Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 8 juni 2021, Directie
Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 3361385;
Gelet op artikel XVII van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen; (Stb. 2020, 507)
Hebben goedgevonden en verstaan:
Enig artikel
In het enig artikel van het Besluit van 1 december 2020 tot vaststelling van het tijdstip
van inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (Stb. 2020, 508) wordt na «treedt in werking met ingang van 1 juli 2021» toegevoegd «, met uitzondering
van artikel I, onderdelen E, onder 1, FA, L, X en BBBA».
’s-Gravenhage, 11 juni 2021
Willem-Alexander
De Minister voor Rechtsbescherming,
S. Dekker
Uitgegeven de achttiende juni 2021
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus
NOTA VAN TOELICHTING
Dit besluit wijzigt het inwerkingtredingsbesluit van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen
(hierna: de WBTR).
De wijziging ziet allereerst op het uitzonderen van artikel I, onderdelen E, onder
1, FA, L en BBBA, van de WBTR van de inwerkingtreding op 1 juli 2021. Deze onderdelen
faciliteren de keuze van verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen
(hierna: owm’en) en stichtingen voor een monistisch bestuursmodel. De onderdelen bevatten
daartoe een wettelijke grondslag in Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)
voor de mogelijkheid tot het instellen van een monistisch bestuursmodel voor deze
rechtspersonen. Bij een monistisch bestuursmodel zitten uitvoerende en niet-uitvoerende
bestuurders in het bestuursorgaan; er is geen aparte raad van commissarissen.
Met dit besluit wordt de inwerkingtreding van de bepalingen die het monistisch bestuursmodel
faciliteren bij verenigingen, coöperaties, owm’en en stichtingen uitgesteld tot een
nader bij koninklijk besluit te bepalen datum. Die bepalingen en de benodigde wijziging
van de artikelen 28 en 29 van het Handelsregisterbesluit 2008 zullen in werking treden
wanneer de technische mogelijkheid is gerealiseerd voor verenigingen, coöperaties,
owm’en en stichtingen om in het handelsregister aan te geven of een bestuurder uitvoerend
of niet-uitvoerend is. Het vooralsnog ontbreken van deze wettelijke grondslag doet
er niet aan af dat in de praktijk bij deze rechtspersonen al wordt gewerkt met een
monistisch bestuursmodel (vgl. Kamerstukken II 2015–16, 34 491, nr. 3, p. 4 en Kamerstukken II 2018–19, 34 491, nr. 6, p. 3). Die praktijk kan ongewijzigd worden voortgezet.
Ten tweede ziet dit besluit op het uitzonderen van artikel I, onderdeel X, WBTR van
de inwerkingtreding op 1 juli 2021. Dat onderdeel regelt dat een vierde lid aan artikel
2:142 BW wordt toegevoegd waarin bepaald wordt dat de statuten van de NV een regeling
moeten bevatten voor ontstentenis of belet, bijvoorbeeld door defungeren, ontslag
of langdurige ziekte van (alle) commissarissen voor het geval de NV een raad van commissarissen
kent. Dit onderdeel kan nog niet in werking treden omdat abusievelijk geen overgangsrecht
bij de NV voor deze bepaling is opgenomen in de WBTR. Voor de vereniging, BV en de
stichting bevat de WBTR een soortgelijke regeling voor ontstentenis en belet van commissarissen
(vgl. de artikelen 2:47 lid 5, 2:252 lid 4 en 2:292a lid 5 BW). Voor de NV, vereniging
en stichting is de ontstentenis- en beletregeling voor commissarissen nieuw. Voor
de vereniging en de stichting is in de WBTR om die reden een overgangsbepaling opgenomen
die regelt dat verenigingen en stichtingen bij de eerstvolgende statutenwijziging
na 1 juli 2021 hierover een bepaling in de statuten moeten opnemen (Artikel XV, vierde
lid, WBTR). Voor de ontstentenis- en beletregeling voor commissarissen van de BV geldt
– ook na de inwerkingtreding van de WBTR – de overgangsbepaling uit de Invoeringswet
Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht dat BV’s eerst bij de eerstvolgende
statutenwijziging een ontstentenis- en beletregeling voor commissarissen in de statuten
moeten opnemen (vgl. artikel V.2 lid 7 van de Invoeringswet Wet vereenvoudiging en
flexibilisering bv-recht (Stb. 2012, 300)). Aangezien een dergelijke overgangsbepaling voor de NV ontbreekt, zal in een in
voorbereiding zijnde verzamelwet separaat geregeld worden dat voor NV’s geldt dat
zij eerst bij de eerstvolgende statutenwijziging een ontstentenis- en beletregeling
voor commissarissen in de statuten moeten opnemen. Wanneer deze aanpassing van het
overgangsrecht van de WBTR in werking treedt als onderdeel van de verzamelwet, zal
de ontstentenis- en beletregeling voor commissarissen van de NV uit de WBTR in werking
treden.
De Minister voor Rechtsbescherming,
S. Dekker