Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Justitie en VeiligheidStaatsblad 2019, 435AMvB

Besluit van 19 november 2019, houdende vaststelling van het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 16 oktober 2019, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2727151;

Gelet op artikel 37a, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 42, vijfde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 30 oktober 2019, nr. W16.19.0326/II;

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 14 november 2019, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2731901;

Hebben goed gevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1.1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. de behandelaar:

de arts, gedragsdeskundige of rechtspersoon bij wie de voorzitter het dossier met betrekking tot de behandeling van een weigerende observandus opvraagt.

b. de commissie:

de multidisciplinaire commissie als bedoeld in artikel 37a, negende lid, van de wet.

c. het dossier met betrekking tot de behandeling:

het dossier als bedoeld in artikel 7:454 van het Burgerlijk Wetboek.

d. de leden:

de leden en plaatsvervangende leden van de commissie, met inbegrip van de voorzitter.

e. Onze Minister:

Onze Minister voor Rechtsbescherming.

f. de rapporteurs:

de gedragsdeskundigen als bedoeld in artikel 37a, vierde lid, van de wet.

g. de secretaris:

de secretaris van de commissie.

h. de voorzitter:

de voorzitter van de commissie.

i. de weigerende observandus:

een verdachte van een misdrijf, dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e van de wet, ten aanzien van wie de rechter toepassing van artikel 37b van het Wetboek van Strafrecht overweegt en die:

  • a) op grond van een bevel als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering ter observatie opgenomen is geweest in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie bestemd,

  • b) weigert medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in het vierde lid van artikel 37a van de wet, en

  • c) niet bereid is om medewerking te verlenen aan de verstrekking van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

j. de wet:

het Wetboek van Strafrecht.

HOOFDSTUK 2. WERKWIJZE EN BESLUITVORMING

Artikel 2.1

De commissie heeft tot taak te adviseren over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van een weigerende observandus tijdens het begaan van het feit.

Artikel 2.2

  • 1. Na ontvangst van een last als bedoeld in artikel 37a, vijfde lid, van de wet, brengt de commissie binnen dertig dagen gemotiveerd advies uit aan de officier van justitie.

  • 2. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de last is ontvangen.

Artikel 2.3

  • 1. Zo spoedig mogelijk na ontvangst van de last vraagt de voorzitter schriftelijk een afschrift van het dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus op bij de in de last genoemde behandelaren. Indien een dossier met betrekking tot de behandeling namen bevat van overige behandelaren van de weigerende observandus, vraagt de voorzitter ook bij die behandelaren schriftelijk een afschrift op van het dossier met betrekking tot de behandeling van betrokkene.

  • 2. Bij dit verzoek stelt de voorzitter de behandelaar schriftelijk in kennis van de te volgen procedure en van de op hem rustende verplichting tot verstrekking van de gevraagde gegevens. Tevens voegt de voorzitter hierbij het als bijlage bij dit besluit opgenomen verstrekkingsformulier.

Artikel 2.4

  • 1. De behandelaar doet de commissie binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek tot verstrekking een afschrift toekomen van het dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus, alsmede het ingevulde en ondertekende verstrekkingsformulier bedoeld in artikel 2.3, tweede lid. Indien hij niet, of niet langer, beschikt over een dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus, geeft de behandelaar dit onder opgave van redenen aan op het verstrekkingsformulier.

  • 2. De behandelaar verstrekt de gegevens bedoeld in het eerste lid langs elektronische weg aan de commissie. De behandelaar ontvangt daartoe van de commissie een unieke code waarmee deze toegang krijgt tot het elektronisch systeem van de commissie.

  • 3. De termijn bedoeld in het eerste lid vangt aan met ingang van de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.

Artikel 2.5

  • 1. Door de verstrekking van het afschrift van het dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus langs elektronische weg wordt het ontvangen dossier in het informatiesysteem van de commissie geplaatst.

  • 2. De commissie bevestigt aan de behandelaar de ontvangst van het afschrift van het dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus.

  • 3. De leden van de commissie kunnen het afschrift van het dossier inzien. Zij maken daartoe gebruik van een unieke persoonlijke toegangscode.

  • 4. Indien ten aanzien van een weigerende observandus het dossier met betrekking tot de behandeling wordt opgevraagd bij meerdere behandelaren, worden deze dossiers door de commissie zoveel mogelijk gezamenlijk behandeld.

  • 5. De commissie legt voor elk advies een kenmerk vast aan de hand waarvan kan worden herleid door welke behandelaren gegevens zijn verstrekt.

Artikel 2.6

  • 1. De commissie vergadert zo vaak als dat noodzakelijk is om haar taak goed te kunnen uitvoeren.

  • 2. Op grond van het vaste vergaderrooster vergadert de commissie één maal per twee weken. Van dat rooster kan op initiatief van de voorzitter worden afgeweken.

  • 3. De voorzitter bepaalt, in overleg met de secretaris, de agenda. De secretaris schrijft de vergaderingen uit. De secretaris draagt tevens zorg voor de verdere voorbereiding van de vergadering.

  • 4. De leden ontvangen van de secretaris ten minste een week voor de vergadering de agenda en de ten aanzien van de te behandelen zaken afgegeven lasten tot het uitbrengen van advies als bedoeld in artikel 37a, vijfde lid, van de wet, vergezeld van de over de weigerende observandi opgestelde pro Justitia-rapportages. De van de behandelaren ontvangen dossiers met betrekking tot de behandeling en de verstrekkingsformulieren worden tijdig elektronisch toegankelijk gemaakt voor de leden.

  • 5. De vergaderingen worden in beslotenheid gevoerd. De secretaris woont de vergaderingen bij.

  • 6. De voorzitter kan een behandelaar die een dossier betreffende de behandeling van een weigerende observandus heeft verstrekt uitnodigen om een vergadering deels bij te wonen om de door hem verstrekte gegevens nader toe te lichten.

  • 7. De voorzitter zit de vergaderingen voor en de secretaris draagt zorg voor de verslaglegging.

Artikel 2.7

  • 1. Rechtsgeldige besluiten kunnen slechts worden genomen in een vergadering die wordt bijgewoond door ten minste drie leden, die ieder een van de in artikel 37a, negende lid, van de wet genoemde disciplines vertegenwoordigen. Leden die niet aanwezig zijn, leveren hun bijdrage schriftelijk.

  • 2. Bij de besluitvorming wordt naar eenstemmigheid gestreefd.

  • 3. Bij het ontbreken van eenstemmigheid worden besluiten genomen met gewone meerderheid van stemmen. Indien de stemmen staken, komt aan de stem van de voorzitter doorslaggevende betekenis toe.

Artikel 2.8

  • 1. De secretaris stelt het advies op en legt dit in concept voor aan de leden.

  • 2. Het advies wordt schriftelijk vastgesteld. Indien geen sprake was van eenstemmigheid in de besluitvorming, kan op verzoek van een lid, in samenspraak met de voorzitter, het advies tijdens een vergadering van de commissie worden besproken en worden vastgesteld.

  • 3. Het advies wordt ondertekend door de voorzitter.

  • 4. De secretaris zendt het advies aan de officier van justitie.

Artikel 2.9

  • 1. Het advies van de commissie is gemotiveerd. De commissie benoemt in het advies de gegevens die zij bruikbaar acht voor het opstellen van een rapportage over de mogelijke aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de weigerende observandus tijdens het begaan van het feit, dan wel de mogelijke afwezigheid daarvan. De motivering bevat in ieder geval een aanduiding over het al dan niet aanwezig zijn van bruikbare gegevens betreffende:

    • a. een diagnose of een classificatie van een stoornis, dan wel overige symptomen of factoren die kunnen duiden op de mogelijke aanwezigheid van een stoornis;

    • b. de ontwikkeling van de persoonlijkheid van de verdachte en

    • c. het soort verleende zorg, het soort behandeling, de periodes van behandeling en het type behandelaar, alsmede over het al dan niet afronden van de behandeling en bijzonderheden met betrekking tot de behandeltrouw van de weigerende observandus.

  • 2. Indien de voorzitter het wenselijk acht het advies mondeling nader toe te lichten voor de penitentiaire kamer, vermeldt het advies dit. In dit hoofdstuk wordt onder penitentiaire kamer verstaan: de meervoudige kamer, bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie, in de samenstelling, bedoeld in het derde lid van dat artikel.

Artikel 2.10

  • 1. Na ontvangst van het bericht van de officier van justitie dat de door de penitentiaire kamer verleende machtiging voor het gebruik van de persoonsgegevens door de rapporteurs onherroepelijk is, verstrekt de voorzitter de door de commissie bruikbaar bevonden gegevens onverwijld aan de rapporteurs. Indien de onherroepelijke machtiging volgt op een advies van de commissie dat ertoe strekt dat er geen bruikbare persoonsgegevens aanwezig zijn, verstrekt de voorzitter het afschrift van het dossier met betrekking tot de behandeling onverwijld aan de rapporteurs.

  • 2. Terstond na het verstrekken van de gegevens aan de rapporteurs, stelt de voorzitter de behandelaar die deze gegevens heeft verstrekt daarvan op de hoogte.

Artikel 2.11

  • 1. De commissie vernietigt het afschrift van het dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus en het ingevulde verstrekkingsformulier zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen negentig dagen na:

    • a. ontvangst van een bericht van de officier van justitie dat een afwijzende beschikking van de penitentiaire kamer onherroepelijk is,

    • b. ontvangst van een mededeling van de officier van justitie dat hij geen vordering zal doen als bedoeld in artikel 37a, zesde lid, van de wet of

    • c. de verstrekking van de bruikbare gegevens aan de rapporteurs.

  • 2. Terstond na het vernietigen van het afschrift van het dossier met betrekking tot de behandeling en het ingevulde verstrekkingsformulier stelt de voorzitter de behandelaar die deze gegevens heeft verstrekt daarvan op de hoogte.

Artikel 2.12

De commissie wordt vertegenwoordigd door de voorzitter.

HOOFDSTUK 3. GEHEIMHOUDING, ONPARTIJDIGHEID EN VERSCHONING

Artikel 3.1

Voor zover de leden in het kader van de uitvoering van hun taak de beschikking krijgen over gegevens waarvan zij het vertrouwelijke karakter kennen of redelijkerwijs moeten vermoeden en op hen niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht rust, zijn zij verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hen tot mededeling verplicht of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

Artikel 3.2

  • 1. De commissie vervult haar taak zonder vooringenomenheid.

  • 2. De leden onthouden of verschonen zich van elke deelname aan de behandeling van een advies indien dit kan leiden tot een verstrengeling van belangen of verantwoordelijkheden of tot een verlies van onafhankelijkheid of onpartijdigheid van de commissie.

HOOFDSTUK 4. GEGEVENSVERWERKING

Artikel 4.1

  • 1. De geautomatiseerde gegevensverwerking, bedoeld in de artikelen 2.4, 2.5, 2.10 en 2.11 geschiedt via een beveiligde netwerkverbinding.

  • 2. De beveiliging van de gegevensverwerking voldoet aan de standaarden NEN-ISO-IEC 27001 en NEN-ISO-IEC 27002 of daaraan gelijkwaardige normen.

HOOFDSTUK 5. WIJZIGINGEN IN ANDERE REGELGEVING

Artikel 5.1

Aan artikel 47 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. de commissie als bedoeld in artikel 37a, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht ten behoeve van het uitbrengen van advies over de aanwezigheid en bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van een weigerende observandus als bedoeld in artikel 37a, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 6.1

Dit besluit en artikel 7.1, onderdeel F, en artikel 7.3a van de Wet van 24 januari 2018 tot vaststelling van een Wet forensische zorg en daarmee verband houdende wijzigingen in diverse andere wetten (Stb. 2018, 38) treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit Besluit wordt geplaatst.

Artikel 6.2

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 19 november 2019

Willem-Alexander

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker

Uitgegeven de zevenentwintigste november 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

BIJLAGE MODEL VERSTREKKINGSFORMULIER

Gegevens weigerende observandus (in te vullen door de voorzitter van de commissie)

 

Voorletters:

Voornaam:

Tussenvoegsel:

Achternaam:

Geboortedatum:

Geslacht:

 

Gegevens behandelaar (in te vullen door de behandelaar)

 

Voorletters:

Tussenvoegsel:

Achternaam:

Naam instelling (voor zover van toepassing):

Werkadres:

 

Telefoonnummer:

Email:

Functie:

huisarts

 

medisch specialist, naam specialisme:

 

gedragskundige:

 

anders, namelijk:

 

□ Verstrekt hierbij het aanwezige dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus

 

□ Beschikt niet of niet langer over een dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus, omdat:

 

□ deze niet bij hem of haar in behandeling is of is geweest;

 

□ deze op [datum invullen] heeft verzocht om vernietiging van het dossier op grond van artikel 7:455, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek en op [datum invullen] gevolg is gegeven aan dat verzoek.

 

□ het dossier met betrekking tot de behandeling is overgedragen aan een andere behandelaar, te weten [gegevens invullen van de behandelaar aan wie het dossier is overgedragen]

 

Gegevens dossier met betrekking tot de behandeling

 

Type behandeling:

Periode van behandeling:

 

Overig

 
 

– Ruimte voor nadere toelichting op het dossier of overige opmerkingen (optioneel)

 
 
 
 
 
 
 

Ondertekening

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

1.1 Regeling weigerende observandi in de Wet forensische zorg

Op 1 januari 2019 is de Wet forensische zorg (Wfz) deels in werking getreden. Naast de vervolmaking van een brede stelselwijziging op het terrein van de forensische zorg, wijzigt deze wet artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In dit artikel, waarin de voorwaarden voor het kunnen opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs-maatregel) zijn neergelegd, is de zogeheten «regeling weigerende observandi» opgenomen (artikel 37a, vijfde tot en met negende lid, Sr). Een regeling die beoogt het probleem van de weigerende observandi terug te dringen (zie ook Kamerstukken II 2018–2019, 33 628, nr. 44 en Kamerstukken II 2018–2019, 29 452, nr. 229).

Wanneer een verdachte niet meewerkt aan onderzoek naar de aanwezigheid van een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens (hierna ook: geestesstoornis), is het voor de rapporteurs vaak moeilijk om in de pro Justitia-rapportage toch tot een concludent advies te komen over de aanwezigheid van een geestesstoornis ten tijde van het begaan van het strafbare feit en de wenselijkheid of noodzakelijkheid van het opleggen van een tbs-maatregel. Door de weigering mee te werken, proberen verdachten vaak een tbs-maatregel te ontlopen. Dat is een zeer ongewenste situatie: daders van ernstige misdrijven krijgen dan mogelijk niet de behandeling die ze nodig hebben, met alle daaraan verbonden risico’s voor de veiligheid van de samenleving.

De regeling weigerende observandi maakt het als ultimum remedium mogelijk om in geval van zeer ernstige misdrijven ten behoeve van het opstellen van een aanvullende rapportage over een mogelijke geestesstoornis, zonder diens toestemming bestaande medische gegevens over de verdachte op te vragen bij zijn behandelaren. De behandelaren zijn verplicht de gegevens te verstrekken zonder een beroep te kunnen doen op het aan het medisch beroepsgeheim gekoppelde verschoningsrecht. De wettelijke regeling van artikel 37a, vijfde tot en met negende lid, Sr houdt – kort samengevat – het volgende in:

  • de verdachte van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e Sr («geweldsmisdrijf») weigert mee te werken aan de pro Justitia-rapportage of enig ander onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis. Hij weigert tevens toestemming voor het verstrekken van zijn medische gegevens door zijn behandelaar;

  • de rapporteurs kunnen geen concludent advies uitbrengen over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis bij de verdachte ten tijde van het delict en de wenselijkheid of noodzakelijkheid van het opleggen van een tbs-maatregel;

  • als ultimum remedium gelast de officier van justitie dat een multidisciplinaire commissie advies uitbrengt over de aanwezigheid en bruikbaarheid van «persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte»;

  • ten behoeve van dat advies vraagt de commissie (medische) gegevens over de verdachte op bij diens behandelaren;

  • de behandelaren zijn verplicht deze gegevens aan de commissie te verstrekken;

  • de commissie brengt binnen dertig dagen een gemotiveerd advies uit aan de officier van justitie over de aanwezigheid en bruikbaarheid van de persoonsgegevens in relatie tot de aanwezigheid van een geestesstoornis tijdens het begaan van het feit;

  • de officier van justitie informeert de verdachte schriftelijk over de last tot het opvragen van de gegevens en stuurt daarbij het advies van de commissie mee;

  • de officier van justitie beslist op basis van het advies van de commissie of hij bij de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een vordering indient voor een machtiging tot verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs. Indien de officier van justitie afziet van de vordering meldt hij dat ten spoedigste aan de verdachte en de commissie. De gegevens worden binnen negentig dagen vernietigd;

  • de officier van justitie dient een vordering voor een schriftelijke machtiging tot verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs in en overlegt daarbij het advies van de commissie;

  • de penitentiaire kamer hoort de verdachte en kan de voorzitter van de commissie horen;

  • de penitentiaire kamer beslist op basis van het advies van de commissie en alle andere feiten en omstandigheden van de individuele zaak, zoals onder meer naar voren gekomen tijdens het horen van de verdachte. De penitentiaire kamer krijgt niet de beschikking over de gegevens zelf. Deze blijven onder de commissie;

  • tegen de beslissing van de penitentiaire kamer kan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad;

  • in het geval van een onherroepelijke afwijzende rechterlijke beschikking worden de gegevens binnen negentig dagen vernietigd;

  • indien de machtiging tot verstrekking van de gegevens in rechte vaststaat, verstrekt de commissie de gegevens rechtstreeks aan de rapporteurs;

  • de rapporteurs stellen een rapportage op met gebruikmaking van de gegevens;

  • de gegevens worden vernietigd.

Zoals uit het voorgaande mag blijken, bevat deze regeling de nodige procedurele en juridische waarborgen. Zo kan de regeling alleen worden ingezet als ultimum remedium in geval van ernstige misdrijven, worden de gegevens alleen verwerkt door de leden van de multidisciplinaire commissie en de rapporteurs, mogen de gegevens uitsluitend worden gebruikt voor het opstellen van een aanvullende rapportage over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis bij de verdachte (doelbinding), is sprake van een rechterlijke toets in twee instanties, waarbij aan beroep in cassatie schorsende werking toekomt en wordt de verdachte geïnformeerd door de officier van justitie en gehoord door de rechter. Een zeer belangrijke waarborg is gelegen in de onafhankelijke multidisciplinaire commissie, die beoordeelt of er medische gegevens beschikbaar zijn en die adviseert over de bruikbaarheid daarvan voor het opstellen van de aanvullende rapportage over de verdachte. Dit besluit geeft nadere regels over de werkwijze van deze multidisciplinaire commissie.

1.2 Multidisciplinaire commissie

De multidisciplinaire commissie, die op grond van artikel 37a, negende lid, Sr wordt ingesteld, bestaat uit een tweetal artsen, waarvan in ieder geval één psychiater, een gedragsdeskundige (psycholoog) en twee juristen. Een psychiater is voorzitter van de commissie. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van het onderhavige Besluit treedt het Instellingsbesluit voor de commissie in werking.

De commissie heeft een belangrijke rol bij de totstandkoming van een aanvullend rapport over een mogelijke geestesstoornis bij de weigerende observandus ten tijde van het delict. Zij vraagt op last van de officier van justitie medische gegevens op bij behandelaren en heeft de wettelijke taak een onafhankelijk en gemotiveerd advies te geven over de aanwezigheid van persoonsgegevens die bruikbaar kunnen zijn voor de vaststelling van een mogelijke geestesstoornis bij de betrokkene tijdens het begaan van het delict. Het aanvullend rapport over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis wordt niet opgesteld door de commissie, maar door de rapporteurs. De commissie beoordeelt evenmin of de verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs gerechtvaardigd en proportioneel is. Dat is ter beoordeling aan de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden, die ten behoeve van die verstrekking een schriftelijke machtiging kan afgeven. Of uiteindelijk voldoende gegevens over de weigerende observandus aanwezig zijn om aan te nemen dat ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat de tbs-maatregel de meest toepasselijke sanctie is, is tot slot aan de rechter die vonnis wijst in de strafprocedure die tegen de weigerende observandus wordt gevoerd.

Het advies van de commissie bevat niet de aanwezige medische gegevens zelf, maar geeft informatie over de vraag of er gegevens zijn, die bruikbaar kunnen zijn bij de beantwoording van de vraag of bij de verdachte ten tijde van het delict sprake was van een geestesstoornis. Dit advies weegt zwaar bij de beslissingen van de officier van justitie en de rechter over het vorderen, respectievelijk de afgifte van een schriftelijke machtiging voor verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs. Het advies bepaalt daarnaast in de regel ook de omvang van de gegevens die uiteindelijk – na een onherroepelijke rechterlijke machtiging – door de commissie aan de rapporteurs worden verstrekt. Dit omdat in artikel 2.10, eerste lid, van dit Besluit de hoofdregel is neergelegd dat alleen de door de commissie bruikbaar bevonden gegevens aan de rapporteurs worden verstrekt. De commissie vervult daarmee niet alleen belangrijke adviserende rol, maar tevens een zeeffunctie, die eraan bijdraagt dat de inbreuk op het medisch beroepsgeheim zo beperkt mogelijk wordt gehouden. Alleen de commissie is in staat om die zeeffunctie te vervullen, omdat zij als enige beschikt over zowel de over de weigerende observandus opgestelde pJ- rapportage, als over het dossier – of de dossiers – met betrekking tot zijn behandeling. Dat maakt de commissie bij uitstek geschikt om de bruikbaarheid van de gegevens te beoordelen en de gegevens daarbij in onderlinge samenhang te bezien. De rechterlijke machtiging bepaalt mitsdien of gegevens aan de rapporteurs worden verstrekt en het advies van de commissie als hoofdregel welke gegevens worden verstrekt. Op basis van de door de commissie verstrekte gegevens stellen de rapporteurs vervolgens een (aanvullend) rapport op over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis bij de verdachte ten tijde van het begaan van het delict.

Om haar taken goed te kunnen vervullen, is het noodzakelijk dat de commissie wordt ondersteund door een secretariaat. Om redenen van zowel onafhankelijkheid als (kosten)efficiëntie en borging van continuïteit in de bedrijfsvoering is ervoor gekozen de ondersteuning van deze multidisciplinaire adviescommissie onder te brengen bij een bestaande organisatie, te weten het in Utrecht gevestigde, gedeelde secretariaat van het eveneens onafhankelijke Adviescollege Verloftoetsing TBS (AVT) en de Landelijke Adviescommissie Plaatsing Langdurige Forensisch Psychiatrische Zorg (LAP). Het secretariaat is een bestaande organisatie, waarbij de onafhankelijkheid al is gewaarborgd en goede faciliteiten reeds aanwezig zijn, waaronder een goede infrastructuur voor de beveiligde elektronische gegevensverwerking.

1.3 Inhoud Besluit

Dit specifieke onderdeel van de regeling weigerende observandi, de rol van de multidisciplinaire commissie, wordt ingevolge artikel 37a, negende lid, Sr, in het onderhavige Besluit nader uitgewerkt. Dit Besluit ziet op de werkwijze en besluitvorming van deze commissie, de geheimhouding en de gegevens in het door de commissie op te stellen advies. De overige onderdelen van de regeling worden in dit besluit niet nader uitgewerkt. De wet bevat daarvoor ook geen grondslag. Wel worden hierover door partijen werkafspraken gemaakt. Dat geldt bijvoorbeeld voor de procesregels die gelden voor de penitentiaire kamer en de procedure die gevolgd wordt indien beroep in cassatie wordt ingesteld tegen de beschikking van de rechter.

Bij de uitwerking van de regeling zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • 1. de regeling wordt alleen ingezet als ultimum remedium. De regeling wordt niet standaard ingezet, maar alleen in die gevallen waarin alternatieve – minder ingrijpende – maatregelen niet afdoende zijn om tot een zorgvuldig oordeel te komen omtrent de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis. Alternatieve maatregelen zijn bijvoorbeeld het verlengen van de observatietermijn of het plaatsen van de weigerende observandus op de zogeheten weigerafdeling van het Pieter Baan Centrum (PBC). Niet bij alle weigerende observandi zal het echter de inschatting zijn dat het inzetten van een bepaalde alternatieve maatregel tot een grotere onderzoeksopbrengst zal leiden. Welke alternatieve maatregelen eerst ingezet moeten worden voordat gesproken kan worden van een ultimum remedium, is afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval. Dit vergt in eerste instantie een beoordeling van de rapporteurs die de pJ-rapportage opstellen en van de OvJ die een last tot advisering aan de commissie afgeeft en staat, als onderdeel van de proportionaliteitstoets, uiteindelijk ter beoordeling van de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden;

  • 2. geborgd moet zijn dat de rapporteurs alle gegevens ontvangen die relevant kunnen zijn voor het vaststellen van de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis;

  • 3. de inbreuk op het medisch beroepsgeheim mag niet verder gaan dan voor dat doel strikt noodzakelijk is, en

  • 4. de regeling moet werkbaar zijn, waarbij de administratieve lasten voor partijen zoveel mogelijk worden beperkt.

In het hoofdstuk hieronder wordt de inhoud van het Besluit per hoofdstuk beknopt weergegeven.

2. Toelichting per hoofdstuk

2.1 Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk zijn de begripsbepalingen vastgelegd. Het betreft definities van de begrippen de behandelaar, de commissie, het dossier met betrekking tot de behandeling, de leden, Onze Minister, de rapporteurs, de secretaris, de voorzitter, de weigerende observandus en de wet.

Hierbij verdient opmerking dat met de definitie van het begrip weigerende observandus de personele reikwijdte van de regeling weigerende observandi nader wordt ingevuld. In aanvulling op de in het (nieuwe) artikel 37a, vijfde lid, Sr reeds opgenomen voorwaarden dat sprake moet zijn van een verdachte van een misdrijf, dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e Sr («geweldsmisdrijf»), die weigert om mee te werken aan enig onderzoek naar de vaststelling van een mogelijke geestesstoornis en die tevens weigert om toestemming te geven voor de verstrekking van zijn bestaande medische persoonsgegevens, maakt artikel 1.1, onder i, van dit besluit expliciet dat het alleen om verdachten gaat, die ter observatie opgenomen zijn geweest in een daartoe bestemde inrichting zoals het PBC. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het ultimum remedium-karakter van de regeling. Vanuit die gedachte mag worden verwacht dat ten aanzien van een verdachte die medewerking weigert allereerst wordt bezien of opneming ter observatie leidt tot een concludente rapportage.

2.2 Werkwijze, besluitvorming en advies van de commissie

Hoofdstuk 2 is het meest omvangrijke hoofdstuk van dit Besluit. Het omschrijft de taak van de commissie (artikel 2.1 van het Besluit), die hiervoor in hoofdstuk 1 reeds is beschreven en bevat voorschriften voor de werkwijze, de besluitvorming en het advies van de commissie.

Artikel 37a, vijfde lid, van de wet schrijft voor dat de commissie uiterlijk dertig dagen na ontvangst van de last haar advies uitbrengt aan de officier van justitie (zo ook artikel 2.2 van het Besluit).

Gezien de mogelijke betrokkenheid van meerdere behandelaren van een weigerende observandus en de omvang van de dossiers, is dat een zeer strakke termijn. Het betreft een inspanningsverplichting voor de commissie en de procedure is erop ingericht om deze termijn te halen.

De commissie vraagt zo spoedig mogelijk na ontvangst van de last schriftelijk de gegevens over de weigerende observandus op bij de in de last opgenomen behandelaar of behandelaren (artikel 2.3 van het Besluit). Deze dienen die gegevens binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek van de commissie te verstrekken (artikel 2.4 van het Besluit). Die termijn van vijf werkdagen is werkbaar voor de behandelaar, omdat de gegevensverstrekking langs elektronische weg plaatsvindt en omdat de behandelaar een afschrift van het gehele dossier met betrekking tot de behandeling als bedoeld in artikel 7:454, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) verstrekt en dat dossier dus niet eerst zelf hoeft door te nemen. Dat de behandelaar het gehele dossier dient te verstrekken, draagt dus bij aan een werkbare procedure met zo weinig mogelijk administratieve lasten, maar is door die doelstelling niet ingegeven. Die reden is gelegen in een andere doelstelling, te weten een goede taakvervulling door de commissie en het borgen dat de rapporteurs alle gegevens ontvangen die relevant kunnen zijn voor het adviseren over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis. Doordat de commissie het gehele dossier met betrekking tot de behandeling ontvangt, kan zij de ontvangen gegevens zowel op zichzelf bezien, als in onderlinge samenhang. Een gegeven dat op zichzelf bezien niet direct bruikbaar lijkt, kan dat wel zijn wanneer het wordt bezien in samenhang met een ander gegeven. Dat kan een gegeven zijn uit hetzelfde dossier, maar ook een gegeven afkomstig uit het dossier van een andere behandelaar. De commissie beoordeelt de verschillende dossiers over een weigerende observandus dan ook zoveel mogelijk in onderlinge samenhang. Dat de commissie de dossiers met betrekking tot de behandeling in het geheel doorneemt en er geen «voorselectie» door de behandelaar plaatsvindt, draagt tevens bij aan de algemene beginselen van uniformiteit en rechtsgelijkheid. Geborgd is hiermee dat de gegevens op eenzelfde wijze worden beoordeeld hetgeen eraan bijdraagt dat verdachten op een vergelijkbare wijze worden behandeld. Het risico dat er bruikbare gegevens aanwezig zijn, die desondanks niet bij de rapporteurs terechtkomen, wordt hiermee ook aanzienlijk verkleind.

De gegevensverstrekking vindt zoals hiervoor reeds opgemerkt plaats langs elektronische weg. De behandelaar ontvangt daartoe een unieke inlogcode, waarmee hij toegang krijgt tot een beveiligde portal van de commissie. Via deze portal kan de behandelaar de gegevens uploaden. Niet alleen de behandelaren krijgen de beschikking over een unieke code, maar ook de leden van de commissie (artikel 2.5 van het Besluit). Met die persoonlijke code krijgen de commissieleden toegang tot het systeem van de commissie. De commissieleden kunnen de dossiers daarmee inzien, maar niet uitprinten. Dat vanuit het oogmerk van de borging van de geheimhouding van de gegevens.

Artikel 2.6 van het Besluit bevat enkele procedurele bepalingen over de vergaderingen van de commissie. Ook deze dragen bij aan het gereedkomen van het advies binnen dertig dagen.

Daarnaast voorziet dit artikel ook in de mogelijkheid om een behandelaar die een dossier over een weigerende observandus heeft verstrekt uit te nodigen om een (deel van de) vergadering bij te wonen om de door hem verstrekte gegevens nader toe te lichten. De behandelaar is dan desgewenst in de gelegenheid om een toelichting te geven, maar hij is niet verplicht om gehoor te geven aan de uitnodiging. Gaat de behandelaar op de uitnodiging in, dan kan de behandelaar de vragen van de commissieleden beantwoorden, met inachtneming van het medisch beroepsgeheim. Hij is mitsdien niet verplicht om antwoord te geven op de vragen.

Andere procedurele bepalingen uit hoofdstuk 2 zien op de besluitvorming binnen de commissie (artikel 2.7 van het Besluit), de vertegenwoordiging van de commissie (artikel 2.12 van het Besluit) en het advies (artikel 2.8 van het Besluit). Aan het advies van de commissie worden daarnaast ook materiële eisen gesteld. Het vijfde lid van artikel 37a Sr schrijft reeds voor dat het advies gemotiveerd moet zijn. Dit Besluit vult die motiveringsverplichting nader in. Cruciaal hierbij is dat het advies niet de medische gegevens zelf bevat. Beschrijving daarvan gebeurt alleen op een zeker abstractieniveau. Dit omwille van het zo beperkt mogelijk houden van de inbreuk op het medisch beroepsgeheim. De officier van justitie noch de penitentiaire kamer krijgt de beschikking over de door de behandelaar verstrekte gegevens en die inperking van de kring van gegevensverwerkers zou teniet worden gedaan, wanneer de gegevens vervolgens zouden worden opgenomen in het advies.

Tegelijkertijd zal het advies voor de officier van justitie en de penitentiaire kamer wel voldoende gegevens moeten bevatten om zich een zorgvuldig oordeel te kunnen vormen omtrent het vorderen van een schriftelijke machtiging voor de verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs, respectievelijk de afgifte van zodanige machtiging. Artikel 2.9 van dit Besluit bepaalt daartoe in het eerste lid dat de motivering in ieder geval aangeeft of bruikbaar geachte gegevens aanwezig zijn betreffende:

  • a) een diagnose of de classificatie van een stoornis dan wel overige symptomen of factoren die kunnen duiden op de mogelijke aanwezigheid van een stoornis

  • b) de ontwikkeling van de persoonlijkheid van de verdachte, en

  • c) het soort zorg, het soort behandeling, de periodes van behandeling en het type behandelaar. Daarbij wordt ook aangegeven of er al dan niet informatie is over het afronden van de behandeling en of er bijzonderheden zijn met betrekking tot de behandeltrouw. Deze opsomming is niet limitatief en de commissie kan in haar advies dus ook andere bruikbaar geachte gegevens omschrijven.

De door de commissie bruikbaar geachte gegevens worden opgesomd en kort aangeduid. Dat is niet alleen nodig voor de beoordeling door de officier van justitie en de rechter, maar is ook noodzakelijk voor de uiteindelijke verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs. Dit omdat in artikel 2.10 van het onderhavige Besluit als uitgangspunt is neergelegd dat de commissie alleen die gegevens aan de rapporteurs verstrekt, die zij bruikbaar heeft geacht. Deze begrenzing van de gegevensverstrekking is ingegeven door de doelstelling om de inbreuk op het medisch beroepsgeheim zo beperkt mogelijk te houden.

Verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs gebeurt onverwijld nadat de rechterlijke machtiging daartoe onherroepelijk is geworden. Na verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs vernietigt de commissie de gegevens (artikel 2.11 van het Besluit). De commissie informeert de behandelaar zowel over de verstrekking als over de vernietiging van de gegevens.

2.3 Geheimhouding, onpartijdigheid en verschoning

In hoofdstuk 3 is bepaald dat op alle leden van de commissie een geheimhoudingsplicht rust ten aanzien van de gegevens waarover zij bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen. Dit in aanvulling op de functionele geheimhoudingsplicht die op de artsen en gedragsdeskundige leden van de commissie reeds rust uit hoofde van de Wgbo. Voor de medewerkers van het secretariaat geldt een van de leden van de commissie afgeleide geheimhoudingsplicht, naast de geheimhoudingsplicht die in hun aanstelling als ambtenaar en de eed die zij in dat kader hebben afgelegd reeds is verankerd.

2.4 Gegevensverwerking

Hoofdstuk 4 bevat voorschriften over de beveiliging van de gegevensverwerking op grond van het onderhavige Besluit.

2.5 Wijzigingen in overige regelgeving

Hoofdstuk 5 bevat de wijzigingen die in overige regelgeving worden aangebracht. Dat is er slechts één, een wijziging van artikel 47 van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens. De multidisciplinaire commissie wordt toegevoegd aan de lijst van personen aan wie afschriften van rapporten uit een persoonsdossier mogen worden verstrekt. Hiermee wordt een grondslag gecreëerd om de pro Justitia-rapportage die ten behoeve van de weigerende observandus reeds is opgesteld aan de commissie te verstrekken. Verstrekking van deze rapportage uit het persoonsdossier draagt bij aan een zorgvuldige advisering door de commissie en de borging dat niet meer gegevens betreffende de gezondheid van de weigerende observandus aan de rapporteurs worden verstrekt dan nodig is en dat de doorbreking van het medisch beroepsgeheim mitsdien niet verder strekt dan strikt noodzakelijk is.

2.6 Slotbepalingen

Dit artikel bevat bepalingen inzake de inwerkingtreding en de citeertitel van dit Besluit.

3. Verhouding tot overige regelgeving

3.1 Verenigbaarheid met artikel 8 van het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

De voorgestelde procedure is met veel waarborgen omkleed, ook om in overeenstemming te zijn met het EVRM. Mede naar aanleiding van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State bevat deze paragraaf een uiteenzetting over de verenigbaarheid van de voorgestelde procedure met artikel 8 EVRM.

Het op grond van de regeling weigerende observandi vorderen en verder verwerken van medische gegevens van een verdachte van zijn behandelaars zonder diens toestemming betreft een doorbreking van het medisch beroepsgeheim en is aan te merken als een inmenging in het recht van de verdachte op eerbieding van zijn privéleven, dat beschermd wordt door artikel 8 van het EVRM. Dat recht is echter niet absoluut en artikel 8 EVRM erkent dat er omstandigheden zijn waaronder een beperking van het recht op privéleven is toegestaan. Dat geldt ook wanneer de inperking betrekking heeft op de vertrouwelijkheid van medische gegevens. Het EVRM stelt in dat geval wel zwaardere eisen aan het maken van een inperking, zo volgt uit de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 25 februari 1997 in de zaak Z. t. Finland (appl. no. 22009/93). Bij het opstellen van de regeling weigerende observandi is met die eisen rekening gehouden en aan de conformiteit met artikel 8 EVRM is tijdens de totstandkoming van de Wfz ook uitvoerig aandacht besteed (zie onder meer Kamerstukken II 2012–2013, 32 398, nr. 19, p. 17 en volgende, en Kamerstukken I 2012–2013, 32 398, F, p. 13 en volgende).

Aan de conclusie dat de regeling in overeenstemming is met het EVRM liggen, kort samengevat, onder meer de volgende overwegingen ten grondslag:

  • de regeling berust op een formeel-wettelijke grondslag, die een duidelijk beeld geeft van de omstandigheden waaronder en van, aan en door wie de gegevens mogen worden verwerkt;

  • de regeling bevat ook de nodige waarborgen tegen misbruik en willekeur, waaronder de advisering over de aanwezigheid en bruikbaarheid van gegevens over de mogelijke aanwezigheid van een stoornis door een multidisciplinaire commissie ,het vereiste van een rechterlijke machtiging voor de verstrekking van de gegevens aan de pJ-rapporteurs en het daartegen in te stellen cassatieberoep met schorsende werking;

  • de regeling dient voorts legitieme doelen, waaronder de bescherming van de gezondheid van toekomstige slachtoffers en de veiligheid van de samenleving en er is bovendien sprake van een «dwingende eis van algemeen belang» om de problematiek van de weigerende observandi aan te pakken en deze regeling te treffen. Het gaat hier om verdachten van zeer ernstige misdrijven, waarbij – in het geval van de aanwezigheid van een stoornis – de kans op recidive zonder behandeling mogelijk groot is;

  • aan het subsidiariteitsvereiste wordt voldaan doordat de regeling niet standaard wordt toegepast, maar alleen als ultimum remedium, in die gevallen waarin zonder de vordering van de gegevens niet tot een zorgvuldig oordeel kan worden gekomen over de aanwezigheid van een geestesstoornis, omdat een andere – voor de verdachte minder ingrijpende – wijze om dit vast te stellen door zijn eigen toedoen ontbreekt. Daarbij geldt dat in alle gevallen eerst wordt geprobeerd de verdachte ertoe te bewegen alsnog mee te werken en wordt bezien of op een andere wijze voldoende zicht kan worden verkregen op de geestestoestand van de verdachte en de noodzaak voor het opleggen van een tbs-maatregel;

  • gezien het grote belang dat met de regeling wordt gediend en de waarborgen waarmee deze is omgeven, afgezet tegen de zeer beperkte kring van personen waarmee de gegevens worden gedeeld, voldoet de regeling tevens in algemene zin aan het proportionaliteitsvereiste;

  • door de rechterlijke toets is tot slot geborgd dat een rapportage over de psychische toestand van een weigerende verdachte met gebruikmaking van gevorderde medische gegevens alleen tot stand komt wanneer dit ook in het individuele geval proportioneel wordt geacht.

Dit Besluit bevat een nadere uitwerking van specifieke onderdelen van deze regeling met betrekking tot de multidisciplinaire adviescommissie en de gegevens in het door die commissie op te stellen advies. De grenzen van die uitwerking worden gevormd door de wettelijke regeling zelf. Het Besluit blijft binnen deze wettelijke kaders en dat maakt dat de hiervoor weergegeven toets aan artikel 8 EVRM tevens geldt voor de uitwerking van de regeling in dit Besluit. Daar kan nog aan worden toegevoegd dat bij die nadere uitwerking steeds rekening is gehouden met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat heeft ertoe geleid dat in het Besluit en de toelichting daarbij nog enkele aanvullende waarborgen ten opzichte van de wet zijn opgenomen. Gewezen wordt op het volgende:

  • ter onderstreping van het ultimum remedium-karakter wordt thans expliciet gemaakt dat de regeling alleen mag worden toegepast ten aanzien van weigerende verdachten die ter observatie opgenomen zijn geweest in een daartoe bestemde inrichting, zoals het PBC. De resultaten van die observatie moeten eerst worden afgewacht, zo volgt ook uit het voorschrift dat de multidisciplinaire commissie de over de weigerende observandus opgestelde pJ-rapportage ontvangt teneinde deze bij haar advies te betrekken. Op zichzelf mogelijk bruikbare informatie die blijkens de pJ-rapportage al bekend is, zal de commissie in de voorliggende zaak dan als (in het concrete geval) niet bruikbaar aanmerken;

  • de op grond van de wet al zeer beperkte kring van personen die de beschikking krijgt over de gevorderde gegevens, wordt waar mogelijk nog verder ingeperkt. Alleen de multidisciplinaire commissie krijgt altijd toegang tot alle gevorderde gegevens. Deze commissie vervult een belangrijke zeeffunctie, nu als hoofdregel in het Besluit is neergelegd dat – na een onherroepelijke rechterlijke machtiging daartoe – alleen die gegevens aan de rapporteurs worden verstrekt, die de commissie als bruikbaar heeft aangemerkt. Daarbij wordt aangenomen dat gegevens die enkel informatie bevatten die al bij de rapporteurs bekend is of die ook uit een ander gegeven blijken als «niet bruikbaar» worden gekwalificeerd. Alleen in het naar verwachting zeer uitzonderlijke geval dat een onherroepelijke rechterlijke machtiging tot verstrekking zou volgen op een negatief advies van de commissie, waarin geen enkel gegeven als bruikbaar is aangemerkt, ontvangen de rapporteurs het volledige dossier. Gezien het rechterlijk oordeel en bezien in het licht van de dwingende eis van algemeen belang om het probleem van de weigerende observandi terug te dringen, prevaleert in dat geval het strafrechtelijk belang boven dat van een zo gering mogelijke inbreuk op het medisch beroepsgeheim;

  • verduidelijkt is dat het advies niet alleen de gegevens benoemt die wijzen op de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis bij de verdachte, maar ook eventueel aanwezige gegevens die juist wijzen op het tegendeel. Ook is verduidelijkt hoe de commissie moet omgaan met gegevens die (mogelijk gevoelige) informatie over derden bevatten. De commissie dient met die gegevens zeer zorgvuldig om te gaan en zodanige gegevens alleen als bruikbaar aan te merken, wanneer de daarin opgenomen (bruikbare) informatie niet tevens blijkt uit een ander gegeven, dat geen of minder informatie over derden bevat. Hiermee wordt uitdrukking gegeven aan het subsidiariteitsvereiste en wordt de inbreuk op het medisch beroepsgeheim zo klein mogelijk gehouden.

In een enkel geval bleek het voor een goede werking van de regeling echter juist essentieel om de ruimte die de wet biedt optimaal te benutten. Dat is het geval ten aanzien van het voorschrift dat de behandelaar die een verzoek tot gegevensverstrekking ontvangt, gehouden is om het gehele medische dossier van de weigerende observandus aan de commissie te verstrekken. Voor wat betreft de omvang van de verstrekkingsplicht zijn meerdere, minder verstrekkende, alternatieven overwogen, waaronder het gericht opvragen van specifieke gegevens uit een dossier of het stellen van gerichte vragen aan de behandelaar, waarna deze zelf beoordeelt welke gegevens hij aan de commissie verstrekt omdat deze mogelijk bruikbaar zijn. Aan deze alternatieven kleven echter de nodige bezwaren en met geen van deze alternatieven is geborgd dat de commissie kennis kan nemen van alle medische gegevens die bruikbaar kunnen zijn voor de beoordeling of mogelijk sprake is van een stoornis. Het risico dat er bruikbare gegevens aanwezig zijn, die desondanks niet bij de rapporteurs terechtkomen blijft daarmee aanwezig. Alleen wanneer het volledige dossier aan de commissie wordt verstrekt, wordt de commissie effectief in staat gesteld om haar wettelijke adviesrol waar te maken. Zij kan alle aanwezige gegevens dan op hun bruikbaarheid beoordelen, zowel op zichzelf als bezien in onderling verband met andere gegevens. Daar komt nog bij dat het gegeven dat de commissie de dossiers in het geheel doorneemt tevens bijdraagt aan de algemene beginselen van uniformiteit en rechtsgelijkheid: de gegevens worden op eenzelfde wijze beoordeeld en verdachten worden op eenzelfde wijze behandeld. Het is bovendien de meest efficiënte procedure, waarmee het risico op onredelijke vertragingen in het strafproces als gevolg van de toepassing van de regeling zo ook zo klein mogelijk gehouden. De conclusie was dan ook dat een lichtere, minder ingrijpende maategel om hetzelfde doel te bereiken niet mogelijk is.

3.2 Verhouding tot de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (Wgbo) en de Wet op de individuele beroepen in de gezondheidszorg (Wet BIG)

Nu het voorliggende Besluit een nadere uitwerking bevat van de verplichtingen en bevoegdheden die uit de regeling weigerende observandi uit de Wfz voortvloeien voor behandelaren en artsen die deel uitmaken van de multidisciplinaire commissie, doet zich de vraag voor hoe deze verplichtingen en bevoegdheden moeten worden bezien in relatie tot de rechten en plichten die voortvloeien uit de Wgbo en de Wet BIG. De regeling weigerende observandi bevat een wettelijke doorbreking van het medisch beroepsgeheim. Dat het hier een wettelijke verstrekkingsplicht betreft, heeft gevolgen voor de reikwijdte van de rechten en plichten uit de Wgbo. In de eerste plaats kan de behandelaar geen beroep doen op het medisch beroepsgeheim en het daaraan gerelateerde verschoningsrecht. De wettelijke verstrekkingsplicht en het ontbreken van beoordelingsruimte maken dat de behandelaar gehouden is de gegevens te verstrekken en dat hij daarvoor tuchtrechtelijk niet aansprakelijk is.

De wettelijke verstrekkingsplicht houdt ook in dat voor de verstrekking van de gegevens aan de commissie en, na een rechterlijke machtiging, de doorverstrekking van die gegevens aan de rapporteurs – «derden» in de zin van de Wgbo – niet de toestemming van de patiënt vereist is. Indien de behandelaar een verzoek tot verstrekking ontvangt, hoeft hij zijn patiënt dus niet om toestemming te vragen. De behandelaar is op grond van de Wgbo ook niet verplicht om de patiënt (voorafgaand) te informeren over de verstrekking van de gegevens aan de commissie. De informatieplicht van artikel 7:448 BW ziet op het voorgenomen onderzoek, de voorgestelde behandeling en de gezondheidstoestand van de patiënt. De verstrekking van de gegevens aan de commissie valt daar niet onder. Deze situatie is in zoverre dus vergelijkbaar met, bijvoorbeeld, de verstrekking van medische gegevens aan derden in het geval van besmettelijke ziekten. Ook in dat geval kunnen de gegevens over de patiënt zonder toestemming en zonder voorafgaand informeren aan derden worden verstrekt. Wel wordt de verdachte door de officier van justitie geïnformeerd over de verstrekking van de gegevens aan de commissie. Dat gebeurt op grond van het vijfde lid van artikel 37a Sr achteraf, op het moment dat het advies van de commissie aan hem wordt verstrekt.

De Wgbo verplicht de behandelaar er evenmin toe de patiënt te wijzen op de mogelijkheid om zijn dossier te vernietigen, dan wel om in alle gevallen gevolg te geven aan een verzoek tot vernietiging van een dossier. Indien een patiënt verzoekt om vernietiging van zijn dossier, dan dient de behandelaar hier op grond van artikel 7:455, eerste lid, BW binnen drie maanden gehoor aan te geven. Op dit vernietigingsrecht bestaan echter een aantal uitzonderingen. Zo kan een andere wet dwingen tot het bewaren van de gegevens. Dat is bijvoorbeeld het geval in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wbopz), waarin dwingend is voorgeschreven dat bopz-instellingen patiëntgegevens in ieder geval tot vijf jaar na het ontslag van de patiënt dienen te bewaren. Onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) wordt die bewaartermijn vijftien jaar.

Een andere uitzondering geldt indien de behandelaar tot het oordeel komt dat iemand anders dan de patiënt een aanmerkelijk belang heeft bij het bewaren van de gegevens. Hierbij moet het gaan om een concreet, actueel belang. Het gaat dan bijvoorbeeld over het bewaren van gegevens over een erfelijke aandoening, die van belang kunnen zijn voor nakomelingen. Een concreet, actueel belang kan ook gelegen zijn in een verzoek tot verstrekking van het dossier van de multidisciplinaire commissie. De (toekomstige) slachtoffers en nabestaanden kunnen worden aangemerkt als «iemand anders dan de patiënt». Daarbij moet worden bedacht dat de onderhavige regeling alleen wordt ingezet in geval van zeer ernstige misdrijven, die diep ingrijpen in de levens van slachtoffers en nabestaanden, en dat deze regeling het uiteindelijke doel dient dat de verdachte van een zodanig misdrijf voor wie de tbs-maatregel de meest passende sanctie is, deze maatregel ook opgelegd kan krijgen. Het is aan de behandelaar om hierover in het individuele geval een afweging te maken. Mocht de behandelaar in een individueel geval waarin een beroep op het vernietigingsrecht is gedaan tot het oordeel komen dat een uitzondering op dit recht niet gerechtvaardigd is, dan is het van belang dat het gevolg geven aan het verzoek van de patiënt tot vernietiging van het dossier en het gevolg geven aan het verzoek van de commissie tot verstrekking van het dossier elkaar niet hoeft te bijten. Op grond van het voorliggende besluit dient de behandelaar het dossier binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek van de commissie digitaal te verstrekken, terwijl hij op grond van de Wgbo binnen drie maanden gevolg dient te geven aan het verzoek van de patiënt tot vernietiging van het dossier. De behandelaar kan dus aan beide verplichtingen voldoen en ik ga er dan ook van uit dat hij het dossier eerst in afschrift aan de commissie verstrekt, alvorens dit te vernietigen.

Voor de leden van de commissie geldt dat zij werken onder geheimhouding. Die geheimhoudingsplicht vloeit voor de gehele commissie voort uit de Wfz en wordt bevestigd in het onderhavige Besluit. Voor de artsen en gedragsdeskundige die zitting hebben in de commissie geldt daarnaast dat zij ook uit hoofde van hun beroep gehouden zijn tot geheimhouding van de gegevens. Voor deze BIG-geregistreerde leden van de commissie geldt dat zij onderworpen zijn aan het medisch tuchtrecht. Daarbij wordt getoetst aan de tuchtnormen uit de Wet BIG. In 2018 is de wet tot wijziging van de Wet BIG in verband met de verbeteringen die worden doorgevoerd in het tuchtrecht alsmede verbeteringen ten aanzien van het functioneren van de wet aangenomen (Stb. 2018, 260). Sinds de inwerkingtreding van die wet op 1 april 2019 is de zogeheten tweede tuchtnorm in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, Wet BIG aangescherpt, waardoor een tuchtmaatregel kan worden opgelegd ter zake van een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt. Het schenden van de geheimhoudingsplicht als lid van de commissie kan aan die norm getoetst worden. In het niet zo waarschijnlijke geval dat de geheimhoudingsplicht toch zou worden geschonden, dan geldt voor alle leden van de commissie artikel 272 Sr. Dat artikel stelt het opzettelijk schenden van een geheim dat iemand uit hoofde van een ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht is te bewaren, strafbaar.

4. Financiële gevolgen en gevolgen voor de regeldruk

De kosten voor de uitvoering van de regeling weigerende observandi worden opgevangen binnen de begroting van mijn ministerie. De kosten voor de bezoldiging van de leden van de commissie bedragen voor het eerste jaar ongeveer 40.000 euro. Dit bedrag kan per jaar verschillen, omdat deze bezoldiging mede afhankelijk is van het aantal adviezen dat moet worden uitgebracht en het aantal vergaderingen dat daarvoor nodig is. Omdat het secretariaat van de commissie is ondergebracht bij het secretariaat van het AVT en de LAP, is de investering die nodig is om een zelfstandige organisatie op te richten en operationeel te houden bespaard. De constructie is kostenefficiënt omdat gebruik wordt gemaakt van een bestaande locatie en faciliteiten. De uitbreiding van de taken van het secretariaat van het AVT en de LAP is ondervangen door de toevoeging van 1fte. De apparaatskosten zijn jaarlijks 120.000 euro. Tot slot is er sprake van eenmalige ICT kosten van 135.000 euro om de commissie te faciliteren.

De administratieve lasten die gepaard gaan met de uitvoering van de in dit besluit opgenomen gegevensverwerking zullen voor behandelaren naar verwachting beperkt zijn. Zoals in het besluit expliciet is gemaakt wordt de regeling weigerende observandi niet standaard ingezet, maar slechts als ultimum remedium in die gevallen waarin alternatieve maatregelen niet afdoende zijn gebleken. Daarnaast is de regeling alleen van toepassing op verdachten die ter observatie opgenomen zijn geweest in een daartoe bestemde inrichting zoals het PBC. Ter duiding van de omvang: in 2017 was er sprake van 101 verdachten die in het PBC volledige medewerking weigerden. Het aantal gevallen waarin van de regeling gebruik zal worden gemaakt zal daarmee beperkt zijn. Ook voor het openbaar ministerie zullen de gevolgen voor de regeldruk daarmee naar verwachting beperkt zijn.

Daarnaast is beoogd middels de werkwijze van de commissie de administratieve lasten voor de behandelaar die het dossier verstrekt zo laag mogelijk te houden. De behandelaar verstrekt het gehele dossier om de commissie daarmee het meest effectief in staat te stellen alle opgehaalde gegevens in onderlinge samenhang te beoordelen, maar waarmee ook de benodigde tijdsinvestering van de behandelaar zo klein mogelijk wordt gehouden. De behandelaar hoeft geen tijd te besteden aan een voorselectie van de gegevens die zijns inziens relevant kunnen zijn. Het dossier wordt digitaal verstrekt. Voor die gevallen waarin de behandelaar niet beschikt over een digitaal dossier, zorgt het secretariaat van de commissie ervoor dat het dossier alsnog digitaal beschikbaar komt om de regeldruk voor de behandelaar te verminderen.

5. Adviezen

Het voorontwerp van dit besluit is in overleg met de beoogd voorzitter van de commissie opgesteld. Ook is het tijdens een expertmeeting besproken met vertegenwoordigers van de meest direct betrokken organisaties. Vervolgens is een aangepaste versie van het voorontwerp in consultatie gegeven. Adviezen zijn ontvangen van het College van procureurs-generaal (OM), GGZ Nederland (GGZ-NL), de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) en de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). Daarnaast is er een gezamenlijke reactie ontvangen van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP), MIND Landelijk Platform Psychische Gezondheid (MIND) en de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG). De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en Reclassering Nederland hebben na bestudering van het voorontwerp van dit besluit laten weten geen opmerkingen te hebben. Het ontwerpbesluit is tevens voor advies voorgelegd aan de Nationale Politie, de Patiëntenfederatie Nederland, de vereniging voor tbs-advocaten en de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland. Deze organisaties hebben geen reactie ingediend.

Het doet me deugd dat de adviesinstanties in algemene zin de gehanteerde uitgangspunten van het besluit onderschrijven. Met name het vereiste dat een last voor het opvragen van een dossier net betrekking tot de behandeling alleen kan worden afgegeven ten aanzien van verdachten die ten behoeve van het opstellen van een pJ-rapportage geobserveerd zijn geweest in een daartoe bestemde inrichting is positief ontvangen, zo blijkt onder meer uit de reacties van de Rvdr en van de NOvA. Op de wijze waarop deze uitgangspunten in het ontwerpbesluit concreet zijn uitgewerkt, hebben zij evenwel verdeeld gereageerd. Het OM heeft aangegeven zich inhoudelijk geheel in de regeling te kunnen vinden, maar andere instanties zijn kritischer. In de adviezen worden diverse vragen gesteld en voorstellen gedaan om tot verduidelijking en verbetering van het ontwerpbesluit te komen. Ik ben de adviesinstanties erkentelijk voor hun opmerkzaamheid en suggesties. Deze hebben er toe geleid dat zowel het besluit zelf als de toelichting op diverse onderdelen is aangepast. Dit betreft zowel inhoudelijke aanpassingen, als wetstechnische verbeteringen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het eenduidiger hanteren van de terminologie. Dit heeft er tevens toe geleid dat de taak van de commissie in artikel 2.1 thans wordt omschreven als het adviseren over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van een weigerende observandus tijdens het begaan van het feit, zoals voorgesteld door de NOvA. Op verzoek van de Rvdr, NVvR en de NOvA is uiteengezet hoe wordt omgegaan met verdachten die gedeeltelijk weigeren en ook is naar aanleiding van vragen en opmerkingen van, onder meer, de Rvdr en GGZ NL verduidelijkt hoe het advies van de commissie en de machtiging van de penitentiaire kamer zich tot elkaar verhouden en hoe in het strafproces tegen de weigerende verdachte met de aan de rapporteurs verstrekte gegevens wordt omgegaan. Op verzoek van de Rvdr en de NOvA is voorts geëxpliciteerd dat de commissie in het advies ook die gegevens noemt, waaruit blijkt dat bij de weigerende observandus geen sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Ook het als bijlage opgenomen verstrekkingsformulier is aangepast naar aanleiding van de adviezen van GGZ-NL en de Rvdr. Zo blijkt nu ook uit het formulier zelf dat het maken van aanvullende opmerkingen door de behandelaar optioneel is en wordt de situatie dat de behandelaar niet beschikt over een dossier van de weigerende observandus, omdat hij deze niet behandelt of behandeld heeft onderscheiden van die waarin hij niet langer over een dossier beschikt, omdat hij dat op verzoek van de weigerende observandus heeft vernietigd. Tot slot wordt nog opgemerkt dat de formulering van en de toelichting bij artikel 2.9, eerste lid, over de inhoud van het advies van de commissie, mede op advies van het OM zijn verduidelijkt en dat in de toelichting tevens nader wordt ingegaan op de positie van de behandelaar die door de commissie wordt uitgenodigd om een vergadering van de commissie (deels) bij te wonen, zoals verzocht door de NVvR en de RSJ.

Op een aantal andere vragen, voorstellen en opmerkingen zal ik hieronder specifiek ingaan.

De meest fundamentele kritiek ziet op de keuze om bij de verplichte gegevensverstrekking aan de commissie optimaal gebruik te maken van de ruimte die de wet biedt, door de behandelaar die een verzoek tot verstrekking ontvangt te verplichten om een afschrift van het hele dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus aan de commissie over te dragen te overhandigen. GGZ-NL, KNMG/NIP/NVvP/MIND en de RSJ vinden dat een te grote, disproportionele, doorbreking van het medisch beroepsgeheim, die in strijd zou zijn met de AVG. De RSJ stelt voor om in het besluit specifieke gegevens uit het dossier te benoemen, die de behandelaren moeten overleggen, zoals diagnoses en behandelplannen, terwijl GGZ-NL, KNMG/NIP/NVvP/MIND voorstellen om de behandelaar gerichte vragen voor te leggen. Aan de hand van die vragen zou de behandelaar vervolgens zelf moeten beoordelen welke gegevens hij dient te verstrekken.

Hoewel de inbreuk op het medisch beroepsgeheim in deze voorstellen inderdaad geringer van omvang is, heb ik hier niet voor gekozen en handhaaf ik de verplichting om het hele dossier met betrekking tot de behandeling te verstrekken. De reden daarvoor is dat ik naast een «niet groter dan voor het doel strikt noodzakelijke» inbreuk op het medisch beroepsgeheim ook rekening dien te houden met de andere uitgangspunten die aan dit besluit ten grondslag liggen. Dat geldt in het bijzonder voor het uitgangspunt dat geborgd moet zijn dat de rapporteurs alle gegevens ontvangen die relevant kunnen zijn voor het vaststellen van de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis, dat verdachten zoveel mogelijk gelijk behandeld dienen te worden en dat de procedure werkbaar moet zijn en niet mag leiden tot een onredelijke vertraging van het strafproces. Ik meen in de procedure zoals in dit besluit neergelegd een evenwichtige balans te hebben gevonden tussen deze verschillende uitgangspunten en belangen. Ik voel mij in mijn keuze gesterkt doordat de AP heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben bij het ontwerpbesluit.

Deze keuze wordt zowel in hoofdstuk 2.2 van het algemeen deel van de toelichting als in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.3 nader toegelicht.

Een tweede punt waar een aantal adviesinstanties kritisch over is, is het feit dat een machtiging voor verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs ook kan worden afgegeven, wanneer de commissie van oordeel is dat het dossier met betrekking tot de behandeling geen bruikbare gegevens bevat. In dat geval, zo menen de NOvA, de RSJ en GGZ-NL, zou het advies van de commissie bindend moeten zijn en zou moeten worden uitgesloten dat de officier van justitie een verzoek om een machtiging kan indienen bij de penitentiaire kamer. Dat betoog verdraagt zich niet met de wetsgeschiedenis van de Wfz, waarin uitdrukkelijk is stilgestaan bij deze situatie. In de memorie van antwoord bij de Wfz is erop gewezen dat voor een vordering onder die omstandigheden onder meer aanleiding kan bestaan wanneer de conclusie van de commissie luidt dat er wel sprake is van relevante gegevens, maar dat deze niet bruikbaar zouden zijn. Daarbij kunnen juridische overwegingen een rol spelen, die de officier van justitie wellicht anders interpreteert (EK 2012–2013, 32 398, F, p. 28–29). Dat hiermee afbreuk zou worden gedaan aan het gezag van de commissie, of dat dit de kern van de regeling zou ondergraven, zoals GGZ-NL, respectievelijk de RSJ meent, deel ik niet. De commissie is een adviescommissie. Het betreft weliswaar een zwaarwegend advies, maar uiteindelijk beslist de rechter of er daadwerkelijk gegevens aan de rapporteurs worden verstrekt. Dat grote waarde wordt gehecht aan het advies van de commissie blijkt reeds uit de hoofdregel dat op grond van de rechterlijke machtiging alleen de door de commissie als bruikbaar aangemerkte gegevens aan de rapporteurs worden verstrekt. Die regel leidt slechts uitzondering in het geval dat de commissie geen bruikbare gegevens aanwezig acht en de penitentiaire kamer toch een machtiging afgeeft. Alleen in dat uitzonderlijke geval wordt het gehele dossier met betrekking tot de behandeling aan de rapporteurs verstrekt.

Over de vernietiging van de gevorderde gegevens zijn ook enkele opmerkingen gemaakt. De NOvA acht de uiterlijke termijn van negentig dagen waarbinnen de commissie het dossier uiterlijk moet vernietigen te lang. Dit betreft evenwel een wettelijke uiterste termijn (artikel 37a, zevende lid, Sr (nieuw) en in het besluit is voor de commissie de inspanningsverplichting opgenomen om het dossier zo spoedig mogelijk te vernietigen. De NOvA merkt daarnaast terecht op dat het besluit niet regelt wanneer de rapporteurs de verstrekte gegevens dienen te vernietigen. De gegevensverwerking door de rapporteurs is inderdaad niet meegenomen, omdat dit buiten de reikwijdte van dit besluit valt. Voor de gegevensverwerking door de rapporteurs is dus niets afwijkends of aanvullends geregeld en hiervoor gelden de voor de rapporteurs gebruikelijke procedures en termijnen.

Positief beoordeelt de NOvA dat in het besluit voor het overige korte termijnen zijn opgenomen. Onnodige vertragingen in het strafproces worden zo voorkomen. GGZ-NL daarentegen acht de termijn van vijf werkdagen waarbinnen de behandelaar het dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus dient te verstrekken erg kort en verzoekt om deze te verruimen. Wanneer ik GGZ-NL zou zijn gevolgd in het voorstel om de behandelaar zelf af te laten wegen welke gegevens noodzakelijk kunnen zijn voor het vaststellen van een geestesstoornis en om die reden verstrekt moeten worden, zou deze termijn inderdaad bijzonder kort zijn. Die werkwijze vereist immers dat de behandelaar het dossier geheel doorneemt en zich per gegeven een oordeel dient te vormen of verstrekking daarvan noodzakelijk is. Nu in het besluit evenwel de keuze is gemaakt dat de behandelaar het gehele dossier met betrekking tot de behandeling dient te verstrekken en de verstrekking via digitale wijze kan geschieden, behoeft de behandelaar aanzienlijk minder handelingen te verrichten en zou een termijn van vijf werkdagen in de regel voldoende moeten zijn. Uiteraard kan de omstandigheid zich voordoen dat een behandelaar met vakantie is wanneer de commissie zich tot hem wendt met een verzoek tot verstrekking en dat de termijn in dat specifieke geval dan niet gered wordt, maar op dergelijke uitzonderingssituaties wordt een algemene termijn niet gebaseerd. De behandelaar dient in dat geval zo spoedig mogelijk nadat hij kennis heeft genomen van het verzoek een afschrift van het dossier aan de commissie te verstrekken. Voor behandelaren die werkzaam zijn voor een grotere zorgaanbieder geldt bovendien dat intern werkafspraken gemaakt kunnen worden over het aanleveren van gegevens aan de commissie. Daarbij zou bijvoorbeeld overwogen kunnen worden om – zoals de RSJ voorstelt – de bevoegdheid tot het aanleveren van gegevens neer te leggen bij de hoogst verantwoordelijke behandelaar (geneesheer-directeur).

De NOvA adviseert voorts om de inzet van de regeling weigerende observandi te beperken tot die situaties waarin de rapporteurs niet tot een advies omtrent de aanwezigheid van een geestesstoornis kunnen komen én de rechter in de strafprocedure tegen de weigerende observandus op basis van de wel beschikbare gegevens niet tot de vaststelling van een stoornis kan komen. Zo wordt volgens de NOvA zowel een onnodige inbreuk op het medisch beroepsgeheim als een onnodige vertraging van het strafproces voorkomen. Ik deel de strekking van dit betoog, maar meen dat voldoende recht wordt gedaan aan het ultimum remedium- karakter van de regeling wanneer de officier van justitie inschat dat de rechter op basis van de gegevens waarover hij beschikt niet tot de vaststelling van een stoornis zal kunnen komen.

Wanneer als vereiste zou worden opgenomen dat de rechter in de strafprocedure tegen de weigerende observandus dit eerst formeel vast zou moeten stellen, dan zou dat tot evenzeer tot ongewenste vertragingen in het strafproces leiden. Dat moet worden voorkomen. De officier van justitie maakt op basis van de feiten en omstandigheden van het individuele geval de afweging of de inzet van de regeling weigerende observandi nodig én proportioneel is en wanneer het advies van de commissie leidt tot een verzoek om een machtiging tot verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs, kan die beslissing van de officier van justitie door de penitentiaire kamer worden getoetst. Deze rechterlijke toets – en de mogelijkheid van beroep in cassatie bij de Hoge Raad – acht ik een afdoende waarborg tegen het ten onrechte inzetten van de regeling door de officier van justitie. Anders dan de NOvA voorstelt, voorziet het besluit dan ook niet in de mogelijkheid voor de commissie om een door de officier van justitie afgegeven last tot het opvragen van een dossier naast zich neer te leggen.

De NOvA meent voorts dat de commissie de weigerende observandus naar zijn mening zou moeten vragen alvorens diens dossier op te vragen bij zijn behandelaar(s). De dreiging van het opvragen van het dossier zou er volgens de NOvA toe kunnen leiden dat de weigerende observandus alsnog gaat meewerken en dan kan de inzet van de regeling – en daarmee van de inbreuk op het medisch beroepsgeheim – worden voorkomen. Mede gelet op het ultimum remedium-karakter van de regeling weigerende observandi zie ik niet in dat iemand die zo volhardend is in zijn weigering dat noch de observatie, noch de alternatieve maatregelen die al zijn toegepast, tot resultaat hebben geleid, alsnog zal gaan meewerken wanneer de voorzitter van de commissie contact met hem opneemt. De dreiging van het opvragen van het dossier gaat immers ook al van de wet zelf uit en heeft tot op het moment van de last aan de commissie kennelijk niet tot meewerken geleid. Voor de informatie- en rechtspositie van de weigerende observandus is het voldoende wanneer de officier van justitie hem het advies van de commissie toezendt en hem op dat moment – dus achteraf – informeert over de afgegeven last. Zou de weigerende observandus hierover op een eerder moment geïnformeerd worden – de RSJ vraagt hiernaar – dan is de kans groter dat hij zijn behandelaar(s) zal verzoeken zijn dossier te vernietigen en mogelijk zelfs druk op die behandelaar(s) zal uitoefenen. Dat is zeer onwenselijk. Ook voor het overige acht ik de informatiepositie van de weigerende observandus onder de regeling afdoende: de officier van justitie informeert hem over de last tot advies aan de commissie en het al dan niet vorderen van een machtiging en verstrekt hem een afschrift van het advies en de penitentiaire kamer doet hem schriftelijk mededeling van zijn beslissing. Ik zie geen reden voor aanvullende informatieverplichtingen voor de commissie richting de weigerende observandus.

De gegevens blijven onder de multidisciplinaire commissie, totdat de penitentiaire kamer een onherroepelijke beslissing heeft genomen. Indien de penitentiaire kamer machtiging verleent voor het gebruik van de persoonsgegevens, verstrekt de voorzitter van de multidisciplinaire commissie onverwijld de persoonsgegevens aan de gedragsdeskundigen, bedoeld in het vierde lid. Indien de officier van justitie, op basis van het advies van de multidisciplinaire commissie, afziet van het doen van een vordering, doet hij hiervan mededeling aan de verdachte. Van een last, bedoeld in de eerste volzin, doet de officier van justitie mededeling aan de verdachte, onder medezending van het advies van de multidisciplinaire commissie

De Rvdr heeft opgemerkt dat de weigerende observandus er in de procedure bij de penitentiaire kamer baat bij kan hebben inzicht te hebben in de gegevens die door de commissie bruikbaar worden geacht en in de context van deze gegevens. Ik onderschrijf het uitgangspunt dat de weigerende observandus over die informatie dient te beschikken, die nodig is voor de procedure bij de penitentiaire kamer. Het advies om de weigerende observandus een recht op inzage te geven in het aan de commissie verstrekte dossier en daarvan desgewenst een afschrift te kunnen ontvangen neem ik evenwel niet over. De informatiepositie van de weigerende observandus is afdoende geregeld doordat deze een afschrift ontvangt van het advies van de commissie en dat advies gemotiveerd is en alle gegevens die de commissie bruikbaar acht daarin worden benoemd. Het recht van een persoon op inzage in en het verkrijgen van een afschrift van het dossier met betrekking tot zijn behandeling is bovendien al neergelegd in artikel 7:456 BW. Dit recht van de patiënt is niet absoluut. De verstrekking blijft achterwege, voor zover dat noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. De weigerende observandus die meer informatie wil, kan zich mitsdien wenden tot zijn behandelaar, die naar aanleiding van het verzoek tevens de afweging zal maken of verstrekking (gedeeltelijk) achterwege dient te blijven.

Conform de adviezen van de NOvA en de NVvR ben ik in overleg getreden met de Hoge Raad om cassatieberoepen tegen de machtiging tot verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs versneld te behandelen. De Hoge Raad heeft aangegeven het belang van een versnelde afdoening te onderkennen en zich in te zullen spannen om zo snel als mogelijk op deze beroepen te beslissen.

Naast opmerkingen die specifiek zien op het ontwerpbesluit, stellen enkele organisaties ook nog fundamentele kwesties aan de orde, waarvan zij menen dat deze de effectiviteit van de regeling weigerende observandi ondermijnen. In dat kader wijst zowel de NVvR als de RSJ op het recht van de patiënt uit de Wgbo op vernietiging van zijn dossier. Deze organisaties raden aan om in regelgeving een uitzondering op dit recht vast te leggen. Het in Hoofdstuk 3 van de toelichting van dit besluit besproken artikel 7:455, tweede lid, BW lijkt weliswaar een oplossing te kunnen bieden, maar is niet toereikend. Er moet volgens de NVvR meer duidelijkheid worden geboden aan de behandelaar die geen gevolg geeft aan een uitdrukkelijk verzoek van zijn patiënt tot vernietiging van het dossier. Met name vanwege de druk die anders mogelijk door die patiënt op hem wordt uitgeoefend, maar ook om de behandelaar te vrijwaren voor tuchtrechtelijke procedures. Een regeling is daarnaast ook gewenst, omdat juist de randvoorwaarde voor toepassing van de regeling weigerende observandi – het ultimum remedium-beginsel – maakt dat een behandelaar vaak al lang voordat hij een verzoek van de voorzitter ontvangt tot verstrekking van het dossier gevolg zal hebben gegeven aan een verzoek van zijn patiënt tot vernietiging daarvan. Dat een verzoek van de voorzitter van de commissie om verstrekking van het dossier en een verzoek tot vernietiging van het dossier lang niet altijd samen hoeven te gaan, merkt ook GGZ NL op. GGZ NL adviseert echter juist om de toelichting op dit punt zo aan te passen dat meer recht wordt gedaan aan de patiëntenbelangen. Ik volg GGZ NL niet op dit punt en ben de NVvR en de RSJ zeer erkentelijk voor het feit dat zij aandacht hebben gevraagd voor deze problematiek. Tijdens de parlementaire behandeling van de Wfz is reeds aangegeven dat gemonitord zal worden of de regeling weigerende observandi zal leiden tot een toename van het aantal verzoeken om vernietiging van het dossier met betrekking tot de behandeling en dat hier bij de evaluatie van die regeling aandacht aan zal worden besteed. In de adviezen van de NVvR en de RSJ zie ik echter meer dan voldoende aanleiding om die evaluatie niet af te wachten. Ik zal hierover dan ook in overleg treden met de bewindspersonen van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Het tweede fundamentele punt dat de NVvR aan de orde stelt, betreft eveneens het creëren van duidelijkheid voor de rapporteurs die rapporteren over weigerende observandi. Volgens de NVvR leeft bij veel van deze rapporteurs nog steeds de vrees dat zij zich tuchtrechtelijk moeten verantwoorden na het opstellen van een rapportage over een weigerende observandus, omdat weigerende observandi zich op het standpunt stellen dat aan een gestelde diagnose dan geen eigen inhoudelijk onderzoek ten grondslag ligt. Overleg met het NIFP wijst uit dat deze vrees niet terecht is. Ook in het geval van een weigerende observandus vindt wel degelijk eigen inhoudelijk onderzoek van de persoon plaats. De aanvullende rapportage wordt waar mogelijk opgesteld door dezelfde rapporteur en ook voor zover dat niet het geval is, zal worden voortgeborduurd op het eerder onderzoek dat plaatsvond voorafgaand aan de inzet van de regeling weigerende observandi. Een rapporteur zal een diagnose van een eerdere behandelaar niet overnemen, indien hij deze niet (ook) zelf kan onderbouwen. Krijgt de rapporteur middels de inzet van de regeling weigerende observandi de beschikking over een door een behandelaar gestelde diagnose, dan zal hij deze altijd noemen en – voor zover nodig en mogelijk – toelichten wat dit zou (kunnen) betekenen in relatie tot de vraagstelling in de pJ-rapportage. Of de rapporteur een diagnose kan overnemen, of zelf een diagnose kan stellen, hangt af van het eigen onderzoek en van het gesprek met de weigerende observandus over de beschikbaar gekomen gegevens. De rapporteur zal altijd met de betrokkene in gesprek gaan over de ontvangen gegevens en deze wegen in het licht van de informatie waarover hij beschikt uit het eerdere onderzoek. Daarnaast wordt – volgens de gangbare procedure van het NIFP – ook de aanvullende rapportage altijd in persoon besproken met de verdachte voordat deze definitief wordt opgeleverd. De rapporteur zal het voorgaande in zijn rapportage ook toelichten. Mocht de rapporteur een diagnose niet kunnen overnemen of niet zelf een diagnose kunnen stellen, dan geeft hij zoveel mogelijk een feitelijke beschrijving van de gegevens waarover hij beschikt die voor de rechter van belang kunnen zijn bij zijn beoordeling of voldaan is aan de voorwaarden voor het kunnen opleggen van de tbs-maatregel. In dat verband is van belang dat het vereiste dat bij de verdachte ten tijde van het gepleegde feit sprake moet zijn van een «gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens» (stoornisvereiste) geen gedragskundig, maar een juridisch criterium is. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad betekent dit dat een rechter zijn oordeel ook op andere gronden kan baseren dan een vastgestelde medische diagnose. Het is aan de rechter om te beoordelen of hij met de aanvullende rapportage over de weigerende observandus over voldoende gronden informatie beschikt om aan te nemen dat aan het stoornisvereiste is voldaan.

De Wet forensische zorg, met inbegrip van de regeling weigerende observandi, zal binnen drie jaar na inwerkingtreding van de wet worden geëvalueerd. Bij die evaluatie zullen tevens, zoals de RSJ adviseert, de ervaringen van de behandelaren die een verzoek tot verstrekking van de commissie hebben ontvangen worden betrokken.

Voor de volledigheid merk ik tot slot nog op dat het ontwerpbesluit voordat het aan de Afdeling Advisering van de Raad van State is voorgelegd voor advies, in een informele voorhangprocedure ter informatie is voorgelegd aan de beide Kamers van de Staten-Generaal. Na schriftelijk en mondeling overleg heeft de Tweede Kamer op 4 juli 2019 ingestemd met het voorleggen van het ontwerpbesluit aan de Afdeling Advisering. De Eerste Kamer heeft dat na schriftelijk overleg gedaan op 15 oktober 2019.

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen en algemene bepalingen

Artikel 1.1
Artikel 1.1, onder a

Dit onderdeel bevat de definitie van het begrip «behandelaar». Op grond van artikel 37a, vijfde lid, is de multidisciplinaire commissie bevoegd om persoonsgegevens, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid, op te vragen van artsen en gedragsdeskundigen ten behoeve van het opstellen van het advies over de aanwezigheid en bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van een weigerende observandus. Met de term «behandelaar» wordt gedoeld op de artsen en gedragsdeskundigen bij wie de voorzitter van de commissie het dossier met betrekking tot de behandeling van een weigerende observandus opvraagt. Daarbij geldt dat voor de reikwijdte van het begrip «arts» wordt aangesloten bij de gebruikelijke betekenis onder de Wet Individuele Beroepen in de Gezondheidszorg en de daaronder hangende registers. Het betreft hier dus niet enkel psychiaters, maar bijvoorbeeld ook huisartsen en basisartsen.

Indien een behandelend arts of gedragsdeskundige niet bij naam bekend is, wordt het verzoek tot verstrekking van het dossier gericht tot de instelling waar de weigerende observandus is behandeld of de zorgaanbieder die de weigerende observandus heeft behandeld. Om die reden omvat de definitie van «de behandelaar» tevens de rechtspersoon bij wie het dossier wordt opgevraagd. In het geval dat het dossier bij een rechtspersoon wordt opgevraagd wijzigt uiteraard niet dat uiteindelijk een dossier van een arts of gedragsdeskundige wordt opgevraagd.

Artikel 1.1, onder b

Met de commissie wordt gedoeld op de multidisciplinaire commissie die ingevolge artikel 37a, negende lid, van de wet door Onze Minister wordt ingesteld. De commissie bestaat uit twee artsen, onder wie een psychiater, een gedragsdeskundige en twee juristen.

Zie hierover ook nader het Instellingsbesluit van de commissie.

Artikel 1.1, onder c

Met het dossier met betrekking tot de behandeling wordt gedoeld op het dossier met betrekking tot de behandeling als bedoeld in artikel 7:454 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (Wgbo). Dit dossier omvat onder meer de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen.

Artikel 1.1, onder d

Met de leden wordt gedoeld op de leden en plaatsvervangende leden van de commissie, met inbegrip van de voorzitter. De commissie bestaat uit vijf leden: twee artsen, onder wie een psychiater, een gedragsdeskundige en twee juristen. Voor elk van deze disciplines zijn plaatsvervangende leden benoemd. Zie hierover ook nader het reeds genoemde Instellingsbesluit.

Artikel 1.1, onder e

Onze Minister is de Minister voor Rechtsbescherming.

Artikel 1.1, onder f

Het begrip «de rapporteurs» verwijst naar de gedragsdeskundigen als bedoeld in artikel 37a, vierde lid, van de wet. Dit betreft tenminste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die rapporteren over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis bij een weigerende observandus. Deze rapporteurs ontvangen de door de commissie bruikbaar bevonden persoonsgegevens uit het dossier met betrekking tot de behandeling ten behoeve van het opstellen van een aanvullend advies over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis bij de weigerende observandus. Bij voorkeur zijn dit dezelfde rapporteurs die in de strafprocedure eerder gerapporteerd hebben over de weigerende observandus. Dit is echter geen formeel vereiste.

Artikel 1.1, onder g

Met secretaris wordt gedoeld op de secretaris, of plaatsvervangend secretaris, van de multidisciplinaire commissie. In dit verband wordt tevens verwezen naar het Instellingsbesluit van de commissie.

Artikel 1.1, onder h

De voorzitter refereert aan de voorzitter van de multidisciplinaire commissie, of diens plaatsvervanger. Ingevolge artikel 37a, negende lid, van de wet, is de voorzitter een psychiater. Diezelfde eis geldt ook voor de plaatsvervangend voorzitter. Zo wordt geborgd dat ook in geval van verhindering van de voorzitter een psychiater deel uitmaakt van de commissie en de commissie tot een advies kan komen. De voorzitter komt een bijzondere positie toe binnen de commissie. Zo kan de officier van justitie de voorzitter gelasten dat de commissie een advies uitbrengt, kan de penitentiaire kamer de voorzitter horen over het advies en verstrekt de voorzitter de door de commissie bruikbaar bevonden gegevens aan de rapporteurs. Voor het overige wordt ook hier verwezen naar het Instellingsbesluit van de commissie.

Artikel 1.1, onder i

Dit onderdeel licht toe wat wordt verstaan onder een «weigerende observandus». Het geeft daarmee tevens een nadere invulling aan de reikwijdte van de middels de Wet forensische zorg in artikel 37a van de wet opgenomen regeling op grond waarvan bestaande persoonsgegevens zonder toestemming van weigerende verdachten kunnen worden opgevraagd bij hun behandelaren. Dit is de regeling die bekend is komen te staan als de «regeling weigerende observandi». Met een «weigerende observandus» wordt gedoeld op een verdachte van een misdrijf, dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e van de wet, ten aanzien van wie de rechter het opleggen van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege overweegt en die:

  • a) op grond van een bevel als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering ter observatie opgenomen is geweest in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting tot klinische observatie bestemd,

  • b) weigert medewerking te verlenen aan enig onderzoek als bedoeld in het vierde lid van artikel 37a van de wet, en

  • c) niet bereid is om medewerking te verlenen aan de verstrekking van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens.

Dat de regeling weigerende observandi alleen kan worden ingezet ten aanzien van een verdachte van een misdrijf, dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam als bedoeld in artikel 38e van de wet volgt reeds uit het vijfde lid van artikel 37a van de wet. Het gaat dan om de zogeheten «geweldsmisdrijven», zeer ernstige misdrijven als bijvoorbeeld moord of verkrachting, op grond waarvan een verdachte de ongemaximeerde maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd kan krijgen. Ook de voorwaarden hiervoor genoemd onder b en c, dat de verdachte weigert om medewerking te verlenen aan enig onderzoek betreffende de vaststelling van een mogelijke geestesstoornis en tevens weigert om toestemming te geven voor de verstrekking van zijn persoonsgegevens, volgen reeds uit het vijfde lid van artikel 37a van de wet. Voor de inzet van de regeling is het niet noodzakelijk dat de verdachte volledige medewerking aan het onderzoek heeft geweigerd.

Bepalend is dat hij medewerking geweigerd heeft en dat de pJ-rapporteurs bijgevolg onvoldoende zicht hebben gekregen op het al dan niet aanwezig zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens ten tijde van het delict. Daarvan kan ook sprake zijn bij een gedeeltelijke weigering. Daar staat tegenover dat het ook voorkomt dat de pJ-rapporteurs ondanks een (gedeeltelijke) weigering toch een concludente rapportage over de verdachte weten op te stellen. In dat geval is de inzet van deze regeling niet aan de orde.

Nieuw is dat daarnaast thans expliciet is gemaakt dat het alleen verdachten betreft ten aanzien van wie de rechter het opleggen van de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege overweegt, die ter observatie opgenomen zijn geweest in een daartoe bestemde inrichting zoals het PBC. Hiermee wordt het ultimum remedium-karakter van de regeling, die tijdens de parlementaire behandeling van de Wet forensische zorg veelvuldig is benadrukt, verder tot uitdrukking gebracht. De regeling wordt niet standaard ingezet in alle gevallen van een weigerende verdachte, maar alleen in die gevallen waarin alternatieve – minder ingrijpende – maatregelen niet afdoende zijn gebleken om tot een zorgvuldig oordeel te komen omtrent de aanwezigheid van een geestesstoornis en de wenselijkheid van of noodzaak voor het opleggen van een tbs-maatregel. Bij die alternatieve maatregelen moet onder meer worden gedacht aan een verlenging van de observatietermijn en het inwinnen van informatie bij personen uit de omgeving van de verdachte (forensisch milieuonderzoek). Ook los van deze alternatieve maatregelen mag vanuit de ultimum remedium-gedachte worden verwacht dat ten aanzien van een verdachte die medewerking weigert allereerst wordt bezien of opneming ter observatie leidt tot een concludente rapportage. De commissie kan mitsdien geen dossier betreffende de behandeling opvragen ten aanzien van verdachten die enkel ambulant geweigerd hebben om aan een rapportage mee te werken.

Artikel 1.1, onder j

Met «de wet» wordt hier gedoeld op het Wetboek van Strafrecht. De zogeheten regeling weigerende observandi zelf vindt zijn grondslag weliswaar in de Wet forensische zorg, echter het betreft geen op zichzelf staande nieuwe bepaling, maar een in die wet opgenomen wijziging van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht.

Hoofdstuk 2. Werkwijze en besluitvorming

Artikel 2.1

In dit artikel is de taak van de commissie, die reeds in artikel 37a, vijfde en negende lid, van de wet is neergelegd, nogmaals opgenomen. Dit ten behoeve van de overzichtelijkheid en de leesbaarheid van het onderhavige besluit. De commissie heeft tot taak te adviseren over de aanwezigheid en de bruikbaarheid van persoonsgegevens betreffende een mogelijke gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de weigerende observandus. Het betreft persoonsgegevens over de weigerende observandus, die relevant kunnen zijn voor de advisering omtrent een mogelijke geestesstoornis. De rapportage over de aanwezigheid van een geestesstoornis zelf wordt niet opgesteld door de commissie, maar door de rapporteurs bedoeld in het vierde lid van artikel 37a van de wet. De commissie beoordeelt evenmin of de verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs gerechtvaardigd en proportioneel is. Dat is ter beoordeling aan de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, die ten behoeve van die verstrekking een schriftelijke machtiging kan afgeven. Of uiteindelijk voldoende gegevens over de weigerende observandus aanwezig zijn om aan te nemen dat bij de betrokkene ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en dat de tbs-maatregel de meest toepasselijke sanctie is, is tot slot aan de rechter die vonnis wijst in de strafprocedure tegen de weigerende observandus.

Artikel 2.2

In dit artikel is neergelegd binnen welke termijn na ontvangst van een last van de officier van justitie de commissie dient te adviseren en wanneer deze termijn aanvangt. De in het eerste lid neergelegde adviestermijn van dertig dagen is reeds wettelijk bepaald. Dit is geen fatale termijn in die zin dat er geen rechtsgevolgen zijn verbonden aan het niet binnen die termijn afkomen van een advies. In sommige gevallen zal deze dertig dagen-termijn ook niet voldoende kunnen blijken te zijn. Meer tijd zou bijvoorbeeld nodig kunnen zijn, indien uit een dossier informatie over een nog niet bekende behandelaar naar boven komt bij wie dan alsnog het dossier moet worden opgevraagd of de dossiers extra bewerkelijk zijn. De commissie streeft er echter in alle gevallen naar om binnen de wettelijke termijn te adviseren en indien dit niet mogelijk is, om dat zo spoedig mogelijk na ommekomst van die termijn te doen. Dit mede met het oog op het grote belang dat wordt gehecht aan het recht van de verdachte op berechting binnen een redelijke termijn, zoals geborgd door onder meer artikel 6 EVRM.

De termijn vangt aan met ingang van de dag na de dag waarop de voorzitter de last tot advisering van de officier van justitie heeft ontvangen. Deze formulering sluit aan bij de formuleringen inzake termijnen in de Algemene wet bestuursrecht. Bij het bepalen van het einde van de termijn is de Algemene termijnenwet van toepassing. Dit brengt mee dat als een termijn eindigt op een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag, deze wordt verlengd tot en met de eerste dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is.

Artikel 2.3

In artikel 2.3 van dit besluit wordt het opvragen van de gegevens bij de behandelaren nader uitgewerkt. Wanneer de voorzitter van de commissie van de officier van justitie een last tot het uitbrengen van advies ontvangt, vraagt hij zo spoedig mogelijk de gegevens over de weigerende observandus op bij de in de last genoemde behandelaar of behandelaren. De behandelaren bij wie gegevens moeten worden opgevraagd, worden in de last zo concreet mogelijk benoemd, zo mogelijk bij naam dan wel bij de naam van de instelling waar de betrokkene is behandeld. Blijkt bij het doornemen van de ontvangen gegevens vervolgens dat deze informatie bevatten over een behandeling door een behandelaar die niet bij naam in de last was opgenomen omdat deze nog niet bekend was, dan vraagt de voorzitter ook bij die behandelaar de gegevens betreffende de weigerende observandus op. De officier van justitie zal daarvoor in de aan de commissie verstrekte last ruimte laten. Een nieuwe last voor het opvragen van de gegevens bij die behandelaar is dus niet nodig. Dit is geregeld in het eerste lid van artikel 2.3. Daarin is ook bepaald welke gegevens over de weigerende observandus de voorzitter bij de behandelaren opvraagt. Dat is «het dossier met betrekking tot de behandeling», dat wil zeggen: het dossier, dat de behandelaar op grond van de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst gehouden is om bij te houden (artikel 7:454, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). In dat dossier houdt hij aantekening van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de uitgevoerde verrichtingen en neemt hij ook andere stukken op die hieromtrent gegevens bevatten.

Voor het opvragen van het gehele dossier met betrekking tot de behandeling is gekozen, omdat de commissie daarmee het meest effectief in staat wordt gesteld om haar wettelijke taak te vervullen: de beoordeling of er mogelijk bruikbare gegevens over de weigerende observandus aanwezig zijn. Doordat de commissie alle gegevens ontvangt, kan zij bepaalde gegevens zoals bijvoorbeeld een behandelplan, niet alleen op zichzelf bezien, maar tevens in samenhang met andere gegevens, zoals gegevens inzake de behandeltrouw van de betrokkene of aansluitende zorg. Die noodzaak tot het bezien van de gegevens in onderlinge samenhang is er niet alleen ten aanzien van de gegevens uit een medisch dossier, maar ook met betrekking tot de gegevens uit medische dossiers over de weigerende observandus die van andere behandelaren worden verkregen. Een gegeven dat op zichzelf bezien niet direct bruikbaar lijkt, kan dat wel zijn wanneer het wordt bezien in samenhang met een ander gegeven. Dat de commissie de dossiers met betrekking tot de behandeling in het geheel doorneemt en er geen «voorselectie» door de behandelaar plaatsvindt, draagt tevens bij aan de algemene beginselen van uniformiteit en rechtsgelijkheid. De gegevens worden op eenzelfde wijze beoordeeld en de verdachten worden op dezelfde wijze behandeld. Het risico dat dat er bruikbare gegevens aanwezig zijn, die desondanks niet bij de rapporteurs terechtkomen, wordt hiermee ook aanzienlijk verkleind.

In het tweede lid van artikel 2.3 van dit besluit is vervolgens bepaald dat de voorzitter de behandelaar bij wie hij een dossier opvraagt, informeert over de procedure en over diens plicht om een afschrift van het opgevraagde dossier te verstrekken. Die plicht tot verstrekking vloeit rechtstreeks voort uit artikel 37a, vijfde lid, van de wet. Aangezien deze bepaling een wettelijke doorbreking van het medisch beroepsgeheim inhoudt, kan de behandelaar zich niet beroepen op het aan dat beroepsgeheim gekoppelde verschoningsrecht. Om de behandelaar over deze procedure te informeren zal een informatieblad worden opgesteld, dat de voorzitter bij het verzoek tot verstrekking van het dossier voegt. Daarnaast voegt de voorzitter bij dat verzoek het zogeheten verstrekkingsformulier, dat als bijlage bij het onderhavige besluit is opgenomen. Op dit verstrekkingsformulier dient de behandelaar enkele gegevens in te vullen, waaronder de periode gedurende welke de weigerende observandus bij hem onder behandeling stond. Ook biedt dit formulier ruimte voor de behandelaar om desgewenst overige informatie of opmerkingen aan de commissie mee te geven. Dit is optioneel en geeft de behandelaar de mogelijkheid om context te schetsen bij de aangeleverde gegevens.

Artikel 2.4

Artikel 2.4, eerste lid, van het besluit bepaalt binnen welke termijn de behandelaar het afschrift van het dossier met betrekking tot behandeling van de weigerende observandus aan de commissie dient te verstrekken. Die termijn is gesteld op vijf werkdagen. In het tweede lid is neergelegd dat de verstrekking van de gegevens aan de commissie langs elektronische weg plaatsvindt. De behandelaar ontvangt daartoe van de commissie een unieke inlogcode, waarmee hij toegang krijgt tot een beveiligde portal van de commissie. Via deze portal kan de behandelaar de gegevens uit het dossier en uploaden en het verstrekkingsformulier digitaal invullen. De behandelaar kan inloggen in het portal om te zien welke gegevens hij reeds heeft geüpload. Vanaf het moment van uploaden kan de behandelaar geen gegevens meer verwijderen of aanpassen.

Nu de verstrekking langs elektronische weg plaatsvindt en de behandelaar het gehele dossier dient te verstrekken en dit dus niet eerst hoeft door te nemen om de zijns inziens relevante gegevens daaruit te halen, ga ik ervan uit dat die termijn afdoende is. De behandelaar die nog niet over een (volledig) digitaal dossier beschikt, kan dit melden aan het secretariaat van de commissie. Het secretariaat zal er dan desgewenst zorg voor dragen dat het dossier alsnog (geheel) digitaal beschikbaar komt voor de commissie. De verplichting tot verstrekking langs elektronische weg leidt voor de behandelaar dus niet tot een verhoging van de administratieve lasten. Deze termijn moet bovendien worden bezien in relatie tot de termijn van dertig dagen waarbinnen de commissie moet adviseren. Tot slot geldt ook voor deze termijn dat deze eerst ingaat op de dag na ontvangst van het verzoek (artikel 2.4, derde lid).

Artikel 2.5

Dit artikel beschrijft de verwerking van de ontvangen dossiers met betrekking tot de behandeling door de commissie. In het eerste lid is vastgelegd dat het ontvangen afschrift van het dossier met betrekking tot de behandeling van de weigerende observandus door de verstrekking langs elektronische weg automatisch in het informatiesysteem van de commissie wordt geplaatst. Het tweede lid regelt dat de behandelaar die een dossier verstrekt van de commissie altijd een bevestiging van die verstrekking ontvangt. Dat gebeurt op geautomatiseerde wijze, zodat de behandelaar gelijk weet dat het afschrift van het dossier op de juiste wijze is verzonden en is ontvangen.

Het derde lid bepaalt dat alleen de leden van de commissie toegang hebben tot het afschrift van het dossier. Zij beschikken daartoe over een persoonlijke unieke code, waarmee zij toegang krijgen tot het systeem van de commissie. De commissieleden kunnen dossiers enkel inzien. Het printen van (delen van) het dossier is niet mogelijk. Dit lid bevat hiermee mitsdien een belangrijke extra waarborg voor de geheimhouding van de gegevens.

In het vierde lid is neergelegd dat de commissie ernaar streeft om dossiers die door verschillende behandelaren zijn verstrekt, maar die betrekking hebben op dezelfde weigerende observandus, zoveel mogelijk gezamenlijk te behandelen. Alleen door de gegevens in onderlinge samenhang te bezien kan een zorgvuldige beoordeling plaatsvinden van de bruikbaarheid van de gegevens. Zoals hiervoor bij artikel 2.3 reeds is opgemerkt kan een gegeven dat op zichzelf bezien niet direct bruikbaar lijkt, dat wel zijn wanneer het wordt bezien in samenhang met een ander gegeven, ook wanneer dat afkomstig is uit een ander dossier.

In het vijfde lid is tot slot geregeld dat de commissie voor elk advies een kenmerk vastlegt aan de hand waarvan kan worden herleid door welke behandelaren gegevens zijn verstrekt.

Artikel 2.6

Artikel 2.6 bevat enkele procedurele bepalingen over de vergaderingen van de commissie. Het eerste lid bevat het algemene uitgangspunt dat de commissie zo vaak vergadert als nodig is voor een goede uitoefening van haar taak. Een goede taakuitoefening houdt ook in dat de commissie adviseert binnen de wettelijke termijn van dertig dagen. Met het oog op een tijdige advisering bepaalt het tweede lid dat de commissie op grond van het vaste vergaderrooster één maal per twee weken vergadert. Van dat rooster kan op initiatief van de voorzitter worden afgeweken: afhankelijk van de omstandigheden kan het nodig zijn om de vergaderfrequentie bij te stellen, zowel omhoog als omlaag. Een extra vergadering kan bijvoorbeeld nodig zijn in het geval er binnen een korte periode meerdere lasten tot advisering zijn ontvangen. In het geval er minder of geen lasten zijn ontvangen kan er aanleiding zijn een vergadering te annuleren.

In het derde, vierde en zevende lid wordt de taakverdeling tussen de voorzitter en de secretaris beschreven. De voorzitter zit de vergaderingen voor en bepaalt, in overleg met de secretaris, de agenda. De secretaris schrijft de vergaderingen uit en draagt zorg voor de verdere voorbereiding van de vergadering. Dat houdt onder meer in dat de secretaris de vergadering uitschrijft, de leden een week voor de vergadering de agenda, de lasten van de te bespreken zaken en de over de betreffende weigerende observandi opgestelde pro Justitia-rapportages doet toekomen. Tot slot zorgt de secretaris voor de verslaglegging. De van de behandelaren ontvangen dossiers met betrekking tot de behandeling worden tijdig voor de vergadering elektronisch toegankelijk gemaakt voor de leden (vierde lid). Dat houdt in de regel in dat de leden een week voor de vergadering toegang krijgen tot die dossiers. In onderling overleg kan evenwel een kortere termijn gehanteerd worden. Dat kan bijvoorbeeld nodig zijn indien over een weigerende observandus bij meerdere behandelaren dossiers zijn opgevraagd en een dossier wordt later ontvangen. De termijn moet echter altijd lang genoeg zijn om de gegevens zorgvuldig te kunnen beoordelen.

In het vijfde lid is bepaald dat de vergadering in beslotenheid wordt gevoerd, met dien verstande dat daarbij als uitgangspunt geldt dat ook de secretaris de vergadering bijwoont. Wanneer daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter ook een behandelaar die een dossier met betrekking tot de behandeling van een weigerende observandus heeft verstrekt uitnodigen om een vergadering deels bij te wonen (zesde lid). Dit kan het geval zijn indien een of meerdere van de leden vragen hebben bij opmerkingen van de behandelaar op het verstrekkingsformulier. De behandelaar is niet verplicht om op de uitnodiging in te gaan. Gaat de behandelaar op de uitnodiging in, dan kan de behandelaar de vragen van de commissieleden beantwoorden, met inachtneming van het medisch beroepsgeheim. Hij is mitsdien niet verplicht om antwoord te geven op de vragen, maar kan dat wel doen, onder meer wanneer de weigerende observandus hem daar toestemming voor heeft gegeven. In dat verband is van belang dat een nadere toelichting of een verklaring van zijn behandelaar juist ook in het voordeel kan zijn van de weigerende observandus.

Artikel 2.7

Artikel 2.7 beschrijft de besluitvorming binnen de commissie. Voor een zorgvuldige besluitvorming is het noodzakelijk dat een vergadering in ieder geval wordt bijgewoond door ten minste drie leden, die elk een van de in artikel 37a, negende lid, van de wet genoemde disciplines vertegenwoordigt, te weten een arts, een gedragsdeskundige en een jurist. Nu datzelfde artikellid van de wet voorschrijft dat de voorzitter van de commissie een psychiater is, zal in de praktijk de aanwezige arts altijd een psychiater moeten zijn. De maximaal twee niet-aanwezige leden, of hun plaatsvervangers van dezelfde discipline, leveren in dat geval hun bijdrage schriftelijk. Alleen wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, kan de commissie rechtsgeldige besluiten nemen. Dit alles is neergelegd in het eerste lid van artikel 2.7.

Het tweede lid benadrukt dat de commissie streeft naar eenstemmigheid. Lukt dat niet, dan worden besluiten genomen met gewone meerderheid van stemmen. In het geval de stemmen staken, komt aan de stem van de voorzitter doorslaggevende betekenis toe, zo bepaalt het derde lid.

Artikel 2.8

Artikel 2.8 behandelt de procedurele aspecten rondom het door de commissie af te geven advies. De secretaris stelt het advies op met inachtneming van de besluitvorming in de vergadering en legt dit in concept voor aan de leden. Deze reageren schriftelijk en het advies kan vervolgens schriftelijk worden vastgesteld. Deze hoofdregel is neergelegd in het tweede lid van dit artikel. Dat lid bevat tevens een uitzondering op deze hoofdregel. Indien de commissie tijdens de vergadering niet tot eenstemmigheid kon komen, dan kan het advies op verzoek van een lid worden geagendeerd voor een vergadering en tijdens die vergadering worden besproken en worden vastgesteld. Deze agendering gebeurt in samenspraak met de voorzitter.

Het derde en vierde lid schrijven tot slot voor dat het advies wordt ondertekend door de voorzitter en door de secretaris wordt verzonden naar de officier van justitie.

Artikel 2.9

Artikel 2.9 gaat in op de inhoudelijke aspecten van het advies. De commissie wordt geacht om de officier van justitie binnen dertig dagen na ontvangst van een last schriftelijk te adviseren over de aanwezigheid en bruikbaarheid van de persoonsgegevens in relatie tot de aanwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens tijdens het begaan van het strafbare feit waarvan de weigerende observandus wordt verdacht. Bij de beoordeling van de bruikbaarheid van de gegevens betrekt de commissie in ieder geval de aard van de zorg waarop de gegevens betrekking hebben (somatische of geestelijke gezondheidszorg), hoe actueel de gegevens zijn, de relatie tot de pro Justitia-rapportage over de weigerende observandus en, indien aanwezig, eventuele opmerkingen van de behandelaar. Daarbij beziet de commissie de gegevens uitdrukkelijk ook in onderling verband, waarbij het uitgangspunt is dat dossiers van verschillende behandelaren over een weigerende observandus gezamenlijk worden behandeld (zie artikel 2.5, tweede lid).

Het advies is gemotiveerd. Dat is reeds bepaald in artikel 37a, vijfde lid, van de wet en wordt in het eerste lid van artikel 2.9 van het onderhavige besluit herhaald. Bij die motivering moet een zorgvuldige afweging worden gemaakt tussen aan de ene kant een voldoende onderbouwing voor de officier van justitie om te kunnen beoordelen of hij een verzoek tot een rechterlijke machtiging voor het gebruik van de persoonsgegevens in zal dienen en voor de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden om te kunnen beoordelen of de verlening van zodanige machtiging gerechtvaardigd en proportioneel is en aan de andere kant ervoor te waken dat de doorbreking van het medisch beroepsgeheim niet verder gaat dan strikt noodzakelijk is voor die beoordelingen. Dat geldt in het bijzonder voor gegevens als door de behandelaar opgestelde gespreksverslagen. Deze verslagen kunnen bruikbare informatie bevatten, maar kunnen daarnaast ook gevoelige informatie over derden bevatten. De commissie dient hier dus zeer zorgvuldig mee om te gaan. Des te meer omdat de behandelaar er bij het opstellen van deze verslagen niet van uit hoeft te gaan dat deze ooit door een derde zullen worden beoordeeld. Het voorgaande leidt er onder meer toe dat de gegevens uit het dossier niet als bijlage bij het advies worden opgenomen en ook niet gedetailleerd worden besproken. Bespreking gebeurt alleen op een zeker abstractieniveau.

Artikel 2.9 schrijft in het eerste lid voor dat de motivering in ieder geval aangeeft of bepaalde informatie in bruikbare vorm beschikbaar is. Het gaat dan om een diagnose of een classificatie van een stoornis, dan wel om overige symptomen of factoren die kunnen duiden op de mogelijke aanwezigheid van een stoornis. Daarnaast worden ook bruikbare gegevens beschreven die een inzicht geven in de ontwikkeling van de persoonlijkheid van de weigerende observandus. Tot slot wordt ingegaan op gegevens over:

  • het soort zorg dat is verleend, zoals geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg of somatische zorg;

  • het soort behandeling: bijvoorbeeld farmacotherapeutische behandeling, psychotherapeutische behandeling of sociaal-psychologische begeleiding, waarbij wordt aangegeven of de zorg klinisch of ambulant werd verleend en of die zorg werd verleend op vrijwillige basis of in gedwongen kader;

  • de periodes van behandeling en

  • het type behandelaar.

Ook van het al dan niet afronden van een behandeling en andere bijzonderheden met betrekking tot de behandeltrouw van de weigerende observandus wordt melding gemaakt.

Deze opsomming is niet limitatief. Dat blijkt ook uit het gebruik van de woorden «in ieder geval». Indien de commissie daar aanleiding toe ziet, kan zij in haar advies ook andere bruikbaar geachte gegevens vermelden. De bruikbaar geachte gegevens worden opgesomd en kort aangeduid. Dat geldt ook voor eventueel aanwezige gegevens, die de commissie in algemene zin bruikbaar acht, maar ten aanzien waarvan zij op basis van de specifieke feiten en omstandigheden van een bepaalde zaak concludeert dat dit in die zaak anders is. Dat is onder meer het geval wanneer de op zich bruikbare informatie uit bijvoorbeeld een gespreksverslag tevens in een ander gegeven is opgenomen of gezien de pJ-rapportage reeds bij de rapporteurs bekend is. De opsomming omvat zowel de gegevens die wijzen op de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis, als eventueel aanwezige gegevens die juist wijzen op de op de mogelijke afwezigheid daarvan. Dat de bruikbaar geachte gegevens worden opgesomd is niet alleen nodig voor de beoordeling door de officier van justitie en de rechter, maar is ook noodzakelijk voor de uiteindelijke verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs. Dit omdat in artikel 2.10 van het onderhavige besluit als uitgangspunt is neergelegd dat de commissie alleen die gegevens aan de rapporteurs verstrekt, die zij bruikbaar heeft geacht. Een overzicht van de bruikbaar bevonden gegevens is daartoe noodzakelijk. Deze begrenzing van de gegevensverstrekking is ingegeven door de doelstelling om de inbreuk op het medisch beroepsgeheim zo beperkt mogelijk te houden. Wanneer bepaalde informatie in meer dan één gegeven is opgenomen, geldt als hoofdregel dat het gegeven dat geen of minder informatie over derden bevat als «bruikbaar» wordt aangemerkt en het andere gegeven als «niet bruikbaar». In het hiervoor genoemde voorbeeld van het gespreksverslag betekent dit dat het verslag als niet bruikbaar wordt aangemerkt en niet aan de rapporteurs wordt verstrekt.

Daarmee wordt de overige, niet-bruikbare, informatie die in dat verslag is opgenomen niet onnodig gedeeld.

Op grond van artikel 37a, vijfde lid, van de wet, kan de penitentiaire kamer besluiten de voorzitter te horen in het kader van de beoordeling van het verzoek om verlening van een rechterlijke machtiging voor het gebruik van de persoonsgegevens. Wanneer de voorzitter zelf van oordeel is dat het wenselijk is dat hij het advies nader toelicht, schrijft het tweede lid van het onderhavige artikel voor dat het advies dit gegeven vermeldt. De penitentiaire kamer kan dit standpunt van de voorzitter dan betrekken bij haar beoordeling over het al dan niet horen van de voorzitter.

Artikel 2.10

Artikel 2.10 van dit besluit ziet op het verder verstrekken van de persoonsgegevens betreffende de weigerende observandus door de commissie aan de rapporteurs. Voor deze verdere verstrekking is een onherroepelijke schriftelijke machtiging van de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vereist, zo schrijft artikel 37a, zesde lid, van de wet voor. De gegevens worden pas verstrekt nadat de schriftelijke machtiging onherroepelijk is geworden. Tot aan dat moment blijven de gegevens onder de commissie. Is de machtiging onherroepelijk, dan verstrekt de commissie de gegevens onverwijld aan de rapporteurs. Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat de commissie op dat moment niet het gehele dossier met betrekking tot de medische behandeling van de weigerende observandus verstrekt, maar alleen die gegevens, die de commissie in haar advies als bruikbaar heeft aangemerkt. De rechterlijke machtiging bepaalt mitsdien of de gegevens aan de rapporteurs verstrekt worden en het advies van de commissie als hoofdregel welke gegevens worden verstrekt. Voor deze begrenzing is gekozen, omdat hierdoor geborgd wordt dat niet meer persoonsgegevens betreffende de gezondheid van de weigerende observandus aan de rapporteurs worden verstrekt dan nodig is en dat de doorbreking van het medisch beroepsgeheim niet verder strekt dan strikt noodzakelijk is. Voor de goede orde benadruk ik hier nogmaals dat de gegevens voor een beperkt doel worden verstrekt: uitsluitend ten behoeve van het opstellen van een rapportage over de mogelijke aanwezigheid van een geestesstoornis bij de verdachte De gegevens worden dan ook uitsluitend verstrekt aan de rapporteurs die de rapportage opstellen en niet tevens afzonderlijk aan de officier van justitie of de rechter voor wie de strafzaak tegen betrokkene dient. Zij kunnen – zoals gebruikelijk is bij pJ-rapportages – van deze gegevens slechts kennis nemen in zoverre deze in de rapportage zijn verwerkt, ter onderbouwing van de bevindingen van de rapporteurs.

In het naar verwachting zeer uitzonderlijke geval dat een onherroepelijke machtiging volgt op een advies waarin de commissie had geconcludeerd dat er geen bruikbare gegevens aanwezig zijn, dient de commissie het gehele dossier met betrekking tot de behandeling aan de rapporteurs te verstrekken. Het verstrekken van alleen de naar de mening van de commissie bruikbare gegevens is dan naar de aard van het advies niet mogelijk. Gezien het rechterlijk oordeel is het verstrekken van het volledige dossier dan gerechtvaardigd, zodat de rapporteurs zelf – op basis van het dossier – kunnen beoordelen of en zo ja welke bruikbare gegevens het dossier bevat. Dit brengt ook het adviserende karakter van de adviescommissie tot uiting; het uiteindelijke oordeel omtrent de verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs is aan de rechter. Ook dit is geregeld in het eerste lid.

Het tweede lid schrijft voor dat de commissie de behandelaar terstond informeert over de verdere verstrekking van de gegevens.

Artikel 2.11

In artikel 2.11 is de vernietiging van de persoonsgegevens door de commissie nader uitgewerkt. Dat de commissie de gegevens uiterlijk binnen negentig dagen na een onherroepelijke afwijzende beschikking van de penitentiaire kamer of een mededeling van de officier van justitie dat hij geen vordering voor een rechterlijke machtiging zal indienen vernietigt, is reeds neergelegd in artikel 37a, zesde lid, van de wet. In het eerste lid van het onderhavige artikel wordt thans benadrukt dat deze termijn een uiterste termijn is en dat het streven gericht is op zo spoedig mogelijke vernietiging van de gegevens. Daarnaast wordt aan deze twee momenten voor vernietiging een derde moment voor vernietiging toegevoegd, te weten na de verstrekking van de gegevens aan de rapporteurs. Dit is nodig, omdat anders dan bij de verstrekking van een fysiek dossier, in het geval van een digitale verstrekking de gegevens ook nog in (kopie in) het bezit kunnen zijn van de verstrekker. Daarnaast bepaalt artikel 2.10 van het onderhavige besluit als hoofdregel dat alleen de gegevens die door de commissie bruikbaar zijn bevonden worden verstrekt aan de rapporteurs, met als gevolg dat de vernietiging van de niet aan de rapporteurs verstrekte gegevens nog geregeld moet worden. Met dit derde vernietigingsmoment worden deze beide situaties gedekt.

Het tweede lid schrijft tot slot voor dat de commissie de behandelaar terstond informeert over het vernietigen van het afschrift van het dossier met betrekking tot de behandeling en het ingevulde verstrekkingsformulier.

Artikel 2.12

In artikel 2.12 is neergelegd dat de commissie (extern) vertegenwoordigd wordt door de voorzitter. Dat dit het geval is, komt ook in verschillende andere bepalingen reeds tot uitdrukking. Zo is de last van de officier van justitie dat de commissie advies uitbrengt gericht aan de voorzitter (artikel 37a, vijfde lid, van de wet), vraagt de voorzitter de afschriften van de dossiers met betrekking tot de behandeling op bij de behandelaren (artikel 2.3, eerste lid, van het onderhavige besluit) en kan uitsluitend de voorzitter gehoord worden door de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (artikel 37a, zevende lid, van de wet).

Hoofdstuk 3. Geheimhouding, onpartijdigheid en verschoning

Artikel 3.1

Op alle leden van de commissie rust een geheimhoudingsplicht ten aanzien van de gegevens waarover zij bij de uitoefening van hun taak de beschikking krijgen. Tenzij een wettelijk voorschrift hen verplicht tot mededeling of uit hun taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het verstrekken van informatie door de voorzitter wanneer hij gehoord wordt door de penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Voor de artsen en gedragsdeskundige leden van de commissie geldt daarnaast tevens de geheimhoudingsplicht die uit hoofde van de Wgbo reeds op hen rust.

Voor de medewerkers van het secretariaat geldt een afgeleide geheimhoudingsplicht: deze wordt afgeleid van de geheimhoudingsplicht van de leden die zij ondersteunen. De geheimhoudingsplicht van de medewerkers van het secretariaat ligt tevens verankerd in hun aanstelling als ambtenaar en de eed die zij in dat kader hebben afgelegd.

Artikel 3.2

Voor het gezag van de commissie en de door haar opgestelde adviezen is het essentieel dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de commissie boven alle twijfel verheven zijn. Dat de commissie onafhankelijk is, vloeit reeds voort uit de wet en het Instellingsbesluit van de commissie. Dat houdt onder meer in dat de commissie bij haar oordeelsvorming geen aanwijzingen ontvangt van bijvoorbeeld het openbaar ministerie. Voor wat betreft de onpartijdigheid is in het eerste lid van het onderhavige artikel neergelegd dat de commissie haar taak vervult zonder vooringenomenheid. Om die onafhankelijkheid en onpartijdigheid verder te borgen, is daarnaast in het tweede lid een verschoningsregeling opgenomen. De noodzaak zich te verschonen kan gelegen zijn in de persoonlijke sfeer, maar gezien de samenstelling van de commissie zou het ook voor kunnen komen dat een commissielid beroepsmatig reeds te maken heeft gehad met de weigerende observandus waarover de commissie moet adviseren. Dat kan zijn als behandelaar, maar bijvoorbeeld ook als pro Justitia-rapporteur of als advocaat. Elke schijn van partijdigheid moet dan worden vermeden en het desbetreffende lid dient zich dan te verschonen. De rol van dat lid in de commissie wordt dan vervuld door een plaatsvervangend lid van dezelfde discipline.

Hoofdstuk 4. Gegevensverwerking

Artikel 4.1

In dit artikel is geregeld dat de digitale verwerking van gegevens via een beveiligde netwerkverbinding gebeurt. De eisen voor de beveiliging van de gegevensverwerking moeten gelijkwaardig zijn aan de normen NEN/ISO 27001 en 27002. Dit zijn standaarden voor (systemen voor) informatiebeveiliging. De genoemde normen vormen de basis voor de Baseline Informatiebeveiliging Rijksdienst 2017 (BIR 2017).

Hoofdstuk 5. Wijzigingen in andere regelgeving

Artikel 5.1

Dit artikel wijzigt artikel 47 van het Besluit Justitiële en Strafvorderlijke gegevens, zoals dat luidt na inwerkingtreding van het Besluit forensische zorg. De multidisciplinaire commissie wordt toegevoegd aan de lijst van personen aan wie afschriften van rapporten uit een persoonsdossier mogen worden verstrekt. Hiermee wordt een grondslag gecreëerd om de pro Justitia-rapportage die ten behoeve van de weigerende observandus is opgesteld aan de commissie te verstrekken. Het uitgevoerde forensisch milieuonderzoek maakt onderdeel uit van de rapportage. Verstrekking van de rapportage draagt bij aan een zorgvuldige advisering door de commissie over de bruikbaarheid van de bij de behandelaren opgevraagde persoonsgegevens. Zo kunnen in het dossier met betrekking tot de behandeling bijvoorbeeld gegevens aanwezig zijn, die op zichzelf weliswaar bruikbaar kunnen zijn voor de beoordeling van de aanwezigheid van een mogelijke geestesstoornis, maar die dat gelet op de pro Justitia-rapportage in het concrete voorliggende geval toch niet zijn. Bijvoorbeeld omdat deze gegevens of de informatie waarop zij betrekking hebben blijkens de pro Justitia-rapportage reeds bekend zijn bij de rapporteurs. De verstrekking van de pro Justitia-rapportage draagt er zo aan bij dat niet meer persoonsgegevens betreffende de gezondheid van de weigerende observandus aan de rapporteurs worden verstrekt dan nodig is en dat de doorbreking van het medisch beroepsgeheim niet verder strekt dan strikt noodzakelijk is.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 6.1

Dit artikel bepaalt de datum van de inwerkingtreding van zowel het onderhavige besluit als van artikel 7.1, onderdeel F, van de Wet forensische zorg, dat de grondslag vormt voor dit besluit, en van artikel 7.3a van die wet, dat onlosmakelijk is verbonden met voornoemd artikel. De datum van inwerkingtreding is de dag na de dag waarop dit besluit in het Staatsblad is gepubliceerd. Het meergenoemde Instellingsbesluit van de commissie zal op diezelfde dag in werking treden. Deze spoedige inwerkingtreding, waarbij van de gebruikelijke termijnen wordt afgeweken, vloeit voort uit de dringende noodzaak om op de kortst mogelijke termijn gebruik te kunnen maken van de regeling weigerende observandi. Wanneer de tbs-maatregel niet wordt opgelegd waar dat wel de meest passende maatregel zou zijn, brengt dat grote risico’s voor de veiligheid van de samenleving met zich mee. Deze regeling draagt eraan bij dat het effect van een weigering om mee te werken wordt verkleind, omdat de rechter ook bij een weigerende observandus zicht kan krijgen op een mogelijk aanwezige psychische stoornis.

Artikel 6.2

Dit artikel bevat de citeertitel van het onderhavige besluit. Deze luidt: Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi.

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker