Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Justitie en Veiligheid van 12 juni 2024, directie
Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 5533013;
Gelet op artikel 17 van de Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch
materiaal;
Hebben goedgevonden en verstaan:
’s-Gravenhage, 14 juni 2024
Willem-Alexander
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D. Yeşilgöz-Zegerius
Uitgegeven de vijfentwintigste juni 2024
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D. Yeşilgöz-Zegerius
NOTA VAN TOELICHTING
De Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal treedt in werking
met ingang van 1 juli 2024. De artikelen 9, 12 en 13, onderdelen 4 en 5, treden op
een later moment in werking.
Artikel 9 geeft de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal
(ATKM) de bevoegdheid om een opgelegde bestuurlijke boete openbaar te maken. Artikel
12 ziet op het behoud van het kinderpornografisch materiaal en de daarbij bijbehorende
persoonsgegevens door de ATKM met het oog op een goede uitvoering van haar taak, en
regels over de wijze waarop dit materiaal kan worden gebruikt ten behoeve van de strafvordering
of de bestuursrechtelijke procedure.
Ter uitvoering van de artikelen 9 en 12 moet een algemene maatregel van bestuur (hierna:
amvb) worden opgesteld. Over de precieze vormgeving van de amvb bij de artikelen 9
en 12 vindt nog overleg plaats met de ATKM. De amvb moet vervolgens nog in consultatie
worden gegeven en voor advies worden voorgelegd aan de Afdeling advisering van de
Raad van State. Zodra dat proces is afgerond, zullen de amvb en de artikelen 9 en
12 van de wet in werking treden. Ten aanzien van het behoud van kinderpornografisch
materiaal is met de ATKM afgesproken dat zij per de datum van inwerkingtreding van
deze wet beleidsregels zal hebben ten aanzien van dat onderwerp totdat de amvb gereed
is.
Het verbod op kindersekspoppen (nieuw artikel 253a van het Wetboek van Strafrecht)
is bij amendement van het lid Michon-Derkzen in deze wet opgenomen.1 Dit onderdeel van de wet, dat is opgenomen in artikel 13, onderdeel 4, zoals dat
artikel luidt na inwerkingtreding van artikel 14, onderdeel a, subonderdeel d, van
de wet, moet nog worden genotificeerd. Blijkens de toelichting op het amendement was
het lid Michon-Derkzen zich van die verplichting bewust en stelde zij om die reden
voor dit onderdeel na afronding van de notificatieprocedure in werking te laten treden.
Zodra dit proces is afgerond, kan dit onderdeel van de wet in werking treden.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D. Yeşilgöz-Zegerius