Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Klimaat en Groene Groei | Staatsblad 2025, 436 | AMvB |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Ministerie van Klimaat en Groene Groei | Staatsblad 2025, 436 | AMvB |
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Klimaat en Groene Groei van 8 oktober 2025, nr. WJZ / 101347621;
Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-, LVVN- en KGG-subsidies;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 november 2025, nr. W19.25.00296/IV);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Klimaat en Groene Groei van 5 december 2025, nr. WJZ / 102429616;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 5a wordt «onderdeel b» vervangen door «onderdeel a of b».
B
Na artikel 20 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. Bij regeling van Onze Minister kan voor een categorie productie-installaties waarvoor een gerede kans bestaat dat de gemiddelde kostprijs van hernieuwbare elektriciteit op enig moment gedurende de periode waarover subsidie wordt verstrekt lager zal zijn dan de gemiddelde marktprijs van hernieuwbare elektriciteit, een opbrengstgrensbedrag per kWh voor het bepalen van de subsidie worden vastgesteld, dat kan verschillen per categorie productie-installaties.
2. Het opbrengstgrensbedrag is hoger dan het maximum tenderbedrag per kWh, bedoeld in artikel 19, tweede lid, dat is vastgesteld voor de betreffende categorie productie-installaties.
3. Onze minister kan het opbrengstgrensbedrag in afwijking van het eerste lid uitdrukken in het product van het tenderbedrag en een bij ministeriële regeling vast te stellen factor.
C
In artikel 21, tweede lid, wordt «die geldt op het moment van aanvraag van de subsidie, geldt» vervangen door «en het opbrengstgrensbedrag, bedoeld in artikel 20a, die gelden op het moment van aanvraag van de subsidie, gelden».
D
Na artikel 23 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
1. In afwijking van artikel 23, wordt de subsidie die een subsidie-ontvanger ontvangt die hernieuwbare elektriciteit produceert met een productie-installatie die behoort tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie productie-installaties waarvoor op grond van artikel 20a een opbrengstgrensbedrag is vastgesteld, bepaald door:
a. het aantal kWh dat in elk kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt en waarvoor garanties van oorsprong zijn verstrekt die aantonen dat de producent met zijn productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit in het betreffende kalenderjaar een hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit heeft geproduceerd en op een elektriciteitsnet heeft ingevoed, te vermenigvuldigen met:
1°. het tenderbedrag, verminderd met de som van de voor het betreffende kalenderjaar geldende correcties die worden vastgesteld op grond van artikel 22, vierde lid, indien deze som lager is dan het tenderbedrag;
2°. nul, indien de som van de voor het betreffende kalenderjaar geldende correcties die worden vastgesteld op grond van artikel 22, vierde lid, gelijk is aan of hoger is dan het tenderbedrag en lager is dan of gelijk is aan het opbrengstgrensbedrag; of
3°. het opbrengstgrensbedrag, verminderd met de som van de voor het betreffende kalenderjaar geldende correcties die worden vastgesteld op grond van artikel 22, vierde lid, indien deze som hoger is dan het opbrengstgrensbedrag; en
b. de overeenkomstig onderdeel a berekende bedragen voor ieder kalenderjaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt bij elkaar op te tellen.
2. Indien het volgens het eerste lid, onderdeel b, berekende bedrag negatief is, bedraagt het bedrag nul.
3. Artikel 23, tweede, derde, vijfde en zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de berekening, bedoeld in het eerste lid.
E
Aan artikel 59 wordt een lid toegevoegd, luidende:
5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat Onze Minister afwijzend beslist op een aanvraag indien bij de gelijktijdige toepassing van verschillende procedures als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Wet windenergie op zee aan de aanvrager vergunning is verleend op grond van een procedure zonder subsidieverlening.
F
In artikel 62, zesde lid, wordt «artikel 12a» vervangen door «artikel 12a, artikel 20a» en wordt «artikel 15, derde lid» vervangen door «artikel 15, derde lid, artikel 23, derde lid».
G
Artikel 67a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt «op grond van artikel 12a» vervangen door «op grond van artikel 12a of artikel 20a».
2. In onderdeel a wordt «bedoeld in artikel 15a, derde lid, jo. artikel 15, derde lid» vervangen door «bedoeld in artikel 15a, derde lid, jo. artikel 15, derde lid, onderscheidenlijk artikel 23a, derde lid jo. Artikel 23, derde lid».
3. In onderdeel b wordt «fasebedrag of basisbedrag» vervangen door «fasebedrag, basisbedrag of tenderbedrag» en wordt «op grond van artikel 14, vijfde lid» vervangen door «op grond van artikel 14, vijfde lid, onderscheidenlijk artikel 22, vijfde lid».
4. In de eindpassage wordt «met toepassing van artikel 15a, eerste lid, onderdeel a» vervangen door «met toepassing van artikel 15a, eerste lid, onderdeel a, onderscheidenlijk artikel 23a, eerste lid, onderdeel a».
H
Artikel 68 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «bedoeld in artikel 15, derde of vierde lid, artikel 15a, derde lid, jo. artikel 15, derde lid, artikel 23, derde of vierde lid» vervangen door «bedoeld in artikel 15, derde of vierde lid, artikel 15a, derde lid, jo. artikel 15, derde lid, artikel 23, derde of vierde lid, artikel 23a, derde lid, jo. artikel 23, derde lid».
2. In het derde en zesde lid wordt «op grond van artikel 12a» telkens vervangen door «op grond van artikel 12a, artikel 20a».
3. In het vijfde lid wordt «op grond van artikel 15a, tweede lid» vervangen door «op grond van artikel 15a, tweede lid, artikel 23a, tweede lid».
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
’s-Gravenhage, 9 december 2025
Willem-Alexander
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans
Uitgegeven de negentiende december 2025
De Minister van Justitie en Veiligheid, F. van Oosten
Dit wijzigingsbesluit past het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (hierna: Besluit SDEK) aan. De aanleiding voor deze wijziging is de verslechtering van de marktomstandigheden voor windenergie op zee in de afgelopen jaren. Sinds 2018 is het Nederlands uitgangspunt om windparken op zee indien mogelijk te vergunnen zonder subsidie. Dit werd mogelijk gemaakt door een sterke kostendaling van windturbines en de installatie daarvan, maar ook door goede ontwikkelingsvoorwaarden vanuit de overheid, sterke concurrentie in de markt en een stabiel en ambitieus overheidsbeleid. Uit recente marktconsultaties (januari 2025) blijkt echter dat de markt voor windenergie op zee op dit moment zeer uitdagend is. Het risico bestaat dat er in de komende vergunningsverleningsprocedures geen enkele bieding op (een deel van) de kavels komt. De reden hiervoor is volgens onderzoek uit juni 20241 dat de kosten van windparken op zee in 2025 40% hoger liggen dan in 2020 door onder meer inflatie, hogere rente en krapte in de toeleveringsketen. Daarnaast is sprake van lagere en onzekere inkomsten door achterblijvende groei van de elektriciteitsvraag. Hierdoor is voor veel windparkontwikkelaars niet langer sprake van een sluitende businesscase en zullen zij niet bieden op een vergunning zonder subsidie.
Tegelijkertijd is de verdere uitrol van windenergie op zee wel wenselijk vanuit maatschappelijk perspectief. Zo draagt windenergie op zee bij aan een hernieuwbare energievoorziening en daarmee aan het behalen van de klimaatdoelen van de regering en de Klimaatwet. Elke 1 GW aan windenergie op zee bespaart 44,2 miljoen ton CO2 over de levensduur van een windpark. Daarnaast vergroot het de energieonafhankelijkheid van Nederland en draagt het bij aan groene economische groei. Indien de overheid geen actieve bijdrage levert aan de realisatie van windenergie op zee zal deze niet in het tempo en de omvang worden gerealiseerd die nodig is om deze publieke belangen voldoende te dienen. Er is dan sprake van marktfalen. Het is daarom belangrijk dat de wet- en regelgeving, meer in het bijzonder het Besluit SDEK, geschikt zijn om vergunningen voor windparken op zee te kunnen verlenen volgens de procedure met subsidie. Op dit moment is dat niet het geval. Bij de laatste staatssteungoedkeuring van de SDE++ (Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie) door de Europese Commissie uit 20232 heeft zij de eis gesteld dat er een zogenoemde «clawback»-voorziening zou worden opgenomen. Het doel hiervan is het voorkomen van overcompensatie van windparkontwikkelaars als de inkomsten hoger zijn dan verwacht. Dit is in 2024 verwerkt in het Besluit SDEK door de introductie van een mechanisme waarmee overwinsten worden beperkt door deze te verrekenen met subsidie die ten tijde van lagere marktprijzen al is, of nog wordt uitgekeerd. Zie daartoe het wijzigingsbesluit «Besluit van 6 juni 2024 tot wijziging van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie in verband met verbeteren van kosteneffectiviteit en overige wijzigingen (Stb. 163). Dit wijzigingsbesluit heeft deze aanpassing echter alleen mogelijk gemaakt voor subsidies waarbij verlening plaatsvindt op volgorde van binnenkomst en niet voor subsidies waarbij toewijzing plaatsvindt op volgorde van rangschikking. Als windparken op zee zouden worden ondersteund, zouden de kavels hiervoor door middel van de volgorde van rangschikking worden vergund. De reden dat deze overwinstbeperking niet is meegenomen is dat destijds de verwachting was dat voor de verdere uitrol van windenergie op zee of andere technieken geen ondersteuningsmechanisme met subsidie via volgorde van rangschikking nodig zou zijn. Inmiddels is duidelijk dat dit mogelijk toch nodig is voor windparken op zee. Om staatssteungoedkeuring van de Europese Commissie te ontvangen is daarom uitbreiding van het mechanisme voor overwinstbeperking naar deze toewijzingsprocedure van volgorde van rangschikking noodzakelijk. De afweging om daadwerkelijk de procedure met subsidie toe te passen dient, in lijn met artikel 14a van de wet windenergie op zee, per kavel te worden gemaakt.
In paragraaf 2 wordt ingegaan op de maatregelen ter verbetering van de kosteneffectiviteit. In paragraaf 3 wordt ingegaan op de overige, meer technische wijzigingen. Paragrafen 4 en 5 betreffen respectievelijk de uitvoerbaarheid en de gevolgen van dit wijzigingsbesluit op de regeldruk. In paragraaf 6 wordt ingegaan op de wijze waarop belanghebbenden zijn geconsulteerd bij de totstandkoming van dit wijzigingsbesluit.
De SDEK biedt de mogelijkheid om steun te verlenen aan technieken zoals windenergie op zee zodat deze verder kunnen worden uitgerold. Hierdoor neemt echter ook het risico van overwinsten toe. Overwinsten zijn inkomsten die (ver) boven een redelijke winstmarge liggen. Dit kan bijvoorbeeld ontstaan door kostenreductie maar ook door hoge energieprijzen. In EU-verband is afgesproken dat directe prijssteunregelingen zoals de SDEK een mechanisme moeten hebben om in perioden van hoge energieprijzen een extra bron van inkomsten te zijn voor de lidstaten. Hiermee wordt de kosteneffectiviteit van een steunregeling verhoogd. Dit is een voorwaarde voor staatssteungoedkeuring3.
Bij de vormgeving van de SDEK was een dergelijk mechanisme om overwinsten te beperken niet voorzien. Daarom is voor de laatste staatssteungoedkeuring van de SDE++ in 2024 overwinstbeperking toegevoegd aan het Besluit SDEK voor subsidies waarbij toewijzing plaatsvindt op volgorde van binnenkomst. Dit is de methode die op dit moment binnen de SDE++ wordt gebruikt om subsidie toe te wijzen.
Subsidie voor windparken op zee wordt echter toegekend op basis van de procedure volgorde van rangschikking uit het Besluit SDEK. De achtergrond hiervan is dat op basis van de Wet windenergie op zee de minister vergunningen kan verlenen voor de realisatie en exploitatie van windparken op zee. Deze wet biedt de minister de mogelijkheid om de vergunning onder andere te verlenen via de procedure met subsidie. Indien deze procedure wordt gevolgd, beslist de minister gelijktijdig over aanvragen voor de vergunning conform de wet windenergie op zee en aanvragen voor de subsidie conform het Besluit SDEK. De vergunningen voor de realisatie van windparken op zee betreffen schaarse rechten waarvoor ontwikkelaars een concurrerend bod kunnen indienen. Het is dan wenselijk om aanvragen gelijktijdig te kunnen beoordelen en met elkaar te vergelijken. Door de vergunning en subsidie op basis van volgorde van rangschikking te verlenen reflecteert de winnende aanvraag het beste de maatschappelijke waarde van de vergunning. Indien er zou worden beoordeeld op basis van volgorde van binnenkomst, wint het eerste bod, wat mogelijk tot een slechtere maatschappelijke uitkomst leidt.
Sinds 2018 worden windparken op zee zonder subsidie vergund. Om die reden is bij het vorige wijzigingsbesluit het mechanisme voor overwinstbeperking niet toegevoegd aan paragraaf 3.3 van het Besluit SDEK voor subsidie op volgorde van rangschikking. Zoals toegelicht in de aanleiding zijn de marktomstandigheden voor hernieuwbare elektriciteit uit wind op zee echter verslechterd. Hierdoor is voor veel windparkontwikkelaars niet langer sprake van een sluitende businesscase en zullen zij niet bieden op een vergunning zonder subsidie.
De Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 20224 (hierna: Richtsnoeren 2022) van de Europese Commissie vormen het kader voor de beoordeling of staatssteun mag worden toegepast. In punt 90 van de Richtsnoeren 2022 stelt de Europese Commissie dat steun noodzakelijk kan zijn om ervoor te zorgen dat bepaalde investeringen voor klimaat en energie plaatsvinden. Vervolgens wordt als voorwaarde voor deze steun gesteld: «In dergelijke gevallen kunnen beperkingen van de winstgevendheid en/of terugvorderingen gekoppeld aan mogelijke positieve scenario's nodig zijn om de evenredigheid te waarborgen».
Naar aanleiding hiervan volgde uit de goedkeuringsbeschikking van de Europese Commissie voor de SDE++ dat het Besluit SDEK moest worden aangepast, zodat bij het bepalen van de mate van steun rekening wordt gehouden met behaalde overwinsten. Dit is in het eerder aangehaalde wijzigingsbesluit van 2024 verwerkt voor de toewijzingsprocedure volgorde van binnenkomst.
Uit de wijze waarop de Europese Commissie haar richtsnoeren 2022 in de goedkeuring van de SDE++ heeft toegepast, moet worden geconcludeerd dat de invoering van de mogelijkheid om subsidie terug te vorderen indien de elektriciteitsprijzen hoog zijn, ook noodzakelijk is voor het verlenen van subsidie op basis van volgorde van rangschikking.
Voor het onderhavige wijzigingsbesluit betekent ten eerste dat het mechanisme overwinsten helpt tegen te gaan door het mogelijk te maken om, indien de som van correcties boven het tenderbedrag komt, geen subsidie te verlenen of eerder verleende subsidievoorschotten terug te vorderen. Ten tweede betekent dit dat moet worden verzekerd dat het genoemde mechanisme in ieder geval van toepassing zal zijn op productie-installaties voor hernieuwbare elektriciteit opgewekt uit wind- en zonne-energie.
De nu voorliggende aanpassing van het Besluit SDEK maakt het mogelijk om SDEK-subsidie te verminderen in het geval dat een SDEK-project dat is toegewezen via de procedure volgorde van rangschikking overwinsten heeft behaald. Deze mogelijkheid geldt niet generiek voor alle categorieën productie-installaties van de SDEK, maar kan bij ministeriële regeling op specifieke categorieën productie-installaties van toepassing worden verklaard. Met het mechanisme ter vermindering van subsidie bij overwinsten (hierna: overwinstverrekening) blijft de aard van de SDEK als basis om subsidie te verlenen onveranderd. Dit betekent dat ook voor SDEK-subsidieontvangers op wie het nieuwe mechanisme van toepassing is, blijft gelden dat zij altijd netto nul of meer subsidie ontvangen. In het vorige wijzigingsbesluit uit 2024 is de overwinstverrekening voor subsidies op toewijzing van volgorde van binnenkomst al toegelicht. De methodiek in dit wijzigingsbesluit is vrijwel identiek voor subsidies op toewijzing van volgorde van rangschikking, maar is voor de begrijpelijkheid opnieuw hieronder uiteengezet. Een verschil is de verwisseling van de term «fasebedrag» voor «tenderbedrag» en de bijbehorende verwijzingen naar de artikelen in het Besluit SDEK.

Figuur 1 Schematische weergave mechanisme ter vermindering subsidie bij overwinsten
Figuur 1 geeft een schematische weergave van overwinstverrekening. Bij het wijzigingsbesluit uit 2024 is het begrip «opbrengstgrensbedrag» geïntroduceerd. In het huidige wijzigingsbesluit wordt de werking hiervan uitgebreid naar toewijzing van subsidie op volgorde van rangschikking. In figuur 1 is de som van correcties elektriciteitsprijs (of eventueel de basiselektriciteitsprijs), de waarde van garanties van oorsprong, andere correcties en eventueel de waarde van verhandelbare emissierechten uit het Emission Trading System (hierna: ETS) Wanneer de som van de correcties waarmee het tenderbedrag wordt gecorrigeerd hoger is dan het opbrengstgrensbedrag, wordt het verschil tussen de som van de correcties en het opbrengstgrensbedrag als overwinst aangemerkt.
Het opbrengstgrensbedrag is altijd hoger dan het tenderbedrag, kan per categorie productie-installaties verschillen en geldt voor de gehele subsidieperiode. In theorie zouden alle inkomsten boven het tenderbedrag als overwinst aangemerkt kunnen worden. De reden om dit niet bij voorbaat te doen, is omdat projecten te maken kunnen krijgen met onvoorziene kostenstijgingen of tegenvallende vollasturen waardoor de gemiddelde kosten per eenheid geproduceerde hernieuwbare energie stijgen. Om te voorkomen dat het nieuwe mechanisme leidt tot onderstimulering van dergelijke projecten wordt daarom een opbrengstgrensbedrag geïntroduceerd. Vanwege het voornoemde ligt het in de rede dat het opbrengstgrensbedrag niet veel hoger dan het tenderbedrag is. De precieze hoogte van het opbrengstgrensbedrag wordt per ministeriële regeling bepaald. In plaats van een bedrag per kilowattuur kan het opbrengstgrensbedrag ook worden vastgesteld als product van het bij betreffende ministeriële regeling vastgestelde factor en het tenderbedrag. De mogelijkheid om het opbrengstgrensbedrag via een factor op het tenderbedrag te definiëren is wenselijk omdat het precieze tenderbedrag waarvoor partijen een bod indienen vooraf onduidelijk is. Een factor biedt dan de mogelijkheid om de overheid meer evenredig mee te laten delen in eventuele overwinsten.
Overwinstverrekening heeft met name gevolgen voor het bepalen van de hoogte van de subsidie en de vastgestelde voorschotten. In het geval van overwinstverrekening bij producenten van hernieuwbare elektriciteit wordt de totale subsidiehoogte over de looptijd grofweg bepaald door voor ieder jaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt, de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit te vermenigvuldigen met het verschil tussen het tenderbedrag en de som van correcties, en hiervan de totale som te nemen. Voor categorieën productie-installaties waarop overwinstverrekening wordt toegepast geldt dat als de som van de correcties hoger is dan het tenderbedrag, de som van de correcties moet worden vergeleken met het opbrengstgrensbedrag. Is de som van de correcties lager dan het opbrengstgrensbedrag, dan geldt dat voor dat kalenderjaar de subsidie nul is. Is de som van de correcties hoger dan het opbrengstgrensbedrag, dan is het subsidiebedrag voor dat kalenderjaar de hoeveelheid geproduceerde energie vermenigvuldigd met het verschil tussen het opbrengstgrensbedrag en de som van de correcties. In dergelijke gevallen geldt voor dat kalenderjaar dus een negatief subsidiebedrag. De totale subsidiehoogte wordt berekend door de totale som van subsidiebedragen per kalenderjaar te nemen. Op deze manier zorgen jaren waarin overwinsten zijn behaald voor een vermindering van het totale subsidiebedrag. Indien de som over alle kalenderjaren negatief is, wordt de totale subsidiehoogte vastgesteld op nul.
Met betrekking tot de voorschotverlening heeft overwinstverrekening voornamelijk gevolgen voor de wijze waarop voorschotten worden vastgesteld. De wijze waarop voorlopige voorschotten worden berekend blijft nagenoeg ongewijzigd. Zoals in de vorige alinea beschreven, kan het met overwinstverrekening voorkomen dat voor een bepaald kalenderjaar het voorschot zoals dat na afloop van het kalenderjaar wordt vastgesteld, negatief is. In dat geval vordert de Minister van Klimaat en Groene Groei (hierna: de minister) dit te veel betaalde voorschot terug tot aan het netto totaal dat de subsidieontvanger aan bedragen heeft ontvangen. Er wordt dus nooit meer teruggevorderd dan de subsidieontvanger eerder aan voorschotten heeft ontvangen. Indien er na terugvordering nog te veel betaald voorschot resteert, verrekent de minister dit bedrag met in latere jaren uit te keren voorschotten..
|
Jaar |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
15 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
|
Feitelijke productie |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
100 |
|
Basiselektriciteitsprijs o.g.v. art. 19 |
35 |
35 |
35 |
35 |
35 |
35 |
35 |
35 |
35 |
35 |
35 |
35 |
35 |
35 |
35 |
|
Tenderbedrag o.g.v. art. 19 en 20 |
70 |
70 |
70 |
70 |
70 |
70 |
70 |
70 |
70 |
70 |
70 |
70 |
70 |
70 |
70 |
|
Opbrengstgrensbedrag o.g.v. art. 20a |
80 |
80 |
80 |
80 |
80 |
80 |
80 |
80 |
80 |
80 |
80 |
80 |
80 |
80 |
80 |
|
Voorlopige som correcties o.g.v. artikel 22, lid 5 (incl. basiselektriciteitseprijs) |
70 |
70 |
100 |
90 |
75 |
45 |
55 |
85 |
125 |
80 |
35 |
35 |
35 |
50 |
70 |
|
Som correcties o.g.v. artikel 22, lid 4 (incl. basiselektriciteitsprijs) |
70 |
100 |
90 |
75 |
45 |
55 |
85 |
125 |
80 |
35 |
35 |
35 |
50 |
70 |
55 |
|
Som maandelijkse bedragen o.g.v. art. 68, eerste lid |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
2.500 |
1.500 |
0 |
0 |
0 |
3.500 |
3.500 |
3.500 |
2.000 |
0 |
|
Verrekening: inhouding of nabetaling |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
–500 |
0 |
0 |
0 |
0 |
–500 |
0 |
0 |
0 |
0 |
|
Netto aan voorschotten ontvangen bedrag vóór terugvordering (som als omschreven in art. 68, derde lid) |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
2.000 |
2.500 |
500 |
0 |
0 |
3.000 |
6.500 |
10.000 |
10.500 |
8.500 |
|
Vastgesteld voorschot |
0 |
–2.000 |
–1.000 |
0 |
2.500 |
1.500 |
–500 |
–4.500 |
0 |
3.500 |
3.500 |
3.500 |
2.000 |
0 |
1.500 |
|
Terugvordering o.g.v. art. 68, derde lid |
0 |
0 |
0 |
0 |
0 |
1.000 |
2.000 |
500 |
0 |
0 |
0 |
0 |
1.500 |
2.000 |
0 |
|
Saldo te verrekenen voorschotten o.g.v. art. 68, vierde lid |
0 |
–2.000 |
–3.000 |
–3.000 |
–500 |
0 |
0 |
–4.000 |
–4.000 |
–500 |
0 |
0 |
0 |
0 |
1.500 |
|
Vastgestelde subsidiehoogte o.g.v art. 23a |
10.000 |
Het rekenvoorbeeld in tabel 1 dient ter illustratie van de werking van overwinstverrekening. Een fictieve producent van hernieuwbare elektriciteit krijgt voor een looptijd van vijftien jaar subsidie en produceert in dat jaar een constante hoeveelheid van 100. Het verloop in dit voorbeeld is hetzelfde als dat in figuur 1. Hieronder wordt het verloop tot en met jaar 7 toegelicht. In jaar 1 is de som van correcties gelijk aan het tenderbedrag en lager dan het opbrengstgrensbedrag. Er wordt geen voorschot uitgekeerd. In jaar 2 is de som van correcties groter dan het opbrengstgrensbedrag en wordt € 2.000 aan te verrekenen overwinsten geboekt. Dit uit zich in een vastgesteld voorschot van € –2.000. Aangezien er tot dan toe nog geen betalingen zijn gedaan aan de subsidieontvanger, vindt er geen terugvordering plaats. Dit bedrag zal worden verrekend met nog uit te keren voorschotten. Ook in jaar 3 worden overwinsten geboekt, waardoor het saldo van nog te verrekenen voorschotten op € –3.000 uitkomt. In jaar 5 daalt de som van correcties onder het indieningsbedrag en wordt er een positief voorschot vastgesteld van € 2.500. Dit leidt niet tot een uitkering van een voorschot, maar het zorgt ervoor dat het saldo van te verrekenen voorschotten oploopt van € –3.000 naar € –500. Voor jaar 6 zou het voorlopige voorschot € 2.500 zijn, maar daalt dit vanwege een negatief verrekensaldo naar € 2.000. Er resteren op dat punt geen te verrekenen overwinsten meer. Het vastgestelde voorschot in dat jaar bedraagt € 1.500, en het verschil van € 1.000 tussen het voorlopige en vastgestelde voorschot wordt teruggevorderd. In jaar 7 stijgt de marktprijs weer boven het opbrengstgrensbedrag en bedraagt het vastgesteld voorschot € –500. Het verschil tussen het vastgestelde voorschot en het voorlopige voorschot, € 2.000, wordt teruggevorderd.
Dit wijzigingsbesluit regelt dat de hoogte van het opbrengstgrensbedrag overeenkomstig de systematiek van het Besluit SDEK bij ministeriële regeling wordt vastgesteld.
In de onderdelen A en E worden twee omissies hersteld. De noodzaak wordt hieronder beschreven.
Op basis van artikel 3, tweede lid van het Besluit SDEK kan in twee situaties toch subsidie worden verleend, ook als het een bestaande productie-installatie betreft of als er een investeringsverplichting is aangegaan voor een nog niet-bestaande productie-installatie. Artikel 5a regelde voor artikel 3, tweede lid, onderdeel b, dat als er twee of meer beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie of CO2-reductie, dat eerst de subsidiabele productie van de eerder afgegeven beschikking of beschikkingen volledig moet worden benut voordat je aan de later beschikking toekomt. Deze situatie kan zich echter ook bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, onderdeel a, voordoen. Een voorbeeld is dat er al eerder een beschikking voor geothermie is verleend en er een tweede beschikking voor een aanvullende geothermieput bijkomt, want die vormen samen dezelfde productie-installatie. Ook in die situatie is het beoogd dat eerst de subsidiabele productie van de eerdere beschikking wordt gebruikt en dan pas die van de latere beschikking. Dit was voorheen ook zo geregeld, maar is door een omissie in de wijziging van het Besluit SDEK in 2024 onterecht komen te vervallen. Deze omissie wordt bij onderhavig besluit hersteld.
Er kan zich de situatie voordoen dat onzeker is of subsidie nodig is voor hernieuwbare elektriciteit uit windparken op zee. In dat geval heeft de Minister op basis van artikel 14a, tweede lid, van de Wet windenergie op zee, de bevoegdheid om twee of meer vergunningverleningsprocedures tegelijkertijd open te zetten. Dit wijzigingsbesluit regelt dat de aanvraag voor subsidie in dat geval kan worden afgewezen indien de vergunning al op basis van een andere procedure is verleend. Op deze manier wordt voorkomen dat een project zonder de benodigde vergunning subsidie kan verkrijgen. Ook wordt voorkomen dat onnodig subsidie wordt verleend als een windpark op zee ook zonder subsidie een sluitende businesscase heeft. Bij ministeriële regeling wordt bepaald of deze mogelijkheid van toepassing is op de vergunningverleningsprocedures.
Dit wijzigingsbesluit is in nauwe samenwerking met de RVO opgesteld. De RVO geeft aan in staat te zijn de aangebrachte wijzigingen in het Besluit SDEK uit te kunnen voeren.
Voor de toevoeging van overwinstverrekening aan de toewijzingsprocedure volgorde bij rangschikking geldt dat de regeldrukeffecten voor potentiële SDEK-subsidieontvangers, zoals windparkontwikkelaars, beperkt zijn. Potentiële SDEK-subsidieontvangers moeten kennisnemen van de nieuwe regelgeving voor de toewijzing op volgorde van rangschikking. Het bedrag zelf dat in verband met overwinstverrekening wordt teruggevorderd is geen onderdeel van de regeldrukkosten. SDEK-subsidieontvangers hoeven geen extra gegevens te overleggen in verband met overwinstverrekening en worden automatisch door de RVO op de hoogte gesteld als er sprake is van een terugvordering of verrekening. Voor de bepaling van overwinstverrekening is ook de ministeriële regeling relevant die op een later moment wordt vastgesteld. Voor het bepalen van de kosten van het kennisnemen van deze wijziging wordt ervan uitgegaan dat gemiddeld 5 personen per geïnteresseerde partij hier kennis van moeten nemen. Per tender gaan we uit van gemiddeld 15 geïnteresseerde partijen.
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk heeft dit wijzigingsbesluit niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk heeft.
|
Handelingen |
Kosten |
|---|---|
|
Kennisneming van nieuwe regelgeving (overwinstverrekening) (15*5*77 euro) |
€ 5.775 |
In een marktconsultatie met windparkontwikkelaars in januari 2025 is uitvoerig stilgestaan bij dit wijzigingsbesluit en met name bij de invoering van een overwinstbeperking wanneer windparken weer vergund zouden worden via een procedure met subsidie conform de wet windenergie op zee. De vragen over onder andere de wenselijkheid en werking van het opbrengstgrensbedrag zijn in december 2024 schriftelijk gedeeld met en in een plenaire digitale bijeenkomst toegelicht aan alle windparkontwikkelaars die interesse hebben of al opereren binnen de Nederlandse sector voor windenergie op zee. Partijen gaven aan zich te kunnen vinden in de afwegingen om een overwinstbeperking in te voeren en zien idealiter graag een eerlijke risicoverdeling tussen overheid en ontwikkelaar. De systematiek van een overwinstbeperking is reeds breed getoetst bij het vorige wijzigingsbesluit, dat zag op de invoering hiervan voor een verdeling van subsidie op volgorde van binnenkomst. Hierdoor is de verwachting dat een internetconsultatie niet zal leiden tot aanpassing van het ontwerpbesluit en is er voor gekozen om het ontwerpbesluit alleen te consulteren bij partijen die betrokken zijn bij het ontwikkelen van windenergie op zee.
Een concept van dit wijzigingsbesluit is gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van richtlijn 2015/1535 van het Europees parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L 241). Het gaat hier om technische specificaties of andere eisen die verbonden zijn met fiscale of financiële maatregelen. Hiervoor geldt op grond van artikel 7, vierde lid, van de richtlijn 2015/1535 geen standstill-termijn.
Deze onderdelen maken het mogelijk om bij de berekening van de subsidie te kunnen rekenen met het opbrengstgrensbedrag als het gaat om het verstrekken van subsidie op volgorde van rangschikking voor hernieuwbare elektriciteit zoals opgenomen in paragraaf 3.3 van het Besluit SDEK.
Op grond van het nieuwe artikel 20a kan de minister een opbrengstgrensbedrag vaststellen dat een absoluut bedrag kan zijn of het product van een factor en het tenderbedrag. Het nieuwe artikel 20a ziet op subsidies voor producenten met productie-installaties die behoren tot een bij ministeriële regeling aangewezen categorie waarvoor een opbrengstgrensbedrag is vastgesteld. Dit artikel bepaalt de wijze waarop de subsidiehoogte wordt bepaald voor de aangewezen categorieën productie-installaties. Ten opzichte van de subsidiehoogte die op grond van artikel 20 wordt berekend, wordt in het nieuwe artikel rekening gehouden met de situatie waarin de som van de op grond van artikel 22 vastgestelde correcties groter is dan het indieningsbedrag en groter is dan het opbrengstgrensbedrag. Hierdoor wordt het mogelijk om voor individuele kalenderjaren tot negatieve bedragen te komen. Deze negatieve bedragen worden bij het vaststellen van de totale subsidiehoogte verrekend met kalenderjaren waarin wel sprake is van een positieve subsidie. Indien de totale som die op grond van de nieuwe artikelen is berekend negatief is, dan bedraagt de subsidiehoogte nul. De overige leden van artikel 22 zijn van overeenkomstige toepassing op de nieuwe artikelen, met uitzondering van de leden die zien op het meenemen van overproductie als in een jaar meer is geproduceerd dan verwacht (backward banking). Dit betekent dat het voor categorieën productie-installaties waarvoor een opbrengstgrensbedrag is vastgesteld wel mogelijk is om onderproductie mee te nemen naar latere kalenderjaren, maar niet om overproductie (forward banking) mee te nemen. Hiervoor is gekozen omwille van het uitvoerbaar houden van de vaststelling van de subsidiehoogte voor deze categorieën productie-installaties.
Aan artikel 59 wordt een lid toegevoegd. Dit lid regelt het volgende. Indien op basis van de Wet windenergie op zee tegelijkertijd twee vergunningverleningsprocedures worden opengezet, waaronder een procedure met subsidie en een procedure zonder subsidie, dan zal een aanvraag voor subsidie worden afgewezen indien de vergunning is verleend op basis van de procedure zonder subsidie. Hiermee wordt voorkomen dat onnodig een subsidiebeschikking wordt verleend.
Dit artikel regelt dat onderhavig wijzigingsbesluit met ingang van 1 januari 2026 in werking treedt. De inwerkingtredingsdatum is in overeenstemming met het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten. Er wordt niet voldaan aan de redelijke termijn tussen publicatie van het besluit en de inwerkingtreding ervan, maar dit is gerechtvaardigd in verband met het belang van producenten die in de toekomst windenergie op zee wensen te produceren en het belang van het realiseren van de klimaatdoelstellingen uit de Klimaatwet.
De Minister van Klimaat en Groene Groei, S.Th.M. Hermans
AFRY (2024), Offshore Wind Energy Market Study – Implications for Tenders IJmuiden Ver Gamma and Nederwiek I.
Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van klimaat, milieubescherming en energie 2022: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:52022XC0218(03).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2025-436.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.