Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatsblad 2017, 418AMvB

Besluit van 23 oktober 2017 tot wijziging van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten in verband met de regeling van de specifieke uitkering aan gemeenten in verband met de regionale samenwerking voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 3 juli 2017, nr. WJZ/1219996(7636), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 17, derde lid, van de Financiële-verhoudingswet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 6 september 2017, nr. W05.17.0202/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 oktober 2017, nr. WJZ/1234282 (7636), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I WIJZIGING VAN HET BESLUIT REGIONALE MELD- EN COÖRDINATIEFUNCTIE VOORTIJDIG SCHOOLVERLATEN

Het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten wordt gewijzigd als volgt.

A

Hoofdstuk 3 wordt vervangen door:

Hoofdstuk 3. Tijdelijke specifieke uitkering regionaal programma

Artikel 6. Begripsbepalingen hoofdstuk 3

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

contactgemeente:

contactgemeente als bedoeld in artikel 8.3.2, derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 118h, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 162b, derde lid, van de Wet op de expertisecentra;

onderwijsinstelling:

instelling als bedoeld art. 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs of school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de expertisecentra;

regio:

regio als bedoeld in artikel 1;

voortijdig schoolverlaten:

voortijdig schoolverlaten als bedoeld in artikel 8.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 118h van de Wet op het voortgezet onderwijs en artikel 162b van de Wet op de expertisecentra.

Artikel 6a. Toekenning specifieke uitkering regionaal programma
  • 1. Onze Minister kent jaarlijks binnen het raam van de door de begrotingswetgever beschikbaar gestelde middelen een specifieke uitkering toe aan de contactgemeenten ten behoeve van de uitvoering van een regionaal programma.

  • 2. Het regionaal programma bevat maatregelen gericht op:

    • a. het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten van personen tussen twaalf en drieëntwintig jaar, waaronder begrepen leer- en kwalificatieplichtigen, en

    • b. het volgen van de deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt van de in het vierde lid bedoelde jongeren.

  • 3. De contactgemeente coördineert het regionaal bestuurlijk overleg tussen gemeenten in de regio, onderwijsinstellingen en organisaties die zijn betrokken bij het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten, over het regionaal programma en de uitvoering en financiering van de daarin opgenomen maatregelen. De contactgemeente betrekt ook organisaties uit de domeinen arbeid en zorg bij het overleg.

  • 4. De in het tweede lid, onder b, bedoelde jongeren zijn personen die de leeftijd van 23 jaar nog niet hebben bereikt, werkzaam zijn op grond van een aanstelling of arbeidsovereenkomst en in het bezit zijn van een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, een getuigschrift van het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel of het uitstroomprofiel dagbesteding als bedoeld in artikel 14d respectievelijk artikel 14g van de Wet op de expertisecentra dan wel een getuigschrift van het praktijkonderwijs als bedoeld in artikel 10f van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 6b. Omvang, betaling en besteding specifieke uitkering regionaal programma
  • 1. De specifieke uitkeringen, bedoeld in artikel 6a, eerste lid, voor de kalenderjaren 2018, 2019 en 2020 zijn opgenomen in de bijlagen 1, 2 en 3 bij dit besluit.

  • 2. De specifieke uitkeringen, bedoeld in artikel 6a, eerste lid, voor de kalenderjaren 2018, 2019 en 2020 worden behoudens de eventueel uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen betaald in januari van het desbetreffende kalenderjaar.

  • 3. Indien de specifieke uitkering voor een kalenderjaar niet volledig is besteed aan het doel waarvoor zij is bestemd, mag het resterende bedrag uiterlijk in 2020 aan dat doel worden besteed.

  • 4. De minister vordert bedragen die blijkens de verantwoordingsinformatie, bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet alsdan niet zijn besteed aan het doel waarvoor zij waren bestemd, terug.

B

Aan het besluit worden drie bijlagen toegevoegd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

C

Hoofdstuk 3 en de bijlagen 1, 2 en 3 vervallen, maar blijven van toepassing op uitkeringen die op basis van deze bijlagen zijn verstrekt.

ARTIKEL II INWERKINGTREDING

  • 1. Dit besluit treedt met uitzondering van artikel I, onderdeel C, in werking met ingang van 1 januari 2018.

  • 2. Artikel I, onderdeel C, treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 23 oktober 2017

Willem-Alexander

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Uitgegeven de negende november 2017

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

1. Inleiding

In de brief aan de Tweede Kamer over het vervolg van de succesvolle aanpak van voortijdig schoolverlaten (vsv) zijn de kabinetsmaatregelen voor de jaren 2017 tot en met 2020 aangekondigd (Kamerstukken II 2015/16, 26 695, nr. 109). Het kabinet faciliteert onder andere de regionale vsv-aanpak door financiële middelen beschikbaar te stellen aan onderwijsinstellingen en gemeenten. In de regio’s voor de regionale meld- en coördinatiefunctie (RMC-regio’s) kunnen dan maatregelen worden gefinancierd die tot doel hebben om vsv te bestrijden en jongeren in een kwetsbare positie te ondersteunen. Omdat de regionale aanpak een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van de onderwijsinstellingen (vertegenwoordigd door de contactschool) en de regiogemeenten (vertegenwoordigd door de RMC-contactgemeente), is het passend om een deel van de middelen ten behoeve van het regionaal programma aan de contactschool en een deel aan de contactgemeente toe te kennen. Dat zorgt ervoor dat het regionaal programma van maatregelen breed gedragen is en dat bovendien alle doelgroepen die onder de aanpak vallen, kunnen worden bediend.

Er is een wettelijke basis nodig om ook middelen aan de contactgemeenten te kunnen toekennen. Voor het jaar 2017 ligt die basis in de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017. Voor de jaren 2018, 2019 en 2020 wordt de wettelijke basis gerealiseerd door het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten aan te passen middels deze algemene maatregel van bestuur.

De regeling en de algemene maatregel van bestuur zijn beide gebaseerd op artikel 17 van de Financiële-verhoudingswet en kunnen slechts voor een beperkte periode gelden. Voor de structurele borging is daarom beoogd een specifieke uitkering regionaal programma in het leven te roepen in een wetsvoorstel dat de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB), de Wet op het voortgezet onderwijs (WVO) en Wet op de expertisecentra (WEC) wijzigt. Dit wetsvoorstel heeft van 9 februari tot 8 maart 2017 opengestaan voor internetconsultatie. Naar verwachting zal de desbetreffende wet (wet regionale samenwerking vsv en jongeren in een kwetsbare positie) op 1 januari 2019 in werking treden. De regeling van de specifieke uitkering regionaal programma in het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten vervalt zodra voornoemde wet in werking treedt.

De minister van OCW heeft in 2016 overeenstemming bereikt met de gemeenten over de hoogte van de specifieke uitkering regionaal programma in de jaren 2017 tot en met 2020. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd. De regeling van de specifieke uitkering in deze algemene maatregel van bestuur komt inhoudelijk overeen met die in de Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten. Omdat de gemeenten en de scholen al op de hoogte zijn van de regeling in deze algemene maatregel van bestuur, is afgezien van openbare internetconsultatie daarover. Zoals hiervoor vermeld, heeft wel internetconsultatie plaatsgevonden over het wetsvoorstel regionale samenwerking vsv en jongeren in een kwetsbare positie.

2. Inhoud besluit

Dit besluit heeft als doel om naast de bestaande specifieke uitkering aan RMC-contactgemeenten voor de reguliere taken, voor het jaar 2018 (en de jaren 2019 en 2020, voor zover voornoemd wetsvoorstel dan nog niet in werking is getreden) een specifieke uitkering toe te voegen waaruit de contactgemeenten de maatregelen uit het regionaal programma vsv kunnen bekostigen. Het besluit bevat bepalingen over de toekenning, omvang, betaling en besteding van de specifieke uitkering. De verdeling van het totaal beschikbare budget over alle regio’s is in overleg met de VNG, G4, G32 en MBO Raad tot stand gekomen en vindt grotendeels plaats naar rato van de bedragen die de regio’s in 2015 en 2016 ontvingen voor de uitvoering van het regionaal programma.

3. Gevolgen

Het verstrekken van de specifieke uitkering stelt gemeenten in staat om regionale vsv-maatregelen te bekostigen. Daardoor zal naar verwachting het aantal voortijdig schoolverlaters in de RMC-regio afnemen. Om de ontwikkeling van het aantal vsv’er te monitoren, registreert de minister van OCW jaarlijks het aantal voortijdig schoolverlaters en wordt de vsv-aanpak in 2018 tussentijds geëvalueerd.

4. Uitvoering

Het besluit is voorgelegd aan DUO voor een uitvoeringstoets. DUO acht het besluit uitvoerbaar en heeft enkele suggesties ter verduidelijking gedaan. Naar aanleiding van deze opmerkingen zijn technische verbeteringen in het besluit aangebracht.

5. Toezicht en handhaving

Gemeenten leggen financiële en beleidsmatige verantwoording af over de besteding van de regionale vsv-middelen. De financiële verantwoording geschiedt via het SiSa-systeem: gemeenten doen dat nu al voor de bestaande specifieke uitkering. Gemeenten leggen verder in de RMC-effectrapportage beleidsmatig verantwoording af over de activiteiten die ze hebben uitgevoerd; de bestaande effectrapportage wordt momenteel aangepast. De RMC-effectrapportage bevat vragen over de reguliere taken van de RMC-functie, maar ook over het regionale programma en de regionale (bestuurlijke) overleggen.

6. Financiële gevolgen

Door middel van dit besluit wordt in het jaar 2018 in totaal € 21.850.000 in de vorm van een specifieke uitkering toegekend aan de 39 RMC-contactgemeenten. Indien de in paragraaf 1 genoemde wet regionale samenwerking vsv en jongeren in een kwetsbare positie onverhoopt niet op 1 januari 2019 in werking treedt, loopt de specifieke uitkering op grond van dit besluit door in het jaar 2019 en eventueel ook nog in het jaar 2020. Voor elk van die jaren geldt een totaalbedrag van € 19.200.000.

7. Caribisch Nederland

De maatregelen hebben geen betrekking op Caribisch Nederland. Caribisch Nederland heeft een eigen regeling voor de doelgroep voortijdig schoolverlaters en jongeren in een kwetsbare positie, namelijk de Wet sociale kanstrajecten jongeren BES (WSKJ BES). Deze wet is gebaseerd op de Antilliaanse Wet sociale vormingsplicht en heeft eenzelfde oogmerk als de RMC-functie. Op grond van de WSKJ BES wordt de taak die in Europees Nederland wordt verricht door de RMC-functie betreffende de doorverwijzing naar onderwijs of arbeidsmarkt, verricht door de uitvoeringinstantie van de sociale kanstrajecten van het betreffende eiland. Dit wettelijk regime past bij de kleinschaligheid van de eilanden.

8. Advies VNG, MBO Raad, VO-Raad

Over de hoofdlijnen van de vervolgaanpak vsv, waaronder de wijziging in de taakomschrijving van de RMC-functie van gemeenten, is in 2015 en 2016 op bestuurlijk niveau afgestemd met vertegenwoordigers van onderwijsinstellingen (VO-raad en MBO Raad) en gemeenten (VNG, G4, G32). Zowel onderwijsinstellingen als gemeenten steunen de voortzetting van de aanpak van voortijdig schoolverlaten en de uitbreiding van de doelgroep met jongeren in een kwetsbare positie. Gemeenten ondersteunen de wijziging van de taak van de RMC-functie van gemeenten, maar vreesden aanvankelijk dat gemeenten de komende jaren niet over voldoende financiële middelen kunnen beschikken om de uitgebreide RMC-functie te kunnen vervullen. Mbo-instellingen verwachtten in het verlengde hiervan dat niet alle gemeenten klaar zijn voor de gewijzigde taak van de RMC-functie. Daarom is afgesproken dat gemeenten een financiële compensatie ontvangen voor de jaren 2017 en 2018, om de overgang naar de nieuwe situatie goed vorm te kunnen geven. Vanwege de financiële compensatie ontvangen gemeenten voor de jaren 2017 en 2018 een bedrag van € 2,65 miljoen bovenop de bijdrage van € 19,2 miljoen die ze al zouden ontvangen. In totaal ontvangen ze voor de jaren 2017 en 2018 jaarlijks dus € 21,85 miljoen.

II Artikelen

Artikel I, onderdeel A

Het uitgewerkte hoofdstuk 3 van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten (Overgangsregeling aanwijzing contactgemeenten) wordt vervangen door een nieuw hoofdstuk 3 (Tijdelijke specifieke uitkering regionaal programma).

Artikel 6. Begripsbepalingen en grondslag hoofdstuk 3.

Het nieuwe artikel 6 bevat een aantal begripsbepalingen. De meeste daarvan sluiten aan bij begripsbepalingen in artikel 1.1.1 WEB, 1 WVO en 1 WEC en bij de bepaling over de bestrijding van voortijdig schoolverlaten in voornoemde wetten. De begripsbepaling van regio verwijst naar de op grond van artikel 1 van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten vastgestelde RMC-regio’s.

De contactgemeente is de gemeente die door de colleges van burgemeester en wethouders in de regio is aangewezen om coördinerende taken te vervullen met het oog op het voorkomen en bestrijden van voortijdig schoolverlaten.

Bij de begripsbepaling van onderwijsinstelling gaat het om regionale opleidingscentra, vakinstellingen, agrarische opleidingscentra en scholen voor voortgezet onderwijs met uitzondering van scholen voor praktijkonderwijs.

Binnen een regio werken de colleges van burgemeester en wethouders samen bij de bestrijding van voortijdig schoolverlaten.

Van voortijdig schoolverlaten is sprake indien degene op wie de Leerplichtwet 1969 niet meer van toepassing is, die de leeftijd van 23 jaren nog niet heeft bereikt en die niet beschikt over een diploma mbo (met uitzondering van de entreeopleiding), havo of vwo niet staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling. Ook is er sprake van voortijdig schoolverlaten indien diegene wel staat ingeschreven bij een onderwijsinstelling maar voor een periode van ten minste vier weken of een door het bevoegd gezag te bepalen kortere periode zonder geldige reden geen onderwijs volgt. In afwijking van het voorgaande zijn personen die in het bezit zijn van een getuigschrift arbeidsmarktgericht uitstroomprofiel of uitstroomprofiel dagbesteding van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) of een getuigschrift praktijkonderwijs (pro) en werkzaam zijn op grond van een aanstelling of arbeidsovereenkomst, geen voortijdig schoolverlater.

Artikel 6a. Toekenning specifieke uitkering regionaal programma

Op grond van het nieuwe artikel 6a, eerste lid, ontvangt de contactgemeente jaarlijks een specifieke uitkering voor de uitvoering van een regionaal programma. Het regionaal programma bevat maatregelen ter voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten van personen tussen 12 en 23 jaar en het volgen van de deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt van de in het vierde lid omschreven, niet tot de voortijdige schoolverlaters behorende, groep van jongeren in een kwetsbare positie.

Omdat het gaat om voortijdig schoolverlaten van personen tussen 12 en 23 jaar, heeft het regionaal programma mede betrekking op ongeoorloofd verzuim van leerplichtigen. Dit verzuim wordt op grond van de Leerplichtwet 1969 door de woongemeente bestreden. Op grond van artikel 6a, eerste lid, moeten er echter binnen de regio wel afspraken worden gemaakt.

Het nieuwe artikel 6a, derde lid, bepaalt dat over het regionaal programma en de uitvoering en financiering van de daarin opgenomen maatregelen regionaal overleg wordt gevoerd met de partijen die zijn betrokken bij het bestrijden en voorkomen van voortijdig schoolverlaten. Dit regionaal overleg wordt gecoördineerd door de RMC-contactgemeente. Bij het overleg worden ook organisaties uit de domeinen arbeid en zorg betrokken. De contactgemeente kan zelf bepalen hoe hieraan vorm wordt gegeven. In de effectrapportage, bedoeld in artikel 8.3.2, zevende lid, WEB, 118h, zevende lid, WVO en 162b, zevende lid, WEC moet worden aangegeven hoe deze organisaties zijn betrokken en welke resultaten hiermee zijn bereikt.

Het nieuwe artikel 6a, vierde lid, omschrijft de groep van jongeren in een kwetsbare positie die niet behoren tot de voortijdige schoolverlaters maar van wie de deelname aan onderwijs en arbeidsmarkt moet worden gevolgd. Er is geen verplichting om deze jongeren uit het pro of het vso door te verwijzen naar onderwijs of arbeidsmarkt of om daarover iets op te nemen in het regionaal programma. Dit betekent niet, dat dit niet zou mogen. Integendeel, het is aan te bevelen om ook deze jongeren door te verwijzen naar onderwijs of arbeidsmarkt als dat in het concrete geval mogelijk is.

Artikel 6b. Hoogte, betaling en besteding specifieke uitkering regionaal programma

De verdeling van de specifieke uitkering regionaal programma over de contactgemeenten voor de jaren 2018, 2019 en 2020 is geregeld in het nieuwe artikel 6b, eerste lid, van Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten en de bijlagen 1, 2 en 3 bij dat besluit. De betaling van de specifieke uitkering regionaal programma vindt op grond van het nieuwe artikel 6b, tweede lid, plaats in januari van het desbetreffende kalenderjaar.

De besteding van de uitkering mag op grond van het nieuwe artikel 6b, derde lid, worden doorgeschoven naar een volgend jaar. Het bedrag behoort echter uiterlijk in 2020 te zijn besteed. Dit is conform de bestedingsregeling voor de specifieke uitkering voor het regionaal programma voor het jaar 2017 (zie artikel 2.15 Regeling regionale aanpak voortijdig schoolverlaten 2017). Het in 2020 nog niet bestede deel van de specifieke uitkering regionaal programma, bedoeld in die regeling en dit besluit, wordt teruggevorderd. Controle op de besteding van de bedragen vindt plaats volgens de methode van de single audit.

Artikel I, onderdeel B

Dit onderdeel voegt drie bijlagen toe aan het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten. Deze bijlagen bevatten de specifieke uitkeringen voor de maatregelen in het regionaal programma voor de jaren 2018, 2019 en 2020. Zie verder paragraaf 2 van deze nota van toelichting.

Artikel I, onderdeel C

Hoofdstuk 3 en de bijlagen bij artikel 6b, eerste lid, van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten vervallen op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. In principe is dit tegelijk met de inwerkingtreding van de wet regionale samenwerking vsv en jongeren in een kwetsbare positie (naar verwachting op 1-1-2019). Indien deze wet onverhoopt niet tot stand komt, zal met inachtneming van artikel 17, vierde lid, van de Financiële-verhoudingswet een andere vervaldatum worden vastgesteld. De bepalingen in het nieuwe hoofdstuk 3 en de bijlagen blijven van toepassing op de op grond van dit besluit toegekende specifieke uitkeringen.

Artikel II

Artikel I, onderdelen A en B (het nieuwe hoofdstuk 3 en de bijlagen) treedt in werking met ingang van 1 januari 2018. Artikel I, onderdeel C (het vervallen van het nieuwe hoofdstuk 3 en de bijlagen), treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Zie verder de toelichting bij artikel I, onderdeel C.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Bijlage bij het besluit van 23 oktober 2017 tot wijziging van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten in verband met de regeling van de specifieke uitkering aan gemeenten in verband met de regionale samenwerking voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie

Bijlage 1 bij artikel 6b, eerste lid, van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten

Verdeling specifieke uitkering 2018 over de RMC-contactgemeenten

RMC-regio

Naam regio

RMC-contactgemeente

Bedrag per regio

1

Oost-Groningen

Veendam

138.446

2

Noord-Groningen-Eemsmond

Delfzijl

138.446

3

Centraal en Westelijk Groningen

Groningen

316.449

4

Friesland Noord

Leeuwarden

316.449

5

Zuid-West Friesland

Sneek

138.446

6

De Friese Wouden

Smallingerland

316.449

7

Noord- en Midden Drenthe

Assen

237.337

8

Zuid-Oost Drenthe

Emmen

237.337

9

Zuid-West Drenthe

Hoogeveen

138.446

10

IJssel-Vecht

Zwolle

632.898

11

Stedendriehoek

Apeldoorn

553.786

12

Twente

Enschede

791.123

13

Achterhoek

Doetinchem

395.561

14

Arnhem/Nijmegen

Nijmegen

791.123

15

Rivierenland

Tiel

316.449

16

Eem en Vallei

Amersfoort

791.123

17

Noordwest-Veluwe

Harderwijk

237.337

18

Flevoland

Almere

553.786

19

Utrecht

Utrecht

1.300.000

20

Gooi en Vechtstreek

Hilversum

316.449

21

Agglomeratie Amsterdam

Amsterdam

1.800.000

22

West-Friesland

Hoorn

237.337

23

Kop van Noord-Holland

Den Helder

237.337

24

Noord-Kennemerland

Alkmaar

316.449

25

West-Kennnemerland

Haarlem

395.561

26

Zuid-Holland-Noord

Leiden

553.786

27

Zuid-Holland-Oost

Gouda

553.786

28

Haaglanden

Den Haag

1.300.000

29

Rijnmond

Rotterdam

2.300.000

30

Zuid-Holland-Zuid

Dordrecht

632.898

31

Oosterschelde regio

Goes

237.337

32

Walcheren

Middelburg

138.446

33

Zeeuwsch-Vlaanderen

Terneuzen

138.446

34

West-Brabant

Breda

791.123

35

Midden-Brabant

Tilburg

553.786

36

Noord-Oost-Brabant

Den Bosch

791.123

37

Zuidoost-Brabant

Eindhoven

791.123

38

Gewest Limburg-Noord

Venlo

632.898

39

Gewest Zuid-Limburg

Heerlen

791.123

Bijlage 2 bij artikel 6b, eerste lid, van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten

Verdeling specifieke uitkering 2019 over de RMC-contactgemeenten

RMC-regio

Naam regio

RMC-contactgemeente

Bedrag per regio

1

Oost-Groningen

Veendam

129.981

2

Noord-Groningen-Eemsmond

Delfzijl

129.981

3

Centraal en Westelijk Groningen

Groningen

297.099

4

Friesland Noord

Leeuwarden

297.099

5

Zuid-West Friesland

Sneek

129.981

6

De Friese Wouden

Smallingerland

297.099

7

Noord- en Midden Drenthe

Assen

222.824

8

Zuid-Oost Drenthe

Emmen

222.824

9

Zuid-West Drenthe

Hoogeveen

129.981

10

IJssel-Vecht

Zwolle

594.197

11

Stedendriehoek

Apeldoorn

519.923

12

Twente

Enschede

742.747

13

Achterhoek

Doetinchem

371.373

14

Arnhem/Nijmegen

Nijmegen

742.747

15

Rivierenland

Tiel

297.099

16

Eem en Vallei

Amersfoort

742.747

17

Noordwest-Veluwe

Harderwijk

222.824

18

Flevoland

Almere

519.923

19

Utrecht

Utrecht

965.571

20

Gooi en Vechtstreek

Hilversum

297.099

21

Agglomeratie Amsterdam

Amsterdam

1.336.944

22

West-Friesland

Hoorn

222.824

23

Kop van Noord-Holland

Den Helder

222.824

24

Noord-Kennemerland

Alkmaar

297.099

25

West-Kennnemerland

Haarlem

371.373

26

Zuid-Holland-Noord

Leiden

519.923

27

Zuid-Holland-Oost

Gouda

519.923

28

Haaglanden

Den Haag

965.571

29

Rijnmond

Rotterdam

1.708.317

30

Zuid-Holland-Zuid

Dordrecht

594.197

31

Oosterschelde regio

Goes

222.824

32

Walcheren

Middelburg

129.981

33

Zeeuwsch-Vlaanderen

Terneuzen

129.981

34

West-Brabant

Breda

742.747

35

Midden-Brabant

Tilburg

519.923

36

Noord-Oost-Brabant

Den Bosch

742.747

37

Zuidoost-Brabant

Eindhoven

742.747

38

Gewest Limburg-Noord

Venlo

594.197

39

Gewest Zuid-Limburg

Heerlen

742.747

Bijlage 3 bij artikel 6b, eerste lid, van het Besluit regionale meld- en coördinatiefunctie voortijdig schoolverlaten

Verdeling specifieke uitkering 2020 over de RMC-contactgemeenten

RMC-regio

Naam regio

RMC-contactgemeente

Bedrag per regio

1

Oost-Groningen

Veendam

129.981

2

Noord-Groningen-Eemsmond

Delfzijl

129.981

3

Centraal en Westelijk Groningen

Groningen

297.099

4

Friesland Noord

Leeuwarden

297.099

5

Zuid-West Friesland

Sneek

129.981

6

De Friese Wouden

Smallingerland

297.099

7

Noord- en Midden Drenthe

Assen

222.824

8

Zuid-Oost Drenthe

Emmen

222.824

9

Zuid-West Drenthe

Hoogeveen

129.981

10

IJssel-Vecht

Zwolle

594.197

11

Stedendriehoek

Apeldoorn

519.923

12

Twente

Enschede

742.747

13

Achterhoek

Doetinchem

371.373

14

Arnhem/Nijmegen

Nijmegen

742.747

15

Rivierenland

Tiel

297.099

16

Eem en Vallei

Amersfoort

742.747

17

Noordwest-Veluwe

Harderwijk

222.824

18

Flevoland

Almere

519.923

19

Utrecht

Utrecht

965.571

20

Gooi en Vechtstreek

Hilversum

297.099

21

Agglomeratie Amsterdam

Amsterdam

1.336.944

22

West-Friesland

Hoorn

222.824

23

Kop van Noord-Holland

Den Helder

222.824

24

Noord-Kennemerland

Alkmaar

297.099

25

West-Kennnemerland

Haarlem

371.373

26

Zuid-Holland-Noord

Leiden

519.923

27

Zuid-Holland-Oost

Gouda

519.923

28

Haaglanden

Den Haag

965.571

29

Rijnmond

Rotterdam

1.708.317

30

Zuid-Holland-Zuid

Dordrecht

594.197

31

Oosterschelde regio

Goes

222.824

32

Walcheren

Middelburg

129.981

33

Zeeuwsch-Vlaanderen

Terneuzen

129.981

34

West-Brabant

Breda

742.747

35

Midden-Brabant

Tilburg

519.923

36

Noord-Oost-Brabant

Den Bosch

742.747

37

Zuidoost-Brabant

Eindhoven

742.747

38

Gewest Limburg-Noord

Venlo

594.197

39

Gewest Zuid-Limburg

Heerlen

742.747


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.