Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 1998, 598AMvB

Besluit van 27 augustus 1998, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met onder meer de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht en enige omissies

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken van 29 mei 1998, nr. AD98/U527, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling Arbeidsvoorwaarden en Sociaal Beleid, mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet;

De Raad van State gehoord (advies van 24 juli 1998, nr. W04.98.0244);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 17 augustus 1998, nr. AD98/749, directoraat-generaal Management en Personeelsbeleid, directie Personeelsmanagement Rijksdienst, afdeling Arbeidsvoorwaarden en Sociaal Beleid, mede namens Onze Minister van Buitenlandse Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement1 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, eerste lid, wordt onderdeel h verletterd tot onderdeel g.

B

In artikel 4, eerste lid, vervalt de zinsnede «of vanwege».

C

In artikel 4a wordt de zinsnede «geeft voorschriften» vervangen door: stelt regels.

D

In artikel 6, tweede lid, onderdeel b, wordt de zinsnede «artikel 9, vijfde lid» vervangen door: artikel 9, zesde lid.

E

Artikel 7, derde lid, komt te luiden:

  • 3. Voorzover de aanstelling betrekking heeft op een functie bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Kanselarij der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de Raad van State dient in het eerste en tweede lid voor Onze Minister telkens te worden gelezen: het College van de Algemene Rekenkamer respectievelijk de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman of de vice-president van de Raad van State.

F

In de artikelen 9a en 10, vijfde lid, vervalt de zinsnede «van een privaatrechtelijke in een publiekrechtelijke of».

G

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste en tweede lid wordt de zinsnede «voorschriften» vervangen door: regels.

2. In het tweede lid vervalt de zinsnede «of vanwege».

H

1. In artikel 18, tweede lid, wordt de zinsnede «het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdragen» vervangen door: het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de Vut-bijdrage.

2. In artikel 18, tweede lid, wordt de zinsnede «van de Vut-bijdrage» vervangen door: van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

I

1. In artikel 19, tweede lid, wordt de zinsnede «het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage» vervangen door: het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de Vut-bijdrage.

2. In artikel 19, tweede lid, wordt de zinsnede «van de Vut-bijdrage» vervangen door: van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

J

1. In artikel 20d, derde lid, wordt de zinsnede «het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage» vervangen door: het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de Vut-bijdrage.

2. In artikel 20d, derde lid, wordt de zinsnede «van de Vut-bijdrage» vervangen door: van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

K

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt het woord «voorschriften» vervangen door: regels.

2. Het zevende en achtste lid komen te luiden:

7a. Geen dienst wordt geëist op zondagen, alsmede op de Nieuwjaarsdag, de Tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de Tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd en op 5 mei.

b. Van onderdeel a van dit artikellid kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en met inachtneming van het navolgende:

1. geen dienst wordt geëist op ten minste dertien zondagen per periode van zes maanden;

2. de ambtenaar wordt zo weinig mogelijk in zijn zondagsrust beperkt en hem wordt zoveel mogelijk de gelegenheid geboden op zondag en op de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk te bezoeken.

c. De onderdelen a en b vinden ten aanzien van de zondag voor de ambtenaar die aan het hoofd van dienst heeft medegedeeld dat hij, in verband met zijn godsdienstige opvattingen, de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing voor die dag in plaats van ten aanzien van de zondag.

d. Op zaterdag kan dienst worden geëist, mits de belangen van de dienst daartoe aanleiding geven.

8a. De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uur, hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren.

b. De ambtenaar van 16 of 17 jaar heeft een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren.

3. In het twaalfde lid wordt de zinsnede «nadere algemene voorschriften» vervangen door: nadere regels.

L

In artikel 22, elfde lid, wordt de zinsnede «het vijfde lid, onder a,» vervangen door: het vijfde lid.

M

In artikel 23, achtste lid, wordt de zinsnede «het achtste lid» vervangen door: het zevende lid.

N

In artikel 26 wordt het woord «voorschriften» vervangen door: regels.

O

In artikel 32a, tweede lid, wordt het woord «vinden» vervangen door: vindt.

P

Artikel 33b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, onderdeel c, wordt de zinsnede «de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs (CMHA)» vervangen door: de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen.

2. In het vijfde lid wordt de zinsnede «de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken» vervangen door: de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

Q

In artikel 33e, tweede lid, wordt het woord «voorschriften» vervangen door: regels.

R

In artikel 36a, tweede lid, wordt de zinsnede «in de artikelen 18, 24a en 25» vervangen door: in artikel 25.

S

In artikel 36b, eerste lid, wordt de zinsnede «in de artikelen 18, 24a en 25» vervangen door: in artikel 25.

T

In artikel 49a, eerste en tweede lid, wordt het woord «voorschriften» vervangen door: regels.

U

De nummeraanduiding van het eerste lid van artikel 49c en het tweede lid van dat artikel vervallen.

V

Artikel 53 vervalt.

W

In artikel 57, derde lid, wordt de zinsnede «waarvoor salarisschaal 17 of hoger van het Bezoldigingsbesluit BBRA 1984 geldt» vervangen door: waarvoor salarisschaal 17 of hoger van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 geldt.

X

In artikel 58, tweede lid, vervalt de zinsnede: of vanwege.

Y

In artikel 58a, tweede lid, vervalt de zinsnede: of namens.

Z

In artikel 63a, eerste lid, onderdeel a, vervalt de zinsnede: of vanwege.

AA

De nummeraanduiding van het eerste lid van artikel 65 en het tweede lid van dat artikel vervallen.

BB

In artikel 70, tweede lid, wordt de zinsnede «geneeskundig onderzoek» vervangen door: arbeidsgezondheidskundig onderzoek.

CC

Artikel 71 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde en vijfde lid wordt het woord «voorschriften» telkens vervangen door: regels.

2. In het zesde lid wordt de zinsnede «een leidraad» vervangen door: beleidsregels.

DD

In artikel 81, eerste lid, onderdeel j, wordt de zinsnede «krachtens de in artikel 67 bedoelde regelen» vervangen door: krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989.

EE

Artikel 91, derde lid, vervalt.

FF

In artikel 93, tweede lid, wordt de zinsnede «artikel 94a, artikel 96, eerste of zesde lid, artikel 96a of artikel 98, eerste lid, onder g» vervangen door: de artikelen 94a, 96, 96a, 96b of 98, eerste lid, onderdelen f of g.

GG

Artikel 97b wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «de medewerking of machtiging vereist van» vervangen door: overeenstemming vereist met.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «de machtiging vereist van» vervangen door: overeenstemming vereist met.

HH

In artikel 102, tweede lid, wordt de volzin «Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg» vervangen door: Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg.

II

In artikel 116 vervalt de zinsnede: of vanwege.

JJ

Artikel 132 komt te luiden:

Artikel 132

Voor zover voor ambtenaren bij een dienstvak nadere regels ter uitwerking of aanvulling van de bepalingen van dit besluit worden vereist, worden die regels door Ons, of in overeenstemming met Ons door Onze Minister, vastgesteld.

KK

Na artikel 132a wordt een nieuw artikel 132b ingevoegd, luidend:

Artikel 132b

Van de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter krachtens dit besluit, anders dan krachtens de artikelen 4a, 9 en 10, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Onze Minister van Financiën en Onze Minister mandaat verlenen.

ARTIKEL II

Het Ambtenarenreglement Staten-Generaal2 wordt als volgt gewijzigd:

A

De nummeraanduiding van het eerste lid van artikel 3 alsmede het tweede lid van dat artikel vervallen.

B

In de artikelen 8 en 10, vijfde lid, vervalt de zinsnede «van een privaatrechtelijke in een publiekrechtelijke of».

C

In artikel 16 wordt het woord «voorschriften» vervangen door: regels.

D

1. In artikel 26, tweede lid, wordt de zinsnede «het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage» vervangen door: het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de Vut-bijdrage.

2. In artikel 26, tweede lid, wordt de zinsnede «van de Vut-bijdrage» vervangen door: van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

E

1. In artikel 27, tweede lid, wordt de zinsnede «het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage» vervangen door: het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de Vut-bijdrage.

2. In artikel 27, tweede lid, wordt de zinsnede «van de Vut-bijdrage» vervangen door: van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

F

1. In artikel 32, derde lid, wordt de zinsnede «het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage» vervangen door: het op hem te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de Vut-bijdrage.

2. In artikel 32, derde lid, wordt de zinsnede «van de Vut-bijdrage» vervangen door: van de premie voor de Regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 3 van de Centrale vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel en artikel 1.5 van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

G

Artikel 34 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt het woord «voorschriften» vervangen door: regels.

2. In het derde lid, onderdeel b, wordt de zinsnede «de in het derde lid opgenomen berekening» vervangen door: de systematiek van de onder a opgenomen berekeningswijze.

3. Het zevende en achtste lid komen te luiden:

7a. Geen dienst wordt geëist op zondagen, alsmede op de Nieuwjaarsdag, de Tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de Tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de dag, waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd en op 5 mei.

b. Van onderdeel a van dit artikellid kan slechts worden afgeweken indien het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt en met inachtneming van het navolgende:

1. geen dienst wordt geëist op ten minste dertien zondagen per periode van zes maanden;

2. de ambtenaar wordt zo weinig mogelijk in zijn zondagsrust beperkt en hem wordt zoveel mogelijk de gelegenheid geboden op zondag en op de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk te bezoeken.

c. De onderdelen a en b vinden ten aanzien van de zondag voor de ambtenaar die aan het hoofd van dienst heeft medegedeeld dat hij, in verband met zijn godsdienstige opvattingen, de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag viert, overeenkomstige toepassing voor die dag in plaats van ten aanzien van de zondag.

d. Op zaterdag kan dienst worden geëist, mits de belangen van de dienst daartoe aanleiding geven.

8a. De ambtenaar van 18 jaar of ouder heeft een onafgebroken rusttijd van hetzij ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uur, tenzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren.

b. De ambtenaar van 16 of 17 jaar heeft een onafgebroken rusttijd van ten minste 36 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 7 maal 24 uren.

4. In het twaalfde lid wordt de zinsnede «nadere algemene voorschriften« vervangen door: nadere regels.

H

In artikel 35, elfde lid, wordt de zinsnede «artikel 21a» vervangen door «artikel 34a» en vervalt de zinsnede «,onder a,».

I

In artikel 36, achtste lid, wordt de zinsnede «het achtste lid» vervangen door: het zevende lid.

J

In artikel 37, tweede lid, wordt de zinsnede «bezoldiging per uur» vervangen door: salaris per uur.

K

In artikel 39 wordt het woord «voorschriften» vervangen door: regels.

L

In artikel 54, tweede lid, wordt het woord «vinden» vervangen door: vindt.

M

Artikel 58 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, onderdeel a, wordt de zinsnede «de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijzend personeel» vervangen door: de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijspersoneel.

2. In het vierde lid, onderdeel c, wordt de zinsnede «de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid en Onderwijs (CMHA)» vervangen door: de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen.

3. In het vijfde lid wordt de zinsnede «de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken» vervangen door: de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

N

In artikel 61, tweede lid, wordt de zinsnede «nadere voorschriften» vervangen door: nadere regels.

O

In artikel 84a, eerste en tweede lid, wordt het woord «voorschriften» vervangen door: regels.

P

Artikel 84c vervalt.

Q

Artikel 88 vervalt.

R

In artikel 93a, tweede lid, vervalt de zinsnede «of namens».

S

Artikel 106 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de zinsnede «daarom verzoekt» vervangen door: dit aanvraagt.

2. In het vierde lid wordt het woord «voorschriften» vervangen door: regels.

3. In het vijfde lid wordt de zinsnede «een leidraad» vervangen door: beleidsregels.

T

In artikel 116, eerste lid, onderdeel j, wordt de zinsnede «krachtens de in artikel 102 bedoelde regelen» vervangen door: krachtens het Verplaatsingskostenbesluit 1989.

U

Artikel 121, derde lid, vervalt.

V

In artikel 123 wordt de zinsnede «artikel 124a; artikel 126, eerste lid, artikel 127 of artikel 129 eerste lid, onder g.» vervangen door: de artikelen 124a, 126, eerste lid, 127 of 129, onderdeel f of g.

W

In artikel 124a, derde lid, wordt het woord «verzoek» vervangen door: aanvraag.

X

In artikel 134, tweede lid, wordt de volzin «Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg» vervangen door: Onder kinderen in de zin van dit artikel worden mede verstaan natuurlijke kinderen en kinderen, waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg.

Y

In artikel 180, eerste lid, wordt de zinsnede «de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in Ambtenarenzaken» vervangen door: de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

Z

Artikel 181 komt te luiden:

Artikel 181

Voor zover voor ambtenaren nadere regels ter uitwerking van de bepalingen van dit besluit worden vereist, worden die regels vastgesteld door de Kamer, de Gemengde Commissie of de Gemengde Commissie van toezicht.

AA

Na artikel 181 wordt een nieuw artikel 181a ingevoegd, luidend:

Artikel 181a

Van de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter krachtens dit besluit, anders dan krachtens de artikelen 7 en 10, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Financiën mandaat verlenen.

ARTIKEL III

Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 19843 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 18a, tweede lid, onderdeel b, wordt de zinsnede «artikel 21, vijfde lid» vervangen door: artikel 21, zevende lid, onderdeel a.

B

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd.

1. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt de zinsnede: of vanwege.

2. In de aanhef van het derde lid wordt na de zinsnede «artikelen 14 tot en met 18a,» ingevoegd: van de eindejaarsuitkering,.

3. In het derde lid, onderdeel a, vervalt de zinsnede: dan wel de door dit gezag daartoe aangewezen autoriteiten en colleges.

4. In het derde lid, onderdeel b, vervalt de zinsnede: , dan wel de door hem daartoe aangewezen autoriteiten en colleges.

C

Artikel 25 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef van het eerste lid worden de zinsdelen «17, zevende lid», «18a, vierde lid» en «23, twaalfde lid» vervangen door «17, negende lid» respectievelijk «18a, zesde lid» en «23, elfde lid».

2. Na het derde lid wordt een vierde lid toegevoegd, luidend:

  • 4. Van de bevoegdheid tot het vaststellen van een regeling, met een sterk technisch karakter, als bedoeld in het eerste lid, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister, hoofd van het desbetreffende departement van algemeen bestuur, mandaat verlenen.

ARTIKEL IV

Het Verplaatsingskostenbesluit 19894 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, derde lid, onderdeel f, wordt het woord «belanghebbenden» vervangen door: betrokkenen.

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid, onderdeel b, vervalt.

2. De onderdelen c tot en met n worden verletterd tot b tot en met m.

3. In het eerste lid, onderdeel m, wordt de puntkomma na het woord «gesloten» vervangen door een punt.

4. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Voor de toepassing van dit besluit worden, behoudens voor de toepassing van artikel 16, met Onze Minister gelijkgesteld: de voorzitters van elk der beide Kamers der Staten-Generaal, de vice-president van de Raad van State, het College van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de directeur van het Kabinet der Koningin.

C

In artikel 3, vierde lid, wordt het woord «belanghebbende» vervangen door: betrokkene.

D

Aan artikel 8, derde lid, wordt toegevoegd de volzin:

Elk van de betrokkenen heeft in dit geval aanspraak op een evenredig deel van de in de vorige volzin bedoelde tegemoetkoming.

E

In artikel 11 wordt het woord «belanghebbende» vervangen door: betrokkene.

F

In artikel 12b, tweede lid, wordt de zinsnede «uitbetaald die ander» vervangen door: uitbetaald aan die ander.

G

Artikel 16 komt te luiden:

Artikel 16

Van de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter krachtens dit besluit, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister mandaat verlenen.

ARTIKEL V

Het Besluit vergoeding representatiekosten rijkspersoneel5 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b van het eerste lid komt de zinsnede «en voor zover deze de bevoegdheid ter zake aan hen heeft gedelegeerd, de hoofden van de onder zijn ministerie ressorterende diensten, bedrijven of instellingen» te vervallen.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «de president van de Algemene Rekenkamer» vervangen door: het College van de Algemene Rekenkamer.

ARTIKEL VI

Het Reisbesluit binnenland6 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

Voor de toepassing van dit besluit worden, behoudens voor de toepassing van artikel 18a, met Onze Minister gelijkgesteld: de voorzitters van elk der beide Kamers der Staten-Generaal, de vice-president van de Raad van State, het College van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de directeur van het Kabinet der Koningin.

B

In artikel 4, eerste lid, wordt de zinsnede «buiten zijn standplaats moet gaan verrichten» vervangen door: buiten zijn standplaats, of binnen zijn standplaats voor zover de reisbestemming op één of meer kilometer van de plaats van tewerkstelling ligt, moet gaan verrichten.

C

In artikel 18 wordt «de president van de Algemene Rekenkamer» vervangen door: het College van de Algemene Rekenkamer.

D

Na artikel 18 wordt een nieuw artikel 18a ingevoegd, luidend:

Artikel 18a

Van de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter krachtens dit besluit, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister mandaat verlenen.

E

Artikel 19 vervalt.

ARTIKEL VII

Het Reisbesluit buitenland7 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3

Voor de toepassing van dit besluit worden, behoudens voor de toepassing van artikel 15a, met Onze Minister gelijkgesteld: de voorzitters van elk der beide Kamers der Staten-Generaal, de vice-president van de Raad van State, het College van de Algemene Rekenkamer, de Nationale ombudsman en de directeur van het Kabinet der Koningin.

B

Na artikel 15a wordt een nieuw artikel 15b ingevoegd, luidend:

Artikel 15b

Van de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter krachtens dit besluit, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister mandaat verlenen.

C

In artikel 19 wordt de zinsnede «de president van de Algemene Rekenkamer» vervangen door: het College van de Algemene Rekenkamer.

ARTIKEL VIII

Het Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel8 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2, eerste lid, wordt de zinsnede «artikel 7, zevende lid van het Reisbesluit 1971 (Stb. 1970, 602) of in artikel 13, derde of vierde lid van het Reisbesluit binnenland» vervangen door: artikel 13, derde en vierde lid, van het Reisbesluit binnenland of in artikel 10, vierde en vijfde lid, van het Reisbesluit buitenland.

B

Na artikel 4 wordt een nieuw artikel 4a ingevoegd, luidend:

Artikel 4a

Van de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter krachtens dit besluit, kunnen Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister mandaat verlenen.

ARTIKEL IX

De Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel9 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 12 komt te luiden:

Artikel 12

Onze Minister kan omtrent het bepaalde in de artikelen 2, onderdeel b, 7, eerste lid, onderdeel b, en 9, eerste lid, onderdeel c, van dit besluit nadere regels stellen.

Van de bevoegdheid tot het stellen van deze regels met een sterk technisch karakter kan Onze Minister mandaat verlenen.

ARTIKEL X

Het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel10 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan omtrent het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van dit besluit nadere regels stellen. Van de bevoegdheid tot het stellen van deze regels met een sterk technisch karakter kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mandaat verlenen.

ARTIKEL XI

De Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk11 wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 20 wordt een nieuw artikel 20a ingevoegd, luidend:

Artikel 20a

Van de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter krachtens dit besluit, kan Onze Minister mandaat verlenen.

ARTIKEL XII

Het Rijkswachtgeldbesluit 195912 wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c, wordt de zinsnede «met Onze machtiging een functie van lid van gedeputeerde staten van een provincie of van wethouder van een gemeente te hebben aanvaard» vervangen door: een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij is benoemd of verkozen, te hebben aanvaard.

2. Onderdeel e komt te luiden:

e. omdat hij is opgehouden de functie van substituut-ombudsman te bekleden;.

ARTIKEL XIII

De Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag13 wordt als volgt gewijzigd:

In artikel 6, eerste lid, wordt het woord «voorschriften» vervangen door: regels.

ARTIKEL XIV

Het Besluit van 22 september 1977, houdende regeling van de vergoeding aan ambtenaren van kosten verbonden aan het gebruik van de privé-telefoonaansluiting voor dienstdoeleinden (Stb. 527)14 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdeel b, wordt de zinsnede «1948 (Stb. J 261)» vervangen door: 1984.

B

In artikel 2, onderdeel a, worden de getallen «43» en «71» vervangen door «5» respectievelijk «7» en wordt de zinsnede «bijlage AI» vervangen door «bijlage B».

C

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan omtrent het bepaalde in dit besluit nadere regels stellen. Van de bevoegdheid tot het stellen van deze regels met een sterk technisch karakter kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties mandaat verlenen.

ARTIKEL XV

Het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken15 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, onderdelen c en d, artikel 5, tweede lid, onderdelen a en b, artikel 8, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, onderdeel c, artikel 19, eerste lid, en artikel 136, tweede lid, onderdeel c, vervallen telkens de woorden «of namens».

B

In artikel 1 wordt na onderdeel i, onder vervanging van de punt door een komma, een onderdeel j toegevoegd, luidende:

j. Ministeriële regeling: Regeling van Onze Minister.

C

In artikel 2, derde lid, wordt de zinsnede «Onze Minister stelt een regeling vast» vervangen door: Bij ministeriële regeling worden regels gesteld.

D

In artikel 8, derde lid, onderdeel b, wordt de zinsnede «artikel 114, vierde lid,» vervangen door: artikel 115.

E

Artikel 10, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel b vervalt de zinsnede «met inachtneming van de ter zake gestelde regels en het ter zake gegeven mandaat».

2. In onderdeel c wordt de zinsnede «de Comptabiliteitswet 1976 (Stb. 671)» vervangen door: de Comptabiliteitswet.

F

Artikel 11, zesde lid, komt te luiden:

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de waarneming van vertegenwoordigingen van het Koninkrijk in het buitenland.

G

In artikel 12, eerste en derde lid, artikel 70, tweede lid, en artikel 76, eerste lid, onderdeel a, vervallen telkens de woorden «of vanwege».

H

Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De eerste volzin komt te luiden: Bij ministeriële regeling kunnen voor de verwezenlijking van het eerste lid regels worden gesteld.

b. In de tweede volzin vervallen de woorden «of aanwijzingen».

2. Het zesde lid, onderdeel a, komt te luiden:

a. Onze Minister benoemt één of meer ambtenaren van de DBZ tot contactfunctionaris.

3. Het zesde lid, onderdeel c, vervalt.

I

Artikel 17, derde lid, laatste volzin, komt te luiden: Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

J

In artikel 30, tweede lid, vervalt de laatste volzin.

K

Artikel 32, vijfde lid, komt te luiden:

  • 5. Bij plaatsingen in dit artikel bedoeld, bericht Onze Minister de betrokkene tevoren, welke rechten en verplichtingen blijven gelden uit hoofde van het vierde lid, in het bijzonder ten aanzien van zijn bevorderingsgang en zijn rechten en plichten ingevolge de Ambtenarenwet en het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP (Stcrt. 1995, 251). Onze Minister bepaalt, met inachtneming van het zesde lid, welke voorzieningen ter zake van bezoldiging alsmede tegemoetkomingen en vergoedingen voor betrokkene in verband met bedoelde plaatsing zullen gelden.

L

In artikel 33, achtste lid, wordt de zinsnede «Onze Minister kan nadere regelen stellen» vervangen door: Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

M

Artikel 42 komt te luiden:

Artikel 42

Bij ministeriële regeling worden, passend binnen het door Onze Minister van Binnenlandse Zaken gecoördineerde beleid, nadere regels gesteld inzake bevordering en loopbaanvorming.

N

In artikel 45, zevende lid, wordt de zinsnede «Onze Minister kan nadere regelen stellen» vervangen door: Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

O

In artikel 50 wordt de zinsnede «op grond van door Onze Minister gestelde regels» vervangen door: op grond van bij ministeriële regeling gestelde regels.

P

Artikel 54 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, eerste volzin, wordt de zinsnede «Onze Minister stelt, zonodig ten dele naar vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland onderscheiden, regelen voor» vervangen door: Bij ministeriële regeling worden, zonodig ten dele naar vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland onderscheiden, regels gesteld betreffende.

2. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste volzin wordt de puntkomma vervangen door een punt.

b. Het oorspronkelijke tweede zinsdeel komt te luiden: Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

3. Het tiende lid komt te luiden:

  • 10. Bij ministeriële regeling kunnen ten aanzien van het vijfde tot en met negende lid van dit artikel nadere regels worden gesteld.

Q

Artikel 66 vervalt.

R

Artikel 68, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de eerste volzin wordt de puntkomma vervangen door een punt en vervalt het oorspronkelijke tweede zinsdeel.

2. De tweede volzin komt te luiden: Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld.

S

Artikel 69 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt het woord «voorschriften» vervangen door: regels.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «tenzij door Onze Minister ter zake een afwijkende regel is vastgesteld» vervangen door: tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald.

T

Artikel 78 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt.

2. Het derde lid wordt vernummerd tot het tweede lid.

U

Artikel 80 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De woorden «of namens» vervallen.

b. De zinsnede «door Onze Minister» in het laatste zinsdeel wordt vervangen door: bij ministeriële regeling.

2. In het tweede lid wordt de zinsnede «door Onze Minister te stellen regelen» vervangen door: bij ministeriële regeling gestelde regels.

V

Artikel 81 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt de zinsnede «door Onze Minister van Binnenlandse Zaken gestelde regelen» vervangen door: in of krachtens het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland gestelde regels.

2. In het derde lid wordt de zinsnede «door Onze Minister» vervangen door: bij ministeriële regeling.

W

Artikel 82 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt de zinsnede «door Onze Minister» vervangen door: bij ministeriële regeling.

2. In het derde lid wordt de zinsnede «Onze Minister is bevoegd» vervangen door: Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld, en vervalt de zinsnede «regels te geven».

X

Artikel 83 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede «Onze Minister stelt» wordt vervangen door: Bij ministeriële regeling worden,.

b. Het woord «voorschriften» wordt vervangen door: regels gesteld.

2. In het vijfde lid wordt de zinsnede «een leidraad» vervangen door: beleidsregels.

3. In het zesde lid wordt de zinsnede «voorschriften omvatten regels met betrekking tot» vervangen door: regels omvatten tevens bepalingen betreffende.

Y

In artikel 90a, eerste lid, wordt het woord «door» vervangen door: bij ministeriële regeling van.

Z

Artikel 93, vierde lid, vervalt.

AA

In artikel 99, tweede lid, wordt de zinsnede «artikel 34b dan wel artikel 34d, eerste lid, van het ARAR» vervangen door: artikel 34, uitgezonderd het derde en vijfde lid, van het ARAR.

AB

Artikel 100, eerste volzin, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede «artikel 125e, vierde lid» wordt vervangen door: artikel 125e, tweede lid.

2. De zinsnede «de medewerking of machtiging vereist van» wordt vervangen door: overeenstemming vereist met.

AC

In artikel 101, eerste lid, aanhef, wordt de zinsnede «dit reglement,» vervangen door: dit reglement, alsmede bij artikel 125e, tweede lid, van de Ambtenarenwet,.

AD

In artikel 102 vervalt de zinsnede «(Stb. 1986, 490)».

AE

Artikel 118, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht worden schriftelijk aangegaan in de Nederlandse taal; bij niet-Nederlanders met vertaling in een taal die de werknemer voldoende machtig is. Daarin worden ten minste vermeld:

    a. de naam, voornamen en geboortedatum van de werknemer;

    b. de datum waarop betrokkene in dienst treedt;

    c. of de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde of voor onbepaalde tijd; wordt deze voor bepaalde tijd aangegaan, dan wordt die tijd vermeld;

    d. welke periode als proeftijd in de zin van artikel 652 van boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek is overeengekomen;

    e. het loon waarop de werknemer in dienst is genomen;

    f. het aan betrokkene toekomende genot van kost, inwoning of andere vormen van loon in natura, alsmede de daarmee verbandhoudende inhoudingen;

    g. de aard van de werkzaamheden welke de werknemer gewoonlijk zullen worden opgedragen;

    h. de bepalingen, in of krachtens dit reglement gesteld, welke op de arbeidsovereenkomst van toepassing zijn.

AF

In artikel 135, derde lid, wordt de zinsnede «Onze Minister stelt regelen» vervangen door: Bij ministeriële regeling worden regels gesteld.

AG

Artikel 144, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, onder 5°, wordt de zinsnede «artikel 114, vierde lid,» vervangen door: artikel 115.

2. In onderdeel b, onder 2°, wordt de zinsnede «artikel 114, vierde lid» vervangen door: artikel 115.

AH

Na artikel 149 wordt een nieuw artikel 149a ingevoegd, luidende:

Artikel 149a

Onze Minister kan de bevoegdheid tot het stellen van regels met een sterk technisch karakter krachtens dit besluit mandateren.

ARTIKEL XVI

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt wat betreft:

1. artikel I, onderdelen H, onder 1, I, onder 1 en J, onder 1, en artikel II, onderdelen D, onder 1, E, onder 1, en F, onder 1, terug tot en met 1 januari 1995;

2. artikel I, onderdelen H, onder 2, I, onder 2, en J, onder 2, en artikel II, onderdelen D, onder 2, E, onder 2, en F, onder 2, terug tot en met 1 april 1997;

3. artikel XV, onderdelen D, AE en AG, terug tot en met 1 januari 1998.

histnoot

's-Gravenhage, 27 augustus 1998

Beatrix

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Peper

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen

Uitgegeven de tweeëntwintigste oktober 1998

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

NOTA VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

Bij het voorliggende besluit zijn het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), het Ambtenarenreglement Staten-Generaal (ARSG), het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) en enige andere rechtspositionele besluiten betreffende Rijksambtenaren aangepast aan de met ingang van 1 januari 1998 in werking getreden derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder is de rechtspositie van de Rijksambtenaren op enige kleine aspecten aangepast en is een aantal omissies van technische aard hersteld.

Over het besluit is overeenstemming bereikt met de Sectorcommissie overleg rijkspersoneel.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I Algemeen Rijksambtenarenreglement

Onderdelen A, D, L, M, O, P, W, DD en FF

Deze wijzigingen betreffen correcties van onder meer spellingsfouten en onjuiste verwijzingen en nummeringen.

Onderdelen B, E, G2, U, X, Y, Z, AA, EE, GG, II en JJ

Deze wijzigingen vloeien voort uit de derde tranche van de Awb omtrent mandaat en delegatie. Bepalingen die het mogelijk maken om mandaat te verlenen zijn vervallen verklaard omdat op grond van artikel 10:3 Awb een bestuursorgaan ook zonder specifieke wettelijke grondslag bevoegd is om mandaat te verlenen. Daarnaast zijn bepalingen waarbij delegatie aan ondergeschikten mogelijk is gemaakt, vervallen verklaard omdat artikel 10:14 Awb een dergelijke delegatie verbiedt.

Onderdelen C, G1, K1, K3, N, Q, T, CC1 en JJ

Deze wijzigingen betreffen aanpassingen aan de Aanwijzingen voor de regelgeving. Nadrukkelijk zij opgemerkt dat de hier genoemde «regels» vallen onder het, ruimere, begrip «algemeen verbindende voorschriften» uit de Awb.

Onderdeel E

De ambtenaren werkzaam bij de Algemene Rekenkamer, de Hoge Raad van Adel, het Kabinet der Koningin, de Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman en de Raad van State ressorteren onder deze instituten en niet onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken of enig ander ministerie. Een geattribueerde – en dus niet een gedelegeerde of gemandateerde – aanstellingsbevoegdheid komt derhalve toe aan het College van de Algemene Rekenkamer, de voorzitter van de Hoge Raad van Adel, de directeur van het Kabinet der Koningin, de kanselier der Nederlandse Orden, de Nationale ombudsman en de vice-president van de Raad van State. Ten onrechte blijkt dat niet duidelijk uit het ARAR. Het nieuwe artikel 7, derde lid, ARAR voorziet in deze omissie.

Aan het oude artikel 7, derde lid, bestaat geen behoefte meer. Als gevolg van de herbezinning op de beheersregels en de decentralisatie van het formatiebeheer is inmiddels, onder gelijktijdige intrekking van het Besluit Coördinatie Rijkspersoneelsaangelegenheden en het koninklijk besluit van 4 mei 1938 (Stb. 140), tot vaststelling van bepalingen betreffende de personeelsbezetting bij de departementen van algemeen bestuur, het Coördinatiebesluit inrichting organisatie en formatie rijksdienst in werking getreden. In dit besluit zijn de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met betrekking tot de inrichting en de formatie van de Rijksdienst opnieuw vastgesteld.

Onderdeel F

In verband met de intrekking van het Arbeidsovereenkomstenbesluit per 1 januari 1995 is de zinsnede «van een privaatrechtelijke in een publiekrechtelijke» in de genoemde artikelen vervallen verklaard.

Onderdelen H tot en met J

Op grond van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP moet de ambtenaar vanaf 1 januari 1995 een Vut-bijdrage betalen. Ook de ambtenaar die wegens verlof mede in het algemeen belang ontheven is van de uitoefening van zijn betrekking waarbij de tijd gedurende dit verlof meetelt voor zijn pensioenberekening, blijft een Vut-bijdrage betalen. Onder meer geldt dit voor de ambtenaar die:

– op grond van een wettelijke verplichting anders dan voor herhalings-oefening als militair in werkelijke dienst is (artikelen 18, tweede lid, en 19, tweede lid, ARAR); en

– op grond van een verbintenis als vrijwilliger in de zin van artikel 2, eerste lid, onder a of b, van de Rechtstoestandsregeling reservepolitie of van een overeenkomstige verbintenis als bedoeld in de artikelen 53 en 54 van die regeling in werkelijke dienst is (artikel 20d, derde lid, ARAR).

Tijdens dit verlof blijven deze ambtenaren in ieder geval een bezoldiging genieten tot een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van het op hen te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage. In verband met het gaan betalen van een Vut-bijdrage per 1 januari 1995 wordt de hiervoor genoemde bezoldiging hieraan aangepast. Deze bezoldiging wordt daarbij gelijk gesteld met het bedrag van het op hen te verhalen gedeelte van de pensioenbijdrage en van de Vut-bijdrage. Omdat per 1 april 1997 de Vut is komen te vervallen en daarvoor in de plaats is gekomen de Regeling flexibel pensioen en uittreden (FPU) is per die datum in plaats van de genoemde Vut-bijdrage de FPU-premie opgenomen.

Onderdeel K2

Ingevolge artikel 5:1, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (ATW) vinden de bepalingen van hoofdstuk 5 van de ATW en de daarop berustende bepalingen ten aanzien van de zondag voor werknemers die in verband met hun godsdienstige opvattingen, de wekelijkse rustdag op een andere dag vieren dan de zondag, overeenkomstige toepassing voor die dag in plaats van ten aanzien van de zondag, indien de werknemers een daartoe strekkend schriftelijk verzoek tot de werkgever hebben gericht. Het tweede lid van dit artikel verklaart elk beding waarbij van het eerste lid wordt afgeweken nietig.

Artikel 21, achtste lid, onderdeel b, van het ARAR bevat een soortgelijke bepaling. Op grond van deze bepaling wordt de ambtenaar zo weinig mogelijk in zijn zondagsrust beperkt en wordt hem zoveel mogelijk de mogelijkheid geboden op zondag en op voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk te bezoeken. Verder wordt gesteld dat het bepaalde t.a.v. de zondag voor de ambtenaar die aan het hoofd van dienst heeft meegedeeld dat hij tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de Sabbat of op de Zevendedag viert, desgewenst overeenkomstige toepassing vindt ten aanzien van de Sabbat of de Zevendedag.

Dit strookt niet met artikel 5:1, eerste lid, ATW omdat de mogelijkheid tot het vieren van de wekelijkse rustdag op een andere dag dan de zondag wordt beperkt tot degenen die tot een kerkgenootschap behoren en de wekelijkse rustdag op de Sabbat of de Zevendedag vieren. Deze beperkingen zijn op grond van artikel 5:1 ATW nietig.

Aangezien de ATW ook voor de overheid geldt, dient het ARAR op bovengenoemd punt met de ATW in overeenstemming te worden gebracht. Voor de leesbaarheid zijn de leden zeven en acht van artikel 21 opnieuw geformuleerd.

Onderdeel R en S

In artikel 36a, tweede lid, en artikel 36b, eerste lid, wordt thans verwezen naar de artikelen 18, 24a en 25 van de Arbeidsomstandighedenwet.

Afgezien van de in artikel 25 bedoelde onderzoeken die vanuit hun doelstelling (keuring op medische geschiktheid) verplicht zijn en waarbij het advies uit dient te gaan aan de werkgever, betreffen de andere artikelen vrijwillige onderzoeken c.q. spreekuren. De informatie die hieruit wordt verkregen zijn in principe van vertrouwelijke aard.

Vertrouwelijke informatie mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan de werkgever. Als gevolg hiervan worden de artikelen 36a, tweede lid en 36b, eerste lid aangepast.

Onderdeel V

Artikel 53 ARAR is overbodig en komt daarom te vervallen. Daar waar in dit artikel met het begrip «regeling» gedoeld wordt op een algemeen verbindend voorschrift is een bepaling dat van dat voorschrift niet ten nadele van een ambtenaar mag worden afgeweken indien dat voorschrift niet uitdrukkelijk in een afwijkingsmogelijkheid voorziet, overbodig omdat een dergelijk afwijkingsverbod reeds voortvloeit uit de aard van een dergelijk voorschrift. Daar waar in dit artikel met het begrip «regeling» wordt gedoeld op beleidsregels, voorziet artikel 4:84 Awb reeds in de mogelijkheid tot afwijking daarvan.

Onderdeel W

Bij het besluit van 17 oktober 1997 (Stb. 1997, 498) houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement in verband met het regelen van een aantal rechtspositionele aspecten t.a.v. een groep van ambtenaren aangesteld in algemene dienst van het Rijk is aan artikel 57 een nieuw derde lid toegevoegd. Abusievelijk is in dat lid de verwijzing naar het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 in tekstuele zin niet correct geschied. Het onderhavige artikelonderdeel corrigeert deze omissie.

Onderdeel CC2

Deze wijziging vloeit voort uit de derde tranche van de Awb omtrent beleidsregels.

Onderdeel HH

Bij koninklijk besluit van 1 november 1983 houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en het Arbeidsovereenkomstenbesluit (Stb. 573) is onder meer artikel 102, tweede lid, gewijzigd. Daarbij is in de in dit onderdeel vermelde volzin ten onrechte niet de zinsnede «en kinderen» opgenomen. Deze omissie wordt hierbij hersteld.

Onderdeel KK

In het nieuwe artikel 132b ARAR is bepaald dat de ministers mandaat kunnen verlenen van hun bevoegdheid om krachtens het ARAR ministeriële regelingen vast te stellen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan een dergelijk mandaat verlenen voor zover zijn ministeriële regelingen betrekking hebben op de gehele sector Rijk dan wel op zijn eigen ministerie. De overige ministers kunnen een dergelijk mandaat verlenen voor zover hun ministeriële regelingen betrekking hebben op hun eigen ministerie. De Minister van Financiën kan bovendien mandaat verlenen voor het vaststellen van de in artikel 18, vijfde lid, ARAR bedoelde ministeriële regeling inzake de aanvulling van de militaire beloning van de ambtenaar die anders dan voor herhalingsoefening verplicht als militair in werkelijke dienst is.

Met artikel 132b ARAR wordt voldaan aan artikel 10:3 van de Awb, waarin is bepaald dat het verlenen van mandaat tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften slechts mogelijk is indien dit bij wettelijk voorschrift is geregeld. Van deze – ook door aanwijzing 33 van de Aanwijzingen voor de regelgeving geboden – uitzonderingsmogelijkheid is gebruik gemaakt omdat de onderhavige regelingen veelal van technische en interne aard zijn en deze regelingen regelmatig moeten worden gewijzigd. De mogelijkheid om mandaat te verlenen strekt zich niet uit tot het vaststellen van ministeriële regelingen krachtens de artikelen 4a, 9 en 10 ARAR, betreffende de werving en selectie van ambtenaren en onderzoeken (waaronder psychologische, antecedenten- en geneeskundige onderzoeken) om vast te stellen of personen voldoende geschikt en bekwaam zijn voor een bepaalde functie bij een ministerie. De krachtens deze artikelen vastgestelde ministeriële regelingen zijn namelijk in belangrijke mate ook van externe aard aangezien zij ook betrekking hebben op de mogelijkheden voor burgers om aangesteld te worden bij een ministerie.

De ministers dienen terughoudend gebruik te maken van deze mogelijkheid tot het verlenen van mandaat. Het mandaat dient in beginsel niet op een lager niveau te worden gelegd dan dat van secretaris-generaal, directeur-generaal of hoofd van een agentschap.

Artikel 132b ARAR heeft geen betrekking op de Hoge Colleges van Staat aangezien die een dermate geringe omvang hebben dat er onvoldoende aanleiding is om ook bij die bestuursorganen af te wijken van de hoofdregel dat algemeen verbindende voorschriften niet krachtens mandaat worden vastgesteld.

Artikel II Ambtenarenreglement Staten-Generaal

De wijzigingen van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal komen nagenoeg overeen met die van het ARAR. Voor een toelichting bij deze wijzigingen wordt daarom kortheidshalve verwezen naar de toelichting bij de wijzigingen van het ARAR.

Artikel III Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984

Onderdelen A, B2 en C1

Bij deze wijzigingen worden enige omissies hersteld.

Onderdelen B1, B3, B4 en C2

Bij deze wijzigingen is het besluit op overeenkomstige wijze als het ARAR aangepast aan het bepaalde in de derde tranche van de Awb omtrent mandaat en delegatie.

Artikel IV Verplaatsingskostenbesluit 1989

Onderdelen A, C en E,

De vervanging van de woorden belanghebbenden en belanghebbende door betrokkenen respectievelijk betrokkene vloeit nog voort uit de invoering van de eerste tranche van de Awb.

Onderdelen B3 en F

Hierbij zijn enige omissies hersteld.

Onderdeel B4

Het bevoegd gezag van de Algemene Rekenkamer wordt hierbij correct vermeld gelet op het bepaalde in de Comptabiliteitswet.

Onderdelen B1, B2, B4 en G

Bij deze wijzigingen is dit besluit op overeenkomstige wijze als het ARAR aangepast aan het bepaalde in de derde tranche van de Awb omtrent mandaat en delegatie.

Onderdeel D

Indien in een samenlevingsverband naast de ambtenaar ook de echtgenoot of levenspartner de opdracht heeft te verhuizen of is verplaatst, wordt de in het eerste lid van artikel 8 van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 bedoelde tegemoetkoming in de uit de verhuizing voortvloeiende kosten, berekend over de gezamenlijke berekeningsbasis, echter met inachtneming van het maximum van de tegemoetkoming (f 12 000,–). De op deze wijze berekende tegemoetkoming is bedoeld voor beide partners. De tekst van het derde lid van artikel 8 wekt echter de indruk dat zowel de ambtenaar als zijn echtgenoot of levenspartner aanspraak hebben op de op genoemde wijze berekende tegemoetkoming. Omdat dit niet de bedoeling is, is aan het derde lid een volzin toegevoegd. Hierin is uitdrukkelijk bepaald dat de ambtenaar en de echtgenoot of levenspartner elk een evenredig deel ontvangen van de volgens de eerste volzin van het derde lid berekende tegemoetkoming. Onder «evenredig deel» dient daarbij te worden verstaan: evenredig op basis van de verhouding van de berekeningsbasis van elk van de betrokkenen afzonderlijk tot de gezamenlijke berekeningsbasis.

Artikel V Besluit vergoeding representatiekosten rijkspersoneel

Artikel 1 is aangepast aan het in de derde tranche van de Awb vervatte verbod van delegatie aan ondergeschikten. Verder is in dat artikel het bevoegd gezag van de Algemene Rekenkamer correct vermeld.

Artikel VI Reisbesluit binnenland

Onderdelen A, C en D

Bij deze wijzigingen is dit besluit op overeenkomstige wijze als artikel 132b ARAR aangepast aan het bepaalde in de derde tranche van de Awb omtrent mandaat. Verder is het bevoegd gezag van de Algemene Rekenkamer correct vermeld.

Onderdeel B

In artikel 4, eerste lid, van het Reisbesluit binnenland is geregeld dat indien de ambtenaar voor een periode van ten minste vier weken, gedurende meer dan de helft van de voor hem gebruikelijke werkdagen, zijn werkzaamheden in of vanuit één bepaalde plaats buiten zijn standplaats moet gaan verrichten, voor hem niet de tegemoetkomingenin de reis- en verblijfkosten als bedoeld in het Reisbesluit binnenland gelden maar de woon-werkverkeer- en de pensionkostentegemoetkoming als bedoeld in het Verplaatsingskostenbesluit 1989. Reden hiervoor is dat in zo'n situatie het onderscheid ten opzichte van de ambtenaar die ter plaatse normaliter zijn werkzaamheden verricht zodanig gering is dat in beginsel niet voldoende rechtvaardiging wordt gevonden voor een verschillende vergoedingsmogelijkheid. Voor overeenkomstige dienstreizen gedurende ten minste vier weken binnen de standplaats was dit niet op deze wijze geregeld, omdat voor dergelijke dienstreizen geen verblijfkostenvergoeding gold. Per 1 oktober 1993 is dit gewijzigd. Vanaf die datum heeft de ambtenaar ook aanspraak op een verblijfkostenvergoeding bij een dienstreis binnen de standplaats van vier uur of langer met een reisbestemming op één of meer kilometer van de plaats van tewerkstelling. Bij de onderhavige wijziging wordt de aanspraak op een reis- en verblijfkostenvergoeding bij dienstreizen gedurende ten minste vier weken binnen de standplaats aangepast overeenkomstig die bij dienstreizen buiten de standplaats.

Onderdeel E

In artikel 19 van het Reisbesluit binnenland was een overgangsbepaling vervat voor de betrokkenen die in de periode van twaalf maanden voorafgaande aan de inwerkingtreding van dat besluit als ambtenaar in de zin van het Reisbesluit 1971 op ten minste 40 dagen tegen vergoeding dienstreizen in Nederland had ondernomen. Zij ontvingen van 1993 tot en met 1997 telkens op 1 april een tegemoetkoming. In verband met het verstrijken van de duur van deze regeling wordt artikel 19 bij het onderhavige besluit vervallen verklaard.

Artikel VII Reisbesluit buitenland

Dit besluit is op overeenkomstige wijze als artikel 132b ARAR aangepast aan het bepaalde in de derde tranche van de Awb omtrent mandaat. Verder is het bevoegd gezag van de Algemene Rekenkamer correct vermeld.

Artikel VIII Besluit betaling emolumenten burgerlijk rijkspersoneel

Onderdeel A

Bij deze wijziging wordt een verwijzing gecorrigeerd.

Onderdeel B

Bij deze wijziging is dit besluit op overeenkomstige wijze als artikel 132b ARAR aangepast aan het bepaalde in de derde tranche van de Awb omtrent mandaat.

Artikel IX Regeling ziektekostenvoorziening rijkspersoneel

Deze wijziging is vergelijkbaar met de wijziging van artikel 132b ARAR.

Artikel X Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel

Deze wijziging is vergelijkbaar met de wijziging van artikel 132b ARAR.

Artikel XI Suppletieregeling gedeeltelijk arbeidsongeschikten sector Rijk

Deze wijziging is vergelijkbaar met de wijziging van artikel 132b ARAR

Artikel XII Rijkswachtgeldbesluit 1959

Bij koninklijk besluit van 13 oktober 1992, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal en het Arbeidsovereenkomstenbesluit in verband met de Wet van 20 april 1988 tot wijziging van de Ambtenarenwet 1929 ter zake van de uitoefening van grondrechten (Stb. 229), verviel artikel 60 ARAR en werd artikel 96a van dat reglement gewijzigd. Een en ander hield verband met artikel 125c van de Ambtenarenwet. In verband hiermee vindt hierbij alsnog een tekstuele aanpassing plaats van artikel 2, eerste lid, onder c, van het Rijkswachtgeldbesluit 1959.

Artikel XIII Regeling uitkering wegens functioneel leeftijdsontslag

Door deze wijziging wordt duidelijk gemaakt dat artikel 6 van deze regeling de mogelijkheid biedt tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften.

Artikel XIV Besluit van 22 september 1977, houdende regeling van de vergoeding aan ambtenaren van kosten verbonden aan het gebruik van de privé-telefoonaansluiting voor dienstdoeleinden

Onderdelen A en B

Hierbij worden enkele onjuiste verwijzingen gecorrigeerd.

Onderdeel C

Deze wijziging is vergelijkbaar met de wijziging van artikel 132b ARAR.

Artikel XV Reglement Dienst Buitenlandse Zaken

Onderdelen A, E1, G, U1a en AB2

Deze wijzigingen vloeien voort uit de nieuwe bepalingen in de Awb betreffende mandaat en delegatie. Verwezen zij naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdelen B, E, G2, U, X, Y, Z, AA, EE, GG, II en JJ.

Onderdeel B

Teneinde onduidelijkheden te voorkomen met betrekking tot de vraag welke minister wordt bedoeld, is van het begrip «ministeriële regeling» een definitie opgenomen.

Onderdelen C, F, H1a, I, K, L, M, N, O, P, R2, S2, U1b, U2, V2, W, X1a, Y en AF

De wijzigingen betreffen aanpassingen aan de aanwijzingen voor de regelgeving.

Onderdelen D en AG

Bij de aanpassing van hoofdstuk XVIII van het RDBZ door het Besluit van 14 maart 1997 tot wijziging van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken betreffende de rechtspositie van plaatselijk bij een vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland indienstgenomen werknemers op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht (Stb. 1997, 153), is artikel 114 RDBZ per 1 januari 1998 opgesplitst in de artikelen 114 en 115. Daarbij is verzuimd de verwijzing in artikel 8, derde lid, onder b, en de beide verwijzingen in het eerste lid van artikel 144, naar artikel 114, vierde lid, hiermee in overeenstemming te brengen. Onderhavige wijzigingen herstellen deze onvolkomenheden.

Onderdelen H1b, J en R1

Omdat het bestuursorgaan ook zonder wettelijke grondslag bevoegd is aanwijzingen te geven aan zijn ambtenaren, zijn de bepalingen die het mogelijk maken dergelijke aanwijzingen te geven vervallen.

Onderdeel X2

Deze wijziging vloeit voort uit de nieuwe bepalingen in de Awb betreffende beleidsregels.

Onderdeel Q

Artikel 66 van het RDBZ is het equivalent van artikel 53 van het ARAR. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting op laatstgenoemd artikel in artikel I.

Onderdelen S1, X1b en X3

Deze wijzigingen betreffen terminologische aanpassingen voortvloeiende uit de aanwijzingen voor de regelgeving.

Onderdeel T

Artikel 78 van het RDBZ is het equivalent van artikel 65 van het ARAR. Kortheidshalve wordt verwezen naar de toelichting op laatstgenoemd artikel in artikel I.

Onderdeel Z

Het vervallen van het vierde lid van artikel 93 van het RDBZ vloeit voort uit de nieuwe bepalingen in de Awb betreffende mandaat.

Onderdeel AA

De wijziging houdt verband met het vervallen van de artikelen 34a tot en met 34d van het ARAR bij Besluit van 2 augustus 1997, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en enkele andere besluiten in verband met buitengewoon verlof van lange duur (Stb. 1997, 363).

Onderdelen AB1 en AC

De aanpassingen houden verband met de wijziging van artikel 125e van de Ambtenarenwet, als gevolg van de inwerkingtreding per 1 februari 1997 van de Wet veiligheidsonderzoeken.

Onderdeel AE

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt een onvolkomenheid in het besluit, genoemd in de toelichting bij de onderdelen D en AG van dit artikel, te corrigeren. Voor de duidelijkheid is het eerste lid in zijn geheel opnieuw vastgesteld.

Onderdeel AH

In artikel 149a wordt, overeenkomstig het nieuwe artikel 132b van het ARAR, bepaald dat mandaat kan worden verleend tot het stellen van ministeriële regelingen. Anders dan het ARAR, bevat het RDBZ geen artikelen krachtens welke ministeriële regelingen kunnen worden gesteld die in belangrijke mate een extern karakter hebben. In het RDBZ behoeft dan ook geen uitzondering te worden gemaakt zoals in artikel 132b van het ARAR wel het geval is. Voorts zij verwezen naar de toelichting op artikel I, onderdeel KK.

Artikel XVI Inwerkingtredingsbepaling

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

De bepalingen in het ARAR inzake de Vut-bijdrage en de FPU-bijdrage werken terug tot en met 1 januari 1995 respectievelijk 1 april 1997 (artikel I, onderdelen H tot en met J en artikel II, onderdelen D tot en met F).

Deze terugwerkende kracht heeft te maken met het inwerking treden van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP per 1 januari 1995 waarbij de ambtenaar vanaf genoemde datum een VUT-bijdrage betaalt. Per 1 april 1997 is de VUT-regeling vervangen door een Regeling Flexibel pensioen en uittreden. In verband hiermee dient de ambtenaar vanaf die datum een FPU-premie te betalen.

De onderdelen D, AE en AG van artikel XV werken terug tot en met 1 januari 1998 in verband met het in de toelichting op de onderdelen D en AG genoemde besluit tot wijziging van het RDBZ.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

A. Peper

De Minister van Buitenlandse Zaken,

J. J. van Aartsen


XNoot
1

Stb. 1931, 248, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 mei 1998, Stb. 340.

XNoot
2

Stb. 1979, 123, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 mei 1998, Stb. 340.

XNoot
3

Stb. 1983, 571, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 9 december 1997, Stb. 1998, 5.

XNoot
4

Stb. 1989, 424, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 januari 1998, Stb. 89.

XNoot
5

Stb. 1993, 452.

XNoot
6

Stb. 1993, 144, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 juli 1994, Stb. 600.

XNoot
7

Stb. 1994, 600, gewijzigd bij besluit van

2 augustus 1997, Stb. 364.

XNoot
8

Stb. 1983, 574, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 25 april 1994, Stb. 346.

XNoot
9

Stb. 1997, 357, gewijzigd bij besluit van

29 januari 1998, Stb. 89.

XNoot
10

Stb. 1994, 608, gewijzigd bij besluit van

29 januari 1998, Stb. 89.

XNoot
11

Stb. 1996, 1, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 januari 1998, Stb. 89.

XNoot
12

Stb. 1959, 319, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 januari 1998, Stb. 89.

XNoot
13

Stb. 1966, 286, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 29 januari 1998, Stb. 89.

XNoot
14

Gewijzigd bij besluit van 16 december 1993, Stb. 683.

XNoot
15

Stb. 1986, 611, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 28 mei 1998, Stb. 340.

XHistnoot

Het advies van de Raad van State is openbaar gemaakt door terinzagelegging bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Tevens zal het advies met de daarbij ter inzage gelegde stukken worden opgenomen in het bijvoegsel bij de Staatscourant van 10 november 1998, nr. 215.