Besluit van 5 juni 2026, houdende wijziging van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 in verband met het toevoegen van de omrekenfactor bij de analysemethode voor het berekenen van de hoeveelheid totaal organisch koolstof [KetenID WGK 028574]

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 12 maart 2026, nr. IenW/BSK-2025/309742, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 122k, tweede lid, van de Waterschapswet en artikel 7.5, zesde lid, van de Waterwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 mei 2026, nr. W17.26.00065/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 28 mei 2026, nr. IenW/BSK-2026/80095, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 vervallen de begripsbepalingen analyse en zuurstofverbruik.

B

Na artikel 1a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1b

De bepaling van het zuurstofverbruik van de stoffen welke in een kalenderjaar worden geloosd of afgevoerd, geschiedt op basis van de som van het chemisch zuurstofverbruik door omzetting van de hoeveelheid totaal organisch koolstof in de stoffen en het zuurstofverbruik door omzetting van de hoeveelheid totaal stikstof verminderd met de som van nitriet-stikstof en nitraat-stikstof in de stoffen. Hierbij wordt het chemisch zuurstofverbruik gesteld op driemaal het gehalte totaal organisch koolstof in de geloosde of afgevoerde stoffen.

C

Artikel 1b vervalt.

ARTIKEL II

  • 1. Artikel I, onderdelen A en B, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

  • 2. Artikel I, onderdeel C, treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 5 juni 2026

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans

Uitgegeven de zestiende juni 2026

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Per 1 januari 2026 zijn de Waterschapswet en de Waterwet gewijzigd.1 Die wetswijziging introduceert onder andere een nieuwe analysemethode voor de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing. De CZV-analyse is vervangen door de TOC-analyse. Beide analysemethodes berekenen niet precies hetzelfde, waardoor gebruik wordt gemaakt van een vaste omrekenfactor van drie (CZV = 3 × TOC). Deze omrekenfactor is van belang om een juiste heffing te kunnen vaststellen. Deze wijziging verduidelijkt dat deze omrekenfactor ook geldt voor tabelbedrijven.

2. Omrekenfactor drie voor tabelbedrijven

De waterschappen heffen zuiveringsheffing om de kosten van het zuiveringsbeheer te dekken. Dit betreft het verwerken van afvalwater dat via het openbaar vuilwaterriool op een rioolwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd.2 De verontreinigingsheffing wordt geheven voor directe lozingen van afvalwater op het oppervlaktewater. Waar het een lozing op rijkswater betreft, wordt deze heffing opgelegd door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: Minister van IenW). Dit wordt uitgevoerd door Rijkswaterstaat (hierna: RWS). De verontreinigingsheffing voor de lozing op water in beheer bij een waterschap (regionaal water) wordt opgelegd door dat waterschap. De hoogte van de zuiveringsheffing en de verontreinigingsheffing is gekoppeld aan de hoeveelheid en de eigenschappen van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd. De hoogte van de heffingen is daarmee afhankelijk van de mate van vervuiling van het afvalwater dat wordt geloosd of afgevoerd. Deze vervuiling wordt uitgedrukt in vervuilingseenheden (hierna: v.e.).

De Waterschapswet neemt als uitgangspunt dat het aantal v.e. wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens (artikel 122g van de Waterschapswet). Bedrijven waarop artikel 122g van toepassing is, worden meetbedrijven genoemd. Voor het bepalen van de vervuiling van het afvalwater van deze meetbedrijven wordt een formule gebruikt die het zuurstofverbruik berekent. Sinds 1 januari 2026 geldt in de Waterschapswet een nieuwe formule. Voorheen waren het chemisch zuurstofverbruik (CZV) en stikstof-Kjeldahl (N-Kj) de parameters in de formule. Nu geldt voor de directe meting van CZV dat TOC (Total Organic Carbon) wordt toegepast en dat voor N-Kj wordt toegepast TNb (Totaal gebonden Stikstof) oftewel N-totaal (Stikstof Totaal). Daarbij wordt voor N-totaal nitriet en nitraat in mindering gebracht. Met het toepassen van de TOC-methode hoeft geen gebruik meer te worden gemaakt van mens- en milieubelastende stoffen zoals bij de CZV-methode wel het geval was.

CZV sluit als maatstaf voor de vervuiling het beste aan op de processen in een rioolwaterzuiveringsinstallatie en de belasting van zuurstofverbruik op het oppervlaktewater. Daarom wordt TOC omgerekend naar CZV. De omrekenfactor is drie. Voor een nadere toelichting zie paragraaf 7.1 van de memorie van toelichting bij de wijzigingswet.3

Op bovenstaand uitgangspunt dat het aantal v.e. wordt berekend met behulp van door meting, bemonstering en analyse verkregen gegevens zijn uitzonderingen. Dit is met het oog op de kosten en overige uitvoeringslasten. Eén van deze uitzonderingen is opgenomen in artikel 122k van de Waterschapswet. Hierin staat de mogelijkheid beschreven om het aantal v.e. op basis van de hoeveelheid ingenomen water te bepalen in plaats van te meten, te bemonsteren en te analyseren. Het aantal m3 ingenomen water wordt daartoe vermenigvuldigd met een zogenaamde afvalwatercoëfficiënt. Dit is de afvalwatercoëfficiënt die aangeeft wat de vervuilingswaarde is per m3 ingenomen water.4 Meestal is deze vervuilingswaarde gelijk is aan het gemiddelde van huishoudelijk afvalwater (0,023 v.e./m3). Uit artikel 122k, derde lid, van de Waterschapswet volgt dat daarbij een afvalwatercoëfficiënt met klasse acht hoort.

Soms behoort een afvalwatercoëfficiënt niet tot klasse acht. De heffingplichtige of de inspecteur van RWS of een waterschap kan hiernaar onderzoek doen en tot een lagere respectievelijk hogere afvalwatercoëfficiënt komen. Bij dit onderzoek wordt allereerst de vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik per m3 ingenomen water van het bedrijf bepaald. Dit gebeurt met de hierboven beschreven nieuwe analysemethode. Zodra die vervuilingswaarde bekend is kan de heffing worden bepaald aan de hand van de afvalwatercoëfficiënt die past bij de in artikel 122k, derde lid, openomen klassen waarbinnen die vervuilingswaarde is gelegen. Een te laag vastgestelde vervuilingswaarde kan daarmee leiden tot een te lage afvalwatercoëfficiënt. Hoe hoger de afvalwatercoëfficiënt is hoe meer heffing het bedrijf betaalt.

Uit bovenstaande volgt dat de analysemethode bepalend is voor de uiteindelijke hoogte van de heffing. Net als bij meetbedrijven geldt bij tabelbedrijven dat de nieuwe analysemethode voor TOC moet worden toegepast en dat daarbij de verhouding CZV/TOC eveneens drie is. Dit is steeds de bedoeling van de wetgever geweest.5 Er zou hierover echter onduidelijkheid kunnen ontstaan vanwege de in het Bviw 2009 opgenomen begripsbepalingen van «analyse» en «zuurstofverbruik». Deze wijziging van het Bviw 2009 zorgt ervoor dat elke mogelijke onduidelijkheid hierover wordt weggenomen (artikel I, onderdelen A en B).

Deze wijziging heeft geen gevolgen voor de regeldruk van burgers en bedrijven. Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het naar verwachting geen (omvangrijke) gevolgen voor de regeldruk heeft. Er is afgezien van internetconsultatie. De consultatie kan namelijk niet in betekenende mate leiden tot aanpassing van het besluit nu het reparatieregelgeving betreft. Wel zijn er mogelijk gevolgen voor de uitvoering. Deze gevolgen worden hieronder toegelicht.

3. Gevolgen

Mogelijk zijn er bedrijven waarvoor tussen 1 januari 2026 en de inwerkingtreding van deze wijziging de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water is bepaald. Het kan bijvoorbeeld gaan om nieuwe tabelbedrijven of om tabelbedrijven waarbij de bedrijfsomstandigheden zijn gewijzigd. Als die gewijzigde bedrijfsomstandigheden aanleiding geven tot een wijziging van de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water wordt gekeken of er een nieuwe afvalwatercoëfficiënt moet worden bepaald.

Mocht bij het bepalen van de vervuilingswaarde per m3 ingenomen water de omrekenfactor van drie niet zijn toegepast dan zal de betrokken beheerder (RWS of het waterschap) een nieuwe afvalwatercoëfficiënt vaststellen waarbij de omrekenfactor wel wordt toegepast.6 Naar schatting zijn er per waterschap jaarlijks 20–25 nieuwe tabelbedrijven. Bij RWS gaat het jaarlijks om vier tot acht bedrijven. Mocht het al zijn voorgevallen dat de omrekenfactor niet is toegepast dan gaat het dus om een klein aantal bedrijven. In die gevallen is het totaal aan extra werkzaamheden voor de waterschappen en RWS ongeveer 32 uur per bedrijf als de zogenaamde praktische regeling kan worden toegepast zoals opgenomen in artikel 2 van het Bviw 2009. Als die praktische regeling niet kan worden toegepast dan vindt bemonstering en analyse plaats of meting, bemonstering en analyse zoals opgenomen in artikel 5, tweede lid, respectievelijk artikel 5, derde en vierde lid, van het Bviw 2009. Er komt dan 40 uur aan werkzaamheden bij per bedrijf.

4. Inwerkingtreding

Artikel I, onderdelen A en B, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit is geplaatst. Daarmee wordt afgeweken van het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten en de minimale invoeringstermijn voor regelgeving. De reden daarvan is dat dit reparatieregelgeving betreft (zie Aanwijzing 4.17, vijfde lid, onderdeel c, van de Aanwijzingen voor de regelgeving). Er is voor gekozen eerst het Bviw 2009 te wijzigen. Daarnaast is er een wetsvoorstel in voorbereiding waarin wordt voorgesteld deze wijziging van de analysemethode op te nemen in artikel 122k van de Waterschapswet. Dan is de analysemethode voor meetbedrijven en tabelbedrijven op hetzelfde niveau geregeld.7 Op dat moment vervalt artikel 1b. Deze wijziging voorziet alvast in deze mogelijkheid (artikel I, onderdeel C). De reden om eerst het Bviw 2009 te wijzigen is dat hierdoor zo snel mogelijk elke mogelijke onduidelijkheid over het toepassen van de omrekenfactor bij de analysemethode voor tabelbedrijven is weggenomen. Dat voorkomt ook eventuele kosten voor waterschappen en RWS voor nieuw onderzoek.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, V.P.G. Karremans


X Noot
1

Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63).

X Noot
2

Onder de zuiveringstaak valt ook het zuiveren van stedelijk afvalwater dat wordt afgevoerd op een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet dat wordt beheerd door of namens het waterschap. Een dergelijk systeem is bijvoorbeeld een IBA.

X Noot
4

Ingenomen water: geleverd drink- en industriewater en warm tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater (zie artikel 122c van de Waterschapswet).

X Noot
6

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 komen de kosten voor het bepalen van de vervuilingswaarde in deze gevallen voor rekening van de betrokken beheerder.

X Noot
7

Zie voor meetbedrijven artikel 122g, derde lid, van de Waterschapswet en voor een nadere toelichting voor de keuze dit op wetsniveau te regelen Kamerstukken II 2022/23, 36412, nr. 3, paragraaf 8.2.


X Noot
1

Wet van 10 februari 2025 tot wijziging van de Waterschapswet, de Waterwet en de Algemene wet bestuursrecht in verband met het versterken van de toepassing van het profijtbeginsel bij de watersysteemheffing, het geven van ruimte aan nieuwe ontwikkelingen en het oplossen van enkele knelpunten (Stb. 2025, 63).

X Noot
2

Onder de zuiveringstaak valt ook het zuiveren van stedelijk afvalwater dat wordt afgevoerd op een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet dat wordt beheerd door of namens het waterschap. Een dergelijk systeem is bijvoorbeeld een IBA.

X Noot
4

Ingenomen water: geleverd drink- en industriewater en warm tapwater, onttrokken grond- en oppervlaktewater en opgevangen hemelwater (zie artikel 122c van de Waterschapswet).

X Noot
6

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit vervuilingswaarde ingenomen water 2009 komen de kosten voor het bepalen van de vervuilingswaarde in deze gevallen voor rekening van de betrokken beheerder.

X Noot
7

Zie voor meetbedrijven artikel 122g, derde lid, van de Waterschapswet en voor een nadere toelichting voor de keuze dit op wetsniveau te regelen Kamerstukken II 2022/23, 36412, nr. 3, paragraaf 8.2.

Naar boven