Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2019, 62AMvB

Besluit van 5 februari 2019, houdende regels met betrekking tot wijziging van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft in verband met het doorvoeren van wijzigingen naar aanleiding van de analyse van het vakbekwaamheidsbouwwerk

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 19 december 2018, 2018-0000222293, directie Financiële Markten;

Gelet op artikel 4:9, vierde lid, van de Wet op het financieel toezicht;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 23 januari 2019, nr. W06.19.0005/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 31 januari 2019, 2019-0000014763, directie Financiële Markten;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 5 komt de definitie van pensioen te luiden:

pensioen:
  • 1°. pensioenverzekering;

  • 2°. premiepensioenvordering;

  • 3°. uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet tussen een werkgever en een uitvoerder van een algemeen pensioenfonds;

  • 4°. vrijwillige aansluiting bij bedrijfstakpensioenfonds; of

  • 5°. aankoop van een variabele of vaste uitkering uit een kapitaalovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of premieovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet;

B

In artikel 6, tweede lid, wordt «exportkredietverzekeringen» vervangen door «kredietverzekeringen».

C

In artikel 7, Tabel 1, wordt:

Basis

Adviseur basis

– Basis

Consumptief krediet

Adviseur consumptief krediet

– Basis

– Consumptief krediet

vervangen door:

Consumptief krediet

Adviseur consumptief krediet

– Basis

– Consumptief krediet

Adviseur hypothecair krediet

– Basis

– Vermogen

– Hypothecair krediet

D

In artikel 10, Tabel 2, wordt:

Adviseur hypothecair krediet

Betalingsbeschermers, opstal- of inboedelverzekeringen indien gecombineerd met hypothecair krediet

vervangen door:

Adviseur hypothecair krediet

Betalingsbeschermers indien gecombineerd met consumptief krediet

Betalingsbeschermers, opstal- of inboedelverzekeringen indien gecombineerd met hypothecair krediet

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 april 2019 en werkt ten aanzien van artikel I, onderdeel B, terug tot en met 1 oktober 2018.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 5 februari 2019

Willem-Alexander

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

Uitgegeven de twintigste februari 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) is gewijzigd in verband met het doorvoeren van de aanbevelingen van het College Deskundigheid Financiële Dienstverlening (CDFD) naar aanleiding van de analyse van het vakbekwaamheidsbouwwerk.1 Onderzoeksbureau Ecorys heeft in opdracht van het CDFD een analyse uitgevoerd naar de modulestructuur van het Wft-vakbekwaamheidsbouwwerk. Op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) geldt een Wft-diplomaplicht voor alle financieel adviseurs. Hiermee wordt geborgd dat een consument erop kan vertrouwen dat een financieel adviseur beschikt over de juiste kennis en vaardigheden om een geschikt advies te geven. Welk diploma een financieel adviseur nodig heeft hangt af van de beroepskwalificatie die verplicht is voor zijn type werkzaamheden. Een diploma is altijd opgebouwd uit één of meer Wft-modules. De adviesbevoegdheid op basis van dat diploma moet een financieel adviseur onderhouden door het eenmaal per PE-periode behalen van een PE-examen voor het desbetreffende diploma.

In de analyse door Ecorys is gekeken of het bouwwerk nog voldoende aansluit op de adviespraktijk. Naar aanleiding van het eindrapport van Ecorys en een eigen consultatie onder stakeholders heeft het CDFD een viertal wijzigingen in de wet- en regelgeving aanbevolen, waarvan er drie in dit besluit zijn opgenomen.

De eerste wijziging is dat de module Basis niet langer als beroepskwalificatie «adviseur Basis» wordt aangeduid, maar alleen als «module Basis». In de praktijk levert het diploma Adviseur basis geen adviesbevoegdheid op, terwijl de titel Adviseur basis dat wel suggereert. Met de wijziging wordt eventuele verwarring hierover weggenomen en wordt aangesloten bij de praktijk.

De tweede wijziging is het onderbrengen van het onderwerp doorbeleggen bij expiratie-uitkeringen bij de module Pensioen. Het onderwerp viel voorheen onder de module Vermogen. De Adviseur pensioen is echter beter geëquipeerd om over dit complexe onderwerp te adviseren. Daarom wordt het onderwerp doorbeleggen bij expiratie-uitkeringen verplaatst naar de module Pensioen.

De derde wijziging betreft het uitbreiden van de module Hypothecair krediet met eind- en toetstermen uit de module Consumptief krediet. Hiermee wordt aangesloten bij de huidige praktijk waarbij de Adviseur hypothecair krediet veelal ook over consumptief krediet adviseert.

De vierde en laatste wijziging is het onderbrengen van kredietverzekeringen in de Vrijstellingsregeling. Deze wijziging zal worden opgenomen in het Besluit implementatie richtlijn verzekeringsdistributie. Met het onderhavige besluit worden de wijzigingen 1 tot en met 3 in het BGfo doorgevoerd.

2. Regeldruk

2.1 Algemeen

In deze paragraaf worden de gevolgen voor de regeldruk als gevolg van het onderhavige wijzigingsbesluit weergeven.

Het ontwerpbesluit is ter toetsing voorgelegd aan het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR). Het college van het ATR heeft vervolgens haar advies ten aanzien van het besluit uitgebracht. Het college adviseert om met behulp van scenario’s of bandbreedtes een berekening van de gevolgen voor regeldruk te maken en deze toe te voegen aan de nota van toelichting bij dit besluit. Naar aanleiding van het advies is een prognose gemaakt van de minimale en maximale lastenbesparing voor de sector. Deze prognose wordt in deze paragraaf nader uitgewerkt.

2.2 Schrappen van de beroepskwalificatie Adviseur basis

Het afschaffen van de beroepskwalificatie Adviseur basis – en daarmee het diploma Adviseur basis – heeft als gevolg dat er geen periodiek PE-examen meer hoeft te worden afgelegd. Deze verplichting geldt immers alleen op beroepskwalificatieniveau en niet op moduleniveau. Dit brengt een besparing in de nalevingskosten voor de diplomahouder Basis en zijn of haar werkgever met zich mee (geen examen-, opleidings- en verletkosten).

Het afleggen van een initieel- of PE-examen kost een examenkandidaat gemiddeld € 150 aan examengeld. Daar komen opleidingskosten tussen de € 0 en € 150 en verletkosten (à € 42 per uur) tussen de € 126 (3 uur) en € 315 (7,5 uur) bij. Per examenkandidaat zal er zodoende een besparing van tussen de € 276 (€ 150 + € 0 + € 126) en € 615 (€ 150 + € 150 + € 315) worden gerealiseerd. Naar verwachting worden als gevolg van het afschaffen van de beroepskwalificatie Adviseur basis 1.500 examens minder afgenomen. Dit brengt in totaal een besparing in de nalevingskosten van tussen de € 414.000 (1.500 x € 276) en € 922.500 (1.500 x € 615) met zich mee.

2.3 Uitbreiden van de module Hypothecair krediet met eind- en toetstermen uit de module Consumptief kredieten

De uitbreiding van de module Hypothecair krediet met eind- en toetstermen uit de module Consumptief krediet zal voor een grote groep adviseurs en hun werkgevers een besparing in de nalevingskosten opleveren. Adviseurs met zowel de beroepskwalificaties Adviseur hypothecair krediet en Adviseur consumptief krediet hoeven namelijk per PE-periode één PE-examen minder af te leggen (het PE-examen Adviseur consumptief krediet). Naar verwachting zal deze wijziging ertoe leiden dat er tussen de 7.000 en 11.000 minder PE-examens Adviseur consumptief krediet worden afgenomen.

Ook voor nieuwe Adviseurs hypothecair krediet leidt deze wijziging tot een kostenbesparing. Zij hoeven niet meer de beroepskwalificatie consumptief krediet te behalen om ook te mogen adviseren over consumptief krediet. De verwachting is dat hierdoor tussen de 6.000 en 7.000 minder initiële examens Adviseur consumptief krediet worden afgenomen.

De besparing in de nalevingskosten komt met de uitbreiding van de module Hypothecair krediet met eind- en toetstermen uit de module Consumptief krediet tussen de € 3.588.000 ((7.000 + 6.000) x € 276) en € 11.070.000 ((11.000 + 7.000) x € 615).

2.4 Conclusie

De wijzigingen die het besluit behelst zorgen voor een betere aansluiting bij de praktijk en voorzien daarbij in een afname van de nalevingskosten voor het bedrijfsleven.

Op basis van bovenstaande prognoses is de verwachting dat in de PE-periode april 2019 tot april 2022 als gevolg van het onderhavige wijzigingsbesluit tussen de 14.500 (1.500 + 7.000 + 6.000) en 19.500 (1.500 + 11.000 + 7.000) examens minder afgelegd zullen worden. Het gaat hierbij om PE Basis-examens en initiële- en PE-examens Consumptief krediet. De bijbehorende lasten voor de sector zullen in deze periode afnemen met tussen de € 4.002.000 (€ 414.000 + € 3.588.000) en € 11.910.600 (€ 916.200 + € 11.070.000). Op jaarbasis betekent dit een lastenafname van tussen de € 1.334.000 en € 3.690.000. Het gaat hierbij om een inschatting van de mogelijke vermindering van de nalevingskosten. Hoe groot de vermindering van de nalevingskosten daadwerkelijk zal zijn, moet blijken uit de praktijk. Bij het maken van de inschatting is uitgegaan van een gemiddelde examenprijs van € 150, opleidingskosten tussen de € 0 en € 150 en verletkosten (à € 42) tussen de € 126 (3 uur) en € 315 (7,5 uur).

3. Consultatie

3.1 Algemeen

Het wijzigingsbesluit is van 1 mei 2018 tot en met 12 juni 2018 openbaar geconsulteerd op www.internetconsultatie.nl. In totaal zijn er 31 reacties ontvangen, waarvan 22 openbare en 9 niet openbare reacties.

In deze paragraaf zal nader worden ingegaan op de ontvangen reacties, voor zover relevant, per thema en op hoofdlijnen.

3.2 Schrappen van de beroepskwalificatie Adviseur basis

In een aantal consultatiereacties is ingegaan op de wijziging met betrekking tot de beroepskwalificatie Adviseur basis. De meeste respondenten geven aan positief te zijn over het schrappen van de beroepskwalificatie Adviseur basis. Het Verbond van Verzekeraars geeft aan dat de wijziging een betere aansluiting op de praktijk met zich brengt en een kostenbesparing voor de verzekeringssector tot gevolg heeft. Ook het Hermès Exameninstituut en Dukers & Baelemans onderschrijven de wijziging. Zij geven verder aan tevreden te zijn over het behoud van de module Basis. De module wordt namelijk door veel informerende medewerkers behaald. Voor deze klantmedewerkers blijft wel de verplichting om permanent actueel vakbekwaam te zijn van kracht.

3.3 Uitbreiden van de module Hypothecair krediet met eind- en toetstermen Consumptief krediet

De Stichting Erkend Hypotheekadviseur, Dukers & Baelemans en de besturen van de Stichting Certificering Erkend Hypothecair Planners (CEHP) en de Nederlandse Vereniging van Hypothecair Planners (NVHP) hebben in hun consultatiereacties aangegeven de uitbreiding van de module Hypothecair krediet met eind- en toetstermen van de module Consumptief krediet een positieve ontwikkeling te vinden. Dukers & Baelemans geeft daarbij aan dat de wijziging goed aansluit bij de wensen van de markt. CEHP en NVHP ondersteunen de wijziging vanwege de grote mate van samenloop tussen het type adviseur consumptief- en hypothecair krediet en de kennis en vaardigheidselementen van beide product-dienstcombinaties. Ook geven zij aan dat de wijziging tot een welkome financiële besparing zal leiden zonder het deskundigheidsniveau aan te tasten.

Dukers & Baelemans en het Verbond van Verzekeraars vragen in hun consultatiereacties waarom PE Adviseur schadeverzekering zakelijk/PE Adviseur zorgverzekering, een ander regime kent dan PE Adviseur hypothecair krediet/PE Adviseur consumptief krediet. Dit berust echter op een misverstand. De regimes zijn in essentie aan elkaar gelijk. Een Adviseur schadeverzekering zakelijk mag met het behalen van de beroepskwalificatie Adviseur schadeverzekering zakelijk adviseren over onder anderen zorgverzekeringen. Na het behalen van het PE-examen Adviseur schadeverzekering zakelijk mag hij over zorgverzekeringen blijven adviseren. Dit betekent echter niet dat de adviesbevoegdheid van de beroepskwalificatie Adviseur zorgverzekeringen met het PE-examen Adviseur schadeverzekering zakelijk wordt onderhouden. Hetzelfde geldt voor de Adviseur hypothecair krediet. Een Adviseur hypothecair krediet mag naar aanleiding van onderhavig besluit adviseren over onder anderen consumptief krediet. Met het behalen van het PE-examen Adviseur hypothecair krediet mag hij over consumptief krediet blijven adviseren, maar hiermee onderhoudt hij niet zijn adviesbevoegdheid voor de beroepskwalificatie Adviseur consumptief krediet.

Tot slot is in de toelichting verduidelijkt dat een adviseur hypothecair krediet die niet eerder een beroepskwalificatie Adviseur consumptief krediet heeft behaald, niet zonder meer kan overgaan tot advisering in consumptief krediet. Voor deze adviseur blijft immers de verplichting om permanent actueel vakbekwaam te zijn van kracht.

3.4 Doorbeleggen bij expiratie-uitkeringen onderbrengen bij de module Pensioen

In een aantal consultatiereacties wordt ingegaan op het onderbrengen van het onderwerp doorbeleggen bij expiratie-uitkeringen bij de module Pensioen. CANON geeft aan de wijziging terecht en noodzakelijk te vinden, omdat het een complex onderwerp betreft. Het Verbond van Verzekeraars, de Vereniging Federatie Vermogens Planners (vFVP) en Midden Brabant Advies geven daarnaast aan het onderwerp beter te vinden passen onder het domein van de Adviseur vermogen. Dukers & Baelemans stelt tot slot voor het onderwerp in zowel de module Vermogen als Pensioen te behandelen.

De voorstanders van het behoud van dit onderwerp in de module Vermogen voeren als argumenten hiervoor aan 1) dat de Adviseur pensioen niet meer kennis heeft over beleggen dan de Adviseur vermogen, 2) dat de kosten voor een Adviseur pensioen hoger liggen en dat er minder pensioenadviseurs zijn waardoor de werknemer mogelijk van advies afziet en 3) dat er mogelijk belangenverstrengeling optreedt als de Adviseur pensioen zowel de werkgever als werknemer adviseert.

Met betrekking tot het eerste argument is het correct dat de Adviseur pensioen niet over meer kennis beschikt over beleggen dan de Adviseur vermogen. De Adviseur pensioen is immers altijd tevens Adviseur vermogen. Hij heeft hiermee dezelfde kennis en vaardigheden voor wat betreft het onderwerp beleggen en is op de hoogte van risico’s op de korte en lange termijn. Het onderwerp doorbeleggen bij expiratie betreft echter een complex onderwerp waarbij in een tweedepijlerpensioen al ruime tijd voor de expiratiedatum de keuze moet worden gemaakt wat er in de toekomst met de uitkering gaat gebeuren. In dit stadium is altijd een Adviseur pensioen betrokken. Met het onderbrengen van het onderwerp doorbeleggen bij expiratie-uitkering onder de module Pensioen wordt aangesloten bij de huidige praktijk, waarbij de Adviseur pensioen over dit onderwerp adviseert. Tot slot zou met de uitbreiding van de module Vermogen met eind- en toetstermen over dit onderwerp tevens de Adviseur Hypothecair krediet worden belast, wat niet wenselijk is.

Inzake het tweede argument geldt dat het belang van een kwalitatief goed advies over een pensioenuitkering opweegt tegen eventuele hogere kosten van een advies. De tarieven van adviseurs kunnen verschillen en het is in zijn algemeenheid niet per definitie zo dat een Adviseur pensioen hogere tarieven hanteert dan een Adviseur vermogen. De zorg dat een consument geen advies inwint over doorbeleggen bij een expiratie-uitkering, omdat een Adviseur pensioen veel duurder zou zijn dan een Adviseur vermogen is dan ook niet gerechtvaardigd. Daarnaast ontvangt de werknemer bij een expiratie in de praktijk rechtstreeks informatie van de pensioenuitvoerder over de verschillende mogelijkheden met betrekking tot het pensioen. Met behulp van deze informatie kan de werknemer zijn of haar gegevens inzien op www.mijnpensioenoverzicht.nl, kan hij of zij online berekeningen maken en keuzes doorvoeren. Het is aan de werknemer – en daar zal de pensioenuitvoerder en/of werkgever op wijzen, of een Adviseur pensioen hierbij een rol kan spelen. Dat kan de Adviseur pensioen van de werkgever zijn, maar dat kan ook een derde Adviseur pensioen zijn.

Inzake het derde argument geldt dat belangenverstrengeling van de Adviseur pensioen bij het adviseren van een werknemer over zijn of haar pensioen-expiratie niet aan de orde is. Een werkgever heeft immers geen enkel belang bij de keuze die zijn werknemer op dat moment moet maken, noch zal de keuze van de werkgever van invloed zijn op de bedrijfsvoering van de werkgever.

Tot slot geldt dat het onderwerp doorbeleggen bij expiratie-uitkering tot op zekere hoogte in de module Vermogen blijft bestaan. De Adviseur vermogen kan daarmee nog steeds te maken krijgen in derdepijlersituaties en moet voldoende over het onderwerp weten om te kunnen doorverwijzen. Hij mag hier echter geen advies meer over verlenen.

3.5 Overige

Tot slot wordt er in een aantal consultatiereacties ingegaan op zaken die geen betrekking hebben op het voorliggende besluit. Deze reacties hebben niet geleid tot aanpassingen.

Artikelsgewijs

Artikel I

A

In artikel 5 wordt de definitie van pensioen opnieuw vastgesteld. Het artikel is in subonderdelen opgeknipt om de leesbaarheid te bevorderen. Met de toevoeging van subonderdeel 5 wordt de definitie van pensioen uitgebreid met het onderwerp doorbeleggen bij expiratie van een pensioenuitkering. Bij de inrichting van het vakbekwaamheidsbouwwerk is de scheiding tussen de modules Vermogen en Pensioen getrokken bij pensioenproducten voor de werkgever of die de werkgever voor zijn werknemers afsluit. Een advies aan een werknemer die een expirerend pensioen heeft op basis van een premieovereenkomst of een kapitaalovereenkomst viel onder de beroepskwalificatie Adviseur vermogen omdat de werknemer zelf verzekeringnemer is van het direct ingaande pensioen. Over het algemeen geldt dat alles wat verband houdt met de werkgever onder de module Pensioen valt en alles wat verband houdt met de werknemer onder de module Vermogen. In de praktijk betreft de aankoop van een variabele of vaste uitkering uit een kapitaalovereenkomst of premieovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet (doorbeleggen bij expiratie van een pensioenuitkering) een complex onderwerp waarbij reeds ruim voor de expiratiedatum de keuze moet worden gemaakt wat er in de toekomst met de uitkering gaat gebeuren. Met de huidige eind- en toetstermen van de module Vermogen beschikt de Adviseur vermogen echter niet over voldoende kennis om hierover passend te adviseren. De eind- en toetstermen van de module Pensioen sluiten daarentegen wel goed aan om hierover te adviseren. Om die reden is ervoor gekozen om de definitie van pensioen aan te passen zodat advies over het doorbeleggen bij expiratie van een pensioenuitkering onder het domein van de Adviseur pensioen komt te vallen. Dit houdt in dat naar aanleiding van deze wijziging alle adviseringen over de pensioenaankoop op de expiratiedatum onder het domein van de Adviseur pensioen komen te vallen.

B

Met deze wijzigingsopdracht wordt een omissie hersteld. Zoals per brief van 18 oktober 2017 richting de Kamer is aangegeven zouden kredietverzekeringen worden ondergebracht in de Vrijstellingsregeling Wft.2 Per abuis is er in artikel 6, tweede lid, een vrijstelling ondergebracht voor «exportkredietverzekeringen». Dit betreft een te eng begrip. Daarom is dit aangepast naar «kredietverzekeringen», waaronder ook verzekeringen per transactie, verzekeringen per debiteur, kredietverzekering per land (oftewel «exportkredietverzekeringen») en omzetverzekeringen vallen.

C en D

Met de wijziging van artikel 7, tabel 1, van het BGfo komt de beroepskwalificatie (en daarmee het diploma) «Adviseur basis» te vervallen. Het diploma «Adviseur basis» levert, in tegenstelling tot de andere Wft-diploma’s, geen bevoegdheid op tot het uitoefenen van een adviseursfunctie, terwijl de diplomahouder wel de titel Adviseur basis krijgt toegekend. Dit levert in de praktijk verwarring op, zo blijkt ook uit de analyse naar het vakbekwaamheidsbouwwerk. Het schrappen van de beroepskwalificatie en daarmee het diploma Adviseur basis is daarmee van praktische aard en zorgt voor een betere aansluiting bij de praktijk. Dit betekent ook dat er geen periodiek PE-examen meer hoeft te worden behaald. Deze verplichting geldt immers alleen op beroepskwalificatieniveau en niet op moduleniveau. Wel geldt de verplichting om permanent actueel te zijn. De module Basis blijft overigens deel uitmaken van de overige beroepskwalificaties, met uitzondering van Zorg.

Daarnaast wordt met deze wijzigingen bewerkstelligd dat een Adviseur hypothecair krediet mag adviseren over consumptief krediet en de bijkomende onderwerpen met betrekking tot consumptief krediet. Deze wijziging is doorgevoerd omdat uit de analyse van het vakbekwaamheidsbouwwerk naar voren is gekomen dat veel adviseurs hypothecair krediet ook adviseren in consumptief krediet en in het bezit zijn van het diploma Adviseur consumptief krediet (circa 90%). Hiermee sluit de wijziging aan bij de huidige praktijk van de Adviseur hypothecair krediet. Voor de klant is het een voordeel als de Adviseur hypothecair krediet ook direct mag adviseren over consumptief krediet als alternatief voor hypothecair krediet. Om te borgen dat de Adviseur hypothecair krediet beschikt over voldoende kennis van consumptief krediet wordt een aantal eind- en toetstermen uit de module Consumptief krediet toegevoegd aan de module Hypothecair krediet. Dit zal worden meegenomen in de eerstvolgende wijziging van de Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft.

Omdat per 1 april 2019 de Adviseur hypothecair krediet mag adviseren over zowel consumptief krediet als hypothecair krediet, kan een Adviseur hypothecair krediet met de beroepskwalificaties Adviseur consumptief krediet en Adviseur hypothecair krediet er vooruitlopend op deze wijziging voor kiezen om alleen zijn beroepskwalificatie Adviseur hypothecair krediet middels een PE-examen bij te houden. Vanaf deze datum hoeft deze adviseur alleen nog het PE-examen Hypothecair krediet met goed gevolg af te leggen om over zowel over hypothecair- als over consumptief krediet mogen adviseren. Voor diplomahouders Adviseur hypothecair krediet die vóór 1 april 2019 het PE-examen Adviseur consumptief krediet hebben gehaald, geldt daarbij dat hun diploma Adviseur consumptief krediet ook in komende PE-periode geldig blijft. Hierbij geldt dat zij in het bezit moeten zijn van een geldig diploma Adviseur consumptief krediet. Diplomahouders Adviseur hypothecair krediet én Adviseur consumptief krediet die het PE-examen Adviseur consumptief krediet niet hebben gehaald, houden hun diploma Adviseur consumptief krediet daarentegen niet geldig. De Adviseur hypothecair krediet mag in dit laatste geval wel over consumptief krediet adviseren. De Adviseur hypothecair krediet die niet eerder een beroepskwalificatie Adviseur consumptief krediet heeft behaald – hetgeen in de praktijk een kleine groep betreft – kan daarbij niet zonder meer overgaan tot advisering in consumptief krediet. Hij dient namelijk te voldoen aan de verplichting om permanent actueel vakbekwaam te zijn met betrekking tot consumptief krediet.

Artikel II

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit besluit. Het besluit treedt op 1 april 2019 in werking. Hiervoor is gekozen omdat op 1 april 2019 de tweede PE-periode aanvangt. Ten aanzien van Artikel I, onderdeel B, werkt het besluit terug tot en met 1 oktober 2018, de datum waarop de Wet implementatie richtlijn verzekeringsdistributie in werking treedt.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra


X Noot
1

Kamerstukken II 2017/18, 32 545, nr. 72.

X Noot
2

Kamerstukken II 2017/18, 32 545, nr. 72.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.