee praktijkgerichte vakken ontwikkeld voor het havo: maatschappij en technologie. Deze vakken kennen een grote en een kleine variant, waarbij de eerste is ontworpen voor 360 studielastuur (SLU) en de tweede voor 120 SLU. De praktijkgerichte vakken sluiten aan op de diverse behoeftes van leerlingen aan actief leren en laten leerlingen werken aan loopbaanoriëntatie en het ontwikkelen van beroepsbeelden. Met de nieuwe vakken wordt leerlingen kennis, vaardigheden en competenties aangeleerd die van belang zijn voor de overstap naar het vervolgonderwijs. Hiermee wordt de aansluiting op het hoger beroepsonderwijs (hbo) bevorderd.

2. Aanleiding

Uit diverse onderzoeken blijkt dat een havist meer behoefte heeft aan praktijk en leren door te doen dan het onderwijs op dit moment biedt. De huidige inrichting van het onderwijs van deze schoolsoort sluit onvoldoende aan op de behoefte aan praktijkgericht leren, waardoor de motivatie van leerlingen vermindert en de bovenbouw voor veel havoleerlingen een struikelblok vormt.1

Na het havo beginnen steeds minder leerlingen direct aan een hbo-opleiding.2 Daarnaast wisselen voormalige havoleerlingen op het hbo vaker van studie en vallen ze sneller uit dan leerlingen afkomstig van andere schoolsoorten.3 Ook de Inspectie van het Onderwijs (hierna: Inspectie) signaleerde problemen bij de overstap naar het hbo. De verkenning naar de manieren waarop scholen leerlingen voorbereiden op deze overstap leverde het inzicht op dat er op twee vlakken nog winst te behalen is: door leerlingen beter te helpen bij het maken van een keuze voor een vervolgopleiding en door ze beter voor te bereiden op het studeren aan een hogeschool.4 Het havo mist echter vakken waarin leerlingen op praktische wijze en in contact met de buitenwereld dergelijke kennis en ervaring opdoen.

De aansluiting van het havo op het hbo kan beter. In 2021 liet het onderzoek van ResearchNed naar de wensen en behoeften van het vervolgonderwijs zien dat een zeer groot deel van de verbeterpunten in de aansluiting van het havo op het hbo leergebied- en/of vakoverstijgend zijn. In het hbo is basiskennis het vaakst genoemde sterke punt van de havisten. Belangrijke aandachtspunten die hbo-instellingen meegeven zijn meer aandacht voor ontwikkeling van executieve vaardigheden zoals kritisch denken, zelfregulering, zelfstandig werken en studievaardigheden.5

In de afgelopen decennia hebben scholen praktijkgerichte elementen geïntroduceerd om het onderwijs op het havo te verbeteren. Om op die manier het onderwijs beter aan te laten sluiten op de behoeften van leerlingen en de uitstroom naar hbo-vervolgopleidingen positief te beïnvloeden. Binnen het experiment Regelluw is bijvoorbeeld ervaring opgedaan met een praktijkgerichte havo (dit werd vakhavo genoemd). In dit experiment hebben drie scholen geëxperimenteerd met het aanbieden van meer praktijkgericht onderwijs in de vorm van een vak. Naast dit experiment ontwikkelden diverse scholen ook eigen initiatieven, bijvoorbeeld een zorghavo of een havo business school, en dachten mee over een praktijkgerichte component in het havo. De ervaringen hiermee waren positief, zowel voor de scholen als de leerlingen. De experimenten sloten aan bij de interesses en manier van leren van de leerlingen en verbeterden hun voorbereiding op een keuze voor een vervolgopleiding. De gemene deler van de experimenten was het toevoegen van onderwijselementen waarbij de leerling in aanraking komt met praktijkgerichte vaardigheden en de beroepspraktijk.6

3. De invoering van de praktijkgerichte vakken maatschappij en technologie

3.1 Ontwikkeling van de vakken

Op basis van de positieve ervaringen in het experiment Regelluw en de brede roep vanuit het veld voor het introduceren van praktijkgerichte examenvakken op het havo (VO-raad, Havoplatform, Vereniging Hogescholen) is er in 2021 een inventarisatie uitgevoerd naar de wensen in het onderwijsveld voor de invulling van het praktijkgerichte havo.7 Dit heeft geresulteerd in een breed gedragen startnotitie van Stichting Leerplanontwikkeling (SLO), die adviseerde om twee brede interdisciplinaire praktijkgerichte vakken te ontwikkelen: het praktijkgerichte vak technologie en het praktijkgerichte vak maatschappij. De startnotitie van SLO geeft tevens inzicht in de achterliggende ambities: leerlingen voorbereiden op het vervolgonderwijs, hen praktische ervaringen bieden en hen de relatie leren leggen tussen denken en doen.8 Voor leerlingen helpt vroegtijdig kennismaken met beroepscontexten in werkvelden bij het kiezen voor een vervolgopleiding. Leerlingen kunnen met het praktijkgerichte vak kennis, vaardigheden en houdingen toepassen in een realistische en levensechte context.

Het praktijkgerichte vak maatschappij en het praktijkgerichte vak technologie kennen examenprogramma’s in een grote variant van 360 SLU en een kleine variant van 120 SLU. Sinds schooljaar 2022/2023 beproeven steeds meer havo-scholen de conceptexamenprogramma’s voor de praktijkgerichte vakken maatschappij en technologie binnen het havo. Er bevinden zich vanaf schooljaar 2025/2026 240 scholen in het doorontwikkeltraject. Zij hebben hiervoor een subsidie kunnen aanvragen op basis van de Subsidieregeling praktijkgerichte havo. Het doorontwikkeltraject is ingericht om de voorbereiding en implementatie van het praktijkgerichte vak maatschappij en praktijkgerichte vak technologie in het havo goed te laten verlopen. Daarnaast bood het SLO de mogelijkheid om te achterhalen of de conceptexamenprogramma’s bruikbaar waren. De definitieve examenprogramma’s worden in mei 2026 opgeleverd. Deze examenprogramma’s worden via een ministeriële regeling vastgesteld.

De ervaringen tijdens het doorontwikkeltraject laten zien dat de praktijkgerichte vakken maatschappij en technologie inderdaad bijdragen aan de voorbereiding op het vervolgonderwijs, het hbo in het bijzonder, en dat leerlingen binnen en buiten de school praktische ervaringen opdoen. Uit signalen binnengekomen bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap volgt dat het praktijkgerichte vak leerlingen in staat stelt zich beter te oriënteren op de wereld buiten de school door het doen van praktische en realistische opdrachten bij of voor opdrachtgevers. Leerlingen ontwikkelen hierdoor brede metacognitieve vaardigheden die van belang zijn voor de overstap naar het vervolgonderwijs. Leerlingen ervaren door het volgen van een praktijkgericht vak beter waar ze goed in zijn en krijgen een brede oriëntatie mee op hun toekomstige loopbaan en opleiding. Scholen kunnen daarbij keuzes maken in het onderwijsprogramma die passen bij de individuele behoefte van leerlingen, de doorstroom naar (hbo-)vervolgopleidingen en de mogelijkheden in de regio.9

De vertegenwoordigers van scholen, instellingen en het bedrijfsleven hebben behoefte aan een landelijke erkenning van de praktijkgerichte vakken maatschappij en technologie op het havo.10 Door het formeel invoeren van de praktijkgerichte vakken, krijgen alle havo-scholen de mogelijkheid deze vakken als examenvakken aan hun leerlingen aan te bieden. Hierdoor krijgen meer leerlingen de mogelijkheid zich steviger voor te bereiden op het vervolgonderwijs en wordt het havo een interessantere leeromgeving voor veel leerlingen. Deze maatregel gaat er dan ook naar verwachting toe leiden dat leerlingen steviger toegerust kunnen uitstromen naar het hbo. Hoewel het niet verplicht is voor scholen om een praktijkgericht vak op het havo aan te bieden, is het wel de wens en verwachting dat veel scholen hiervoor zullen kiezen. Ook kan de kwaliteit van het vak goed geborgd worden als het vak een erkend examenvak is dat, net als andere schoolvakken, gemonitord, onderhouden en eventueel geactualiseerd wordt. Vijf jaar na invoering van het vak zal dan ook geëvalueerd worden of de kwaliteit van het vak voldoende geborgd is door de structurele verankering in wet- en regelgeving en of effecten te zien zijn in bijvoorbeeld doorstroom naar het hbo.

Door in te zetten op twee interdisciplinaire vakken wordt versnippering in het praktijkgerichte onderwijsaanbod voorkomen. Bij invoering van bijvoorbeeld alleen een praktijkgericht vak technologie wordt niet het overkoepelende doel van een gebalanceerd curriculum behaald. De vakken zijn dan te veel gericht op de natuurprofielen, terwijl leerlingen in de maatschappijprofielen ook baat hebben bij een dergelijk vak. Het is van belang om de beroepskolom als sterk geheel neer te zetten. Het is daarbij noodzakelijk om de pijlen juist ook te richten op sectoren waar verdere doorstroom wenselijk is, zoals opleidingen voor de zorg en het onderwijs, en waar uitval en switch structureel hoog zijn, zoals voor de economische hbo-opleidingen.

3.2 Inhoud van de vakken

Tijdens het volgen van het praktijkgerichte vak zijn leerlingen actief en in de praktijk bezig. Leerlingen ontwikkelen en maken producten en ontwerpen processen. Ze voeren taken uit die horen bij de wensen en eisen van de opdrachtgever.

De basis van het praktijkgerichte examenprogramma is voor alle havoleerlingen hetzelfde en bestaat uit eindtermen gerelateerd aan een aantal domeinen. In het vak moet aandacht besteed worden aan praktijkgerichte opdrachten, waarbij interactie met externe opdrachtgevers bijvoorbeeld belangrijk is. Ook moet een leerling vakoverstijgende vaardigheden ontwikkelen, zoals samenwerken en analytische denkvaardigheden. Zowel in de kleine als in de grote variant is daarnaast aandacht voor loopbaanontwikkeling.

Praktijkgericht vak technologie

In het praktijkgerichte vak technologie ligt het accent op de brede toepassing van technologie in de wereld om ons heen. De leerling oriënteert zich op diverse werkvelden. De school kan een keuze maken uit de volgende sectoren: culturele omgeving en creatieve industrie, ict, industrie, ondernemerschap, sport en medisch, mobiliteit, transport en logistiek, voeding en wonen en leefomgeving. De leerling kan zich hierdoor breed oriënteren op de mogelijke vervolgopleidingen en beroepscontexten. De werkvelden waarbinnen wordt geleerd, komen voort uit de hbo-beroepssectoren en de vervolgopleidingen. Ook doet de leerling specifieke kennis op, gerelateerd aan die technologische werkvelden. Het gaat dan bijvoorbeeld om het maken van een prototype voor een product of het ontwerpen van een logistiek proces. Een voorbeeld van een realistische en praktijkgerichte opdracht binnen dit vak is een opdracht van «de Verspillingsfabriek» om onderzoek te doen naar de optimale groeiomstandigheden voor planten op verschillende bodems en in verschillende omgevingsfactoren. Daarbij moeten de leerlingen een kastje ontwerpen en bouwen, dat rekening houdt met lichtinval, luchtvochtigheid en temperatuur.

Praktijkgericht vak maatschappij

In het praktijkgerichte vak maatschappij ligt de focus op de inrichting van de samenleving en specifiek daarbinnen op het werken met en voor mensen. De leerling oriënteert zich hierbij op diverse werkvelden. De school kan een keuze maken uit de volgende sectoren: economie, gedrag en maatschappij, gezondheidszorg, recht, taal en cultuur of onderwijs. Leerlingen worden door in aanraking te komen met meerdere werkvelden in de gelegenheid gesteld zich breed te oriënteren. De werkvelden waarbinnen wordt geleerd, komen voort uit de hbo-beroepssectoren en de vervolgopleidingen. Ook leert de leerling specifieke kennis en vaardigheden aan, gerelateerd aan de maatschappelijke werkvelden. Het gaat dan bijvoorbeeld om het ontwikkelen van een dienst op basis van onderzoek naar de doelgroep of het betrekken van externe experts bij het uitvoeren van de opdrachten. Een voorbeeld van een realistische en praktijkgerichte opdracht is een opdracht waarbij leerlingen voor de kleutergroepen op een basisschool lesmateriaal ontwikkelen.

Praktijkgericht vak in kleine en grote variant

Bij de ontwikkeling van de praktijkgerichte vakken is gekozen voor een grote en een kleine variant, omdat ontwikkelscholen aangaven dat daar behoefte aan was. De grote variant is ontworpen voor 360 SLU. Voor de grote variant verspreiden scholen het onderwijs vaak over het vierde en vijfde leerjaar, waardoor leerlingen veel tijd krijgen om uitgebreid met de werkvelden kennis te maken, stages te lopen en langere opdrachten te doen in samenwerking met lokale organisaties en bedrijven. De kleine variant is ontworpen voor 120 SLU. Bij deze variant volgen leerlingen het praktijkgerichte vak vaak in het vierde leerjaar, zodat ze in een kortere periode toch al kennismaken met de hbo-sectoren en opleidingen waar ze na hun eindexamen mee kunnen starten. In het doorontwikkeltraject zijn 85 van de 243 scholen gestart met de kleine variant. Hiervoor hebben scholen verschillende redenen: vanwege organisatorische beperkingen, als opstap naar een grote variant of omdat vanuit de onderwijskundige visie van de school behoefte is aan een combinatie van de kleine en grote variant.

Het kan voor een school organisatorisch uitdagend zijn om een groot nieuw vak in te voeren waarbij er ook schoolexamens worden afgenomen in een toch al druk eindexamenjaar. Scholen die leerlingen toch een praktijkgericht vak willen aanbieden kunnen dan kiezen voor de kleine variant die ze bijvoorbeeld alleen in het vierde leerjaar aanbieden. Zo kunnen zij laagdrempelig werken aan praktijkgericht onderwijs. Soms verplichten scholen de kleine variant voor alle leerlingen, zodat zij zich allemaal kunnen voorbereiden op een mogelijke vervolgstudie.

Voor een aantal scholen is de kleine variant voldoende, maar er zijn ook scholen die de kleine variant gebruiken als opstap naar een groot praktijkgericht vak: als binnen de schoolorganisatie ruimte is gemaakt voor de kleine variant kan de stap naar de grote variant gemakkelijker worden gezet.

Als laatst zijn er ook scholen die ervoor kiezen beide varianten aan te bieden. Zij laten leerlingen een keuze maken voor hun voorkeursvariant. In dit besluit is ervoor gekozen het mogelijk te maken dat scholen het praktijkgerichte vak in zowel de grote, als de kleine variant kunnen aanbieden. In de eerste twee jaren van de doorontwikkelingsfase werkten al 85 scholen met de kleine variant van het vak en is gebleken dat er ook behoefte is aan verankering van deze variant. Zo behouden scholen de flexibiliteit om op basis van hun organisatie, populatie en visie keuzes te maken in het onderwijsprogramma – ook binnen de praktijkgerichte vakken.

3.3 Samenwerking met lokale arbeidsmarktpartijen

Praktisch en realistisch betekent dat er in alle gevallen betrokkenheid is van buiten de school (bedrijfsleven, instellingen, overheden, vervolgonderwijs) bij minimaal de totstandkoming van het onderwijsprogramma en de opdrachten. Daarom is het belangrijk dat een school samenwerkt met bedrijven, hbo-instellingen of organisaties in de regio. Het opbouwen van een netwerk rondom de school is essentieel voor het goed vormgeven van het onderwijs bij het praktijkgerichte vak, daar zit dan ook een inspanningsverplichting. Een school heeft veel vrijheid om de opdrachten met lokale en regionale samenwerkingspartners vorm te geven. Opdrachten van het praktijkgerichte vak kunnen door scholen op verschillende manieren worden ingevuld, passend bij de regio en zijn gericht op het niveau en de mogelijkheden van havoleerlingen.

3.4 Plaats in het onderwijsprogramma en afsluiting van het vak

Het aanbieden van een praktijkgericht vak is geen verplichting. Hier is voor gekozen, omdat een school zelf het best de afweging kan maken of het aanbieden van een of beide praktijkgerichte vakken past bij de onderwijsvisie van de school en de behoeften van de leerlingen die daar onderwijs volgen. Het praktijkgerichte vak maatschappij in de grote variant kan aangeboden worden als profielkeuzevak in de profielen Cultuur en Maatschappij en Economie en Maatschappij in het havo. Het praktijkgerichte vak technologie in de grote variant kan aangeboden worden als profielkeuzevak in de profielen Natuur en Gezondheid en Natuur en Techniek in het havo. Voor deze indeling is gekozen omdat de bijbehorende sectoren en werkvelden goed aansluiten bij die profielen. In het profiel Cultuur en Maatschappij kan een school het vak zowel als cultureel en als maatschappelijk profielkeuzevak aanbieden, omdat beide kanten belicht kunnen worden.Beide praktijkgerichte vakken in de grote variant kunnen desgewenst in het vrije deel van elk van de profielen worden aangeboden. Het praktijkgerichte vak in de grote variant telt mee als eindcijfer in de uitslagbepaling.

De praktijkgerichte vakken maatschappij en technologie in de kleine variant kunnen feitelijk alleen als extra vak worden gekozen, omdat het vrije deel van het eindexamen havo ten minste een vak met een normatieve studielast van 320 uur dient te omvatten.11 Voor het praktijkgerichte vak in de kleine variant geldt dat het onderdeel is van het combinatiecijfer. Dit betekent dat het combinatiecijfer naast tenminste CKV, maatschappijleer en het profielwerkstuk ook het eindcijfer van het praktijkgerichte vak kan bevatten.12 Indien er twee praktijkgerichte vakken in de kleine variant zijn gevolgd, zijn zij beide onderdeel van het combinatiecijfer.

Het is voor een leerling niet mogelijk om de vakken in de grote variant te combineren binnen het profiel. Wel mag een extra praktijkgericht vak, naast de grote variant binnen het profiel, als extra vak gevolgd worden. Dit betekent dat een havo-leerling wel twee praktijkgerichte vakken in de kleine variant kan combineren (als extra vak) of een praktijkgericht vak in de grote variant (binnen het profiel) en een praktijkgericht vak in de kleine variant (als extra vak). Voor dit extra vak gelden dan de reguliere regels met betrekking tot het volgen van een extra vak. Dit betekent dat een extra vak in de grote variant meetelt in de uitslagbepaling13 en mag worden gebruikt ter compensatie van een ander vak mits daarmee een volledig eindexamen over blijft (waarbij dus geldt dat er maar één praktijkgericht vak gevolgd mag worden binnen het profiel).14 Op grond van artikel 3.3, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 geldt bovendien ook het vereiste dat een extra vak niet inhoudelijk overeen mag komen met een vak dat al onderdeel is van het eindexamen. Dit betekent in beginsel dat het extra vak niet de kleine variant kan zijn van het overeenkomstige grote vak binnen het profiel, tenzij beide vakken inhoudelijk niet overeenkomen.

Het examenprogramma van praktijkgerichte vakken kent een specifieke doelstelling en opbouw die afwijkt van de andere examenprogramma’s in het havo. Het is opgebouwd uit onderdelen die niet los van elkaar kunnen worden gezien. Dit geldt zowel bij het vormgeven van het onderwijs als bij het toetsen van de eindtermen. Het praktijkgerichte vak wordt om die reden afgesloten met een schoolexamen. Voor deze opbouw van het examenprogramma is gekozen omdat de context en regio van de school bepalend is voor de uitvoering van het vak. Opdrachten zijn per school anders en kunnen daarom niet centraal worden geëxamineerd. Deze inhoud kan beter getoetst worden binnen de ruimte die het schoolexamen biedt aan scholen om de examinering aan te laten sluiten op de context van het vak. In een centraal examen ligt de nadruk op het toetsen van onderliggende kennis en vaardigheden die in beperkte tijd en op uniforme wijze getoetst kunnen worden.

De school geeft voor de leerlingen aan op welke manier de eindtermen worden getoetst in het Programma van Toetsing en Afsluiting (pta) voor het vak en het examenreglement van de school. De school bepaalt daarbij zelf op welke manier een eindcijfer wordt vastgesteld en of er herkansingsmogelijkheden zijn.

3.5 Staatsexamen

Voor een praktijkgericht vak zijn op dit moment bij het staatsexamen, onder verantwoordelijkheid van het College voor Toetsing en Examens (CvTE), geen mogelijkheden dit vak af te sluiten. Staatsexamenkandidaten kunnen dan ook geen examen afleggen in het praktijkgerichte vak en op basis hiervan een diploma ontvangen. Staatsexamenkandidaten die opgaan voor een havo-diploma kunnen het praktijkgerichte vak alleen op een vo-school volgen en afsluiten. Een leerling die het praktijkgerichte vak heeft gevolgd en afgesloten op een vo-school en daardoor is vrijgesteld, kan het eindcijfer van het eerder behaalde resultaat wel laten betrekken bij de vaststelling van de uitslag van het staatsexamen.15 Leerlingen die op een voorgaande school het praktijkgerichte vak niet hebben kunnen afsluiten en vervolgens opgaan voor het staatsexamen, dienen dan een ander algemeen vak in plaats van het praktijkgerichte vak af te sluiten.

3.6 Voortgezet speciaal onderwijs (vso)

De wijze waarop vso-leerlingen een praktijkgericht vak kunnen afleggen is afhankelijk van de examenvoorziening waar een vso-school gebruik van maakt. Scholen met een eigen examenlicentie kunnen het vak zelf aanbieden. Leerlingen van vso-scholen die samenwerken met een vo-school of vavo kunnen deelnemen aan het praktijkgerichte vak mits de vo-school of vavo waarmee samen wordt gewerkt het vak aanbiedt. Leerlingen van vso-scholen die deelnemen aan het staatsexamen kunnen het vak niet via het staatsexamen afleggen, maar wel via een samenwerking met een vo-school en het resultaat vervolgens betrekken bij het staatsexamendiploma.16 Om het voor deze groep leerlingen ook mogelijk te maken een praktijkgericht vak te volgen is artikel 3.52 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 aangepast.

3.7 Vavo

Het praktijkgerichte vak kan ook onderdeel zijn van het havo-curriculum op vavo-instellingen. Zij kunnen de praktijkgerichte vakken aanbieden, zoals andere havo-scholen dat ook kunnen. Hier gelden hetzelfde examenprogramma en dezelfde voorwaarden. Leerlingen die niet slagen op hun havo-school, kunnen naar een vavo-instelling om de niet-behaalde vakken in te halen. Een leerling die het praktijkgerichte vak eerder heeft gevolgd en afgesloten kan op grond van de voorwaarden uit artikel 3.64 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 vrijgesteld worden van het praktijkgerichte vak en het eindcijfer voor het praktijkgerichte vak laten overnemen door de vavo-instelling. Dit resultaat wordt dan vermeld op de cijferlijst.17 Deze leerling hoeft dus niet het praktijkgerichte vak opnieuw af te sluiten. Leerlingen die gezakt zijn voor het eindexamen en het behaalde eindcijfer voor het praktijkgerichte vak niet willen meenemen, kunnen als zij dat willen het vak opnieuw volgen op het vavo mits deze het praktijkgerichte vak aanbiedt. Als het vavo het praktijkgerichte vak niet aanbiedt, kiest de leerling een ander vak.

3.8 Het praktijkgerichte havo-vak op het vmbo

Ook op het vmbo kunnen leerlingen onder bepaalde voorwaarden een praktijkgericht havo-vak volgen. Hieronder wordt toegelicht welke voorwaarden en regels daarvoor gelden. Sinds 2020 mogen havo-scholen leerlingen met een vmbo-diploma in gl en tl niet weigeren op basis van een oordeel over kennis, vaardigheden of leerhouding van de leerling, tenzij en voor zover dat oordeel bij amvb is toegestaan.18 In artikel 8.9 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 zijn voorwaarden opgenomen, die scholen wel aan gediplomeerde gemengde leerweg (gl)- en theoretische leerweg (tl)-leerlingen mogen stellen om te mogen doorstromen naar het havo. De doorstroomvoorwaarde die scholen mogen hanteren, houdt in dat de leerling geslaagd is voor zijn eindexamen met een extra vak ten opzichte van de vakken die gezamenlijk het eindexamen vormen. Dit vak kan ook een vak op havo-niveau zijn. Van deze voorwaarde, zijn enkele vakken uitgezonderd. Wanneer de leerling een extra vak heeft gevolgd dat genoemd wordt in artikel 8.9 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, mag het bevoegd gezag deze leerling de toelating niet weigeren. Daarmee wordt gelijke behandeling bevorderd en worden onnodige drempels voor de doorstroom voorkomen.19 Door het stellen van een doorstroomvoorwaarde worden leerlingen beter voorbereid op de overstap naar het havo.

Voor tl-leerlingen geldt dat zij het praktijkgerichte vak (grote variant) op havoniveau enkel als extra vak kunnen kiezen, indien zij in het vrije deel nog geen praktijkgericht vak hebben gevolgd. Dit is lijn met artikel 3.4, vierde lid, onderdelen a en b van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, waarin is vastgelegd dat tl-leerlingen geen praktijkgericht vak op vmbo-niveau mogen volgen als extra vak, indien zij binnen hun profiel al een praktijkgericht vak hebben gevolgd. Op grond van artikel 8.9, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 kan geen doorstroom naar het havo worden geweigerd, als het gevolgde extra vak een praktijkgericht vak is. Dit kan ook een praktijkgericht vak op havo-niveau zijn (in de grote variant).

In de gemengde leerweg kan een leerling wel een praktijkgericht vak (groot) volgen als extra vak, als al een praktijkgericht vak (vmbo) is gevolgd binnen het profiel, maar is er met het extra praktijkgerichte vak op havoniveau geen doorstroomrecht naar het havo. De grote variant van de vakken is uitgesloten van het doorstroomrecht voor gl-leerlingen, omdat het curriculum voor deze leerlingen anders onvoldoende zou aansluiten op het meer algemeen vormend ingerichte havo-curriculum. Gl-leerlingen volgen in tegenstelling tot tl-leerlingen immers ook nog een beroepsgericht programma of een praktijkgericht programma in het profieldeel.20 Met veel uren praktijkgericht onderwijs (of praktijkgericht én beroepsonderwijs) zal het onderwijsprogramma van de gl-leerling niet goed aansluiten op het havo-curriculum.

Een havo-leerling die een vmbo-diploma heeft en op het vmbo het praktijkgerichte vak op havo niveau als extra vak heeft afgesloten, is op grond van artikel 2.14 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, vrijgesteld van het volgen van onderwijs in dit vak.

3.9 Bekwaamheid en bevoegdheid docenten

Scholen werden tijdens het doorontwikkeltraject ondersteund bij het ontwikkelen en implementeren van het vak tijdens bijeenkomsten van SLO en via scholing van het Havoplatform. Het is van belang dat docenten zich kunnen bekwamen in een andere manier van lesgeven bij praktijkgerichte vakken. Lesgeven in een praktijkgericht vak vraagt andere vaardigheden, zoals coachvaardigheden, het vormgeven en begeleiden van opdrachten en het opbouwen en onderhouden van een netwerk. De ontwikkelde scholing sluit daarop aan.

Gedurende het doorontwikkeltraject wordt een praktijkgericht vak op scholen gegeven door docenten die bevoegd zijn les te geven in het havo. Een bevoegd gezag van een school bepaalt zelf of de kwalificatie passend is. Door middel van een aanpassing van de Regeling conversietabel getuigschriften en vakken VO wordt vanaf schooljaar 2026/2027 mogelijk gemaakt dat het praktijkgerichte vak gegeven kan worden door een docent die bevoegd is voor de bovenbouw van het havo. De verwachting is dat een school de docent wel stimuleert extra scholing te volgen, vanwege de andere vaardigheden die bij het geven van praktijkgericht onderwijs nodig zijn.

Er zal gemonitord worden of dit ook voor de lange termijn de meest passende wijze is waarop de bevoegdheid voor praktijkgerichte vakken in het havo geregeld dient te worden. In het kader van de Werkagenda «Samen voor het beste onderwijs» heeft de Landelijke Werkgroep bevoegdheden vo (LWB) oplossingsrichtingen verkend om voldoende docenten op te leiden voor praktijkgerichte vakken voor het vmbo. Mogelijk kan de oplossingsrichting voor de interdisciplinaire licentievrije vakken zoals Technologie & Toepassing (T&T) in de theoretische leerweg ook uitkomst bieden voor het havo. Een alternatief is om te onderzoeken of de bevoegdheid voor een praktijkgericht vak op het havo op een vergelijkbare wijze geregeld kan worden als bij het vak natuur, leven en technologie (NLT)21.

3.10 Registratie leerlingen die het praktijkgerichte vak volgen

Dit besluit bevat tevens een wijziging van het Besluit register onderwijsdeelnemers. De wijziging betreft de toevoeging van het opleidingsgegeven, dat een vo-leerling het praktijkgerichte vak technologie of maatschappij in het havo volgt, aan de basisgegevens voor onderwijsdeelnemers. Door het opnemen van dit opleidingsgegeven in de registers van Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) wordt het mogelijk om vo-scholen die een praktijkgericht vak in het havo aanbieden aanvullend te bekostigen met een bedrag per leerling die het vak daadwerkelijk volgt. Omdat de school extra kosten maakt voor deze leerlingen, is het de intentie om voor deze leerlingen aanvullende bekostiging te gaan verstrekken.

Het Besluit register onderwijsdeelnemers bepaalt welke opleidingsgegevens onderdeel zijn van de basisgegevens van het register onderwijsdeelnemers. Er was nog geen bruikbaar gegeven op basis waarvan het mogelijk is om aanvullende bekostiging te verstrekken voor leerlingen die het praktijkgerichte vak technologie of maatschappij volgen. Het gegeven dat een leerling examen heeft afgelegd in het praktijkgerichte vak op basis van de onderliggende vakcodes, is niet bruikbaar omdat het pas na afleggen van het examen beschikbaar komt.

Om bovenstaande reden is er daarom voor gekozen het volgen van het praktijkgerichte vak technologie of maatschappij als opleidingsgegeven te classificeren voor het vo, zoals reeds van toepassing voor de schoolsoort en de leerweg. Bij ministeriële regeling kan vervolgens een nadere specificatie gemaakt worden van dit opleidingsgegeven.

4. Caribisch Nederland

De wijzigingen in dit besluit gelden ook voor Caribisch Nederland. In praktijk zal de wijziging alleen van belang zijn voor de Scholengemeenschap Bonaire op Bonaire. De onderwijsinrichting en examenstructuur op Bonaire is namelijk gelijk aan die van Europees Nederland. Saba en Sint Eustatius kennen een Caribische onderwijsinrichting en examenstructuur, van de Caribbean Examinations Council (CXC).

5. Verhouding tot de praktijkgerichte vakken vmbo

Op 1 augustus 2024 is het besluit praktijkgerichte vakken vmbo gl en tl in werking getreden.22 Met dat besluit werden praktijkgerichte vakken aan het onderwijsprogramma van de gemengde leerweg (gl) en theoretische leerweg (tl) van het vmbo toegevoegd. In dit besluit is zoveel mogelijk aangesloten bij de regelgeving voor de praktijkgerichte vakken in het vmbo. Verschillen zijn onder andere zichtbaar in de plaats van het vak in de profielen, nu in de gl het praktijkgerichte vak gevolgd kan worden in plaats van het beroepsgerichte profielvak, voor zover het bevoegd gezag het praktijkgerichte vak aanbiedt. In de tl kan het praktijkgerichte vak enkel in het vrije deel worden gekozen voor zover het bevoegd gezag het aanbiedt. Daarnaast kent het havo twee vakken in een kleine variant en een grote variant, terwijl er in het vmbo dertien praktijkgerichte vakken van een gelijke grootte zijn ontwikkeld.

De praktijkgerichte vakken voor het havo in de grote variant kennen overeenkomsten met enkele licentievrije praktijkgerichte vakken in het vmbo (dat geldt in ieder geval voor de praktijkgerichte vakken Dienstverlening en producten (D&P) en T&T). Op grond van artikelen 2.18 en 2.27 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 mag een leerling op het vmbo een overeenkomstig vak volgen op havo- of vwo-niveau als het bevoegd gezag hem daartoe in de gelegenheid stelt. Het wordt om die reden mogelijk dat het bevoegd gezag van een school voor vmbo gl of tl de leerling in de gelegenheid stelt om het praktijkgerichte vak in de grote variant te volgen op havoniveau. Het bevoegd gezag besluit in deze gevallen of en welke vakken op havoniveau overeenkomstig zijn met de vakken op vmbo-niveau. Daarbij is het belangrijk dat de leerling de optie behoudt om gebruik te maken van de mogelijkheid om alsnog te kiezen om eindexamen af te leggen in het vak op de eigen schoolsoort en leerweg conform artikel 3.37 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

Onder «overeenkomstig» wordt niet verstaan het praktijkgerichte vak in kleine variant, omdat het vmbo geen vergelijkbaar vak kent. De vmbo-leerling mag het praktijkgerichte vak in de kleine variant dus niet volgen, ook niet als extra vak.

6. Gevolgen

Dit besluit kan gevolgen hebben voor scholen, leerlingen, hbo-instellingen, bedrijven en organisaties. Het gaat bij deze wijziging van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 niet om een verplichting die wordt opgelegd aan scholen of leerlingen. Scholen besluiten zelf het vak te ontwikkelen en aan leerlingen aan te bieden. Ook hbo-instellingen, bedrijven en organisaties besluiten zelf of zij samenwerken met scholen bij het aanbieden van de praktijkgerichte vakken.

6.1 Regeldruk

Regeldrukeffecten zijn alle investeringen en inspanningen die burgers, bedrijven of professionals moeten doen om zich aan verplichtingen in regelgeving te houden. Voor alle hieronder genoemd activiteiten en regeldrukkosten geldt dat de feitelijke extra regeldruk voor scholen naar verwachting lager ligt, omdat veel van de activiteiten samenvallen met de dagelijkse praktijk op scholen: het ontwikkelen van onderwijs en lesgeven. Voor de leerlingen geldt dat de praktijkgerichte vakken in principe niet zorgen voor een toename in regeldruk. De grote variant van de praktijkgerichte vakken wordt in plaats van een ander profielkeuzevak of in het vrije deel gekozen. De kleine variant kan als extra vak gekozen worden. In het doorontwikkeltraject verplicht een aantal scholen de kleine variant voor alle leerlingen. Dit is echter niet een direct gevolg van dit besluit en wordt dan ook niet meegenomen in deze regeldrukberekening. Voor bedrijven, organisaties en hbo-instellingen kan dit besluit ook tot extra regeldruk leiden.

In de hieronder uitgewerkte regeldrukberekening wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie in de eerste twee jaar (beginfase) en de situatie die ontstaat nadat betrokkenen ervaring op hebben gedaan met het aanbieden van het praktijkgerichte vak (structurele fase). In onderstaande tabel wordt vermeld wat de geschatte regeldrukkosten per categorie zijn:

 

Beginfase

Structurele fase

Scholen

€  4.205.520

€  4.035.420

Externe partijen

€  2.436.480

€  2.436.480

6.1.1 Scholen

De verwachting is dat in ieder geval de helft van alle havo-scholen één of meerdere praktijkgerichte vakken zal aanbieden. Deze inschatting is gebaseerd op het aantal scholen dat nu de praktijkgerichte vakken aanbiedt en er mogelijk na de subsidieperiode mee door zullen gaan. Op 1 oktober 2024 waren er 563 vestigingen met een havo-bovenbouw afdeling. Voor de berekening van de regeldrukkosten is daarom uitgegaan van 282 scholen die één of meerdere praktijkgerichte vakken zullen ontwikkelen en aanbieden. In het doorontwikkeltraject hebben 240 scholen in schooljaar 2026/2027 al voorbereidingen kunnen treffen voor het aanbieden van één of meerdere praktijkgerichte vakken. Voor deze berekening is daarom gebruik gemaakt van twee categorieën scholen:

  • 240 vestigingen uit het doorontwikkeltraject; en

  • 42 nieuwe vestigingen.

De tijdsinvestering voor het vormgeven en het uitvoeren van het vak voor een nieuwe school die besluit het praktijkgerichte vak aan te bieden wordt onder andere bepaald door de volgende activiteiten:

  • opbouwen en onderhouden van een netwerk met lokale bedrijven, organisaties en vervolgonderwijs;

  • ontwikkelen van het onderwijs en opstellen van de opdrachten; en

  • geven van het vak en begeleiden van de opdrachten.

De tijdsinvestering voor het blijven uitvoeren van het vak voor een doorontwikkelschool wordt bepaald door dezelfde activiteiten, maar in mindere mate. De verwachting is dat de tijdsinvestering voor een nieuwe school na ongeveer twee jaar gelijk is aan die van een huidige doorontwikkelschool. Na twee jaar zijn de regeldrukkosten voor alle scholen dus op een gelijk niveau.

Voor het aanbieden van levensechte en realistische opdrachten is het noodzakelijk dat een school een netwerk opbouwt met daarin lokale of regionale bedrijven en organisaties. Deze leveren immers de opdrachten aan en fungeren als externe opdrachtgever. Bovendien is in dit besluit een inspanningsverplichting opgenomen om samen te werken met minimaal één regionale arbeidsmarktpartij. Niet iedere school beschikt al over een dergelijk netwerk. Het opbouwen en onderhouden van dit netwerk zal een nieuwe school gemiddeld 120 uur per jaar kosten. Voor een doorontwikkelschool zal dit naar verwachting iets lager liggen: gemiddeld 100 uur per jaar. De regeldrukkosten voor dit onderdeel worden daarom voor nieuwe scholen geschat op 120 x € 54 = € 6.480. Voor doorontwikkelscholen geschat op 100 x € 54 = € 5.400. Voor 282 vestigingen bedraagt dit dan € 272.160 + € 1.296.000= € 1.568.160. Na twee jaar zullen de regeldrukkosten ook voor nieuwe scholen lager liggen en bedraagt het totaal € 1.522.800 per jaar.

Het examenprogramma in de grote variant heeft een omvang van 360 SLU in totaal. In de kleine variant is het vak ontworpen voor 120 SLU. Uit de gesprekken met scholen blijkt dat er weinig verschillen in ontwikkeltijd zitten voor beide varianten. De ontwikkeltijd is voornamelijk nodig voor het opstellen van opdrachten, opstellen van een pta en ontwerpen van een samenhangend onderwijsprogramma. In het pta geeft de school aan op welke wijze de eindtermen worden getoetst en hoe de cijfers van de verschillende opdrachten worden gecombineerd tot het cijfer van het schoolexamen. De activiteiten voor het uitvoeren van het vak zijn structureel van aard voor een school die heeft gekozen om het praktijkgerichte vak aan te bieden.

Een school zal gemiddeld vier opdrachten per schooljaar per praktijkgericht vak aanbieden. Het opstellen van opdrachten samen met opdrachtgevers zal ongeveer 50 uur per opdracht kosten. Daarnaast zal een school gemiddeld 20 uur per jaar ontwikkeltijd nodig hebben voor de praktijkgerichte vakken. Jaarlijks zal moeten worden bekeken of de opdrachten moeten worden aangepast. Voor doorontwikkelscholen die al een samenhangend onderwijsprogramma hebben ontworpen, worden de kosten voor dit onderdeel geschat op driekwart van de kosten voor nieuwe scholen. De regeldrukkosten voor dit onderdeel worden daarom voor nieuwe scholen per jaar geschat op 220 x € 54 = € 11.880 per jaar. Voor doorontwikkelscholen worden deze geschat op 165 x € 54 = € 8.910. Het totaal bij dit onderdeel bedraagt dan € 498.960 + € 2.138.400 = € 2.637.360 per jaar. Na twee jaar zullen deze activiteiten voor nieuwe scholen ook minder tijd vergen. Verwacht wordt dat de regeldrukkosten dan ongeveer op hetzelfde niveau liggen als wordt aangehouden voor de doorontwikkelscholen. Ten slotte wordt ook van scholen gevraagd in het Register onderwijsdeelnemers te registreren welke leerlingen het praktijkgerichte vak volgen, zodat op basis van deze gegevens aanvullende bekostiging kan worden verstrekt. De verwachting is dat hier een verwaarloosbare extra tijdsinvestering voor nodig is, omdat scholen al veel gegevens moeten aanleveren in dit register, waardoor dit extra gegeven niet voor een kwantificeerbare toename van de regeldruk zal zorgen.

Het daadwerkelijk lesgeven in het praktijkgerichte vak is voor deze regeldrukberekening buiten beschouwing gelaten, omdat op dat gebied te veel overlap is met de reguliere dagelijkse werkzaamheden op school.

 

Uren per vestiging

Kosten per vestiging

Totaal per jaar

Totaal per jaar na 2 jaar

Netwerk opbouwen en onderhouden

120 voor nieuwe scholen

€ 6.480

€ 1.568.160

€ 1.522.800

100 voor doorontwikkelscholen

€ 5.400

   

Ontwikkeltijd

220 voor nieuwe scholen

€ 11.880

€ 2.637.360

€ 2.512.620

165 voor doorontwikkelscholen

€ 8.910

   

Totaal

   

€ 4.205.520

€ 4.035.420

6.1.2 Bedrijven, organisaties en hbo-instellingen

Ook bedrijven, organisaties en hbo-instellingen zullen voor het praktijkgerichte vak tijdsinvesteringen moeten doen als zij met scholen samenwerken. Daarbij wordt rekening gehouden met diverse inhoudelijke en uitvoerende onderdelen, zoals inhoudelijk overleg, begeleiding van leerlingen, en bijwonen van de presentatie van de uitvoering van de opdracht. Naar verwachting zal een school met minimaal twee van deze externe partijen per schooljaar een opdracht bedenken en uitvoeren. De tijdsinvestering zal verschillen afhankelijk van de reeds bestaande ervaring met het vak en het bedenken van opdrachten. Geschat wordt dat deze gemiddeld 40 uur per opdracht bedraagt, waarbij een school dus gemiddeld met twee scholen twee opdrachten per jaar zal ontwikkelen en uitvoeren. Uitgaande van een tarief van € 54, zullen de regeldrukkosten voor een externe partij per jaar € 4.320 bedragen. Bij 282 scholen die elk gemiddeld met twee externe partijen zal samenwerken, gaat het dan om geschatte regeldrukkosten van 564 x 4.320 = € 2.436.480 per jaar voor externe partijen.

6.2 Advies ATR

Dit wijzigingsvoorstel is voorgelegd aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR).

Op 2 juni 2025 heeft het ATR geadviseerd om de doelstelling van het voorstel te concretiseren en een evaluatiebepaling op te nemen om de effectiviteit van het voorstel te evalueren. Het eindoordeel van het college was: indienen / vaststellen nadat met het adviespunt rekening is gehouden. Naar aanleiding van het ATR-advies is de doelstelling van dit wijzigingsvoorstel in paragraaf 3.1 uitgebreider toegelicht. Ook is nader toegelicht op welke onderdelen wordt geëvalueerd.

7. Privacy

Zoals vereist door artikel 35 Avg is bij de voorbereiding van dit besluit een Gegevensbeschermingseffectbeoordeling, ook wel data privacy impact assessment genoemd, uitgevoerd. Met dit wijzigingsbesluit wordt een opleidingsgegeven toegevoegd aan het register onderwijsdeelnemers. Aan de werking van het register of de doelstellingen van het register wordt geen wijziging aangebracht. Ook de bestaande beveiligingsmaatregelen die op het register als geheel en de aanlevering vanuit de scholen zien, wordt geen wijziging aangebracht. Daarnaast betreft het geen gevoelig gegeven, maar slechts een feitelijke weergave van de deelname aan een specifiek vak. Om die reden is geconcludeerd dat deze verwerking geen additionele risico’s met zich brengt.

8. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid.

Dit besluit is door DUO beoordeeld op uitvoerbaarheid. DUO heeft geconstateerd dat de noodzakelijke aanpassingen in de systemen maakbaar, haalbaar en uitvoerbaar zijn. Dit besluit is door de Inspectie beoordeeld op handhaafbaarheid. De Inspectie heeft geconstateerd dat de wijzigingen handhaafbaar zijn. Wanneer een havo-school het vak aanbiedt, dan zal het onderdeel uitmaken van het reguliere toezicht van de Inspectie.

9. Financiële gevolgen voor de rijksbegroting

Dit besluit heeft geen directe financiële gevolgen voor de Rijksbegroting. Omdat praktijkgericht onderwijs extra kosten met zich meebrengt, is het de intentie om aanvullende bekostiging te verstrekken aan scholen met een praktijkgerichte havo op basis van een bedrag per deelnemende leerling. Dit zal op een later moment op grond van artikel 5.9, eerste lid van de Wet voortgezet onderwijs 2020 per ministeriële regeling nader worden uitgewerkt.

10. Internetconsultatie

Dit besluit is in de periode van 25 april tot en met 4 juni 2025 ter internetconsultatie voorgelegd. Er zijn in totaal veertien reacties ontvangen. Hiermee biedt deze consultatie een aanvulling op de grote input die herhaaldelijk is opgehaald uit de monitoring van het doorontwikkeltraject23 en de adviezen en ideeën van de partijen uit de landelijke begeleidingscommissie praktijkgerichte havo. Diverse organisaties en betrokkenen reageren overwegend positief op de praktijkgerichte vakken binnen het havo, maar de reacties tonen ook een aantal belangrijke aandachtspunten.

Er is brede steun voor de introductie van het praktijkgerichte vak in het havo. Volgens een deel van de respondenten zou het vak zelfs een verplicht vak voor alle leerlingen moeten zijn. Naar aanleiding hiervan is het algemeen deel van de nota van toelichting aangevuld met een uitleg waarom daarvoor niet is gekozen. Het aanbieden van een praktijkgericht vak is geen verplichting, omdat een school zelf het best de afweging kan maken of het aanbieden van een of beide praktijkgerichte vakken past bij de onderwijsvisie van de school en de behoeften van de leerlingen. Daarnaast is terecht opgemerkt dat met het praktijkgerichte vak vakoverstijgend gewerkt kan worden, waardoor leerlingen zien dat wat bij het ene vak wordt behandeld ook voor een ander vak van belang kan zijn. In het doorontwikkeltraject is hier door scholen ook veel ervaring mee opgedaan. Er zijn tal van voorbeelden te geven waarbij havisten een combinatie maken van het schoolse leren met leren in de praktijk, gekoppeld aan nut; een vorm van toepassingsgericht handelen waarbij je dus nadrukkelijk ook het denken nodig hebt en de theoretische basis eveneens van groot belang is.

In enkele reacties zijn zorgen geuit over het waarborgen van de kwaliteit van de opdrachten waaruit de praktijkgerichte vakken bestaan. Eén van de respondenten koppelt die zorgen aan het feit dat de scholen zelf de inhoud van het vak moeten verzorgen. In een andere reactie benoemt een respondent dat de inhoud van het vak geborgd kan worden door het vak te koppelen aan andere vakken. Een derde reactie geeft aan dat de kwaliteit in de praktijk te veel zal afhangen van de beschikbare externe partner.

Eén van de onderscheidende kenmerken van de praktijkgerichte vakken is juist de ruimte die scholen krijgen om bij de vormgeving van het onderwijs de verbinding met de lokale omgeving van de scholen te zoeken. Zij kunnen de opdrachten passend maken bij de leerlingenpopulatie en de omgeving. In het doorontwikkeltraject blijkt dat scholen hier goed invulling aan weten te geven. Vooralsnog zijn er dan ook geen redenen om aan de kwaliteit van de schoolexamens te twijfelen. De scholen ontwikkelen het onderwijs op basis van de examenprogramma’s met eindtermen, die binnenkort bij ministeriële regeling worden vastgesteld. Ook geldt, net zoals bij andere reguliere examenvakken, bijvoorbeeld de eis om een pta op te stellen. De Inspectie ziet bovendien uiteindelijk toe op de kwaliteit van het onderwijs; dat geldt ook voor deze schoolexamenvakken.

Op kwaliteit van de ontwikkeling van de praktijkgerichte vakken is tijdens het doorontwikkeltraject daarnaast gestuurd door landelijke ondersteuning aan te bieden in de vorm van het faciliteren van (regionale) bijeenkomsten, een digitale community en handreiking. Bovendien wordt er gerichte scholing aangeboden door het Havoplatform, die scholen en docenten de mogelijkheid biedt om bekwaam les te geven in de nieuwe praktijkgerichte vakken in het havo. Deze scholing zal ook na het formele vaststelling van de vakken een vervolg krijgen. Na een aantal jaren zal de invoering van de praktijkgerichte vakken worden geëvalueerd, waarmee ook de kwaliteit van de onderwijsinhoud bestudeerd kan worden.

Verder zien enkele respondenten overlap met bestaande vakken, bijvoorbeeld NLT of Onderzoek en Ontwerpen (O&O). Tijdens de ontwikkeling van de praktijkgerichte vakken is zeker ook aandacht geweest voor de plaats binnen het curriculum en raakvlakken met andere vakken. Het feit dat er op dit moment al meer dan honderd scholen bezig zijn met het praktijkgerichte vak technologie laat zien dat er behoefte is aan de ontwikkeling van een dergelijk aanvullend schoolexamenvak in het havo. De elementen die de praktijkgerichte vakken kenmerken, bijvoorbeeld de buitenschoolse context waarin opdrachten worden uitgevoerd, zijn bij andere schoolexamenvakken niet expliciet aanwezig in het examenprogramma. Het vak NLT is bijvoorbeeld vooral gericht op oriëntatie op wetenschap en technologie (aangevuld met praktische toepassing) waarbij de context vaak binnen de school blijft. Er is minder structureel contact met externe opdrachtgevers en werkvelden. Vanzelfsprekend kunnen er bij vakverenigingen van de huidige schoolexamenvakken zorgen zijn over een mogelijke terugloop in het aantal leerlingen, als het aantal profielkeuzevakken groeit. Er zijn ook scholen die de verbinding leggen tussen bestaande schoolexamenvakken en de praktijkgerichte vakken. Deze interdisciplinaire samenwerking bij de invulling van de praktijkgerichte vakken wordt aangemoedigd.

De VO-raad deed een aantal suggesties over de manier waarop de structurele bekostiging georganiseerd kan worden: houd bij de vaststelling van het budget rekening met een toenemend aantal leerlingen, maak een nadere inschatting van het verwachte aantal scholen en leerlingen en bijbehorende kosten en stem de overgang naar structurele bekostiging goed af op de aflopende subsidieregeling. Deze worden meegenomen bij de uitwerking van de bekostigingsregeling. Ten slotte is naar aanleiding van een aantal verduidelijkingsvragen van respondenten over de doorstroom vmbo-havo paragraaf 3.8 aangescherpt. Daarmee is er naar verwachting geen onduidelijkheid meer.

11. Voorhangprocedure

Dit besluit is in het kader van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure, bedoeld in artikel 13.1, eerste lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, voor zover het betreft artikel I, onderdeel J, van het ontwerpbesluit in concept voorgelegd aan beide Kamers van de Staten-Generaal.

Op 1 december 2025 hebben een aantal fracties (PVV, CDA, JA21, BBB en de CU) binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Tweede Kamer der Staten-Generaal vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Een aantal andere fracties (D66, VVD, GroenLinks-PvdA) heeft met interesse kennisgenomen van het ontwerpbesluit en hebben geen vragen gesteld.

Een aantal fracties hebben zorgen geuit over dat het praktijkgerichte vak een schoolexamenvak betreft en de kwaliteitsborging daarvan. Daarnaast is meerdere keren de vraag gesteld of het praktijkgerichte vak niet ten koste gaat van de aandacht voor de basisvaardigheden. In reactie hierop is aangegeven dat het praktijkgerichte vak een vergelijkbare omvang (kwantitatief) en zwaarte (kwalitatief) kent als andere vakken op het havo. Er zijn nu ook al andere keuzevakken die enkel met een schoolexamen worden afgesloten. Het praktijkgerichte vak past dus in de bestaande systematiek.

Daarnaast is aangegeven dat SLO samen met een groeiende groep van inmiddels 240 havo-scholen examenprogramma’s met eindtermen heeft opgesteld en in de praktijk heeft beproefd. Deze examenprogramma’s worden dit voorjaar vastgelegd in de Regeling examenprogramma’s voortgezet onderwijs. Net zoals nu ook het geval is voor de overige examenvakken. De kwaliteit van het vak is geborgd door deze onderliggende examenprogramma’s, die voor alle scholen hetzelfde zijn. Het pta, dat door iedere school wordt opgesteld, moet alle eindtermen uit het examenprogramma dekken. Het bijbehorende onderwijs- en toetsprogramma dient daar vervolgens op aan te sluiten. Scholen moeten immers alle eindtermen van het examenprogramma van het praktijkgerichte vak aan de orde laten komen en deze ook toetsen. Bovendien ziet de Inspectie toe op de kwaliteit van het onderwijs, inclusief het onderwijsaanbod en de wijze van examinering. Vervolgens is aangegeven dat de introductie van het praktijkgerichte vak niet ten koste gaat van de basisvaardigheden. Ook in het praktijkgerichte vak komen deze aan bod en zijn deze vaardigheden nodig om een opdracht succesvol af te ronden.

Er zijn verder meerdere vragen gesteld over wat het afsluiten van het praktijkgerichte vak betekent voor de doorstroom naar het vwo en hoe het praktijkgerichte vak aansluit op het hbo. Hierop is aangegeven dat het praktijkgerichte vak leerlingen beter voorbereidt op het hbo, omdat leerlingen meer ervaringen opdoen met de manier van werken op het hbo en kennismaken met diverse hbo-opleidingen. De kennis en vaardigheden (zoals bijvoorbeeld plannen, samenwerken en presenteren) die worden aangeleerd in het praktijkgerichte vak worden bovendien ook veel gevraagd in het vwo. Daarbij is het praktijkgerichte vak een keuzevak en zijn leerlingen niet verplicht het vak te kiezen.

Een aantal fracties heeft vragen gesteld over de borging dat niet alleen grote stedelijke scholen de praktijkgerichte vakken aanbieden, maar ook kleinere scholen in dorpen en regio’s en of er overal voldoende externe opdrachtgevers zijn. In reactie hierop is aangegeven dat scholen die praktijkgerichte vakken aanbieden wordt geadviseerd vroeg te starten met het opbouwen van een netwerk en/of aansluiting te zoeken bij bestaande netwerken in de regio. Opdrachten van het praktijkgerichte vak kunnen door scholen op verschillende manieren worden ingevuld, passend bij de regio. Op dit moment is de regionale spreiding tussen scholen die het praktijkgerichte vak aanbieden voldoende en lijken scholen voldoende externe opdrachtgevers te kunnen vinden.

Ten slotte hebben een aantal fracties enkele vragen gesteld over de structurele bekostiging van het praktijkgerichte vak en of deze bekostiging niet ten koste gaat van het andere aanbod van keuzevakken als NLT, O&O en BSM. Hierop is aangegeven dat het de intentie is om scholen aanvullend te bekostigen middels een bedrag per deelnemende leerling. Hiervoor is een ministeriële regeling in ontwerp. Omdat er een extra keuzevak aan het curriculum wordt toegevoegd, zullen leerlingen tussen meer vakken een keuze kunnen maken, maar dat is afhankelijk van het aanbod van de school. Dit zou kunnen betekenen dat scholen en/of leerlingen niet voor keuzevakken als NLT, O&O en BSM, maar ook Frans of aardrijskunde, kiezen. Het is niet de verwachting dat er een financiële prikkel uitgaat van de aanvullende bekostiging. De deelnemende scholen maken ook extra kosten voor praktijkgerichte vakken. Daar staat de aanvullende bekostiging tegenover.

Naar aanleiding van de voorhang zijn er geen aanpassingen doorgevoerd in het besluit.

12. Inwerkingtreding

De regering streeft er naar om dit besluit per 1 augustus 2026 in werking te laten treden.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Met deze wijziging wordt het praktijkgerichte vak technologie toegevoegd als profielkeuzevak in de profielen natuur en techniek en natuur en gezondheid in het havo. Daarnaast wordt het praktijkgerichte vak maatschappij toegevoegd als profielkeuzevak in de profielen economie en maatschappij en cultuur en maatschappij in het havo. In het profiel cultuur en maatschappij kan het praktijkgerichte vak zowel als cultureel en als maatschappelijk profielkeuzevak worden gekozen. Deze praktijkgerichte vakken kennen een normatieve studielast van 360 uren. Een leerling kan deze vakken alleen kiezen als ze door de school worden aangeboden.

Onderdeel B

In het vrije deel kunnen havo-leerlingen zowel het praktijkgerichte vak technologie als het praktijkgerichte vak maatschappij kiezen, als deze vakken door de school worden aangeboden. Hierbij geldt wel dat er slechts één deel uit kan maken van het profiel. In het vrije deel kunnen leerlingen het praktijkgerichte vak volgen in zowel de grote variant van 360 studielasturen, als de kleine variant van 120 studielasturen. Indien de leerling de kleine variant volgt, telt dit vak als onderdeel van het combinatiecijfer (artikel 3.34, tweede lid). Daarnaast dient de leerling dan nog een ander vak van minimaal 320 studielasturen te kiezen in het vrije deel (zie artikel 3.3, eerste lid, onderdeel c). Omdat het praktijkgerichte vak in de kleine variant de facto een extra vak is, als bedoeld in artikel 3.3, derde lid van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, geldt dat deze ook gevolgd kan worden als een ander praktijkgericht vak onderdeel uitmaakt van het profiel, mits het vak inhoudelijk niet overeenkomt met een vak dat al onderdeel is van dat eindexamen.

Onderdeel C

Met de wijziging van artikel 2.31a wordt de inspanningsverplichting tot samenwerking, zoals die geldt bij de praktijkgerichte vakken in de gemengde en theoretische leerweg van het vmbo uitgebreid naar het havo. Een belangrijk onderdeel van een praktijkgericht vak is het uitvoeren van realistische en praktische opdrachten voor externe opdrachtgevers, zoals een organisatie, een bedrijf of een Hbo-instelling. Er geldt daarom een inspanningsverplichting voor de school die een praktijkgericht vak aanbiedt om samen te werken met ten minste één van deze partijen.

Zie hiervoor ook paragraaf 3.3 van het algemene deel van deze toelichting.

Onderdeel D

Op grond van artikel 3.4, vierde lid, onderdelen a en b mag een leerling in de theoretische leerweg van het vmbo alleen een praktijkgericht vak volgen als extra vak, indien er nog geen praktijkgericht vak in het vrije deel is gevolgd. Met de wijziging van artikel 3.4, vierde lid, onderdeel c, wordt geregeld dat ook indien een vmbo leerling in de theoretische leerweg het praktijkgerichte vak maatschappij of technologie op havo niveau volgt als extra vak, dit enkel is toegestaan wanneer er nog geen ander praktijkgericht vak in het vrije deel is gevolgd.

Onderdeel E

Met de wijziging van artikel 3.34, tweede lid, wordt geregeld dat het bevoegd gezag het eindcijfer van het praktijkgerichte vak als kleine variant van 120 studielasturen onderdeel kan laten uitmaken van het combinatiecijfer. Indien er twee praktijkgerichte vakken in de kleine variant worden gevolgd, kunnen beiden vakken onderdeel zijn van het combinatiecijfer.

Onderdeel F

Met de wijziging van artikel 3.52, waarmee de bepaling wordt uitgebreid voor vso-leerlingen op het havo die eindexamen willen doen in een praktijkgericht vak, dient ook artikel 3.41 te worden gewijzigd. Met deze wijziging wordt geregeld welke zaken moeten worden vermeld op de cijferlijst van vso-leerlingen die het praktijkgerichte vak maatschappij of technologie volgen op een reguliere vo-school. Op de cijferlijst moet komen te staan in welke schoolsoort deze leerlingen examen hebben gedaan, welke cijfers ze hebben gehaald voor het schoolexamen en welke eindcijfer ze voor het praktijkgerichte vak hebben behaald.

Onderdeel G

Met deze wijziging van artikel 3.52 wordt de mogelijkheid om vso-leerlingen die het praktijkgerichte vak willen volgen en eindexamen te laten doen via symbiose als extraneus in het reguliere vo ook geboden aan leerlingen in het havo.

Onderdeel H

Met deze wijziging komt het tweede lid van artikel 4.4. te vervallen. Per abuis was geregeld dat het staatsexamen vmbo theoretische leerweg niet het praktijkgerichte vak omvat. Hoewel het niet mogelijk is om staatsexamen te doen in de praktijkgerichte vakken in de theoretische leerweg van het vmbo, is het op grond van artikel 4.5 wel mogelijk dat een leerling die het praktijkgerichte vak heeft gevolgd en afgesloten op een vo-school en daardoor is vrijgesteld, het eindcijfer van het eerder behaalde resultaat laat betrekken bij de vaststelling van de uitslag van het staatsexamen. In die zin omvat het staatsexamen dus wel het praktijkgerichte vak.

Onderdeel I

Artikel 4.20 regelt aan welke voorwaarden de examenkandidaat moet voldoen om te slagen voor het staatsexamen havo. Omdat het voor het CvTE praktisch niet uitvoerbaar is de praktijkgerichte vakken met het staatsexamen af te nemen, kan er in die vakken geen staatsexamen worden gedaan (zie hiervoor ook de toelichting in paragraaf 3.5 van het algemeen deel). Met de wijziging van artikel 4.20 wordt geregeld dat indien een staatsexamenkandidaat het praktijkgerichte vak technologie of maatschappij in de kleine variant van 120 studielasturen heeft gevolgd, dit cijfer onderdeel kan uitmaken van het combinatiecijfer. De voorwaarden waaraan de staatsexamenkandidaat moet voldoen om te slagen voor het staatsexamen komen overeen met de voorwaarden waaraan een leerling op het regulier onderwijs moet voldoen. Zie hiervoor de wijziging van artikel 3.34 van dit besluit en de toelichting daarop.

Onderdeel J

Met deze wijziging van artikel 8.9 worden het praktijkgerichte vak technologie en het praktijkgerichte vak maatschappij in de kleine variant van 120 SLU uitgesloten als extra vak waarmee de doorstroom naar het havo niet kan worden geweigerd. Ook de grote variant van het praktijkgerichte vak op havo niveau van 360 SLU geeft de gl-leerling geen recht op doorstroom.

Zie hiervoor ook paragraaf 3.8 van het algemeen deel van deze toelichting.

Artikel II

Onderdeel A

Met de wijziging van artikel 6, derde lid, van het Besluit register onderwijsdeelnemers wordt een opleidingsgegeven toegevoegd aan de basisgegevens voor onderwijsdeelnemers in het havo. Het betreft hier het opleidingsgegeven dat het praktijkgerichte vak «technologie» of «maatschappij» in de grote- of de kleine variant door een onderwijsdeelnemer wordt gevolgd. Door het toevoegen van dit opleidingsgegeven, kan dit kenmerk als bekostigingsrelevant gegeven worden aangemerkt voor scholen die het praktijkgerichte vak aanbieden. Op grond van artikel 8, vierde lid van de Wet register onderwijsdeelnemers kan bij ministeriële regeling een nadere specificatie gemaakt worden van het opleidingsgegeven «volgen van het praktijkgerichte vak».

Onderdeel B

Met de wijziging van de tabel behorende bij de artikelen 23 tot en met 39a van het Besluit register onderwijsdeelnemers, kunnen de Minister, de Inspectie, het bestuur en het CBS het opleidingsgegeven dat een onderwijsdeelnemer het praktijkgerichte vak «technologie» of «maatschappij» volgt, ontvangen ten behoeve van de bekostiging, het verkeer over de bekostiging en het toezicht op de bekostiging, alsmede het uitvoeren van de wettelijke taak door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.Z.C.M. Tielen


X Noot
1

Dit blijkt onder andere uit de publicaties «Verschil moet er wezen» (SLO, 2006), «Beter inspelen op havoleerlingen» (IVA-beleidsonderzoek en advies, 2007), en «De voorbereiding van havisten op het hbo. Verkennend onderzoek doorlopende leerroute havo-hbo» (Inspectie van het Onderwijs, 2024).

X Noot
2

Direct na het eindexamen havo in examenjaar 2021/2022 is 69% een hbo-opleiding (hbo-bachelor of hbo associate degree) gaan volgen. Dit was 74,7% in examenjaar 2017/2018. Er wordt vermoed dat dit ook te maken heeft met een stijging van het aantal leerlingen dat een tussenjaar neemt. Inspectie van het Onderwijs (2023). Technisch rapport monitoring voortgezet onderwijs. De Staat van het Onderwijs 2023. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs, p. 63.

X Noot
3

Het aandeel hbo-studenten met een havo-achtergrond dat na één jaar horizontaal switcht was 21,1% in schooljaar 2021/2022. Inspectie van het Onderwijs (2023). Technisch rapport monitoring voortgezet onderwijs. De Staat van het Onderwijs 2023. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs, p. 39 Het percentage hbo-studenten gestart in 2019 met een havo-vooropleiding dat na 5 jaar het diploma behaald was 49,9% ten opzichte van 66,8% van de voormalige vwo’ers en 50,6% ten opzichte van voormalige mbo’ers. Vereniging Hogescholen (2025) Factsheet studiesucces, uitval en studiewissel 2024/2025. Den Haag: Vereniging Hogescholen.

X Noot
4

Inspectie van het Onderwijs (2024). De voorbereiding van havisten op het hbo. Verkennend onderzoek doorlopende leerroute havo-hbo. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.

X Noot
5

Warps, J., Visser, M. de, Lodewick, J., Temorshuizen, T. (2021) Verkenning vervolgonderwijs: wensen van het vervolgonderwijs betreffende kennis en vaardigheden van geslaagden uit het voortgezet onderwijs. Nijmegen: ResearchNed.

X Noot
6

Oberon (2020) Regel het maar! Eindrapportage monitoronderzoek experiment Regelluwe scholen. Utrecht: Oberon, en Kamerstukken II 2020/21, 29 546, nr. 33.

X Noot
7

Zie bijvoorbeeld: Havoplatform (2021). HavoP: het praktijkgerichte vak op de havo. Almelo: Havoplatform

X Noot
8

«SLO (2021). Startnotitie Praktijkgerichte programma’s havo. Amersfoort: SLO.

X Noot
9

Tijdens het doorontwikkeltraject zijn scholen tweemaal per jaar bevraagd over de nieuwe vakken. De opgeleverde gegevens zijn niet gepubliceerd, maar wel gedeeld met het ministerie van OCW en de leden van de begeleidingscommissie voor praktijkgerichte havo (Havoplatform, Vereniging Hogescholen, Platform TL, LAKS). De resultaten geven een positief beeld van de leeropbrengsten voor leerlingen.

X Noot
10

Dit blijkt onder andere uit de motie van de leden Ceder (CU), De Kort (VVD) en Van Zanten (BBB). Tweede Kamer, vergaderjaar 2023-2024, 36 410 VIII, nr. 85 en de gesprekken die tijdens de scholenbijeenkomsten worden gevoerd.

X Noot
11

Zie artikel 3.3, eerste lid, onderdeel c van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
12

Zie artikel 3.34, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
13

Zie artikel 3.34, eerste lid, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
14

Zie artikel 3.33, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
15

Zie artikelen 4.5 en 4.20 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
16

Zie artikelen 4.5 en 4.20 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
17

Zie artikel 3.71 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
18

Zie artikel 8.9a van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

X Noot
19

Besluit van 5 juni 2020 tot wijziging van het Inrichtingsbesluit WVO en het Inrichtingsbesluit WVO BES in verband met onder meer de vaststelling van een voorwaarde voor doorstroom naar havo (Stb. 2020, 171).

X Noot
20

Zie artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d en lid 1a van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
21

Elke docent met een eerstegraadsbevoegdheid in een van de vakken aardrijkskunde, biologie, natuurkunde, scheikunde of wiskunde is automatisch ook bevoegd om NLT te geen. Dat zou bijvoorbeeld voor technologie ook een mogelijkheid kunnen zijn (bevoegdheid in de bètavakken) en voor maatschappij een bevoegdheid voor maatschappijvakken (als economie, geschiedenis, maatschappijleer en -kunde, aardrijkskunde).

X Noot
22

Besluit van 21 mei 2024 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in verband met het aanbieden van praktijkgerichte vakken in de gemengde en theoretische leerweg van het vmbo (Stb. 2024, 137).

X Noot
23

De SLO-meting van voorjaar 2025 leverde reactie op van circa 65 docententeams en meer dan 800 vierdejaars havo-leerlingen.


X Noot
1

Dit blijkt onder andere uit de publicaties «Verschil moet er wezen» (SLO, 2006), «Beter inspelen op havoleerlingen» (IVA-beleidsonderzoek en advies, 2007), en «De voorbereiding van havisten op het hbo. Verkennend onderzoek doorlopende leerroute havo-hbo» (Inspectie van het Onderwijs, 2024).

X Noot
2

Direct na het eindexamen havo in examenjaar 2021/2022 is 69% een hbo-opleiding (hbo-bachelor of hbo associate degree) gaan volgen. Dit was 74,7% in examenjaar 2017/2018. Er wordt vermoed dat dit ook te maken heeft met een stijging van het aantal leerlingen dat een tussenjaar neemt. Inspectie van het Onderwijs (2023). Technisch rapport monitoring voortgezet onderwijs. De Staat van het Onderwijs 2023. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs, p. 63.

X Noot
3

Het aandeel hbo-studenten met een havo-achtergrond dat na één jaar horizontaal switcht was 21,1% in schooljaar 2021/2022. Inspectie van het Onderwijs (2023). Technisch rapport monitoring voortgezet onderwijs. De Staat van het Onderwijs 2023. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs, p. 39 Het percentage hbo-studenten gestart in 2019 met een havo-vooropleiding dat na 5 jaar het diploma behaald was 49,9% ten opzichte van 66,8% van de voormalige vwo’ers en 50,6% ten opzichte van voormalige mbo’ers. Vereniging Hogescholen (2025) Factsheet studiesucces, uitval en studiewissel 2024/2025. Den Haag: Vereniging Hogescholen.

X Noot
4

Inspectie van het Onderwijs (2024). De voorbereiding van havisten op het hbo. Verkennend onderzoek doorlopende leerroute havo-hbo. Utrecht: Inspectie van het Onderwijs.

X Noot
5

Warps, J., Visser, M. de, Lodewick, J., Temorshuizen, T. (2021) Verkenning vervolgonderwijs: wensen van het vervolgonderwijs betreffende kennis en vaardigheden van geslaagden uit het voortgezet onderwijs. Nijmegen: ResearchNed.

X Noot
6

Oberon (2020) Regel het maar! Eindrapportage monitoronderzoek experiment Regelluwe scholen. Utrecht: Oberon, en Kamerstukken II 2020/21, 29 546, nr. 33.

X Noot
7

Zie bijvoorbeeld: Havoplatform (2021). HavoP: het praktijkgerichte vak op de havo. Almelo: Havoplatform

X Noot
8

«SLO (2021). Startnotitie Praktijkgerichte programma’s havo. Amersfoort: SLO.

X Noot
9

Tijdens het doorontwikkeltraject zijn scholen tweemaal per jaar bevraagd over de nieuwe vakken. De opgeleverde gegevens zijn niet gepubliceerd, maar wel gedeeld met het ministerie van OCW en de leden van de begeleidingscommissie voor praktijkgerichte havo (Havoplatform, Vereniging Hogescholen, Platform TL, LAKS). De resultaten geven een positief beeld van de leeropbrengsten voor leerlingen.

X Noot
10

Dit blijkt onder andere uit de motie van de leden Ceder (CU), De Kort (VVD) en Van Zanten (BBB). Tweede Kamer, vergaderjaar 2023-2024, 36 410 VIII, nr. 85 en de gesprekken die tijdens de scholenbijeenkomsten worden gevoerd.

X Noot
11

Zie artikel 3.3, eerste lid, onderdeel c van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
12

Zie artikel 3.34, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
13

Zie artikel 3.34, eerste lid, onderdeel c, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
14

Zie artikel 3.33, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
15

Zie artikelen 4.5 en 4.20 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
16

Zie artikelen 4.5 en 4.20 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
17

Zie artikel 3.71 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
18

Zie artikel 8.9a van de Wet voortgezet onderwijs 2020.

X Noot
19

Besluit van 5 juni 2020 tot wijziging van het Inrichtingsbesluit WVO en het Inrichtingsbesluit WVO BES in verband met onder meer de vaststelling van een voorwaarde voor doorstroom naar havo (Stb. 2020, 171).

X Noot
20

Zie artikel 3.7, eerste lid, onderdeel d en lid 1a van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020.

X Noot
21

Elke docent met een eerstegraadsbevoegdheid in een van de vakken aardrijkskunde, biologie, natuurkunde, scheikunde of wiskunde is automatisch ook bevoegd om NLT te geen. Dat zou bijvoorbeeld voor technologie ook een mogelijkheid kunnen zijn (bevoegdheid in de bètavakken) en voor maatschappij een bevoegdheid voor maatschappijvakken (als economie, geschiedenis, maatschappijleer en -kunde, aardrijkskunde).

X Noot
22

Besluit van 21 mei 2024 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 in verband met het aanbieden van praktijkgerichte vakken in de gemengde en theoretische leerweg van het vmbo (Stb. 2024, 137).

X Noot
23

De SLO-meting van voorjaar 2025 leverde reactie op van circa 65 docententeams en meer dan 800 vierdejaars havo-leerlingen.

Naar boven