Besluit van 28 oktober 2019 tot wijziging van sociale zekerheidswetten in verband met het regelen van overgangsrecht voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zonder akkoord over de voorwaarden voor deze terugtrekking (no deal Brexit)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 september 2019, nr. 2019-0000131180;

Gelet op artikel VII, eerste lid, van de Verzamelwet Brexit;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 2 oktober 2019, nr. No.W12.19.0293/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 oktober 2019, nr. 2019-0000150233,

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE KINDERBIJSLAGWET

Na artikel 41c van de Algemene Kinderbijslagwet wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 41d

  • 1. In de periode van twaalf maanden vanaf de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie worden ten aanzien van personen die zich bevinden in een grensoverschrijdende situatie tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk de regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving toegepast van:

    • a. titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PbEU 2017, L 76);

    • b. titel II van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Pb EU 2009, L 284), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PbEU 2017, L 76);

    • c. titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1971, L 149), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (PbEU, L 177); en

    • d. titel III van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1972, L 74), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 120/2009 van de Commissie van 9 februari 2009 (PbEU 2009, L 39),

    alsof deze verordeningen nog van toepassing zouden zijn.

  • 2. Op grond van de toepassing van de regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving, bedoeld in het eerste lid, worden, voor zover nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen en artikel 6a, de personen, bedoeld in het eerste lid, als verzekerd of niet verzekerd op grond van deze wet aangemerkt.

ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE NABESTAANDENWET

Na artikel 69 van de Algemene nabestaandenwet wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 70

  • 1. In de periode van twaalf maanden vanaf de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie worden ten aanzien van personen die zich bevinden in een grensoverschrijdende situatie tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk de regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving toegepast van:

    • a. titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PbEU 2017, L 76;

    • b. titel II van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Pb EU 2009, L 284), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PbEU 2017, L 76);

    • c. titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1971, L 149), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (PbEU, L 177); en

    • d. titel III van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1972, L 74), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 120/2009 van de Commissie van 9 februari 2009 (PbEU 2009, L 39),

    alsof deze verordeningen nog van toepassing zouden zijn.

  • 2. Op grond van de toepassing van de regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving, bedoeld in het eerste lid, worden, voor zover nodig in afwijking van artikel 13 en de daarop berustende bepalingen en artikel 13a, de personen, bedoeld in het eerste lid, als verzekerd of niet verzekerd op grond van hoofdstuk 2 van deze wet aangemerkt.

ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE OUDERDOMSWET

De Algemene Ouderdomswet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 63 wordt vernummerd tot artikel 62c.

B

Na artikel 62c wordt een artikel ingevoegd:

Artikel 63

  • 1. In de periode van twaalf maanden vanaf de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie worden ten aanzien van personen die zich bevinden in een grensoverschrijdende situatie tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk de regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving toegepast van:

    • a. titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PbEU 2017, L 76);

    • b. titel II van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Pb EU 2009, L 284), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PbEU 2017, L 76);

    • c. titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1971, L 149), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (PbEU, L 177); en

    • d. titel III van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1972, L 74), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 120/2009 van de Commissie van 9 februari 2009 (PbEU 2009, L 39),

    alsof deze verordeningen nog van toepassing zouden zijn.

  • 2. Op grond van de toepassing van de regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving, bedoeld in het eerste lid, worden, voor zover nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen en artikel 6a, de personen, bedoeld in het eerste lid, als verzekerd of niet verzekerd op grond hoofdstuk II van deze wet aangemerkt.

ARTIKEL IV. WIJZIGING VAN DE WERKLOOSHEIDSWET

Na artikel 130hh wordt aan hoofdstuk XB van de Werkloosheidswet een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 130ii

  • 1. In de periode van twaalf maanden vanaf de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie worden ten aanzien van personen die zich bevinden in een grensoverschrijdende situatie tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk de regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving toegepast van:

    • a. titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166) ), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PbEU 2017, L 76);

    • b. titel II van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Pb EU 2009, L 284), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PbEU 2017, L 76);

    • c. titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1971, L 149), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (PbEU, L 177); en

    • d. titel III van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1972, L 74), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 120/2009 van de Commissie van 9 februari 2009 (PbEU 2009, L 39),

    alsof deze verordeningen nog van toepassing zouden zijn.

  • 2. Op grond van de toepassing van de regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving, bedoeld in het eerste lid, worden, voor zover nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen en artikel 3a, de personen, bedoeld in het eerste lid, als verzekerd of niet verzekerd op grond van deze wet aangemerkt.

ARTIKEL V. WIJZIGING VAN DE WET ARBEID EN ZORG

In artikel 3:27, eerste lid, onderdeel a, van de Wet arbeid en zorg wordt «en 101g» vervangen door «101g en 101h».

ARTIKEL VI. WIJZIGING VAN DE ZIEKTEWET

Na artikel 87d van de Ziektewet wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 87e

  • 1. In de periode van twaalf maanden vanaf de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie worden ten aanzien van personen die zich bevinden in een grensoverschrijdende situatie tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk de regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving toegepast van:

    • a. titel II van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PbEU 2017, L 76);

    • b. titel II van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (Pb EU 2009, L 284), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/492 van de Commissie van 21 maart 2017 (PbEU 2017, L 76);

    • c. titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (Pb 1971, L 149), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 592/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 (PbEU, L 177); en

    • d. titel III van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1972, L 74), zoals laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 120/2009 van de Commissie van 9 februari 2009 (PbEU 2009, L 39),

    alsof deze verordeningen nog van toepassing zouden zijn.

  • 2. Op grond van de toepassing van de regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving, bedoeld in het eerste lid, worden, voor zover nodig in afwijking van artikel 3 en de daarop berustende bepalingen en artikel 3a, de personen, bedoeld in het eerste lid, als verzekerd of niet verzekerd op grond van deze wet aangemerkt.

ARTIKEL VII. INWERKINGTREDING

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Daarbij kan worden bepaald dat dit besluit terugwerkt tot het tijdstip waarop artikel VII van de Verzamelwet Brexit in werking treedt.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 28 oktober 2019

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

Uitgegeven de eenendertigste oktober 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (hierna: Verenigd Koninkrijk) overeenkomstig artikel 50, eerste en tweede lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Europese Unie terug te trekken.

Op grond van artikel VII van de Verzamelwet Brexit is door de wetgever aan de regering de bevoegdheid gegeven om bij algemene maatregel van bestuur (hierna: amvb) socialezekerheidswetten te wijzigen voor zover dit noodzakelijk is in verband met het regelen van overgangsrecht voor de situatie waarin het Verenigd Koninkrijk zich terugtrekt uit de Europese Unie zonder akkoord over de voorwaarden voor deze terugtrekking (no deal Brexit).

Een no deal Brexit heeft tot gevolg dat de bestaande Europese regelgeving op het gebied van sociale zekerheid niet meer geldt in de relatie met het Verenigd Koninkrijk. Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels1 (hierna: de Verordening) en de bijpassende toepassingsverordening, Verordening (EG) nr. 987/20092, zijn vanaf de datum van terugtrekking niet meer van toepassing. Ook de Verordeningen (EEG) nr. 1408/713 en (EEG) nr. 574/724 zijn niet meer van toepassing. Dit heeft gevolgen voor de sociale zekerheidsaanspraken die in de relatie met het Verenigd Koninkrijk met toepassing van deze verordeningen zijn opgebouwd of toegekend. Wanneer wordt teruggevallen op de nationale socialezekerheidswetgeving kunnen bijvoorbeeld Nederlandse uitkeringen niet meer of niet meer volledig in het Verenigd Koninkrijk worden uitbetaald, vanwege de exportbeperking die in Nederland in de afzonderlijk sociale verzekeringswetten is vastgelegd en die vóór de datum van een no deal Brexit nog door artikel 7 van de Verordening wordt opgeheven.

Op basis van de grondslag in de eerder genoemde Verzamelwet Brexit is reeds een besluit vastgesteld om de nadelige gevolgen van een no deal Brexit voor uitkeringsgerechtigden in Nederland en het Verenigd Koninkrijk zoveel mogelijk te voorkomen.5 In de toelichting bij dat besluit is aangegeven dat het ten tijde van het opstellen van dat besluit – gelet op het unilaterale karakter van het besluit – niet mogelijk was om unilateraal regels te stellen die tot effect hebben dat de sociale zekerheidswetgeving van slechts één van beide landen van toepassing is, zoals dit voor uittreding van het Verenigd Koninkrijk wordt gegarandeerd door de regels over de vaststelling van de toepasselijke wetgeving, de zogenaamde aanwijsregels in de verordeningen. Deze aanwijsregels bepalen welk land bevoegd is om te beoordelen of een persoon al dan niet verzekerd is voor de sociale zekerheid in dat land. De nationale sociale verzekeringsbepalingen komen dus enkel in beeld wanneer de Nederlandse wetgeving wordt aangewezen als de toepasselijke. Het gevolg van het wegvallen van deze aanwijsregels zou kunnen leiden tot gevallen van dubbel en onverzekerd zijn en daarmee van dubbele of geen premieafdracht voor personen die zich bevinden in een grensoverschrijdende situatie met het Verenigd Koninkrijk in een geval van een no deal Brexit. Dit kon niet volledig unilateraal worden bewerkstelligd, omdat voor het coördinatie-instrument vaststelling van de toepasselijke wetgeving (de aanwijsregels) wederkerige afspraken nodig zijn.

Inmiddels hebben er echter op ambtelijk niveau technische bilaterale besprekingen met het Verenigd Koninkrijk plaatsgevonden die hebben geleid tot het onderhavige besluit. De uitkomst van dit contact is dat beide landen nationale wetgeving implementeren om gedurende een beperkte periode (één jaar na een no deal Brexit) te vermijden dat in grensoverschrijdende situaties tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk sprake zal zijn van dubbele verzekering of geen verzekering. Dit kan niet worden gerealiseerd door het opnemen van een aanwijsregel in nationale wetgeving, aangezien het onmogelijk is om nationaalrechtelijk te bepalen dat iemand onderworpen is aan de wetgeving van een ander land. Het is echter wel mogelijk om in beide landen wetgeving te implementeren die ertoe strekt de kring van verzekerden van de sociale zekerheidswetten zodanig te bepalen dat de verzekeringspositie op basis daarvan dezelfde is als die zou gelden in het geval het Verenigd Koninkrijk niet zou zijn uitgetreden en de Europese regelgeving op het gebied van sociale zekerheid nog van toepassing zou zijn. Het onderhavige ontwerpbesluit regelt dit aan Nederlandse zijde.

Het hierboven beschreven doel wordt alleen bereikt als het Verenigd Koninkrijk nationale wetgeving met eenzelfde strekking implementeert. Daarom is dit een voorwaarde voor de vaststelling en inwerkingtreding van dit besluit. Deze vormgeving kent uiteraard zijn nadelen. De implementatie berust immers op twee verschillende – al zij het gelijkstrekkende – stukken nationale wetgeving. Verdragen of verordeningen geven een betere garantie voor de uniforme toepassing.

De looptijd van deze regeling is mede daarom beperkt tot een jaar vanaf de datum van een no deal Brexit. Gezien zijn aard ziet deze regeling niet alleen op bestaande gevallen die al op de datum van een no deal Brexit gebruik maken van het vrije verkeer, maar ook op nieuwe grensoverschrijdende situaties met het Verenigd Koninkrijk die na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk gedurende de looptijd van deze regeling ontstaan.

Het personele toepassingsgebied van deze regeling komt overeen met de huidige Europese regelgeving op dit terrein, zoals die geldt op het tijdstip van de terugtrekking. Dit betekent dat naast Unieburgers, vluchtelingen en staatlozen ook legaal verblijvende derdelanders een beroep op deze regeling kunnen doen. Het Verenigd Koninkrijk heeft zich niet aangesloten bij Verordening (EU) nr. 1231/20106. Aangezien het Verenigd Koninkrijk wel Verordening (EG) nr. 859/20037 heeft aanvaard, worden – als ze aan de voorwaarden voldoen – de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 toegepast wanneer zich in hun situatie aanknopingspunten voordoen met het Verenigd Koninkrijk. Verordening (EG) nr. 859/2003 verwijst naar Verordeningen (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72. Dit is de reden waarom er in de onderhavige regeling eveneens wordt verwezen naar titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en titel III van Verordening (EEG) nr. 574/72.

Wet langdurige zorg en Zorgverzekeringswet

De aanwijsregels in de verordening hebben betrekking op de vaststelling van de toepasselijke wetgeving op het terrein van de sociale zekerheid waaronder het terrein van zorg. Dit betekent dat de verzekering voor de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw) ook moet blijven worden bepaald met inachtneming van hetgeen in het onderhavige besluit is geregeld.

Artikel VII van de Verzamelwet Brexit biedt echter alleen een grondslag voor het bij amvb wijzigen van bepaalde met naam genoemde sociale zekerheidswetten. De artikelen die zien op de kring van verzekerden van de Wlz zullen daarom via een separaat wetstraject worden gewijzigd. Wijziging van de Zvw is niet noodzakelijk, omdat bij de bepaling van de verzekeringsplicht voor de Zvw wordt aangesloten bij de kring van verzekerden op grond van de Wlz.

Toelichting situatie waarbij een tweede lidstaat betrokken is

Het onderhavige besluit bevat niet alleen regels voor personen die zich in een grensoverschrijdende situatie bevinden tussen Nederland en uitsluitend het Verenigd Koninkrijk. De regels kunnen ook worden toegepast in gevallen waarin er naast Nederland nog een tweede lidstaat betrokken is. In die gevallen zijn Verordening (EG) nr. 883/2004 en, bij onderdanen van derde landen, Verordening (EEG) nr. 1408/71 van toepassing vanwege de aanknoping met ten minste twee lidstaten. Hieruit volgt in beginsel dat Nederland in relatie tot de andere lidstaat of andere lidstaten eerst de toepasselijke verordening moet toepassen, waarbij het Verenigd Koninkrijk als derdeland moet worden beschouwd. Als Nederland vervolgens bevoegd is zijn wetgeving toe te passen, dan zorgt de onderhavige wetswijziging er echter voor dat Nederland in relatie tot het Verenigd Koninkrijk alsnog de verzekering kan vaststellen alsof het Verenigd Koninkrijk nog een lidstaat zou zijn.

De thans getroffen regeling is onder meer van belang omdat Nederland zonder deze regeling verplicht is om personen in de verzekering op te nemen als Nederland door Verordening (EG) nr. 883/2004 wordt aangewezen als bevoegde lidstaat. Een bevoegde lidstaat mag niet discrimineren door personen van de verzekering uit te sluiten op grond van de nationaliteit of de woonplaats. Dit beginsel staat bekend als de sterke werking van de aanwijsregels. Van een dergelijke discriminatie is hier echter geen sprake. De onderhavige regeling zorgt ervoor dat personen die op basis van Verordening (EG) nr. 883/2004 onderworpen zijn aan de Nederlandse wetgeving in de relatie met het Verenigd Koninkrijk zullen worden gevrijwaard van dubbele verzekering en premieheffing alsmede de daarmee gepaard gaande administratieve lasten. De regeling strekt derhalve tot voordeel van de betrokken personen. Het is dan geheel in de geest van het Unierecht om de regeling ook toe te passen in situaties waarin naast Nederland een andere lidstaat betrokken is. Een andere interpretatie van de sterke werking van de aanwijsregels zou strijdig zijn met artikelen 45 en 48 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).8

De Nederlandse inwoner die voor de Brexit onderworpen is aan de Britse wetgeving, omdat deze inwoner voor een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde werkgever arbeid verricht in meerdere lidstaten, zal met toepassing van de onderhavige regeling voor de duur van twaalf maanden enkel verzekerd zijn op basis van de Britse wetgeving. Zonder de regeling zou de betrokken inwoner verzekerd raken in zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk met dubbele premieheffing tot gevolg.

2. Tijdelijke delegatiegrondslag

Om mogelijk onevenredig nadeel voor uitkeringsgerechtigden zowel in Nederland als in het Verenigd Koninkrijk te kunnen voorkomen is in de Verzamelwet Brexit9 een tijdelijke delegatiegrondslag opgenomen.

In artikel VII van die wet is een tijdelijke grondslag gecreëerd die kan worden gebruikt om bij amvb op zeer korte termijn wijzigingen in de betreffende sociale zekerheidswetten door te voeren. Daarbij zijn er meerdere mogelijkheden. Zo kan worden bepaald dat het Verenigd Koninkrijk voor de toepassing van die wetten nog gedurende een daarbij aangegeven periode als EU-lidstaat wordt aangemerkt. Daarmee kan bijvoorbeeld worden geregeld dat het wettelijk regime na de uittreding van het Verenigd Koninkrijk gedurende die overgangsperiode vooralsnog ongewijzigd blijft en dat de uittreding vooralsnog geen gevolgen heeft voor bestaande of nieuwe uitkeringsrechten. De tijdelijke grondslag kan ook worden gebruikt om in de sociale zekerheidswetten overgangsrecht op te nemen voor de situatie na de uittreding of, indien een overgangsperiode is vastgesteld, na afloop van die overgangsperiode. De grondslag kan niet alleen worden gebruikt indien het Verenigd Koninkrijk zich terugtrekt uit de Europese Unie zonder akkoord over de voorwaarden voor deze terugtrekking (no deal Brexit) en er overgangsrecht met betrekking tot de uitkeringsrechten nodig is. Ook ingeval er wel een deal met het Verenigd Koninkrijk tot stand komt over het terugtrekkingsakkoord (maar niet over de toekomstige relatie), kan met een op deze delegatiegrondslag te baseren amvb het overgangsrecht worden geregeld conform de in het terugtrekkingsakkoord vastgelegde beginselen.

Gegeven het uitzonderlijke karakter van de tijdelijke delegatiegrondslag in de Verzamelwet Brexit zullen de maatregelen die met gebruikmaking van de bedoelde bevoegdheid in dit besluit tot stand worden gebracht zo spoedig mogelijk na vaststelling van deze amvb alsnog in een voorstel van wet ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Staten-Generaal. Het is dan vervolgens aan de Tweede en Eerste Kamer om te beoordelen of de in de amvb opgenomen wijzigingen in stand moeten blijven of dat die ongedaan moeten worden gemaakt. Gelijktijdig met dit besluit wordt dan ook een wetsvoorstel voorbereid om het besluit ter goedkeuring aan het parlement voor te leggen.

3. Financiële effecten

Uitkeringslasten

Omdat de regels voor de toepasselijke wetgeving voor de – door middel van het onderhavige besluit gewijzigde – sociale zekerheidswetten op eenzelfde manier worden voortgezet als onder de Verordeningen (EG) nr. 883/2004, (EG) nr. 987/2009, (EEG) nr. 1408/71 en (EEG) nr. 574/72 zijn er naar verwachting geen effecten voor de uitkeringslasten.

Uitvoeringskosten

De SVB heeft eind 2018 de uitvoeringskosten van een no deal Brexit in kaart gebracht. De voorliggende amvb leidt tot uitstel van de handmatige verwerking van aanvragen en verklaringen tot het einde van de overgangsperiode. Hierdoor dalen de uitvoeringskosten van een no deal Brexit voor de SVB in 2019 met 0,7 mln. en stijgen deze in 2020 met 0,5 mln. Daarnaast kent het UWV incidentele uitvoeringskosten voor voorlichting van € 25.000. Tot slot heeft de Belastingdienst kosten geraamd van een kleine 0,2 mln.

4. Regeldruk en uitvoeringstoetsen

4.1 Regeldrukeffecten

Het besluit voorziet erin dat de huidige regels voor de toepasselijke wetgeving, zoals die opgenomen zijn in titel II van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004, (EG) nr. 987/2009 en (EEG) nr. 1408/71 en titel III van Verordening (EEG) nr. 574/72 van toepassing blijven voor de desbetreffende sociale zekerheidswetten voor zover het personen betreft die zich in een grensoverschrijdende situatie bevinden tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Na een tijdelijke periode van 12 maanden vervallen deze regels.

De onderhavige regeling zorgt ervoor dat personen in een grensoverschrijdende situatie tussen het Nederland en het Verenigd Koninkrijk voor deze periode gevrijwaard zullen blijven van dubbele verzekering en premieheffing alsmede de daarmee gepaard gaande administratieve belasting. Bij het uitblijven van een meer structurele oplossing treden deze effecten na deze periode alsnog op. Zij zijn echter het gevolg van een no deal Brexit, niet van de onderhavige regeling.

4.2 Uitvoeringstoetsen SVB, Belastingdienst en UWV

De SVB wijst in zijn uitvoeringstoets op de vraag of het besluit ook van toepassing kan zijn in situaties na de Brexit waarin niet alleen het Verenigd Koninkrijk en Nederland betrokken zijn maar ook andere lidstaten. Bij de voorbereiding van het besluit hebben het ministerie en de SVB intensief contact gehad en deze vraag is bevestigend beantwoord. Naar aanleiding hiervan is het besluit aangepast. Met inachtneming van de overeengekomen wijzigingen in het ontwerpbesluit acht de SVB het besluit uitvoerbaar. Een belangrijke voorwaarde is dat het besluit zonder significante wijzigingen wordt aangenomen en tijdig (ten laatste datum Brexit) in werking treedt.

Ook de Belastingdienst acht het besluit uitvoerbaar. Zij geven aan dat de communicatie extra aandacht vergt bij het aflopen van de overgangsmaatregel lopende het jaar 2020. Verder wordt er op gewezen dat zich leemtes zullen voordoen ten aanzien van de huidige werking van de «echte» EU-verordeningen. Dit is correct. Het integraal continueren van de «echte» verordeningen past echter niet bij maatregelen die lidstaten dienen te nemen voor het no deal scenario. Deze moeten immers niet dezelfde voordelen als lidmaatschap van de EU bieden of gelijkwaardig zijn aan de voorwaarden van een overgangsperiode, zoals bepaald in het terugtrekkingsakkoord.

Het UWV gaf aan dat het, in tegenstelling tot de SVB en de Belastingdienst, maar zijdelings met de gevolgen van het ontwerpbesluit in aanraking komt. Het UWV concludeert dat het ontwerpbesluit geen gevolgen heeft voor de processen en systemen van UWV. Voor UWV is wel belangrijk dat er goede voorlichting komt over de gevolgen van het ontwerpbesluit. Het ontwerpbesluit zorgt er voor dat bij een no deal Brexit in principe niets wijzigt in de verzekeringspositie van de tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk migrerende werknemer. In tegenstelling tot de verzekeringsplicht, verandert er wel veel op het terrein van uitkeringsrechten. Deze uitkeringsrechten zijn namelijk geregeld in Titel III van Verordening (EG) nr. 883/2004, die na een no deal Brexit in het geheel niet meer van toepassing is. Dit kan mogelijk leiden tot niet te realiseren verwachtingen over het recht op uitkering. Het is dus van belang om hierover goede voorlichting te geven. Verder heeft het UWV nog gewezen op een aantal incorrecte verwijzingen naar de materiewetten. Naar aanleiding van deze suggesties is het besluit aangepast.

Artikelsgewijs

Artikelen I, II, III, IV, V, VI (Wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet, Algemene nabestaandenwet, Algemene Ouderdomswet, Werkloosheidswet en de Ziektewet

Met deze artikelen wordt in al de genoemde wetten een nieuw gelijkluidend artikel ingevoegd met overgangsrecht voor het toepassen van de regels ter vaststelling van de toepasselijke wetgeving in verband met een no deal Brexit. In het nieuwe artikel wordt geregeld dat in de periode van twaalf maanden vanaf de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie ten aanzien van personen die zich bevinden in een grensoverschrijdende situatie tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk de regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving worden toegepast van titel II van Verordeningen (EG) nr. 883/2004, (EG) nr. 987/2009, (EG) nr. 883/2004 en (EEG) nr. 1408/71 en van titel III van Verordening (EEG) nr. 574/72, zoals die gelden op het tijdstip van de terugtrekking, alsof deze verordeningen nog van toepassing zouden zijn. De strekking van deze bepaling is dat in het overgangsjaar na een no deal Brexit de geldende EU-regels ter vaststelling van de toepasselijke wetgeving blijven worden toegepast alsof de no deal Brexit niet zou hebben plaatsgevonden. Voor de onderhavige regeling betekent de term grensoverschrijdend dat de situatie van betrokkene aanknopingspunten moet hebben met zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk. De regeling moet er zowel voor zorgen dat er geen sprake is van negatieve wetsconflicten (verzekering in geen van beide landen) als van positieve wetsconflicten (verzekering in beide landen). Op grond van de toepassing van deze regels voor vaststelling van de toepasselijke wetgeving wordt bepaald of de wetgeving van Nederland of van het Verenigd Koninkrijk van toepassing is op de bedoelde personen in een grensoverschrijdende situatie en vervolgens worden deze personen aangemerkt als verzekerd of als niet verzekerd op grond van de betreffende wet. Daarbij kan voor zover nodig worden afgeweken van de bepalingen in of op grond van de betreffende wet waarin de kring van verzekerden is bepaald. Dit is overeenkomstig hetgeen al in de betreffende wetten is geregeld in het kader van de bepaling van de kring van verzekerden. Zo is bijvoorbeeld in artikel 6 van de Algemene Kinderbijslagwet en in het op artikel 6, derde lid, van die wet gebaseerde Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 bepaald wie overeenkomstig de bepalingen van die wet wel en wie niet verzekerd is. In artikel 6a van de Algemene Kinderbijslagwet is bepaald dat zo nodig in afwijking van artikel 6 en de daarop berustende bepalingen een persoon als verzekerd of niet verzekerd wordt aangemerkt als dit voortvloeit uit de toepassing van een verdrag, een besluit van een internationale organisatie of Verordening (EG) nr. 883/2004. Zie in dit verband bijvoorbeeld ook de artikelen 13 en 13a van de Algemene nabestaandenwet.

Een persoon die op grond van deze artikelen aangemerkt wordt als verzekerde op grond van de betreffende wet is verplicht verzekerd.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de wijziging voor wat betreft de Ziektewet doorwerkt in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia). Voor het bepalen van de kring van verzekerden wordt in de Wet Wia namelijk aangesloten bij de kring van verzekeren in de Ziektewet. Dit vloeit voort uit de artikelen 7 en 8 van de Wet Wia. Ook de Wet inkomensvoorziening oudere werknemers (Iow) kent geen eigen kring van verzekerden. Uit de artikelen 3 en 3a van die wet vloeit voort welke personen recht hebben op een uitkering op grond van die wet: daarbij wordt aangesloten bij de Werkloosheidswet (WW) en de Wet Wia. De wijzigingen van de WW en de Ziektewet werken derhalve ook door in de Iow.

Artikel V (Wijziging van de Wet arbeid en zorg)

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om artikel 101h WAZ alsnog toe te voegen aan de opsomming van artikelen in artikel 3:27, eerste lid, onderdeel a, van de WAZO. Dit artikel ontbrak daarin abusievelijk.

Artikel VII (Inwerkingtreding)

Omdat dit besluit overgangsrecht bevat voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving ten aanzien van personen die zich na een no deal Brexit in een grensoverschrijdende situatie bevinden tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk dient dit overgangsrecht direct na een no deal Brexit van kracht te worden en te worden toegepast. Het is echter niet helemaal uit te sluiten dat er tussen het moment waarop dit besluit wordt vastgesteld en de datum van een Brexit ontwikkelingen zijn die de inwerkingtreding van dit besluit niet nodig of onwenselijk maken. Daarom is ervoor gekozen het tijdstip van inwerkingtreding in een koninklijk besluit te regelen, waarbij zo nodig geregeld kan worden dat de wijzigingen terug werken tot het tijdstip waarop artikel VII van de Verzamelwet Brexit in werking is getreden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2004, L 166).

X Noot
2

Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU 2009, L 284).

X Noot
3

Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkende en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEU 1971, L 149).

X Noot
4

Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PbEG 1972, L 74).

X Noot
5

Besluit van 27 maart 2019 tot wijziging van sociale zekerheidswetten in verband met het regelen van overgangsrecht voor de situatie waarin het Verenigd Koninkrijk zich terugtrekt uit de Europese Unie zonder akkoord over de voorwaarden voor deze terugtrekking (no deal brexit) (Stb. 2019, 144).

X Noot
6

Verordening (EU) nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot uitbreiding van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen (PbEU 2010, L 344).

X Noot
7

Verordening (EG) nr. 859/2003 van de Raad van 14 mei 2003 tot uitbreiding van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72 tot de onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen (PbEU 2003, L 124).

X Noot
8

Volgens het Petroni-arrest (C-24/75) zou het doel van de artikelen 39 en 42 EG (nu artikelen 45 en 48 VWEU), niet worden bereikt, als werknemers, als gevolg van het gebruikmaken van het recht op vrij verkeer van werknemers, voordelen zouden verliezen die ze al zouden hebben gehad op basis van de eigen wetgeving alleen.

X Noot
9

Kamerstukken II 2018/19, 35 084, nr. 2.

Naar boven