Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 2021, 442AMvB

Besluit van 22 september 2021 tot wijziging van het Besluit Participatiewet in verband met de financiering van de loonkostensubsidies

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 juli 2021, nr. 2021-0000006790;

Gelet op artikel 69, derde lid, van de Participatiewet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 25 augustus 2021, No. W12.21.0190/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 september 2021, nr. 2021-0000143390;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit Participatiewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel f wordt «gemeentelijke lasten op grond van de PW» vervangen door «gemeentelijke uitkeringslasten op grond van de PW».

2. In onderdeel f wordt «, met uitzondering van de algemene bijstand ten behoeve van zelfstandigen, en verstrekte loonkostensubsidies op grond van de wet» vervangen door «op grond van de wet, met uitzondering van de algemene bijstand ten behoeve van zelfstandigen».

3. Onder verlettering van de onderdelen g tot en met o tot h tot en met p wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

g. gemeentelijke netto uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW:

de netto uitgaven in het jaar, voorafgaand aan het jaar waarover de loonkostensubsidie wordt vastgesteld, volgens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a, eerste lid, van de Financiële-verhoudingswet, in verband met de door het college verstrekte loonkostensubsidies op grond van de Participatiewet;

B

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt na «BDTI» toegevoegd «+ BLKS».

b. In onderdeel c vervalt «en».

c. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel d door «; en» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • e. BLKS het deel van de uitkering is dat wordt verstrekt ten behoeve van de loonkostensubsidies.

2. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b wordt «gemeentelijke lasten op grond van de PW» vervangen door «gemeentelijke uitkeringslasten op grond van de PW».

b. Onderdeel c komt te luiden:

  • c. TL het totaal is van de gemeentelijke uitkeringslasten op grond van de PW en de gemeentelijke lasten op grond van de IOAW, de IOAZ en het Bbz 2004 voor alle gemeenten samen.

3. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «BDTI = m * GU/TGU * TB» vervangen door «BDTI = m * GU/TGU * (TB – TBLKS)».

b. Na onderdeel c wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van dat onderdeel door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. TB – TBLKS staat voor het beschikbare macrobudget, verminderd met het deel van het macrobudget dat wordt verdeeld ten behoeve van de loonkostensubsidies, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c.

4. Onder vernummering van het vijfde tot en met zevende lid tot zesde tot en met achtste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

5. Het deel van het budget dat wordt verstrekt ten behoeve van de loonkostensubsidies, wordt bepaald aan de hand van de volgende formule:

BLKS = LKS/TLKS * TBLKS

Waarbij:

  • a. LKS staat voor de gemeentelijke netto uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW;

  • b. TLKS staat voor het totaal van de gemeentelijke netto uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW; en

  • c. TBLKS het deel van het beschikbare macrobudget is dat wordt verdeeld ten behoeve van de loonkostensubsidies.

5. Het zesde lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. «bedoeld in het derde lid» wordt vervangen door «bedoeld in het zevende lid».

b. «en de som van de gemeentelijke uitkeringen ten behoeve van uitkeringen aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners, bedoeld in het vierde lid» wordt vervangen door «de som van de gemeentelijke uitkeringen ten behoeve van uitkeringen aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners, bedoeld in het achtste lid, en het deel van het beschikbare macrobudget dat wordt verdeeld ten behoeve van de loonkostensubsidies, bedoeld in het negende lid».

6. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 9. Het deel van het beschikbare macrobudget dat wordt verdeeld ten behoeve van de loonkostensubsidies, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel c, betreft een raming van de totale gemeentelijke netto uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW in het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld.

C

In artikel 6, eerste lid, vervalt «en de kosten van de loonkostensubsidies, bedoeld in artikel 69, eerste lid, onderdeel b, van de wet».

D

Artikel 7, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. «gemeentelijke lasten op grond van de PW» wordt vervangen door «gemeentelijke uitkeringslasten en gemeentelijke uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW».

2. «artikel 3, derde en zesde lid» wordt vervangen door «artikel 3, derde en zevende lid».

E

Artikel 8, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «artikel 3, derde en zevende lid» vervangen door «artikel 3, derde en achtste lid».

2. In onderdeel a wordt «gemeentelijke lasten op grond van de PW» vervangen door «gemeentelijke uitkeringslasten op grond van de PW».

3. Na onderdeel a wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. de gemeentelijke uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW;

F

In artikel 9a, eerste lid, wordt «de netto lasten op grond van de wet,» vervangen door «de netto uitkeringslasten en de netto uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de wet en de netto lasten op grond van».

G

Artikel 13a komt te luiden:

Artikel 13a

  • 1. Onze Minister zendt voor 1 januari 2025 een verslag over de doeltreffendheid en de effecten in de praktijk van artikel 3, vijfde en achtste lid.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de monitoring van de inzet van loonkostensubsidies en de evaluatie van artikel 3, vijfde en achtste lid.

H

De Bijlage behorende bij artikel 6 van het Besluit Participatiewet wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanhef komt te luiden:

Deze bijlage bevat een nadere toelichting bij de verdeelsystematiek, zoals deze is beschreven in artikel 3, tweede tot en met vijfde lid, van het Besluit. Artikel 3, zesde tot en met negende lid, gaat over de omvang van de deelbudgetten. Daarnaast bevat deze bijlage een toelichting op het objectieve verdeelmodel zoals genoemd in artikel 6 van het Besluit.

De berekeningswijze van het deelbudget voor loonkostensubsidies en de wijze waarop dit wordt verdeeld, wordt aan het eind van deze bijlage toegelicht.

2. De paragraaf «Algemene beschrijving verdelingssystematiek» wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan het opschrift wordt toegevoegd «bijstandsuitgaven».

b. Na het opschrift wordt een alinea ingevoegd, luidende:

Deze beschrijving gaat over de totstandkoming van de deelbudgetten ten behoeve van de bijstandsuitkeringen, oftewel de delen van het beschikbare macrobudget die objectief, op basis van historische lasten en ten behoeve van dak- en thuislozen en instellingsbewoners worden verdeeld.

3. In de paragrafen «Gemeenten met 15.000 inwoners of minder» en «Gemeenten met meer dan 15.000 maar minder dan 40.000 inwoners» wordt «gerealiseerde gemeentelijke lasten» vervangen door «gerealiseerde gemeentelijke uitkeringslasten».

4. De paragraaf «Objectief vastgestelde (deel van de) uitkering voor gemeenten met meer dan 15.000 inwoners» wordt als volgt gewijzigd:

a. «alle historisch verdeelde (delen van de) uitkeringen en de uitkeringen voor dak- en thuislozen en instellingsbewoners» wordt vervangen door «het historisch berekende deel van de uitkering, de uitkering ten behoeve van dak- en thuislozen en instellingsbewoners en het deelbudget ten behoeve van loonkostensubsidies».

b. «Deze systematiek garandeert dat de historisch verdeelde uitkeringen en de uitkeringen ten behoeve van dak- en thuislozen en instellingsbewoners onafhankelijk van de objectieve verdeling worden vastgesteld.» vervalt.

5. De paragraaf «De totale (voorlopige) uitkering en de bekendmaking daarvan» wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste zin wordt « en de uitkering ten behoeve van dak- en thuislozen en instellingsbewoners» vervangen door «, de uitkering ten behoeve van dak- en thuislozen en instellingsbewoners en het deelbudget ten behoeve van de loonkostensubsidies».

b. In de tweede zin wordt «Alle uitkeringsdelen» vervangen door «Alle deelbudgetten».

c. Na «Het beschikbare macrobudget kan nog wijzigen op grond van artikel 71, eerste lid, van de Pw waarmee het gemeentelijk budget ook kan wijzigen.» wordt een zin ingevoegd, luidende:

Ook de verdeling tussen de deelbudgetten kan wijzigen als gevolg van wijziging in het deelbudget ten behoeve van de loonkostensubsidies.

6. De paragraaf «Het objectief verdeelmodel» wordt als volgt gewijzigd:

a. «of werken met inzet van loonkostensubsidie» vervalt.

b. «In het verdeelmodel wordt rekening gehouden met de instroom van de nieuwe doelgroep in de Participatiewet door ervan uit te gaan dat deze instroom 75% bedraagt van de historische instroom van gedeeltelijk arbeidsgehandicapten in de WSW en de Wajong in de periode 2011 tot en met 2014.» vervalt.

7. Tabel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a. «Andere uitkering» wordt vervangen door «Andere uitkering of loonkostensubsidie».

b. Na «Pensioenuitkering in hh Huishouden CBS» wordt een regel ingevoegd, luidende:

Loonkostensubsidies in hh

Huishouden

CBS

8. Na de paragraaf «Berekeningswijze uitkering ten behoeve van dak- en thuislozen en instellingsbewoners» wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Berekeningswijze uitkering ten behoeve van de loonkostensubsidies

De verdeling van het deel van het beschikbare macrobudget ten behoeve van de loonkostensubsidies wordt gebaseerd op het uitgavenaandeel aan loonkostensubsidies (realisaties) van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld (het budgetjaar). Bij het vaststellen van de voorlopige budgetten, voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het budgetjaar, zijn er nog geen realisaties beschikbaar. De voorlopige budgetten worden daarom gebaseerd op het uitgavenaandeel aan loonkostensubsidies twee jaar, voorafgaand aan het budgetjaar. Gedurende het budgetjaar komen de realisaties van het jaar, voorafgaand aan het budgetjaar beschikbaar. De definitieve budgetten worden gebaseerd op deze realisaties.

De omvang van het definitieve resp. voorlopige budget voor loonkostensubsidies voor een individuele gemeente wordt berekend door het aandeel in de totale uitgaven aan loonkostensubsidies van alle gemeenten samen, gebaseerd op de uitgaven van resp. één of twee jaar voor het budgetjaar, te vermenigvuldigen met het deel van het beschikbare macrobudget voor loonkostensubsidies in het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld. Dit deelbudget is gebaseerd op de (verwachte) realisaties van het jaar voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld, vermeerderd met de verwachte oploop van de uitgaven aan loonkostensubsidies in het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld en een correctie voor de loon- en prijsontwikkeling.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2022.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 22 september 2021

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.D. Wiersma

Uitgegeven de negenentwintigste september 2021

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

De aanleiding van deze wijziging is de motie Nijkerken-de Haan, waarin de regering wordt verzocht om over te gaan tot financiering van loonkostensubsidie op basis van realisatie en hiervoor middelen beschikbaar te stellen.1 In reactie hierop is in de Kamerbrief van 10 december 20202 aangekondigd dat de motie wordt uitgevoerd en met ingang van 1 januari 2022 de budgetten voor loonkostensubsidies (LKS), die gemeenten jaarlijks van het Rijk ontvangen, gefinancierd worden op basis van realisaties. Daarop ziet deze wijziging.

2. Motivering instrumentkeuze

Het Ministerie van SZW verstrekt middelen aan gemeenten voor de inzet van LKS, zodat mensen die niet in staat zijn het wettelijk minimumloon te verdienen, gemakkelijker aan het werk komen. Voorheen ontvingen gemeenten middelen voor LKS vanuit het macrobudget Participatiewetuitkeringen. Deze middelen werden verdeeld via het objectieve verdeelmodel dat zowel voor bijstand als LKS werd gebruikt. Dat maakte dat het voor gemeenten onduidelijk was hoeveel middelen er structureel voor LKS beschikbaar waren. Bovendien ging er een negatieve prikkel uit van financiering via het objectieve verdeelmodel, dat stimuleert om de uitgaven, dus ook die aan LKS, te beheersen. De negatieve prikkel was vooral aanwezig voor de groep van mensen met een lage loonwaarde en werkzoekenden zonder uitkering, omdat er voor die mensen tegenover de kosten van LKS niet of nauwelijks een besparing op de uitkering staat. Omdat deze negatieve prikkel indruist tegen de doelstelling in de Participatiewet om zoveel mogelijk mensen met een beperking te laten werken (beschut of regulier), wordt met deze wijziging overgestapt op een financieringswijze waarbij de negatieve prikkel om LKS in te zetten wordt verminderd en het voor gemeenten duidelijker wordt welk budget ze voor LKS ontvangen. Naar verwachting zal LKS vaker ingezet gaan worden voor wie dat nodig heeft om aan het werk te komen en stijgt de arbeidsdeelname onder de doelgroep.

3. Hoofdlijnen van de wijziging

De middelen voor LKS die voorheen via het verdeelmodel bijstand beschikbaar gesteld werden, worden vanaf 2022 verdeeld op basis van de laatst bekende realisaties. Hiertoe wordt een apart deelbudget geraamd, op basis van een zo goed mogelijke inschatting van de te verwachten uitgaven aan LKS van alle gemeenten gezamenlijk.

Dit is een stap vooruit om ervoor te zorgen dat meer mensen aan het werk komen die daarbij het instrument LKS nodig hebben. Met deze wijziging wordt geregeld dat gemeenten historisch worden gefinancierd voor LKS, oftewel op basis van daadwerkelijke uitgaven. Binnen het macrobudget komt een apart deelbudget LKS, gebaseerd op de gerealiseerde uitgaven van alle gemeenten samen in het vorige jaar (t-1), de verwachte oploop van de uitgaven en een correctie voor de loon- en prijsontwikkeling. Het definitieve deelbudget LKS wordt verdeeld op basis van de gerealiseerde uitgavenaandelen van een jaar eerder (t-1). Bij de bekendmaking van de voorlopige budgetten zijn de gerealiseerde uitgaven t-1 nog niet bekend en wordt gewerkt met de gerealiseerde uitgaven van twee jaar voor het budgetjaar (t-2). Deze financieringswijze past goed binnen het bestaande financieringsstelsel van de Participatiewet. Alle middelen voor bijstandsuitkeringen, LKS en begeleiding worden immers vooraf gebudgetteerd, waarbij kleine gemeenten reeds via historische uitgavenaandelen worden bekostigd voor bijstandsuitkeringen en LKS. Ook de financiering van de uitkeringen aan dak- en thuislozen en instellingsbewoners gebeurt op basis van historische uitgavenaandelen (t-2). Door de verdeling van de voorlopige LKS-budgetten te baseren op de gerealiseerde uitgaven t-2 en de definitieve budgetten te baseren op de gerealiseerde uitgaven t-1, vindt er tussentijds een aanpassing in de verdeelsleutel plaats. Dit wijkt af van de verdelingssystematiek voor de bijstandsuitkeringen, waarbij de verdeelsleutel na vaststelling van de voorlopige budgetten in principe niet meer wijzigt. De reden dat hiervoor is gekozen is dat daarmee sneller wordt aangesloten bij de laatst bekende realisaties.

Om LKS goed te laten werken, dienen gemeenten daarnaast zorg te dragen voor goede begeleiding. Hiertoe verstrekt het Rijk begeleidingsmiddelen via de integratie uitkering sociaal domein (in het gemeentefonds). Over de verdeling van deze en de overige middelen in het gemeentefonds loopt momenteel een apart traject (de herijking van de algemene uitkering) waarbij gemeenten door de fondsbeheerders nauw worden betrokken. Vanwege de demissionaire status van het kabinet zal het aan een nieuw kabinet worden gelaten om te besluiten over eventueel aanvullende middelen.

4. Gevolgen

Het wijzigingsbesluit heeft gevolgen voor gemeenten. Sommige gemeenten zetten nu om financiële redenen beperkt in op het gebruik van LKS en krijgen meer geld dan ze aan LKS uitgeven. Andere gemeenten die vooroplopen met LKS krijgen bij de huidige financieringswijze minder geld voor LKS dan dat ze eraan uitgeven. Met de nieuwe financieringswijze wordt beoogd dat alle gemeenten hun eerlijke aandeel in het LKS-budget krijgen en alle gemeenten, zowel voor- als achterlopers, gestimuleerd worden om sterk in te (blijven) zetten op LKS. Het voorstel biedt zekerheid over de structurele financiering van LKS-uitgaven.

Inherent aan de overgang naar een nieuwe verdelingssystematiek is dat sommige gemeenten erop vooruitgaan en andere gemeenten erop achteruitgaan. De effecten zijn in een aantal gevallen relatief groot, maar de jaarlijkse update van het verdeelmodel bijstand naar actuele gegevens leidt tot grotere budgetmutaties. Daarom worden de effecten acceptabel geacht en hebben deze in bestuurlijk overleg met de VNG geen aanleiding gegeven tot een ingroeipad.

De verwachte effecten van de wijziging in 2022 zijn hieronder op twee manieren weergegeven:

5. Uitvoeringstoetsen en adviezen

Dit wijzigingsbesluit betreft de wijze van verdelen van Rijksbudget naar gemeenten. De betrokken partijen zijn gemeenten, Divosa en de VNG. Zij zijn uitvoerig betrokken geweest bij het beleidsvoornemen en de uitwerking daarvan. In bestuurlijk overleg zijn het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister) en VNG (bestuurders) vervolgens overeengekomen hoe het beleidsvoornemen uitwerkt.

Het wijzigingsbesluit is vervolgens voorgelegd aan ATR voor advies over de regeldruk en aan VNG en het Uitvoeringspanel gemeenten voor uitvoeringstoets. Hierna volgen hun reacties.

ATR

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.

VNG

De VNG is het eens met het principe dat de LKS verdeeld wordt op basis van realisatie. Het voorstel dat er nu ligt is volgens de VNG echter onvoldoende en doet ook geen recht aan de motie. De VNG verstaat onder verdelen op basis van realisatie dat gemeenten achteraf met terugwerkende kracht de daadwerkelijke kosten van de LKS vergoed krijgen. In het voorstel dat nu voorligt is dat niet het geval. De verdeling van de loonkostensubsidies wordt gebaseerd op het uitgavenaandeel aan loonkostensubsidies van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarover de uitkering wordt vastgesteld (het budgetjaar). De VNG vindt de aanpassing een stap in de goede richting, maar de VNG had liever gezien dat er een extra impuls voor gemeenten was gekomen door, in ieder geval tijdelijk, extra middelen beschikbaar te stellen voor LKS en begeleiding. Daarmee krijgen gemeenten die nu minder doen op het gebied van LKS de mogelijkheid om een inhaalslag te maken.

De reactie van de VNG geeft geen aanleiding om de wijziging te herzien. Een declaratiestelsel past namelijk niet binnen de financieringswijze van de Participatiewet zoals vastgelegd in art. 69 van de Participatiewet. Voor de invoering van dit voorstel zijn reeds extra middelen beschikbaar gemaakt op de begroting van SZW. Overige wijzigingen worden vanwege de demissionaire status van het kabinet aan het volgend kabinet gelaten.

Uitvoeringspanel gemeenten

De reacties van het Uitvoeringspanel gemeenten sluiten aan bij de reactie van de VNG en de inbreng van gemeenten in het voorbereidingstraject. Zij onderschrijven de stap naar financiering op basis van realisaties, maar gemeenten hadden liever gezien dat de budgetten direct gekoppeld zouden worden aan de uitgaven (en niet aan uitgaven t-1). Daarnaast maken gemeenten zich zorgen of het macro deelbudget LKS wel voldoende zal zijn voor de uitgaven van alle gemeenten. Er wordt aandacht gevraagd voor de herverdeeleffecten van de wijziging. Ook wordt voorgesteld om de financiering van LKS helemaal los te koppelen van het macrobudget Participatiewetuitkeringen, waarmee de LKS-uitgaven ook niet meer betrokken zouden worden bij het vangnet. Tot slot is aandacht gevraagd voor het (tekort aan) budget voor ondersteuning en begeleiding (met of zonder inzet van LKS). De reacties van het Uitvoeringspanel gemeenten worden ter harte genomen. De toereikendheid van het macro deelbudget LKS zal jaarlijks worden gemonitord en de nieuwe financieringswijze zal na drie jaar geëvalueerd worden. Het signaal over het re-integratiebudget zal betrokken worden bij de bredere discussies over het financieringsstelsel van de Participatiewet.

6. Internetconsultatie

Het in internetconsultatie geven van voorstellen is het uitgangspunt, omdat het een nuttig instrument is ter aanvulling op de bestaande consultatiepraktijk in het wetgevingsproces. In dit geval is echter van internetconsultatie afgezien, vanwege de beschreven betrokkenheid van partijen.

7. Financiële gevolgen

Door de financiering van LKS te baseren op realisaties zullen de uitgaven aan LKS toenemen en de uitgaven aan bijstandsuitkeringen dalen. Bij inzet van LKS is immers bij de meeste mensen sprake van verrekenen van (een deel van) de uitkering (communicerende vaten). Per saldo lopen de Rijksuitgaven op, met structureel € 12 miljoen:

Bedragen in mln.

2020

2021

2022

2023

2024

2025

Struc

Historische financiering LKS

   

3,3

3,8

4,4

4,9

12,0

Verwachting is dat door aanpassing van de financiering de LKS-uitgaven met 5% toenemen. De extra geraamde LKS-uitgaven worden enerzijds veroorzaakt doordat uitgegaan wordt van extra inzet van LKS. Anderzijds wordt aangenomen dat LKS wordt ingezet voor mensen met een lagere loonwaarde, waardoor de prijs van LKS hoger wordt.

Het eerste effect, de extra inzet van LKS, leidt enerzijds tot een toename van de LKS-uitgaven en anderzijds tot een besparing op de uitgaven aan bijstandsuitkeringen. Per saldo is er sprake van lagere uitgaven. Het tweede effect leidt (alleen) tot hogere LKS-uitgaven. Gezamenlijk leiden deze effecten tot een toename van de LKS-uitgaven die circa 20% hoger is dan de besparing op de bijstandsuitgaven.

8. Evaluatie en monitoring

Drie jaar na inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit vindt er een evaluatie plaats. Daarin zal onder meer worden geëvalueerd of de beoogde stimulans van de LKS-uitgaven en de extra inzet voor niet-uitkeringsgerechtigden en mensen met een lage loonwaarde is uitgekomen. De ontwikkeling van de LKS-uitgaven wordt daarbij gemonitord. Voor de evaluatie kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld over het bijhouden van uitvoeringsinformatie over de inzet van loonkostensubsidies.

9. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2022. Publicatie vindt plaats op uiterlijk 1 oktober 2021, zoals artikel 69, vierde lid, van de Participatiewet voorschrijft. Uiterlijk op 1 oktober ontvangen gemeenten een beschikking waarin de budgetverdeling voor het nieuwe jaar wordt vastgesteld. Deze beschikking heeft pas effect vanaf 1 januari, wanneer de uitbetaling van de uitkering aanvangt.

Hiermee is voldaan aan het kabinetsbeleid voor vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijn voor regelgeving, zoals neergelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Dat beleid houdt onder meer in dat algemene maatregelen van bestuur in beginsel in werking treden met ingang van 1 januari of 1 juli. Nieuwe regels of wijzigingen daarvan worden minimaal drie maanden van tevoren worden gepubliceerd als zij, zoals in dit geval, direct relevant zijn voor medeoverheden.

II. Artikelgewijs

Artikel I

Onderdelen A, C, D, E, F en H

Met deze wijzigingen wordt het begrip «gemeentelijke lasten op grond van de PW» opgeknipt in twee onderdelen, te weten «gemeentelijke uitkeringslasten op grond van de PW» en «gemeentelijke netto uitgaven aan loonkostensubsidies op grond van de PW». De uitgaven aan loonkostensubsidies worden hiermee gescheiden van de uitkeringslasten voor de algemene bijstand. Voor de nieuwe verdeling van LKS op basis van realisaties wordt uitgegaan van netto uitgaven, omdat dit de daadwerkelijke uitgaven van gemeenten beter benadert dan de (bruto) lasten. Dit kan aanleiding zijn om bij toekomstige budgetverdelingen ook voor de uitkeringen op grond van de PW en de IOAW, IOAZ en de Bbz 2004 uit te gaan van netto uitgaven. Voordat hierover besloten wordt, zal hiertoe in overleg met gemeenten een nadere verkenning gestart worden.

Onderdeel B

In dit onderdeel wordt in de formule, aan de hand waarvan de uitkering voor een individuele gemeente wordt bepaald, een apart deelbudget gecreëerd voor loonkostensubsidies. Tevens wordt bepaald wat de hoogte is van het deel van het beschikbare macrobudget dat wordt verdeeld ten behoeve van de loonkostensubsidies en wat de verdeling is.

Onderdeel G

Met deze wijziging is artikel 13a, dat inmiddels is uitgewerkt, vervangen. Het nieuwe artikel regelt dat het nieuwe artikel 3, vijfde en negende lid, binnen drie jaar na inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit wordt geëvalueerd. Daarnaast wordt voorzien in een bevoegdheid om regels te kunnen stellen over de monitoring van de inzet van loonkostensubsidies en de evaluatie hiervan, gedelegeerd aan de minister, omdat dit de uitwerking van details betreft. Voor een toelichting op dit punt wordt verwezen naar het algemeen deel van de toelichting onder paragraaf 8.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.D. Wiersma


X Noot
1

Kamerstukken II 2020/21, 35 570-XV, nr. 32.

X Noot
2

Kamerstukken II 2020/21, 34 352, nr. 204.