Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2018
Nr. 71

Gepubliceerd op 13 maart 2018 09:18
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken over dossier



Besluit van 15 februari 2018, tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met de definitieve invoering van het begeleid rijden, en een enkele redactionele wijziging en van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer in verband met enkele technische aanpassingen

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 24 november 2017, nr. IENM/BSK-2017/274848, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 110, 110b, eerste lid, onderdelen b en c, 111, eerste lid, onderdeel b, 111a, eerste lid, 111b, 113, eerste lid, 116, eerste lid, 118, tweede lid, 126, vijfde lid, en 163, tiende lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 10 januari 2018, no. W17.17.0382/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 12 februari 2018, nr. IenM/BSK-2018/13151, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Reglement rijbewijzen wordt als volgt gewijzigd.

A

Onder vernummering van het achtste lid van artikel 5 tot tiende lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 8. In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, geldt voor bestuurders van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B de leeftijd van zeventien jaren indien betrokkene in het bezit is van een rijbewijs B en een geldige, aan hem afgegeven begeleiderspas en wordt begeleid door een begeleider.

  • 9. In afwijking van het eerste lid, onderdeel f, en het negende lid geldt voor degene die in het kader van begeleid rijden ten behoeve van de rijbewijscategorie B de tussentijdse toets, bedoeld in artikel 70, vierde lid, aflegt de leeftijd van zestien jaren en zes maanden.

B

Onder vernummering van het vierde en vijfde lid van artikel 6 tot zesde en zevende lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 4. In afwijking van artikel 5, eerste lid, onderdelen d en e, geldt voor de rijbewijscategorie A een minimumleeftijd van 21 jaar indien rijonderricht wordt gegeven ten behoeve van de categorie A in verband met het besturen van een motorrijtuig op drie wielen, niet zijnde een motorrijtuig op twee wielen met aanhangwagen, met een vermogen van meer dan 15 kW.

  • 5. In afwijking van het eerste lid geldt de in artikel 5, eerste lid, onderdeel f, en negende lid, genoemde leeftijd van 18, respectievelijk 17 jaren niet voor zover degene aan wie rijonderricht wordt gegeven voor de rijbewijscategorie B de leeftijd van zestien jaren en zes maanden heeft bereikt.

C

Artikel 15, eerste lid, onderdeel j, subonderdeel 2°, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel V vervalt «of».

2. Onderdeel VI komt te luiden:

  • VI. een installatie om onkruid te bestrijden, met een tankinhoud van ten minste 100 liter, of.

D

Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 34, eerste lid, onderdeel b, door «, en» wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. de afgifte van een begeleiderspas, indien het een aanvraag betreft tot afgifte van een rijbewijs B door een aanvrager die de leeftijd van zeventien jaren, maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.

E

Artikel 45 komt te luiden:

  • 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs, aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dient bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

    • a. behoudens de in artikel 33 genoemde bescheiden wordt bij de aanvraag tevens het door dat gezag afgegeven rijbewijs overgelegd;

    • b. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vóór de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM, indien

      • I. de aanvraag mede betrekking heeft op een der rijbewijscategorieën C, C1, D, D1, E bij C, E bij C1, E bij D of E bij D1,

      • II. het overgelegde rijbewijs is afgegeven voor een kortere geldigheidsduur dan de in de staat van afgifte gebruikelijke termijn van geldigheid;

      • III. het overgelegde rijbewijs beperkende aantekeningen bevat die niet zijn aangeduid met de geharmoniseerde codes van de Europese Unie;

      • IV. de aanvrager op het moment van indiening van de aanvraag de leeftijd van 75 jaren heeft bereikt;

      • V. de aanvrager op het moment van indiening de leeftijd van 70 jaren heeft bereikt en in het bezit is van een rijbewijs waarvan de geldigheidsduur verstrijkt op of na de dag waarop hij de leeftijd van 75 jaren bereikt;

    • c. indien de aanvraag uitsluitend of mede betrekking heeft op de rijbewijscategorie T kan het rijbewijs voor die categorie alleen worden omgewisseld indien het om te wisselen rijbewijs voor de categorie T is aangewezen bij ministeriële regeling.

  • 2. Het eerste lid, onderdeel b, geldt niet indien de aanvraag betrekking heeft op afgifte van een vervangend rijbewijs tegen overlegging van een rijbewijs, aan de aanvrager afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of Zwitserland

  • 3. Het over te leggen rijbewijs dient op het moment van de aanvraag hetzij nog geldig te zijn hetzij, indien het zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, vergezeld te gaan van een door het gezag dat het rijbewijs heeft afgegeven gewaarmerkte verklaring waaruit blijkt dat door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat.

  • 4. Indien het over te leggen rijbewijs op het moment van de aanvraag zijn geldigheid heeft verloren doordat in een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland een maatregel met betrekking tot het rijbewijs is opgelegd in verband met ontbrekende geschiktheid, respectievelijk rijvaardigheid, is artikel 42, eerste respectievelijk tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, als op het tijdstip van de aanvraag dan wel uiterlijk op het tijdstip van uitreiking van dat rijbewijs aan de aanvrager blijkt dat er in een andere lidstaat van de Europese Unie, in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruime of in Zwitserland door het daartoe bevoegde gezag aan de aanvrager een verbod is opgelegd om gedurende een bepaalde periode een rijbewijs te verkrijgen, geen afgifte plaatsvindt gedurende die termijn.

  • 5. Indien het rijbewijs wegens vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd worden in plaats daarvan de volgende documenten overgelegd:

    • a. een proces-verbaal ter zake van vermissing of diefstal, in Nederland op ambtseed opgemaakt door een daartoe bevoegd algemeen of buitengewoon opsporingsambtenaar, waarin de omstandigheden waaronder het rijbewijs verloren is geraakt of teniet is gegaan, worden omschreven;

    • b. een door het gezag dat het rijbewijs heeft afgegeven, gewaarmerkte verklaring waaruit van de afgifte en de geldigheid blijkt en waaruit tevens blijkt dat door dat gezag tegen de aanvrager geen maatregelen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een rijbewijs bestaat, tenzij dit reeds op geautomatiseerde wijze is vastgesteld met gebruikmaking van het EU-rijbewijzennetwerk, genoemd in artikel 15 van richtlijn 2006/126/EG.

  • 6. Indien de aanvraag betrekking heeft op de afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor meer categorieën dan het door de aanvrager overgelegde rijbewijs, dient, behoudens aan de in het eerste of tweede lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

    • a. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van rijvaardigheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft en waarvoor het door de aanvrager overgelegde rijbewijs niet geldig is, waarbij de datum van registratie niet langer dan drie jaar vóór de aanvraag mag liggen;

    • b. in het rijbewijzenregister is ten behoeve van de aanvrager een verklaring van geschiktheid geregistreerd voor iedere rijbewijscategorie waarop de aanvraag betrekking heeft en waarvoor het door de aanvrager overgelegde rijbewijs niet geldig is, waarbij de datum van registratie niet langer dan een jaar vóór de aanvraag mag liggen, met uitzondering van de rijbewijscategorie AM.

  • 7. Voor de toepassing van het zesde lid onderdeel a, wordt met een niet langer dan drie jaar vóór de aanvraag in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid gelijkgesteld een door het daartoe bevoegde militaire gezag niet langer dan drie jaar voor de aanvraag in het rijbewijzenregister geregistreerde verklaring van rijvaardigheid voor het besturen van motorrijtuigen.

  • 8. Indien de aanvraag betrekking heeft op een rijbewijs waarop een getuigschrift van vakbekwaamheid of een getuigschrift van nascholing wordt vermeld, dient, behoudens aan de in het eerste, tweede en derde lid genoemde vereisten, bij de aanvraag aan de volgende vereisten te worden voldaan:

    • a. de aanvrager overlegt een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders aan de aanvrager afgegeven geldige kwalificatiekaart bestuurder;

    • b. het door de aanvrager over te leggen rijbewijs is door de bevoegde autoriteit van een lidstaat van de Europese Unie overeenkomstig de richtlijn vakbekwaamheid bestuurders voorzien van een geldige in die richtlijn bedoelde communautaire code,

    • c. de aanvrager overlegt een geldig buitenlands omwisselingscertificaat, dan wel

    • d. ten behoeve van de aanvrager is in het rijbewijzenregister een verklaring van vakbekwaamheid of een verklaring van nascholing geregistreerd, waarbij de datum van registratie niet langer dan vijf jaren vóór de aanvraag mag liggen.

  • 9. Indien de in het voorgaande lid, onder a of c, genoemde documenten wegens vermissing of diefstal niet kunnen worden overgelegd, is artikel 44, zevende lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 10. Indien het in het achtste lid, onder b, genoemde document wegens vermissing of diefstal niet kan worden overgelegd, blijkt uit de gewaarmerkte verklaring, bedoeld in het vijfde lid, onder b, de vermelding van de communautaire code en blijkt tevens dat geen maatregelen van bestuursrechtelijke of strafrechtelijke aard betreffende de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van die code zijn getroffen en dat bij dat gezag ook overigens geen bezwaar tegen afgifte van een getuigschrift van vakbekwaamheid dan wel een getuigschrift van nascholing bestaat.

F

Aan het slot van Hoofdstuk II wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:

§ 4. Begeleid rijden

Artikel 49a
  • 1. De begeleiderspas wordt bij de Dienst Wegverkeer aangevraagd door de in artikel 34, eerste lid, onderdeel c, bedoelde persoon die ten tijde van de aanvraag van de begeleiderspas de leeftijd van ten minste 16 jaren en zes maanden heeft bereikt en wordt, na betaling van de hiervoor door de Dienst Wegverkeer vastgestelde kosten, door die dienst aan deze persoon verstrekt.

  • 2. De aanvraag van een begeleiderspas, alsmede de wijze van betaling van de daarvoor vastgestelde kosten, geschiedt op de door de Dienst Wegverkeer vastgestelde wijze.

  • 3. Ten behoeve van de afgifte van de begeleiderspas heeft zich op zijn vroegst zes maanden voor de zeventiende verjaardag van de te begeleiden persoon ten minste een beoogd begeleider gemeld bij de Dienst Wegverkeer op de door die dienst voorgeschreven wijze.

  • 4. Ten behoeve van de behandeling van de aanvraag van de begeleiderspas raadpleegt de Dienst Wegverkeer:

    • a. de in de basisregistratie personen opgenomen persoonsgegevens van de aanvrager en van de begeleider;

    • b. het CBR, teneinde na te gaan of er sprake is van een van de in artikel 49b, onderdeel d, onder 4°, bedoelde situatie;

    • c. het rijbewijzenregister teneinde na te gaan of er sprake is van een van de in artikel 49b, onderdelen b, c en d, onder 1°, 2°, 3° en 5°, bedoelde situaties.

  • 5. Op de begeleiderspas worden ten hoogste vijf begeleiders vermeld.

Artikel 49b
  • 1. Een begeleiderspas wordt slechts afgegeven indien de beoogd begeleider voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a. hij staat als ingezetene met een adres ingeschreven in de basisregistratie personen;

    • b. hij is in het bezit van een geldig rijbewijs voor categorie B en sinds de datum van eerste afgifte van dat rijbewijs B zijn ten minste vijf jaren verstreken en hij heeft de leeftijd van tenminste 27 jaren bereikt;

    • c. ten aanzien van hem is niet op grond van artikel 130, tweede lid, respectievelijk artikel 164, eerste lid, van de wet de overgifte van het rijbewijs gevorderd dan wel het rijbewijs ingevorderd en niet aan hem teruggegeven, is niet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën geschorst, dan wel is niet ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering van het rijbewijs gevorderd of is niet krachtens die wet het rijbewijs ingenomen;

    • d. er zijn ten minste vier jaar verstreken sedert de datum waarop:

      • 1°. de aan de beoogd begeleider opgelegde onherroepelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is beëindigd,

      • 2°. aan de beoogd begeleider een rijbewijs voor de categorie B is afgegeven nadat het eerder aan hem afgegeven rijbewijs van rechtswege ongeldig is geworden op grond van artikel 123b van de wet, dan wel nadat ten aanzien van hem in het rijbewijzenregister een aantekening is gemaakt op grond van dat artikel,

      • 3°. aan de beoogd begeleider een rijbewijs voor de categorie B is afgegeven nadat het eerder aan hem afgegeven rijbewijs ongeldig is verklaard na een onderzoek naar de rijvaardigheid of naar de geschiktheid, dan wel wegens het niet meewerken aan een educatieve maatregel of een onderzoek naar de rijvaardigheid of een onderzoek naar de geschiktheid,

      • 4°. de beoogd begeleider naar tevredenheid van het CBR uitvoering heeft gegeven aan de verplichting zich te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of

      • 5°. aan de beoogd begeleider een nieuw rijbewijs voor de categorie B is afgegeven zonder de bij ministeriële regeling vastgestelde codering voor het rijden met een alcoholslot.

  • 2. De in het eerste lid, onderdeel b, gestelde eis geldt niet, indien de beoogd begeleider overeenkomstig artikel 7, eerste lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 over het in dat lid bedoelde certificaat beschikt.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder rijbewijs mede verstaan een rijbewijs, afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, waarvan de houder in Nederland woonachtig is en waarmee op grond van artikel 108, eerste lid, onderdeel h, van de wet een motorrijtuig van de categorie B mag worden bestuurd.

Artikel 49c

De Dienst Wegverkeer geeft op aanvraag een nieuwe begeleiderspas af:

  • a. bij wijziging van de personalia van de houder of de begeleider;

  • b. indien de houder een nieuwe begeleider opgeeft;

  • c. na ongeldigverklaring van de eerder afgegeven begeleiderspas op grond van artikel 111a, vierde lid, van de wet;

  • d. in geval de eerder afgegeven begeleiderspas versleten of geheel of ten dele onleesbaar is;

  • e. indien de eerder afgegeven begeleiderspas verloren is geraakt of teniet is gegaan.

Artikel 49d

Het is de begeleider verboden te begeleiden, indien:

  • a. hij niet langer beschikt over een geldig rijbewijs voor de categorie B;

  • b. ten aanzien van hem tijdens het begeleiden proces-verbaal is opgemaakt ten aanzien van overtreding van artikel 8, eerste, tweede of vijfde lid, van de wet;

  • c. ten aanzien van hem een vordering tot overgifte is gedaan op grond van de artikelen 130, tweede lid, of 164, eerste lid, van de wet en hij daaraan geen gehoor heeft gegeven, dan wel dat het rijbewijs niet is teruggegeven;

  • d. de geldigheid van het rijbewijs is geschorst op grond van artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet;

  • e. hij nog niet naar tevredenheid van het CBR uitvoering heeft gegeven aan de hem door het CBR opgelegde verplichting zich te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of

  • f. op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering van het aan hem afgegeven rijbewijs is gevorderd.

G

In artikel 56, derde lid, wordt «achttien jaren» vervangen door: zestien jaren.

H

In artikel 77a, onderdeel a, aanhef, wordt na «Regeling voertuigen» een komma geplaatst.

I

Artikel 104a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de bestaande tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt een rijbewijs op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief afgegeven aan degene die de leeftijd van zeventien jaren heeft bereikt voor zover:

    • a. het betreft een rijbewijs voor het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B, en

    • b. ten aanzien van de aanvrager in het rijbewijsregister is geregistreerd dat ten aanzien van hem een begeleiderspas is afgegeven.

J

Artikel 145, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «eerste voornaam voluit» vervangen door: voornamen voluit.

2. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel y door een puntkomma worden vier onderdelen toegevoegd, luidende:

  • z. geslachtsnaam, voorvoegsels, voornamen voluit, en burgerservicenummer van degenen aan wie een begeleiderspas is afgegeven, alsmede geslachtsnaam, voornamen voluit, geboortedatum en geboorteplaats van de in de begeleiderspas genoemde begeleiders;

  • za. nummer en datum van afgifte van begeleiderspassen;

  • zb. gegevens omtrent het verlies van geldigheid van begeleiderspassen ingevolge artikel 111a, vierde lid, van de wet;

  • zc. gegevens omtrent de ongeldigverklaring van begeleiderspassen ingevolge artikel 111a, vijfde lid, van de wet.

K

Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 152, eerste lid, onderdeel g, door een puntkomma wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • h. de aanvraag, de afgifte, het verlies van geldigheid en de ongeldigverklaring van begeleiderspassen.

L

In artikel 198 wordt «artikel 2, vijfde lid» vervangen door: de artikelen 2, vijfde lid, en 49d.

ARTIKEL II

Het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 12, derde lid, vervalt «of een of meer van de stoffen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, eerste lid, van de Wet luchtvaart».

B

In artikel 13, tweede lid, wordt «artikel 8, eerste, tweede, derde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste of tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste of tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste of tweede lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, eerste of derde lid, van de Wet luchtvaart» vervangen door: artikel 8, tweede, derde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, tweede lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, derde lid, van de Wet luchtvaart.

C

In artikel 18, tweede lid, wordt «de artikelen 12, 13, eerste lid, onder d, en tweede lid, en 14 tot en met 17» vervangen door: de artikelen 12 tot en met 17.

ARTIKEL III

Indien de Wet van 25 oktober 2017 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de definitieve invoering van het begeleid rijden (Stb. 2017, 424) in werking treedt, treedt dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking, met uitzondering van artikel I, onderdeel E, dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit is geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 15 februari 2018

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

Uitgegeven de dertiende maart 2018

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

In het onderhavige besluit wordt het Reglement rijbewijzen gewijzigd in verband met het definitief invoeren van het begeleid rijden (2toDrive). Het voorstel bevat de uitwerking van de vereisten voor de aanvraag en afgifte van de begeleiderspas en de eisen waaraan de potentiële begeleider moet voldoen, wil hij op de begeleiderspas worden vermeld. Tevens bevat het de eisen waaraan hij als begeleider tijdens het begeleiden moet voldoen en de strafbaarstelling als hij niet aan die eisen voldoet.

Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt om artikel 45 opnieuw vast te stellen om eventuele onduidelijkheden te voorkomen.

Ten slotte zijn nog enkele technische aanpassingen meegenomen van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting.

2. Aanleiding en achtergrond

Voor de aanleiding en de achtergrond wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de definitieve invoering van het begeleid rijden (Kamerstukken II 2016/17, 34 693, nr. 3, blz. 1–5).

3. Korte inhoud

Het onderhavige besluit bevat de (aanpassing van de) bepalingen die de minimumleeftijd regelen voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B, het afleggen van het theorie-examen en van het praktijkexamen. Hiermee wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid in artikel 4 lid 6 onder d van richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs (PbEG 2006, L 403) om de minimumleeftijd voor de afgifte van het rijbewijs B te verlagen. Tevens is de procedure geregeld waarop de deelnemer aan begeleid rijden het rijbewijs B kan verkrijgen, de procedure betreffende de aanvraag van de begeleiderspas en de eisen waaraan de beoogde begeleider dient te voldoen, zowel ten behoeve van vermelding op de begeleiderspas, als gedurende de periode dat hij als begeleider optreedt. Tevens is het niet navolgen van de eisen waaraan de begeleider moet voldoen, uitdrukkelijk aangemerkt als strafbaar feit. Waar mogelijk is aangesloten bij de bepalingen zoals die ook golden voor het experiment. Zo zijn de minimumleeftijden en de aanvraagprocedure van de begeleiderspas hetzelfde gebleven en zijn de eisen waaraan de beoogd begeleider moet voldoen, nagenoeg hetzelfde gebleven. Nieuw zijn de eisen waaraan de begeleider tijdens het begeleiden moet voldoen. De begeleider mag op grond van artikel 49d niet meer als begeleider optreden, als hij niet meer beschikt over een geldig rijbewijs, als ten aanzien van hem tijdens het begeleiden proces-verbaal is opgemaakt ten aanzien van overtreding van artikel 8, eerste, tweede of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, als ten aanzien van hem een vordering tot overgifte is gedaan op grond van de artikelen 130, tweede lid, of 164, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en hij daaraan geen gehoor heeft gegeven, dan wel dat het rijbewijs niet is teruggegeven, als de geldigheid van het rijbewijs is geschorst op grond van artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994, als hij nog niet naar tevredenheid van het CBR uitvoering heeft gegeven aan de hem door het CBR opgelegde verplichting zich te onderwerpen aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of als op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften de inlevering van het aan hem afgegeven rijbewijs is gevorderd). Verder is nieuw dat de begeleider strafbaar is als hij daar niet aan voldoet (artikel 198).

Verwezen wordt verder naar de artikelsgewijze toelichting. Voor een algemene toelichting op de gemaakte keuzes wordt verwezen naar de eerdergenoemde memorie van toelichting.

4. Administratieve lasten en nalevingskosten

Administratieve lasten

Er is geen sprake van administratieve lasten voor het bedrijfsleven.

Voor de berekening van de administratieve lasten en de nalevingskosten wordt verwezen naar de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2015/16, 34 693, nr. 3, blz. 21–25).

5. Handhaving

Voor de handhaving wordt verwezen naar de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2015/16, 34 693, nr. 3, blz. 20–21).

6. Advisering en consultatie

Het ontwerpbesluit is voor advies voorgelegd aan het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) en de Dienst Wegverkeer (RDW). Tevens is het voor advies voorgelegd aan het College van Procureurs-Generaal (OM) en de Nationale Politie (politie). Het CBR heeft te kennen gegeven dat de overgang van de huidige – experimentele – situatie naar een definitieve inbedding van begeleid rijden geen invloed heeft op de organisatie, ICT of praktische werkwijze van het CBR bij het examineren van jongeren die gebruik wensen te maken van begeleid rijden. Het OM heeft aangegeven geen inhoudelijke opmerkingen te hebben op het ontwerpbesluit. De definitieve invoering van begeleid rijden zal leiden tot de noodzaak om het bedrijfsprocessensysteem aan te passen. Verwezen wordt naar de afspraken die hieromtrent zijn gemaakt in het kader van de advisering over het wetsvoorstel. De politie heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij het ontwerpbesluit. Ook met de politie zijn in dit kader afspraken gemaakt over de kosten verband houdende met de definitieve invoering van begeleid rijden. Enkele tekstuele opmerkingen van de RDW zijn verwerkt. De RDW wijst verder op de noodzakelijke aanpassingen in de processen en de ondersteunende systemen binnen de RDW en op mogelijke consequenties, indien de definitieve invoering niet direct zou aansluiten op het einde van het experiment.

Verder is het ontwerpbesluit voorgelegd voor internetconsultatie. Dit heeft niet geleid tot reacties.

Daarnaast is het ontwerpbesluit voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal in het kader van de voorhangprocedure op grond van artikel 2b van de wet. Dit heeft niet geleid tot opmerkingen.

Ten slotte is het ontwerpbesluit voorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State. De redactionele opmerkingen van de Afdeling zijn verwerkt.

7. Communicatie

De eisen voor de aanvraag en afgifte van de begeleiderspas en de eisen waaraan de potentiële begeleider moet voldoen staan aangegeven op de website www.2toDrive.nl,. Ook staan op deze website de eisen waar de begeleider tijdens het begeleiden aan moet voldoen.

Ook de RDW heeft een webpagina over het aanvragen van de begeleiderspas en vervolgens het rijbewijs. Het CBR communiceert over de examens ten behoeve van het te behalen rijbewijs. Ten slotte zullen de politie en het OM ervoor zorgen dat hun medewerkers op de hoogte worden gesteld van de regels voor het begeleid rijden.

De doelgroep van begeleid rijden vernieuwt continu, nieuwe groepen jongeren worden 16 jaar en kunnen deelnemen aan begeleid rijden. Deze groep jongeren brengt ook nieuwe begeleiders met zich mee. Het is daarom van belang dat de communicatie door blijft gaan en nieuwe groepen jongeren en begeleiders worden geïnformeerd over begeleid rijden.

8. Datum van inwerkingtreding

De inwerkingtreding zal plaatsvinden op het tijdstip waarop de wet waarop het onderhavige besluit is gebaseerd, in werking treedt. Nu de definitieve invoering niet aansluit op het einde van het experiment, wordt afgeweken van de vaste verandermomenten om de overgangstermijn zo kort mogelijk te laten zijn. Dit is immers in het voordeel van jongeren die op of na 1 november 2017 zestien jaar worden en gebruik willen maken van de mogelijkheid van begeleid rijden. Daarnaast kan een lange overgangsduur leiden tot nadelen voor de rijscholen (die uitgaan van een constante instroom van leerlingen) en voor het CBR (risico voor capaciteitsproblemen en langere wachttijden).

Artikel I, onderdeel E, zal, omdat het hier een verduidelijking betreft, in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het besluit is geplaatst.

Artikelsgewijze toelichting

Onderdeel A

In dit onderdeel is de wijziging van artikel 5 opgenomen waarin wordt bepaald dat voor het besturen van een motorrijtuig van de categorie B de leeftijd van zeventien jaar geldt, indien de houder van het rijbewijs B beschikt over een begeleiderspas en tijdens het rijden moet worden begeleid door een op die pas vermelde begeleider. Dit artikel is gebaseerd op het oude artikel 173k. Dat de begeleider tijdens het begeleiden naast de bestuurder moet zitten, niet onder invloed mag zijn en overigens voldoet aan de aan de begeleider gestelde eisen is elders (artikel 49d, zie onderdeel F) geregeld.

Tot nu toe is het standpunt ingenomen dat deelnemers aan begeleid rijden ook vanaf zestien jaar en zes maanden een tussentijdse toets kunnen afleggen, omdat deze tussentijdse toets moet worden gezien als onderdeel van de rijopleiding.1 Recent heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter een uitspraak gedaan waaruit de conclusie moet worden getrokken dat de tussentijdse toets moet worden aangemerkt als een onderdeel van het praktijkexamen.2 Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft gevolgen voor deelnemers aan begeleid rijden die een tussentijdse toets zouden willen afleggen. Doordat nu de tussentijdse toets wordt gepositioneerd als onderdeel van het praktijkexamen, zou de deelnemer aan begeleid rijden pas vanaf 17 jaar die tussentijdse toets mogen afleggen. Dit zou er dan toe leiden dat het afleggen van een tussentijdse toets minder aantrekkelijk wordt en dat de tijd voor het rijden onder begeleiding (dus de periode tussen het behalen van het rijbewijs en het bereiken van de leeftijd van achttien jaren) korter wordt. Het is echter juist gewenst dat de jongere zo lang mogelijk onder begeleiding rijdt en aldus ervaring op doet.

Daarom wordt er nu in voorzien dat de tussentijdse toets afgelegd kan blijven worden vanaf 16 jaar en zes maanden. Op deze manier blijft de meerwaarde van de tussentijdse toets in het opleidingsproces behouden, zonder dat deze tot een onnodige vertraging hoeft te leiden bij het behalen van rijbewijs vanaf 17 jaar.

Voor de goede orde wordt erop gewezen dat deze aanpassing geen verplichting introduceert voor de kandidaat om een tussentijdse toets af te afleggen.

Onderdeel B

Dit onderdeel bevat twee aanpassingen van artikel 6.

In het eerste onderdeel is verduidelijkt dat bestuurders vanaf 21 jaar kunnen lessen op een zware (tweewielige) motor. Als zij vervolgens slagen voor het praktijkexamen A, kunnen ze een rijbewijs voor de categorie A aanvragen met code 80. Deze code geeft aan dat zij tot hun vierentwintigste jaar alleen een zware driewieler mogen besturen. Dit is reeds geregeld in het besluit van Besluit van 27 juni 2017 tot wijziging van het Reglement rijbewijzen in verband met enkele aanpassingen betreffende de implementatie van richtlijn 2006/126/EG (Stb. 2017, 298).

In het tweede onderdeel is vastgelegd dat vanaf de leeftijd van zestien jaar en zes maanden mag worden begonnen met het volgen van praktijklessen. Dit artikel is gebaseerd op het oude artikel 173l. Het artikel is algemeen geformuleerd, hetgeen betekent dat iedere jongere vanaf zestien jaar en zes maanden praktijklessen kan volgen. De reden hiervoor is dat het niet mogelijk is om bij de aanvraag van het praktijkexamen vast te stellen of de aanvrager daadwerkelijk wil gaan meedoen aan begeleid rijden. Het rijexamen kan vervolgens worden afgelegd zodra de betrokken jongere zeventien jaar is geworden. Dit volgt uit de in onderdeel A toegelichte aanpassing.

De eis dat het praktijkexamen moet zijn afgelegd uiterlijk binnen een jaar en zes maanden na het slagen voor het theorie-examen, blijft ongewijzigd. Dit is geregeld in artikel 67d, eerste lid, onderdeel a. Dit betekent dat de jongere die met zestien jaar (de minimumleeftijd voor het afleggen van het theorie-examen; zie de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel E) slaagt voor zijn theorie-examen niet tot na zijn achttiende verjaardag kan wachten met zijn praktijkexamen. Dan is immers zijn theorie-examen verlopen en zal hij het opnieuw moeten doen.

Onderdeel C

Vrijgesteld van de rijbewijsplicht waren motorrijtuigen met beperkte snelheid die niet breder zijn dan 1,3 meter en voorzien zijn van een installatie met een tankinhoud van ten minste 100 liter om onkruid te besproeien. In de praktijk wordt onkruid steeds vaker bestreden met branders. De formulering van artikel 15, eerste lid, onderdeel j, onder 2, onder VI, van het Reglement rijbewijzen had als onbedoeld gevolg dat motorrijtuigen met beperkte snelheid die worden gebruikt om onkruid weg te branden niet zijn vrijgesteld van de rijbewijsplicht. Dat onbedoelde effect is door de gewijzigde formulering weggenomen.

Onderdeel D

Zoals ook al het geval was bij het experiment met begeleid rijden, kan een zeventienjarige alleen een rijbewijs aanvragen als op het tijdstip van de aanvraag ten aanzien van hem in het rijbewijzenregister is geregistreerd dat aan hem een begeleiderspas is afgegeven. De in dit onderdeel opgenomen aanvulling van artikel 34 strekt tot opneming van deze extra aanvraagvoorwaarde (vergelijk het oude artikel 173p). Op deze manier wordt, zonder dat grote inbreuk wordt gemaakt op het afgifteproces van het rijbewijs, bewerkstelligd dat de jongere op het moment dat hij de beschikking heeft gekregen over zijn nieuwe rijbewijs, tevens de beschikking heeft over de vereiste begeleiderspas. De begeleiderspas wordt door de RDW separaat aan de aanvrager verzonden. De aanvraag van het rijbewijs gaat vervolgens via de bestaande procedure.

Onderdeel E

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om artikel 45 opnieuw vast te stellen om eventuele onduidelijkheden te voorkomen.

Onderdeel F

In dit onderdeel wordt aan hoofdstuk II een nieuwe paragraaf 4 toegevoegd die specifiek op begeleid rijden betrekking heeft.

Artikel 49a

In het nieuwe artikel 49a is de procedure vastgelegd voor de aanvraag van de begeleiderpas. Op dit punt is geen wijziging opgenomen ten opzichte van de procedure zoals die destijds is vastgesteld ten behoeve van het experiment (de oude artikelen 173u en 173v). De RDW is verantwoordelijk voor de controle of de begeleider bij de aanvraag voldoet aan de gestelde eisen, alsmede voor de afgifte van de begeleiderspassen. Het afgifteproces van de begeleiderspas bestaat uit twee stappen.

Stap 1:

  • De persoon die als begeleider wil optreden meldt zich op zijn vroegst zes maanden voor de zeventiende verjaardag van de te begeleiden persoon bij de RDW. Deze termijn is gekozen om te voorkomen dat mensen zich al heel vroeg aanmelden met het risico dat ook de controle op antecedenten heel vroeg heeft plaatsgevonden en eventuele recente antecedenten niet kunnen worden meegenomen.

  • De beoogd begeleider verklaart zich bij de aanmelding expliciet akkoord met de eisen die aan hem als begeleider worden gesteld (zie ook hetgeen hieromtrent is vermeld in de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2016–17, 34 693, nr. 3, blz. 9–11). Verder verklaart hij zich akkoord met de beoordeling of zich niet een van de omstandigheden, genoemd in artikel 49b, onderdelen a tot en met d, heeft voorgedaan. Tevens geeft hij bij deze gelegenheid aan dat hij ermee bekend is dat hij tijdens het begeleiden over een geldig rijbewijs voor de categorie B moet blijven beschikken en dit rijbewijs op eerste vordering van de opsporingsambtenaar behoorlijk ter inzage moet afgeven, maar ook dat hij als begeleider kan worden bestraft als hij zich schuldig heeft gemaakt aan begeleiden onder invloed van alcohol of drugs.

  • De RDW controleert de onderdelen a tot en met d, onder 1°, 2°, 3° en 5°. Het CBR controleert onderdeel d, onder 3°, en meldt de uitkomst aan de RDW. Het CBR zal daarbij geen gedetailleerde informatie verstrekken, maar alleen melden of betrokkene al dan niet aan de gestelde eis voldoet. Deze controles vinden plaats vanaf het moment waarop een persoon zich als begeleider heeft gemeld bij de RDW. Personen ten aanzien van wie wordt vastgesteld dat ze niet aan een of meer van deze voorwaarden voldoen, kunnen derhalve niet door de deelnemer bij de aanvraag van de begeleiderspas worden geselecteerd als begeleider en kunnen ook niet als begeleider op de begeleiderspas worden vermeld.

  • Voor beoogde begeleiders zonder de beschikking over internet of houders van een rijbewijs afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie, een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland heeft de RDW een papieren procedure beschikbaar.

  • De deelnemer betaalt uiteindelijk, in stap 2, het tarief voor de begeleiderspas.

  • Op de begeleiderspas is plaats voor maximaal vijf begeleiders. Dit is voldoende, omdat blijkt dat de deelnemer gemiddeld twee tot drie mogelijke begeleiders zal hebben: zijn ouders of verzorgers en wellicht een ander familielid.

Stap 2:

  • De jongere die voor zijn achttiende verjaardag een rijbewijs B wil aanvragen, moet eerst een aanvraag voor een begeleiderspas indienen. Hij kan dat doen vanaf zes maanden voor zijn zeventiende verjaardag. Hij maakt zich op een speciale webapplicatie bij de RDW bekend met zijn DigiD.

  • Als eerste worden vervolgens de voorwaarden voor het «begeleid rijden» gepresenteerd. Zo krijgt hij informatie dat zijn rijbewijs tot zijn 18e verjaardag alleen geldig is met de begeleiderspas, alleen in Nederland en alleen als er een nuchtere begeleider naast hem zit, die ook op de begeleiderspas is vermeld. Verder wordt hij gewezen op het feit dat gemaakte kosten niet worden geretourneerd als hij bijvoorbeeld er niet in slaagt voor zijn achttiende verjaardag zijn rijbewijs te behalen.

  • Daarna worden de personen die zich bij de RDW hebben aangemeld als zijn begeleiders en die, zoals uit de controle van de RDW is gebleken, voldoen aan de eisen uit artikel 49b, in een scherm getoond.

  • De jongere selecteert uit dit lijstje minimaal één en maximaal vijf personen. De mogelijkheid bestaat de aanvraag af te breken indien één of meer als begeleider gewenste personen (nog) niet op het lijstje vermeld staan. De aanvrager betaalt tenslotte het tarief voor de begeleiderspas.

  • Mocht een deelnemer tijdens het experiment bijvoorbeeld een nieuwe begeleider op zijn pas willen laten plaatsen, doorloopt hij opnieuw deze procedure voor een nieuwe begeleiderspas.

Artikel 49b

In dit artikel zijn de eisen opgenomen waaraan de beoogd begeleider dient te voldoen om te kunnen worden geselecteerd. Het gaat hier om nagenoeg dezelfde eisen als de eisen die waren opgesteld ten behoeve van het experiment (het oude artikel 173w van het Reglement rijbewijzen). Op een punt is een aanpassing opgenomen. Gedurende het experiment gold, onder andere, de eis dat het CBR de beoogd begeleider niet op enig moment binnen een periode van vier jaren voorafgaand aan de aanvraag de verplichting heeft opgelegd zich aan een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid te onderwerpen. In de praktijk is het wenselijk gebleken om niet uit te gaan van het tijdstip van oplegging van de educatieve maatregel, maar van het tijdstip waarop aan die maatregel naar het oordeel van het CBR behoorlijk uitvoering is gegeven. Tussen oplegging en het daadwerkelijk hebben uitgevoerd van de maatregel kan immers enige tijd zitten.

In het derde lid is vastgelegd dat ook in Nederland woonachtige houders van een rijbewijs afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Unie, een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland als begeleider mogen optreden, op voorwaarde dat ze beschikken over een geldig rijbewijs waarmee ze op grond van artikel 108, eerste lid, onderdeel h, van de wet in Nederland een motorrijtuig van de categorie B mogen besturen. Er zijn immers nog EU-rijbewijzen in omloop met een langere geldigheidsduur dan 15 jaar.

Artikel 49c

In dit nieuwe artikel 49c zijn de gevallen vermeld, waarin de RDW desgevraagd een nieuwe begeleiderspas afgeeft. Dit artikel is gebaseerd op het oude artikel 173x. Er hoeft geen nieuwe begeleiderspas te worden aangevraagd als er meerdere begeleiders op de pas staan, van wie er bijvoorbeeld een is verhuisd naar het buitenland, dan wel is komen te overlijden. Dat is alleen anders als de betrokken begeleider als enige op de pas stond vermeld. Wil de jongere dan tot zijn achttiende verjaardag gebruik maken van zijn rijbewijs, dan zal hij een nieuwe pas met een nieuwe begeleider moeten aanvragen. Doet hij dat niet, dan zal hij tot zijn achttiende verjaardag geen gebruik kunnen maken van zijn rijbewijs B.

Artikel 49d

Het nieuwe artikel 49d bevat de eisen waaraan de begeleider moet voldoen tijdens de periode dat hij kan begeleiden. Teneinde zo goed mogelijk uitvoering te kunnen geven aan de motie Roefs-De Rouwe3 is ervoor gekozen om vast te leggen dat de begeleider wanneer hij begeleidt aan bepaalde eisen moet voldoen. Het nieuwe artikel 49d, dat is gebaseerd op artikel 111b van de wet, bevat deze eisen. Het gaat om eisen die vergelijkbaar zijn met de eisen waaraan hij moet voldoende teneinde op de begeleiderspas te kunnen worden vermeld.

De formulering «moet beschikken over een geldig rijbewijs» in onderdeel a betekent bijvoorbeeld dat het rijbewijs van de begeleider niet van rechtswege ongeldig mag zijn geworden op grond van artikel 123b van de Wegenverkeerswet 1994.

Met de formulering «tijdens het begeleiden» uit onderdeel b wordt concreet gedoeld op de situatie dat de begeleider tijdens het begeleiden van de jongere zich blijkt te hebben schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 8 van de wet. Dit kan worden afgeleid uit de in de wet opgenomen definitie van begeleiden. Maar de op de begeleiderspas vermelde begeleider moet zich als bestuurder ook aan de wet houden. Zou hij tijdens de periode dat hij als begeleider kan optreden zelf als bestuurder zijn betrapt wegens bijvoorbeeld rijden onder invloed, dan zijn bijvoorbeeld de onderdelen c, d of e van toepassing.

Onderdeel G

In dit onderdeel is door middel van een aanpassing van artikel 56 vastgelegd dat het theorie-examen voor de rijbewijscategorie B mag worden afgelegd vanaf de leeftijd van 16 jaar. Dit artikel is gebaseerd op het oude artikel 173q. Het artikel is algemeen geformuleerd, hetgeen betekent dat iedere jongere vanaf 16 jaar zijn theorie-examen kan afleggen. De reden hiervoor is dat het niet mogelijk is om bij de aanvraag van het theorie-examen vast te stellen of de aanvrager daadwerkelijk wil gaan meedoen aan begeleid rijden. Zoals al eerder is opgemerkt, blijft de eis gehandhaafd dat het praktijkexamen binnen een jaar en zes maanden na het behalen van het theorie-examen moet zijn afgelegd (artikel 67d, eerste lid, onderdeel a).

Onderdeel H

Het betreft hier een redactionele aanpassing in artikel 77a.

Onderdeel I

De in dit onderdeel opgenomen aanpassing van artikel 104a maakt het mogelijk dat aan een jongere, die in het kader van begeleid rijden voor zijn achttiende verjaardag is geslaagd voor het examen voor het rijbewijs B, ook voor zijn achttiende verjaardag dat rijbewijs B kan worden afgegeven – op voorwaarde uiteraard dat hij ook aan de overige voorwaarden voldoet. Dit artikel is gebaseerd op het oude artikel 173m.

Onderdeel J

In onderdeel G is in de aanvulling van artikel 145, eerste lid, opgenomen waarin is vastgelegd welke gegevens betreffende de begeleiderspassen in het rijbewijzenregister worden geregistreerd. Het gaat om gegevens betreffende de aanvraag, de afgifte, het verlies van geldigheid en de ongeldigverklaring van de begeleiderspassen. Dit is overgenomen uit het oude artikel 173r.

Tevens is aangegeven dat in het rijbewijzenregister niet alleen de eerste voornaam voluit maar alle voornamen voluit moeten worden geregistreerd van zowel de rijbewijshouder als van een (toekomstige) begeleider.

Onderdeel K

De in dit onderdeel opgenomen aanvulling van artikel 152 geeft de RDW de bevoegdheid om de gegevens betreffende de begeleiderspassen te registreren in het rijbewijzenregister. Dit is overgenomen uit het oude artikel 173s.

Onderdeel L

In dit onderdeel is de aanvulling van artikel 198 opgenomen, waardoor overtreding van artikel 49d expliciet als strafbaar feit is aangemerkt. Overtreding van dit artikel is daarmee strafbaar op grond van artikel 177, eerste lid, onderdeel d, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel II

Bij de wijziging van artikel II gaat het louter om technische wijzigingen van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. De reden voor die wijzigingen is dat in dat besluit abusievelijk onderzoek naar bepaalde stoffen onder de term «bloedonderzoek» is geschaard, terwijl het onderzoek naar die stoffen, gelet op de definitie van bloedonderzoek en aanvullend bloedonderzoek in artikel 1 van dat besluit, onder aanvullend bloedonderzoek valt. In artikel II, onder A en B, wordt deze onvolkomenheid hersteld.

Omdat een aanvullend bloedonderzoek ook kan worden verricht zonder dat daaraan voorafgaand een bloedonderzoek is uitgevoerd, zoals in het geval waarin direct helder is dat bijvoorbeeld de bestuurder van een vaartuig geen alcohol heeft gebruikt, maar een andere bewustzijnsbeïnvloedende stof, dienen de aspecten die op grond van artikel 13, eerste lid, onder a tot en met c, bij de bloedafname van betrokkene ten behoeve van een bloedonderzoek in acht moeten worden genomen, van overeenkomstige toepassing te zijn op een bloedafname ten behoeve van een aanvullend bloedonderzoek. Artikel II, onder C, voorziet daarin.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga


X Noot
1

Tijdelijk besluit begeleid rijden (Stb. 2011, 454, blz. 11 en 30) en de memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot definitieve invoering van begeleid rijden (Kamerstukken II vergaderjaar 2016/17, 34 693, nr. 3, blz. 7).

X Noot
2

Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 maart 2017, 201601507/1/A1.

X Noot
3

Kamerstukken II 2008/09, 29 398, nr. 144.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl