Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2019, 303RijksAMvB

Besluit van 6 september 2019, houdende aanpassing van het Besluit Kapittel voor de civiele orden, het Besluit paspoortgelden en de Instructie Ambtenaren Scheepvaartinspectie in verband met de invoering van de normalisering van de rechtspositie van ambtenaren

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 juli 2019, nr. 2019-0000347222, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Gelet op artikel III, vijfde lid, van de rijkswet van 15 april 1994 tot wijziging van de wet van 4 april 1892, houdende instelling van de Orde van Oranje-Nassau, en van de wet van 29 september 1815, houdende instelling van de Orde van de Nederlandse Leeuw, alsmede instelling van het Kapittel voor de civiele orden (Stb. 1994, 350), artikel 7, eerste lid, van de Paspoortwet en artikel 10, derde lid, van de Schepenwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 24 juli 2019, nr. W04.19.0222/I/K);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 4 september 2019, nr. 2019-0000419268, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving;

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit Kapittel voor de civiele orden wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Bij koninklijk besluit wordt, het Kapittel gehoord, besloten tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst met de secretaris. Tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst wordt bij koninklijk besluit, het Kapittel gehoord, besloten, tenzij de arbeidsovereenkomst wordt opgezegd op grond van artikel 677 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

2. Het vijfde lid vervalt onder vernummering van het zesde en zevende lid tot vijfde en zesde lid.

B

Na artikel 3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3a

  • 1. Ten aanzien van de ambtenaren van de Kanselarij der Nederlandse orden en de secretaris gelden de voor alle ambtenaren geldende arbeidsvoorwaarden die zijn opgenomen in de laatstelijk afgesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn.

  • 2. Op verzoek van de Kanselarij der Nederlandse orden kunnen in de collectieve arbeidsovereenkomst, bedoeld in het eerste lid, andere arbeidsvoorwaarden voor de ambtenaren van de Kanselarij der Nederlandse orden worden opgenomen.

C

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. «het Vacatiegeldenbesluit 1988» wordt vervangen door «het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies».

b. «van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984» wordt vervangen door «zoals overeengekomen in de in artikel 3a, eerste lid, bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst».

ARTIKEL II

Artikel 12, vierde lid, van het Besluit paspoortgelden komt te luiden:

  • 4. Het in het eerste lid, onderdeel a, dan wel tweede lid, onderdeel a, genoemde recht wordt niet geheven voor de verstrekking van diplomatieke paspoorten of dienstpaspoorten ten behoeve van personen die bij een Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland zijn tewerkgesteld, hun inwonende huwelijkspartner, geregistreerde partner of levenspartner en bij hen inwonende minderjarige kinderen. Met levenspartner wordt bedoeld degene met wie personen, die bij een Nederlandse vertegenwoordiging zijn tewerkgesteld, samenwonen en – met het oogmerk duurzaam samen te leven – een gemeenschappelijke huishouding voeren op basis van een notarieel verleden samenlevingscontract, dat de wederzijdse rechten en verplichtingen bevat ter zake van die samenwoning en gemeenschappelijke huishouding.

ARTIKEL III

De Instructie Ambtenaren Scheepvaartinspectie wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 6, eerste lid, wordt «in artikel 61, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenaren Reglement» vervangen door «op grond van voor Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten geldende rechtsregels en voor die ambtenaren geldende collectieve arbeidsovereenkomst».

B

In artikel 23 wordt «De in artikel 81, onder a en c, van het Algemeen Rijksambtenaren Reglement genoemde straffen kunnen door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie worden opgelegd; die genoemd onder j en k van dat artikel» vervangen door «Disciplinaire straffen op grond van voor Aruba, Curaçao of Sint Maarten geldende rechtsregels »en vervalt «en de overige in dat artikel genoemde straffen door Onze Minister».

Artikel IV Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Afkondigingsblad van Aruba, in het Publicatieblad van Curaçao en in het Afkondigingsblad van Sint Maarten zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 6 september 2019

Willem-Alexander

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

Uitgegeven de zesentwintigste september 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

Dit besluit strekt tot aanpassing van het Besluit Kapittel voor de civiele orden, het Besluit paspoortgelden en de Instructie ambtenaren Scheepvaartinspectie ten behoeve van de invoering en uitvoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (hierna: Wnra). Het besluit maakt deel uit van een grotere wetgevingsoperatie, die als doel heeft om wetgeving aan te passen aan de invoering van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (hierna: Wnra).

Het belangrijkste uitgangspunt van deze wetgevingsoperatie is dat zij technisch en beleidsarm van aard is en geen inhoudelijke gevolgen heeft. Deze uitgangspunten liggen ook aan de in dit besluit opgenomen wijzigingen ten grondslag. De situatie, zoals die bestond voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Wnra, wordt hierbij gehandhaafd.

Voor een uitgebreide toelichting op de uitgangspunten van deze technische wetgevingsoperatie wordt verwezen naar paragraaf 1 van de memorie van toelichting bij de voorgestelde Aanpassingswet Wnra (Kamerstukken II 2018/19, 35 073, nr. 3). Voor toelichting op de financiële gevolgen en de uitvoerings- en handhavingsaspecten wordt verwezen naar de paragrafen 6 en 7 van die memorie van toelichting. Het besluit is niet via internet openbaar geconsulteerd, omdat alleen twee specifieke organisaties betrokken zijn. Bovendien betreft het louter technische wijzigingen, die geen verandering brengen in de bevoegdheden van het bevoegd gezag en de arbeidsvoorwaarden. De betrokken organisaties zijn rechtstreeks geconsulteerd.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A
Onder 1

De secretaris van het Kapittel werd voorheen op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, gehoord het Kapittel, bij koninklijk besluit benoemd, geschorst en ontslagen. Deze besluiten hebben daarmee rechtspositionele gevolgen. Deze secretaris valt onder de Ambtenarenwet 2017 en heeft na inwerkingtreding van de Wnra een arbeidsovereenkomst met de Staat. Het benoemen, schorsen en ontslaan is terminologie die uitgaat van een eenzijdige arbeidsrelatie en niet bij een tweezijdige arbeidsovereenkomst past. Overeenkomstig de keuzes die in de Aanpassingswet Wnra zijn gemaakt, wordt dit aangepast.1 De betrokkenheid van de Kroon bij het ontstaan en eindigen van de arbeidsrelatie met de secretaris dient te blijven bestaan. De Koning in de hoedanigheid van Staatsorgaan kan echter geen privaatrechtelijke rechtshandelingen verrichten. Dat zou ook niet passen. Deze bepaling is aangepast in lijn met de keuzes die voor deze gevallen in de Aanpassingswet Wnra zijn gemaakt.2 Dat houdt in, dat bij koninklijk besluit wordt besloten dat een arbeidsovereenkomst wordt aangegaan of beëindigd met de betreffende persoon voor de functie van secretaris. Een dergelijk besluit is juridisch te kwalificeren als een besluit ter voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling. Nadat het besluit is genomen gaat de Staat als overheidswerkgever de arbeidsovereenkomst aan.

De secretaris wordt ook bij koninklijk besluit ontslagen. Ook voor het ontslag dient dan eerst een voorbereidend besluit door de Koning te worden genomen. In twee gevallen is beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet te combineren met een koninklijk besluit. De eerste situatie is als de ambtenaar de arbeidsovereenkomst opzegt. In dat geval kan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niet afhankelijk worden gesteld van het voorbereidend besluit van de Koning. In het geval dat de ambtenaar de arbeidsrelatie opzegt ligt de beëindiging alleen in handen van de ambtenaar en niet (ook) in handen van de overheidswerkgever; de opzegging door de ambtenaar doet de arbeidsovereenkomst eindigen. Dat er geen voorbereidend koninklijk besluit hoeft te worden genomen in deze situatie spreekt voor zich en hoeft dus niet expliciet te worden geregeld.

Een tweede situatie waar een koninklijk besluit bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wringt, is het ontslag op staande voet door de werkgever. Ontslag op staande voet moet onverwijld worden gegeven. De voorwaarde dat daartoe eerst een koninklijk besluit moet worden genomen zou moeilijk verenigbaar zijn met de plicht tot het onverwijld opzeggen. In dit geval kan derhalve ook geen koninklijk besluit worden voorgeschreven. Omdat het hier wel om een rechtshandeling gaat die in handen van de overheidswerkgever ligt, dient dit wettelijk te worden uitgesloten.

Onder 2

Daarnaast voorziet onderdeel A in het vervallen van het vijfde lid. Dat lid bepaalde, dat de medewerkers van het bureau van het Kapittel voor de civiele orden worden benoemd, geschorst en ontslagen door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Deze terminologie past niet binnen de privaatrechtelijke arbeidsverhoudingen. De bepaling is echter ook achterhaald, omdat de indienstneming van de bedoelde ambtenaren niet gebeurde door de minister, maar door de Kanselier.

In 1998 is in het Algemeen Rijksambtenarenreglement (hierna: ARAR) neergelegd dat de ambtenaren van de Kanselarij door de Kanselier worden aangesteld, geschorst en ontslagen. Uit de toelichting bij die wijziging blijkt het feit dat het een omissie was dat dit niet eerder expliciet in het ARAR was geregeld.3

Artikel 3, vijfde lid, van het Besluit Kapittel van de civiele orden wordt daarom alsnog geschrapt. De ambtenaren van de Kanselarij der Nederlandse orden werden voorheen op grond van artikel 7, tweede lid, ARAR benoemd, geschorst en ontslagen door de Kanselier. Thans hebben zij een arbeidsovereenkomst met de Staat. Deze wordt op grond van artikel 4.6, tweede lid, jo. artikel 1.1, van de Comptabiliteitswet 2016 door de Kanselarij der Nederlandse orden met hen gesloten, gewijzigd of beëindigd. Namens de Kanselarij zal de Kanselier de rechtshandeling verrichten.

Onderdeel B

Op grond van het ARAR maakte de Kanselarij deel uit van de sector Rijk. De rijksbrede arbeidsvoorwaarden golden daardoor ook voor de ambtenaren van de Kanselarij. Daarnaast konden op de organisatie toegespitste arbeidsvoorwaarden gelden, die soms aanvullend en soms afwijkend waren. In het licht van een beleidsarme invoering van de Wnra diende deze situatie te worden gehandhaafd. Met de inwerkingtreding van de Wnra is het ARAR echter vervallen. In het ingevoegde artikel 3a in het Besluit Kapittel voor de civiele orden wordt daarom geregeld dat voor de ambtenaren van de Kanselarij der Nederlandse orden in beginsel de arbeidsvoorwaarden gelden die voor alle ambtenaren die op basis van een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn gelden. Wanneer dit vanwege de bijzondere en onafhankelijke positie van de Kanselarij wenselijk is, kunnen op verzoek van de Kanselarij aanvullende of in enkele gevallen afwijkende arbeidsvoorwaarden voor de ambtenaren van de Kanselarij worden afgesproken. Uiteraard dient hierover wel overeenstemming te worden bereikt met de bonden. Het spreekt voor zich dat, evenals voorheen het geval was, deze wensen worden gehonoreerd en dat deze worden opgenomen in de collectieve arbeidsovereenkomst voor de voormalige sector Rijk, nadat de bonden daarmee hebben ingestemd.

Voor de andere Hoge Colleges van Staat is hetzelfde geregeld in de hun betreffende wetgeving. Zie bijvoorbeeld voor de Raad van State het nieuwe artikel 13a van de Wet op de Raad van State4 en voor de Algemene Rekenkamer het opnieuw vastgestelde artikel 7.11 van de Comptabiliteitswet 2016.5 Voor het Kabinet van de Koning zal hetzelfde worden geregeld in het Besluit bepalingen Kabinet van de Koning.

Onderdeel C

Onderdeel C wijzigt artikel 10 van het Besluit Kapittel voor de civiele orden. Dit artikel regelt de vergoedingen van de leden van het Kapittel. Zij behouden op grond van artikel 3, onderdeel a, van de Ambtenarenwet 2017 hun publiekrechtelijke aanstelling. Ook nu wordt hun rechtspositie daarom publiekrechtelijk geregeld.

In onderdeel C, onder 1, subonderdeel a, is een achterhaalde verwijzing naar het Vacatiegeldenbesluit 1988 vervangen. De vergoedingen van leden van adviescolleges en commissies wordt thans geregeld in het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies. De verwijzing is dienovereenkomstig aangepast.

In artikel 10, eerste lid, blijft de verwijzing naar specifieke salarisschalen in stand. Deze schaalindeling is al geruime tijd hetzelfde en wordt ongewijzigd in de cao Rijk opgenomen.

Artikel II

Artikel 12, vierde lid, van het Besluit paspoortgelden verwees naar de definitie van levenspartner in artikel 2, tweede lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (hierna: RDBZ). Het RDBZ verviel ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Ambtenarenwet 2017 echter op het tijdstip waarop artikel I van de Wnra in werking trad. Om die reden is de definitie van levenspartner hier overgenomen.

Artikel III

De verwijzing in de artikelen 6 en 23 van de Instructie Ambtenaren Scheepvaartinspectie naar het Algemeen Rijksambtenaren Reglement moeten worden geschrapt, omdat het bestaande Algemeen Rijksambtenarenreglement als gevolg van de Wnra komt te vervallen.

Abusievelijk is in artikel 6 nu nog een verwijzing naar het derde lid van artikel 61 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement op genomen. Dit had het vierde lid moeten zijn. Het vierde lid van dat artikel gaat over nevenwerkzaamheden van ambtenaren. Deze materie wordt voor het Europese deel van Nederland o.m. geregeld in artikel 8 van de Ambtenarenwet 2017 en de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten kennen hun eigen rechtspositionele regels op dat vlak. Om die reden is artikel 6, eerste lid, aangepast.

Het kunnen opleggen van disciplinaire straffen aan ambtenaren zal voor het Europese deel van Nederland eveneens elders geregeld gaan worden (in collectieve arbeidsovereenkomsten). Het is niet nodig dat artikel 23 van de Instructie Ambtenaren Scheepvaartinspectie daarvoor nog regels bevat. De landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten kennen ook hier weer hun eigen rechtspositionele regels. Met het oog daarop wordt artikel 23 in die zin aangepast dat in algemene zin naar deze rechtspositionele regels wordt verwezen.

Artikel IV

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Dit zal hetzelfde zijn als het tijdstip waarop artikel I van de Wnra in werking treedt. Ook alle andere aanpassingswet- en regelgeving treedt op dat tijdstip in werking.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Kamerstukken II 2018/19, 35 073, nr. 3, p. 10.

X Noot
2

Kamerstukken II 2018/19, 35 073, nr. 3, p. 18–21.

X Noot
3

Besluit van 27 augustus 1998, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met onder meer de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht en enige omissies (Stb. 1998, 598).

X Noot
4

Dit artikel wordt middels artikel 2.20 van de Aanpassingswet Wnra (Kamerstukken I 2018/19, 35 073, A) in de Wet op de Raad van State ingevoegd.

X Noot
5

Dit artikel wordt door artikel 4.1, onderdeel B, van de Aanpassingswet Wnra (Kamerstukken I 2018/19, 35 073, A) opnieuw vastgesteld.