Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2017, 233AMvB

Besluit van 19 mei 2017 tot wijziging van het Besluit detectie radioactief besmet schroot, het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen, het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, het Besluit OM-afdoening, het Besluit registratie, splijtstoffen en ertsen, het Besluit stralingsbescherming, het Besluit van 18 december 2012 tot wijziging van het Besluit stralingsbescherming en enkele andere besluiten in verband met de vereenvoudiging van de wettelijke regels en de vermindering van administratieve lasten voor ondernemingen die met ioniserende straling werken en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten, het Besluit vergoedingen Kernenergiewet, het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen, het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet en het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet in verband met de Wet tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met de instelling van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (Stb. 2016, 180) (Wijzigingsbesluit instelling Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, gedaan mede namens Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst, van 10 januari 2017 nr. IenM/BSK-2016/308532, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 4, eerste lid, 13, tweede lid, 14, tweede lid, 15c, derde lid, 16, eerste lid, 21, eerste, tweede en derde lid, 29, eerste lid, 31, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 38a, eerste lid, 67, eerste lid, 68, 69, eerste, tweede en zesde lid, 73, 74 en 75, eerste lid, van de Kernenergiewet en artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 februari 2017, nr. W14.17.0006/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, uitgebracht mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 mei 2017, nr. IenM/BSK-2017/99077, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit detectie radioactief besmet schroot wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt «Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie» vervangen door: Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

B

In artikel 5, tweede lid, wordt «Onze Minister kan regels stellen» vervangen door: De Autoriteit kan bij verordening regels stellen.

C

In de artikelen 7, tweede en vierde lid, 8, tweede lid, en 9, eerste en tweede lid, wordt «Onze Minister» vervangen door: de Autoriteit.

D

In artikel 9, derde lid, wordt «Onze Minister kan bij regeling bepalen» vervangen door: De Autoriteit kan bij verordening bepalen.

ARTIKEL II

Het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, eerste lid, vervalt «Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;».

B

De artikelen 3, eerste lid, 5, onderdeel b, 6, eerste lid, 7, 11, 12, eerste tot en met derde lid, 13, eerste, tweede en vierde lid, 14, 15, eerste tot en met derde lid, 16, eerste en tweede lid, 17, eerste tot en met vijfde lid, 18, eerste en tweede lid, 21, eerste en tweede lid, 22, eerste en tweede lid, 24, 26, eerste tot en met zesde lid, 27, eerste en tweede lid, 29, 30, tweede tot en met zevende lid, 31, eerste, tweede en vierde lid, 32, eerste en tweede lid, 33, eerste en tweede lid, 34, 36, 37, tweede tot en met zevende lid, 38, 39, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 40, eerste lid, 41, eerste tot en met derde lid, 42, eerste lid, 43, 46, 47, tweede tot en met zevende lid, 48, derde lid, 49, eerste lid, 50, eerste en tweede lid, en 51 worden als volgt gewijzigd:

a. in volzinnen beginnend met «Onze Minister» wordt dat begrip telkens vervangen door: De Autoriteit;

b. op andere plaatsen wordt «Onze Minister» telkens vervangen door: de Autoriteit.

C

In de artikelen 15, tweede lid, 22, tweede lid, 33, tweede lid, 41, tweede lid, en 50, tweede lid, wordt «hem» vervangen door: haar.

D

In de artikelen 16, eerste lid, 24, en 42, eerste lid, wordt «hij» vervangen door: zij.

E

In artikel 18, eerste en tweede lid, wordt «Hij» vervangen door: Zij.

F

Artikel 54 vervalt.

ARTIKEL III

Het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. «Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie» wordt vervangen door: Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

2. In de alfabetische rangorde wordt een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

referentiedreiging:

lange termijnanalyse van dreigingen van diefstal van de in de bijlage genoemde splijtstoffen en ertsen dan wel van sabotage van die splijtstoffen of ertsen, of van inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet;.

B

De artikelen 3, zesde lid, 21, eerste lid, 27, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 29, eerste lid, 30, tweede lid, 30a, tweede lid, 30c, 30d, eerste lid, 30g, 35, eerste en tweede lid, 41a, eerste lid, onderdeel a, 42, derde lid, onderdelen d en e, en 44a, tweede lid, onderdeel a, worden als volgt gewijzigd:

a. in volzinnen beginnend met «Onze Minister» wordt dat begrip vervangen door: De Autoriteit;

b. op andere plaatsen wordt «Onze Minister» vervangen door: de Autoriteit.

C

In artikel 15 komen de onderdelen a en b te luiden:

  • a. in gevallen waarin de beschikking een inrichting als bedoeld in artikel 6, 7 of 8 betreft: het college van gedeputeerde staten van de provincie en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de inrichting geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen, de colleges van gedeputeerde staten van de provincies en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten welker gebied is gelegen op minder dan tien kilometer van de plaats waar de inrichting gelegen is of zal zijn, alsmede de bestuursorganen die belast zijn met het waterkwaliteitsbeheer van oppervlaktewaterlichamen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet in samenhang met artikel 3.1 van de Waterregeling die gelegen zijn op minder dan tien kilometer van de plaats waar de inrichting gelegen is of zal zijn;

  • b. in gevallen waarin de beschikking een inrichting als bedoeld in artikel 9 betreft: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente of gemeenten, waar de inrichting gelegen is of zal zijn.

D

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Met de keuring zijn belast de door de Autoriteit aangewezen instellingen.

2. Er wordt twee leden toegevoegd luidende:

  • 5. De Autoriteit stelt bij verordening regels met betrekking tot het aanwijzen van instellingen.

  • 6. De Autoriteit kan bij verordening regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de keuringen worden verricht.

E

Artikel 22 komt te luiden:

Artikel 22

  • 1. Een referentiedreiging of wijziging daarvan wordt door Onze Minister vastgesteld.

  • 2. Een referentiedreiging wordt na vaststelling medegedeeld aan de houders van een vergunning van een inrichting als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet.

  • 3. De Autoriteit kan bij verordening regels stellen ten aanzien van de beveiliging van het voorhanden hebben en het zich ontdoen van de in de bijlage bij dit besluit genoemde splijtstoffen en ertsen en ten aanzien van de beveiliging van inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet.

F

In artikel 30d, tweede lid, wordt «Onze Minister kan nadere regels stellen» vervangen door: De Autoriteit kan bij verordening regels stellen.

G

In artikel 30f, tweede lid, wordt «Onze Minister kan regels stellen» vervangen door: De Autoriteit kan bij verordening regels stellen.

H

In artikel 36, eerste lid, wordt «de in artikel 15b, eerste lid, van de wet, onder a, b, d of f bedoelde belangen» vervangen door: de in artikel 15b, eerste lid, onder a, b of e, van de wet, bedoelde belangen.

I

Hoofdstuk IV, paragraaf 4 vervalt.

J

In artikel 41a, tweede lid, wordt «Bij regeling van Onze Minister» vervangen door: Bij verordening van de Autoriteit.

K

In artikel 44b, eerste lid, wordt «door Onze Minister is goedgekeurd» vervangen door: door de Autoriteit is goedgekeurd.

ARTIKEL IV

In artikel 4.2, onderdeel h, van het Besluit OM-afdoening wordt «de algemeen directeur van de directie Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu» vervangen door: de voorzitter van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming, genoemd in artikel 3, eerste lid, van de Kernenergiewet.

ARTIKEL V

Het Besluit registratie splijtstoffen en ertsen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt «Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken» vervangen door: Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu en vervalt de begripsomschrijving van «hoofd».

B

In de artikelen 2, tweede lid, en 10 wordt «Onze Minister stelt nadere regelen » vervangen door: De Autoriteit stelt bij verordening nadere regels.

C

In artikel 3, eerste tot en met vierde lid, wordt «Onze Minister» vervangen door: De Autoriteit.

D

In de artikelen 5, 6, 7 en 8 wordt «het hoofd» vervangen door: de Autoriteit.

E

In artikel 9 wordt «Onze Minister» vervangen door: de Autoriteit.

ARTIKEL VI

Het Besluit stralingsbescherming wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsomschrijving van «Beveiligingsdeskundige» vervalt.

2. De begripsomschrijving van «inspecteur» vervalt.

3. De begripsomschrijving van «Onze Minister» komt te luiden:

Onze Minister:

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;.

4. De begripsomschrijving van «Onze Ministers» komt te luiden:

Onze Ministers:

Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;.

B

In de artikelen 3, eerste en tweede lid, 11, vierde lid, 20f, derde lid, 25, vijfde en zevende lid, 26, tweede lid, 29, derde lid, 40, tweede lid, 43, eerste lid, 44, tweede lid, 50, derde lid, 109, 110, tweede lid, 120, derde lid, 120a, tweede lid, en 121, vierde lid, wordt «Bij regeling van Onze Minister» vervangen door: Bij verordening van de Autoriteit.

C

Artikel 4, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Een handeling is slechts toegestaan indien zij door de Autoriteit is gerechtvaardigd, dan wel behoort tot een categorie van handelingen die bij regeling van Onze Minister is gerechtvaardigd. De Autoriteit, respectievelijk Onze Minister, rechtvaardigt een handeling, respectievelijk een categorie van handelingen, slechts indien de economische, sociale en andere voordelen van de betrokken handeling of categorie van handelingen opwegen tegen de gezondheidsschade die hierdoor kan worden toegebracht.

D

De artikelen 7, eerste lid, 7a, 7c, 7f, eerste lid, 8, eerste lid, 11, zesde lid, 12, derde lid, 14a, 14b, 20a, eerste en tweede lid, 20b, eerste lid, 20f, eerste lid, 20g, 23, eerste en tweede lid, 24, 25, eerste lid, 26, eerste lid, 35, eerste lid, 37, eerste, zevende en achtste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 44, eerste lid, 45, 47, derde lid, 102, eerste lid, 103, eerste lid, 104, 107, eerste lid, 108, eerste lid, en 120a, eerste lid, worden als volgt gewijzigd:

a. in volzinnen beginnend met «Onze Minister» wordt dat begrip vervangen door: De Autoriteit;

b. op andere plaatsen wordt «Onze Minister» telkens vervangen door: de Autoriteit.

E

In artikel 7b, eerste lid, wordt «in een door een door Onze Ministers en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan te wijzen register als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de wet» vervangen door: in het register, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de wet.

F

In artikel 7d wordt «Onze Ministers schrijven» vervangen door: De Autoriteit schrijft.

G

Artikel 7e wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid vervalt.

2. Het tweede en derde lid worden vernummerd tot eerste en tweede lid.

3. In het eerste lid (nieuw) wordt «het register, bedoeld in het eerste lid» vervangen door: het register, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de wet.

4. In het tweede lid (nieuw) vervalt onderdeel e, onder vervanging van de puntkomma aan het slot van onderdeel d door een punt.

H

In artikel 10, vijfde lid, wordt «Bij regeling van Onze Ministers» vervangen door: Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

I

In artikel 11a wordt «bedoeld in artikel 12» vervangen door: bedoeld in artikel 12, eerste, tweede of derde lid.

J

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een ondernemer zorgt ervoor dat een stralingsbeschermingseenheid, waarin tevens de algemeen coördinerend deskundige werkzaam is, aanwezig is in een onderneming en op locaties indien in verschillende organisatie-onderdelen of op verschillende plaatsen door de ondernemer verschillende handelingen of werkzaamheden met in totaal meer dan 100 bronnen waarvoor een vergunning is vereist worden verricht.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot vijfde en zesde lid, worden drie leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Een ondernemer zorgt ervoor dat een stralingsbeschermingseenheid aanwezig is binnen inrichtingen als bedoeld in artikel 15, onder b, van de wet.

  • 3. De vergunning van een andere soort ondernemer dan die een onderneming heeft als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het voorschrift bevatten dat deze zorgt voor de aanwezigheid van een stralingsbeschermingseenheid, indien in zijn onderneming:

    • a. handelingen of werkzaamheden worden verricht die overeenkomen met die in de in het eerste of tweede lid bedoelde ondernemingen of op de in het eerste lid bedoelde locaties; en

    • b. naar het oordeel van de Autoriteit in het belang van de bescherming tegen ioniserende straling een beheersysteem is vereist, dat vergelijkbaar is met dat in de ondernemingen, bedoeld in het eerste of tweede lid.

  • 4. Bij verordening van de Autoriteit worden regels gesteld over de werkwijze van een stralingsbeschermingseenheid.

3. In het vijfde en zesde lid wordt «het eerste lid» vervangen door: het eerste, tweede of derde lid.

K

Artikel 12a, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De Autoriteit beheert het meldpunt.

L

Artikel 18, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De Autoriteit kan bij verordening regels stellen met betrekking tot toestellen.

M

Artikel 19, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De Autoriteit kan bij verordening regels stellen met betrekking tot ingekapselde bronnen.

N

In artikel 20ca wordt «Onze Minister kan regels stellen» vervangen door: De Autoriteit kan bij verordening regels stellen.

O

In artikel 20d, tweede lid, onderdeel d, wordt «naar het oordeel van Onze Ministers» vervangen door: naar het oordeel van Onze Minister.

P

In de artikelen 21, eerste lid, en 22 wordt voor de punt aan het slot van deze bepalingen ingevoegd: aan de Autoriteit.

Q

In de artikelen 21, tweede lid, en 23, derde lid, wordt «een type dat door Onze Minister is goedgekeurd op grond van bij regeling van Onze Minister gestelde regels» vervangen door: een type dat door de Autoriteit is goedgekeurd op grond van bij verordening van de Autoriteit gestelde regels.

R

In de artikelen 25, derde en vierde lid, en 28, onderdelen d en e, wordt «bij regeling van Onze Minister» vervangen door: bij verordening van de Autoriteit.

S

In artikel 28, onderdeel f, wordt «door Onze Minister vastgestelde regels» vervangen door: door de Autoriteit bij verordening vastgestelde regels.

T

In artikel 37, zesde lid, wordt «Onze Ministers» vervangen door: de Autoriteit.

U

In artikel 38, eerste lid, wordt «deze Minister» vervangen door: de Autoriteit.

V

In de artikelen 81, eerste lid, en 88, eerste lid, wordt «bij mijnbouw, Onze Minister» vervangen door: bij mijnbouw, Onze Minister van Economische Zaken.

W

In artikel 81, tweede lid, wordt «bij mijnbouw aan Onze Minister» vervangen door: bij mijnbouw aan Onze Minister van Economische Zaken.

X

In artikel 93, tweede lid, wordt «indien het mijnbouw betreft, Onze Minister» vervangen door: indien het mijnbouw betreft, Onze Minister van Economische Zaken.

Y

In artikel 110, eerste lid, wordt «Bij regeling van Onze Minister» vervangen door «Bij verordening van de Autoriteit» en wordt «naar het oordeel van Onze Minister» vervangen door: naar het oordeel van de Autoriteit.

Z

Artikel 113, eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. indien het mijnbouw, of een lozing in oppervlaktewater of in lucht betreft, Onze Minister van Economische Zaken;.

AA

Artikel 122 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt «Onze Minister» vervangen door: Onze Minister van Economische Zaken.

b. Onderdeel b wordt geletterd c.

c. Er wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • b. indien het een inrichting betreft, waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de wet is verleend, door de Autoriteit;.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Nadere eisen die geen betrekking hebben op de bescherming van werknemers tegen ioniserende straling ten gevolge van handelingen worden gesteld:

    • a. door de Autoriteit, of

    • b. voor zover het de onder hem ressorterende belangen betreft: door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, of

    • c. indien het mijnbouw op het continentaal plat betreft: door Onze Minister van Economische Zaken.

AB

Artikel 123, eerste lid, komt te luiden:

In bijzondere gevallen kan ontheffing worden verleend van de voorschriften in de hoofdstukken 3, 5, 6, 7, 8 en 10 van dit besluit. De ontheffing wordt verleend door:

  • a. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, indien het de bescherming van werknemers betreft, tenzij het de bescherming betreft van werknemers in inrichtingen waarvoor een vergunning krachtens artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet is verleend;

  • b. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, indien het de bescherming van patiënten betreft;

  • c. Onze Minister van Defensie indien het de krijgsmacht betreft;

  • d. Onze Minister van Economische Zaken indien het mijnbouw betreft;

  • e. de Autoriteit in de overige gevallen.

ARTIKEL VII

Artikel I, onderdeel AA, eerste en derde onderdeel, van het Besluit van 18 december 2012 tot wijziging van het Besluit stralingsbescherming en enkele andere besluiten in verband met de vereenvoudiging van de wettelijke regels en de vermindering van administratieve lasten voor ondernemingen die met ioniserende straling werken en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten (Stb. 2013, 33) vervalt.

ARTIKEL VIII

Het Besluit vergoedingen Kernenergiewet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 vervalt «Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken;».

B

In artikel 8, tweede lid, wordt «verslag als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Regeling implementatie richtlijn nr. 2009/71/Euratom inzake nucleaire veiligheid» vervangen door: document waarin de houder van een vergunning op grond van artikel 15, onder b, van de wet ten minste eens in de tien jaar aan de Autoriteit verslag doet inzake de nucleaire veiligheid van de onder zijn beheer zijnde kerninstallatie.

C

Artikel 12, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt «Onze Minister» vervangen door: De Autoriteit.

2. In onderdeel d wordt «verslag als bedoeld in artikel 2, vierde lid, van de Regeling implementatie richtlijn nr. 2009/71/Euratom inzake nucleaire veiligheid» vervangen door: document waarin de houder van een vergunning op grond van artikel 15, onder b, van de wet ten minste eens in de tien jaar aan de Autoriteit verslag doet inzake de nucleaire veiligheid van de onder zijn beheer zijnde kerninstallatie.

D

In artikel 13, derde lid, wordt «Onze Minister» vervangen door: de Autoriteit.

E

Artikel 14, tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een document waarin de houder van een vergunning op grond van artikel 15, onder b, van de wet ten minste eens in de tien jaar aan de Minister verslag doet inzake de nucleaire veiligheid van de onder zijn beheer zijnde kerninstallatie dat voor 1 januari 2014 door Onze Minister van Economische Zaken is ontvangen.

ARTIKEL IX

Het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1 wordt «Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie» vervangen door: Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

B

In de artikelen 1a, 1b, 2, eerste lid, 4c, vierde en vijfde lid, 23, eerste lid, 27, tweede en derde lid, en 32, derde en vierde lid, wordt «tabel 2.2.7.7.2.1 van bijlage 1 bij de VSG» vervangen door: tabel 2.2.7.2.2.1 van bijlage 1 bij de VSG.

C

In artikel 1b komt onderdeel d te vervallen en worden de onderdelen e en f geletterd d en e.

D

In artikel 1d wordt «Onze Minister kan regels stellen» vervangen door: De Autoriteit kan bij verordening regels stellen.

E

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel i, onder 1°, wordt «5.1.5.3.1 van bijlage 1 bij de VSG» vervangen door: 5.1.5.2.1 van bijlage 1 bij de VSG.

b. In onderdeel k wordt «5.1.5.3.1 (c) en 5.1.5.3.1 (b) van bijlage 1 bij de VSG» vervangen door: 5.1.5.2.1 van bijlage 1 bij de VSG.

2. In het tweede lid wordt «het eerste lid, onder h en j» vervangen door: het eerste lid, onder i.

F

In de artikelen 3, eerste lid, onderdeel i, 4c, eerste lid, 4d, derde en vierde lid, 5, eerste lid, 6, onderdeel b, 7, tweede lid, onderdeel d, 8, eerste lid, 10, eerste en tweede lid, 13, tweede lid, 14, eerste lid, onderdelen b en c, 15, 16, eerste lid, onderdelen b en c, 18, tweede lid, onderdeel a, 19, eerste lid, onderdeel a, 20, 22, eerste lid, 27, eerste lid, 32, eerste lid, onderdeel b, en 32a, derde lid, wordt «Onze Minister» vervangen door: de Autoriteit.

G

In artikel 8, derde lid, wordt «Onze Minister» vervangen door: De Autoriteit.

ARTIKEL X

Het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt «Onze Minister van Economische Zaken» vervangen door: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

2. In onderdeel h wordt «Onze Ministers van Economische Zaken, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport» vervangen door: Onze Ministers van Infrastructuur en Milieu, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

B

In artikel 2, derde lid, onderdeel b, wordt «Onze Ministers en, ingeval deze volgens het vierde lid niet daartoe behoort, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties» vervangen door: Onze Ministers en, ingeval deze volgens het vierde lid niet daartoe behoort, Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en de Autoriteit.

ARTIKEL XI

In artikel 9 van het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet wordt «Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie» vervangen door: de Autoriteit.

ARTIKEL XII

  • 1. Besluiten genomen op grond van bevoegdheden die na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aan de Autoriteit zijn toegekend, worden vanaf dat tijdstip aangemerkt als besluiten van de Autoriteit.

  • 2. De op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aanhangige aanvragen van en bezwaren tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid zijn met ingang van dat tijdstip van rechtswege aanhangig bij de Autoriteit.

  • 3. In bestuursrechtelijke rechtsgedingen inzake besluiten als bedoeld in het eerste lid treedt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit de Autoriteit in de plaats van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

  • 4. Voor zover aan een beschikking genomen op grond van bevoegdheden die na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aan de Autoriteit zijn toegekend, voorschriften zijn verbonden en in deze voorschriften het bevoegd gezag wordt vermeld, wordt de Autoriteit met ingang van dat tijdstip aangemerkt als het bevoegd gezag.

  • 5. Verplichtingen jegens Onze Minister van Infrastructuur en Milieu die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit volledig zijn vervuld en welke met ingang van dat tijdstip jegens de Autoriteit moeten worden vervuld, worden met ingang van dat tijdstip aangemerkt als verplichtingen, vervuld jegens de Autoriteit.

  • 6. Een referentiedreiging, die op grond van artikel 2 van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen is vastgesteld, wordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als referentiedreiging die op grond van artikel 22, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen is vastgesteld.

  • 7. Een inschrijving in een register als bedoeld in artikel 7, eerste lid, of 7b, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming die voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit is gedaan, wordt na de inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als op grond van het Besluit stralingsbescherming gedaan.

  • 8. Certificaten van goedkeuring of erkenningen van het model van de te vervoeren colli als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, onderdeel i, 5, eerste lid, onderdeel b, en 6, onderdeel b, van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen, afgegeven door een ander bestuursorgaan dan de Autoriteit op grond van bevoegdheden die na het tijdstip van de inwerkingtreding van dit besluit aan de Autoriteit, zijn toegekend, worden met ingang van dat tijdstip aangemerkt als afgegeven door de Autoriteit.

ARTIKEL XIII

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

ARTIKEL XIV

Dit besluit wordt aangehaald als: Wijzigingsbesluit instelling Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 19 mei 2017

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk

Uitgegeven de dertiende juni 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Aanleiding voor dit besluit is de Wet van 26 april 2016 tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met de instelling van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (Stb. 2016, 180) (verder: Instellingswet). Met deze wet wordt de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (verder: de Autoriteit) ingesteld als zelfstandig bestuursorgaan (verder: zbo). De Autoriteit krijgt taken en bevoegdheden op het gebied van nucleaire veiligheid, stralingsbescherming, de daarmee samenhangende crisisvoorbereiding, alsmede beveiliging en waarborgen. Hierdoor wordt beter aangesloten bij de intentie van de internationale verdragen en bij regelgeving van het Euratom en het Internationale Atoomenergieagentschap. Deze verdragen en regelgeving vereisen dat het regulerende lichaam voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming voldoende onafhankelijk moet zijn en dat zijn taken wettelijk zijn geregeld. Verder worden de taken en bevoegdheden, middelen, kennis en bekwaamheden op de genoemde terreinen binnen de rijksoverheid zoveel mogelijk in de Autoriteit gebundeld. Voor verdere informatie over de redenen voor de instelling van de Autoriteit als zbo wordt verwezen naar de tweede en derde paragraaf van het algemene deel van de memorie van toelichting bij de Instellingswet (Kamerstukken II 2014/15, 34 219, nr. 3, blz. 2–6).

Voor de instelling van de Autoriteit als zbo zijn ook wijzigingen van op de Kernenergiewet gebaseerde algemene maatregelen van bestuur nodig. Dit besluit wijzigt hiertoe de volgende algemene maatregelen van bestuur:

  • het Besluit detectie radioactief besmet schroot,

  • het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen,

  • het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen,

  • het Besluit OM-afdoening,

  • het Besluit registratie, splijtstoffen en ertsen,

  • het Besluit stralingsbescherming,

  • het Besluit van 18 december 2012 tot wijziging van het Besluit stralingsbescherming en enkele andere besluiten in verband met de vereenvoudiging van de wettelijke regels en de vermindering van administratieve lasten voor ondernemingen die met ioniserende straling werken en het herstel van enkele wetstechnische gebreken en leemten (Stb. 2013, 33),

  • het Besluit vergoedingen Kernenergiewet,

  • het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen,

  • het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet en

  • het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet.

Allereerst worden met dit besluit taken en bevoegdheden van de Minister van Infrastructuur en Milieu op de gebieden nucleaire veiligheid, stralingsbescherming, de daarmee samenhangende crisisvoorbereiding, alsmede beveiliging en waarborgen, overgedragen aan de Autoriteit. Veel van deze taken en bevoegdheden zijn namelijk niet in de Kernenergiewet (ook: Kew) zelf, maar in de daarop gebaseerde regelgeving geregeld. Het gaat daarbij met name om bevoegdheden tot het nemen van beschikkingen, zoals de verlening van vergunningen voor handelingen met ioniserende straling uitzendende toestellen of de goedkeuring van ontmantelingsplannen van nucleaire inrichtingen. Zie hiervoor verder paragraaf 2.

Verder wordt met dit besluit invulling gegeven aan de mogelijkheid om de Autoriteit de bevoegdheid toe te kennen regels te stellen over organisatorische of technische onderwerpen op het gebied van nucleaire veiligheid, stralingsbescherming en beveiliging (artikel 4, eerste lid, Kew). Zie hiervoor verder paragraaf 3.

Voorts wordt een aantal algemene maatregelen van bestuur aangepast aan het koninklijke besluit van 10 april 2015, nr. 2015000645, houdende departementale herindeling met betrekking tot Nucleaire veiligheid en stralingsbescherming (Stcrt. 2015, 11080) (verder: overdrachtsbesluit). Met dat besluit is de verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken voor het beleid en de wet- en regelgeving op het terrein van de nucleaire veiligheid en stralingsbescherming met ingang van 1 mei 2015 overgedragen aan de Minister van Infrastructuur en Milieu. Naar aanleiding hiervan zijn er begripsbepalingen en geadresseerden van bevoegdheden gewijzigd in het Besluit detectie radioactief besmet schroot, het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, het Besluit registratie, splijtstoffen en ertsen, het Besluit stralingsbescherming, het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen en het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet.

Tevens wordt het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen aangepast aan het schrappen van «de energievoorziening» als delegatiegrondslag voor een algemene maatregel van bestuur (artikel I, onderdeel G, van de Instellingswet). Zie hiervoor verder het artikelsgewijze deel van deze toelichting.

Ten slotte wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om in:

  • het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen een bepaling met uitgewerkt overgangsrecht te schrappen,

  • het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen alsnog een bepaling aan te passen aan de dualisering van het provinciebestuur en het gemeentebestuur,

  • het Besluit registratie splijtstoffen en ertsen de overbodig geworden begripsomschrijving van «hoofd» te schrappen,

  • het Besluit stralingsbescherming de overbodig geworden begripsomschrijvingen van «inspecteur» en «beveiligingsdeskundige» te schrappen, twee overbodig geworden bepalingen te schrappen, twee bepalingen te vereenvoudigen, een fout te verbeteren, een delegatiegrondslag te vereenvoudigen en te voorzien in het manco dat het voor de Autoriteit niet mogelijk was om in bepaalde situaties nadere eisen te kunnen stellen,

  • een nog niet in werking getreden wijziging van het Besluit stralingsbescherming over de regeling van het register voor beveiligingsdeskundigen te laten vervallen,

  • het Besluit vergoedingen Kernenergiewet op een drietal punten een begripsomschrijving waarin werd verwezen naar een met name genoemde ministeriële regeling te vervangen door een materiële omschrijving van het desbetreffende begrip,

  • het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen verschillende verouderde verwijzingen naar de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen en een verouderde verwijzing in artikel 3, tweede lid, te verbeteren.

Zie hiervoor verder het artikelsgewijze deel van de toelichting.

2. Overdracht bevoegdheden

Met dit besluit worden verschillende bevoegdheden van de Minister van Infrastructuur en Milieu aan de Autoriteit overgedragen. Dit is reeds aangekondigd in de memorie van toelichting bij de Instellingswet.1 Hieronder worden per besluit deze bevoegdheden op hoofdlijnen toegelicht. Uitgangspunt is geweest dat alle uitvoeringsbevoegdheden (zoals het verlenen van een vergunning, toestemming of erkenning) aan de Autoriteit worden overgedragen. Dit vloeit ook voort uit de internationaalrechtelijke vereiste onafhankelijkheid van het zogeheten «regulerende lichaam». Een uitzondering is gemaakt voor de bevoegdheid tot het goedkeuren van de financiële zekerheidsstelling ten behoeve van de ontmanteling van kernreactoren. Vanwege de grote financiële belangen blijft deze bevoegdheid berusten bij de ministers van Financiën en van Infrastructuur en Milieu gezamenlijk. De Autoriteit draagt wel bij aan de inhoudelijke voorbereiding vanuit haar kennis over de nucleaire veiligheid en stralingsbescherming.

Besluit detectie radioactief besmet schroot
  • verschillende bevoegdheden met betrekking tot de financiële zekerheid die door bepaalde handelaren van schroot moet worden gesteld (artikel 7, tweede en vierde lid),

  • de Autoriteit ontvangt de meldingen en de bewijsstukken in verband met de te stellen financiële zekerheid voor radioactief besmet schroot (artikelen 8, tweede lid, 9, eerste en tweede lid).

Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen
  • de verlening van vergunningen en toestemmingen voor het van, uit of door Nederland overbrengen van radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen (artikel 3, eerste lid).

Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
  • de aanmerking van een splijtstof als splijtstof of erts bevattende afvalstof (artikel 19, in samenhang met artikel 38, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming),

  • de aanwijzing van instellingen die zijn belast met de keuring van nucleaire drukapparatuur in nucleaire inrichtingen (artikel 21, vierde lid),

  • de goedkeuring van (de actualisering van) ontmantelingsplannen voor nucleaire inrichtingen (artikelen 27, eerste lid, en 29, eerste lid),

  • de verlening van toestemming om af te wijken van de verplichtingen om een nucleaire inrichting direct na de beëindiging van de normale bedrijfsvoering te ontmantelen of om als eindresultaat van de ontmanteling een groene weide te realiseren (artikelen 30, tweede lid, en 30a, tweede lid),

  • de goedkeuring van typen ingekapselde bronnen van splijtstoffen die vrijgesteld kunnen worden van de vergunningplicht van artikel 15, onder a, van de Kernenergiewet (artikel 41a, eerste lid),

  • de erkenning van ophaaldiensten van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen (artikel 42, derde lid),

  • de aanwijzing van instellingen voor de ontvangst van splijtstoffen of ertsen bevattende afvalstoffen (artikel 42, derde lid).

Besluit registratie, splijtstoffen en ertsen
  • het opleggen van een verplichting tot geheimhouding bij de verstrekking van informatie uit het register splijtstoffen en ertsen (artikel 3, vierde lid),

  • de ontvangst van de aangiften voor de aanwezigheid van winbare hoeveelheden ertsen (artikel 9).

Besluit stralingsbescherming
  • de rechtvaardiging van individuele handelingen met radioactieve stoffen of toestellen (artikel 4, eerste lid),

  • de inschrijving in, en het beheer van, het register van stralingsartsen (artikelen 7, eerste lid, en 7a),

  • de erkenning van instellingen voor het behalen van een diploma op het gebied van stralingsbescherming (artikel 7f, eerste lid),

  • de inschrijving in het register van deskundigen met gelijkwaardige kwalificaties (artikelen 7b, eerste lid, en 7d),

  • de erkenning van dosimetrische diensten (artikel 8, eerste lid),

  • het verlenen van toestemming om af te wijken van de verplichting om een afgedankte hoogactieve bron naar een wettelijk voorgeschreven persoon te zenden (artikel 11, zesde lid),

  • de verlening van toestemming dat een stralingsbeschermingseenheid voor verscheidende ondernemers taken verricht (artikel 12, derde lid),

  • het beheren van het meldpunt voor stralingsincidenten, ongevallen en radiologische noodsituaties (artikel 12a, tweede lid),

  • het ontvangen van meldingen dat handelingen met een ingekapselde bron of een toestel zijn beëindigd (artikelen 14a en 14b),

  • de toekenning van een vaste code voor hoogactieve bronnen (artikelen 20a, eerste lid, en artikel 20b, eerste lid),

  • de ontvangst van bepaalde informatie in verband met het stellen van financiële zekerheid voor het veilig afvoeren van hoogactieve bronnen (artikel 20f, eerste lid),

  • de ontvangst van de meldingen voor handelingen met toestellen of natuurlijke bronnen of de beëindiging van die handeling (artikelen 21, eerste lid, 22, 103, eerste lid, en 104),

  • de goedkeuring van bepaalde typen toestellen die van de meldingsplicht van artikel 21, eerste lid, of de vergunningsplicht van artikel 23, eerste lid, zijn vrijgesteld (artikelen 21, tweede lid, en 23, derde lid),

  • de verlening van vergunningen voor handelingen met bepaalde toestellen (artikel 23, eerste lid),

  • de verlening van vergunningen voor handelingen met radioactieve stoffen of natuurlijke bronnen (artikelen 24, 25, eerste lid, 35, eerste lid, 37, eerste lid, 107, eerste lid, en 108, eerste lid),

  • de goedkeuring van typen ingekapselde bronnen van radioactieve stoffen die vrijgesteld worden van vergunningplicht van artikel 25, eerste lid (artikel 26, eerste lid, onderdeel a),

  • de erkenning van ophaaldiensten van radioactieve afvalstoffen (artikel 37, zevende lid),

  • de aanwijzing van instellingen voor de ontvangst van radioactieve afvalstoffen (artikel 37, achtste lid),

  • de aanmerking van een radioactieve stof als radioactieve afvalstof (artikel 38, eerste lid),

  • de ontvangst van de relevante informatie van handelingen met een hoogactieve bron (artikel 120a, eerste lid),

  • de verlening van ontheffing van de voorschriften in de hoofdstukken 3, 5, 8, eerste en tweede paragraaf, en 10 (artikel 123, eerste lid).

Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen
  • de afgifte van certificaten van goedkeuring of de erkenning van het model van bepaalde verpakkingen voor het vervoer van splijtstoffen of radioactieve stoffen (artikelen 3, eerste lid, onderdeel i, 5, eerste lid, 6, onderdeel b, 14, eerste lid, onderdeel c, en 16, eerste lid, onderdeel c),

  • de ontvangst van (wijzigingen van) meldingen van het vervoer van radioactieve stoffen of van het vervoer van splijtstoffen over de Nederlandse territoriale zee of over niet-Nederlandse wateren (artikelen 4c, eerste lid, 4d, derde lid, en 13, tweede lid),

  • de verlening van ontheffing van bepalingen van de vervoersregelgeving over het vervoer van splijtstoffen of radioactieve stoffen of het stellen van de vervoersregelgeving afwijkende voorschriften (artikelen 8, eerste en derde lid, 10, eerste lid, 11, 12, 14, eerste lid, en 16, eerste lid),

  • de verlening van vergunningen voor het binnen of buiten Nederlands grondgebied (doen) brengen van geneesmiddelen of gebruiksartikelen waaraan opzettelijk radioactieve stoffen zijn toegevoegd (artikel 27, eerste lid),

  • het ontvangen van (wijzigingen van) meldingen van het in bepaalde situatie binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen van radioactieve stoffen (artikelen 32, eerste lid, en 32a, derde lid).

Daarnaast wordt voor een aantal onderwerpen de bevoegdheid tot het stellen van regels aan de Autoriteit overgedragen. De volgende paragraaf gaat daar verder op in.

3. Regelgevende bevoegdheid voor de Autoriteit

Het doel van de instelling van de Autoriteit als zbo is om de expertise en kennis op het terrein van nucleaire veiligheid en stralingsbescherming binnen de rijksoverheid zoveel mogelijk te bundelen en effectiever te organiseren.2 Om deze reden worden ook de taken en bevoegdheden waarvoor deze expertise en kennis vereist is zoveel mogelijk aan de Autoriteit opgedragen. De Instellingswet maakt het daarom mogelijk om de Autoriteit bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de bevoegdheid te verlenen bij verordening regels te stellen. Daarbij wordt als voorwaarde gesteld dat het gaat om regels die in het belang zijn van de nucleaire veiligheid, stralingsbescherming en beveiliging en dat het organisatorische of technische onderwerpen betreft (artikel 4, eerste lid, Kew). Voor deze onderwerpen op de genoemde terreinen geldt bij uitstek dat de Autoriteit de noodzakelijke inhoudelijke expertise heeft om daarover regels te kunnen stellen.

Bij de uitoefening van de bevoegdheid bij verordening regels te stellen zal de Autoriteit daar waar nodig vooraf afstemmen met de andere betrokken bestuursorganen. Verder is in artikel 4, tweede lid, van de Kernenergiewet een procedure opgenomen om de mogelijkheid van inspraak van een ieder bij de totstandkoming van een verordening van de Autoriteit te waarborgen. De Autoriteit kan geen verordening vaststellen zonder eerst deze procedure te hebben gevolgd.

Ten slotte beschikt de minister van Infrastructuur en Milieu over de bevoegdheid om verordeningen van de Autoriteit te vernietigen wanneer deze in strijd zijn met het recht. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de bevoegdheid voor het vaststellen van de verordening ontbreekt of wanneer de voorgeschreven procedure door de Autoriteit niet is gevolgd (artikel 12c, eerste lid, Kew).

De Autoriteit zal zich bij het opstellen van een verordening conformeren aan alles wat bij de rijksoverheid gebruikelijk is bij het opstellen van algemene regels, zoals bijvoorbeeld de Aanwijzingen voor de regelgeving en het beleid met betrekking tot de zogeheten Vaste Verandermomenten en administratieve lasten.

In dit besluit is invulling gegeven aan de mogelijkheid om de Autoriteit voor verschillende onderwerpen de bevoegdheid te verlenen om bij verordening regels te stellen. Het gaat daarbij steeds om onderwerpen waarvoor nu de minister van Infrastructuur en Milieu bevoegd is om bij ministeriële regeling regels te stellen en dus niet om nieuwe onderwerpen. Daarbij komt telkens de bestaande regelbevoegdheid voor die minister te vervallen. Dit is gedaan om te voorkomen dat er voor nucleaire veiligheid, stralingsbescherming en beveiliging teveel regels komen of een onoverzichtelijke structuur van regelgeving ontstaat.

Bij de beoordeling van de vraag welke regelgevende bevoegdheden aan de Autoriteit kunnen worden overgedragen is steeds het wettelijke criterium, namelijk dat het moet gaan om «organisatorische of technische onderwerpen», toegepast. Van elke regelgevende bevoegdheid is bezien of zij betrekking had op organisatorische of technische onderwerpen. Dit criterium is in één opzicht verder geoperationaliseerd. Als met een regelgevende bevoegdheid de werkingssfeer van een wettelijk voorschrift kan worden uitgebreid of ingeperkt, betreft deze bevoegdheid niet een organisatorisch of technisch onderwerp. Zij wordt niet aan de Autoriteit overgedragen, maar blijft bij de Minister van Infrastructuur en Milieu. Een voorbeeld kan dit verduidelijken.

In de verschillende algemene maatregelen van bestuur onder de Kernenergiewet komen bepalingen voor die grofweg dezelfde structuur hebben (een voorbeeld is artikel 25 van het Besluit stralingsbescherming). Deze structuur houdt kortweg in dat er een algemeen verbod wordt geformuleerd (gekoppeld aan een vergunning- of meldingsplicht) met daarbij een bevoegdheid om bij regeling gevallen aan te wijzen waarin dat verbod niet geldt of juist wel. Met zo’n regelgevende bevoegdheid kan de werkingssfeer van een wettelijk verbod nader worden bepaald. Zodra dit het geval is, wordt aangenomen dat deze bevoegdheid niet slechts ziet op technische of organisatorische onderwerpen en wordt zij niet overgedragen aan de Autoriteit.

Bij de meeste regelgevende bevoegdheden is dit niet aan de orde. Het gaat dan bijvoorbeeld om het stellen van eisen die zich specifiek richten op de technische aspecten van nucleaire veiligheid of de bescherming tegen ioniserende straling, zoals meetmethoden, eisen ten aanzien van in te dienen formulieren, registraties of keuringen. Deze regelgevende bevoegdheden zijn aan de Autoriteit overgedragen. Hieronder worden per besluit de onderwerpen aangeduid ten aanzien waarvan de Autoriteit beschikt over een regelgevende bevoegdheid.

Besluit detectie radioactief besmet schroot
  • het register van metingen dat grotere schrootbedrijven moeten bijhouden (artikel 5, tweede lid),

  • de voorwaarden waaraan het schriftelijk bewijs van financiële zekerheid voor radioactief besmet schroot moet voldoen (artikel 9, derde lid).

Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen
  • de veilige werking van nucleaire drukapparatuur, de keuring van die apparatuur en met betrekking tot het aanwijzen van keuringsinstellingen voor die apparatuur (artikel 21, eerste en vierde lid),

  • de beveiliging van bepaalde splijtstoffen en ertsen en de beveiliging van nucleaire inrichtingen (artikel 22, derde lid),

  • de wijze waarop wordt aangetoond dat de ontmanteling van een nucleaire inrichting is voltooid (artikel 30d, tweede lid),

  • de te treffen voorziening voor splijtstof of erts bevattende afvalstoffen en radioactieve afvalstoffen die bij het gebruik en ontmanteling van en inrichting ontstaan (artikel 30f, tweede lid),

  • de keuringen van, en voor de opslag en de verwijdering van ingekapselde bronnen (artikel 41a, tweede lid).

Besluit registratie, splijtstoffen en ertsen
  • de inrichting van het register voor splijtstoffen en ertsen (artikel 2, tweede lid),

  • de wijze waarop aangiften van splijtstoffen en ertsen moeten geschieden (artikel 10).

Besluit stralingsbescherming
  • de bepaling van de omgevingsdosisequivalenten, equivalente en effectieve doses en met betrekking tot de waarden voor de activiteitsconcentraties en de totale activiteit voor radionucliden en de daarbij behorende meetmethoden (artikel 3, eerste en tweede lid),

  • de controle van de integriteit van hoogactieve bronnen (artikel 11, vierde lid),

  • ondernemers, soorten ondernemingen of locaties waarin een stralingsbeschermingseenheid aanwezig moet zijn (artikel 12, eerste lid),

  • toestellen en ingekapselde bronnen (artikel 18, eerste lid, en 19, eerste lid),

  • de beveiliging van handelingen met bepaalde radioactieve stoffen (artikel 20ca),

  • de verstrekking van gegevens over hoogactieve bronnen (artikelen 20f, derde lid, en 120a, tweede lid),

  • de goedkeuring van bepaalde typen toestellen die van de meldingsplicht of vergunningsplicht zijn vrijgesteld (artikelen 21, tweede lid, en 23, derde lid),

  • de aanwijzing van producten die niet worden betrokken bij de sommatie van radionucliden van een radioactieve stof (artikel 25, vijfde lid),

  • andere methoden voor de vaststelling van de activiteitsconcentratie van radionucliden (artikel 25, zevende lid),

  • de keuringen voor ingekapselde bronnen en voor de opslag en de verwijdering van ingekapselde bronnen (artikel 26, tweede lid),

  • de constructie, het herstel, het onderhoud en het gebruik van aanwijsinstrumenten (artikelen 28, en 29 derde lid),

  • de meldingsplicht van toestellen en natuurlijke bronnen (artikel 40, tweede lid),

  • de aanvraag van vergunning voor handelingen met radioactieve stoffen en (wijzigingen in) de gegevens (artikelen 43, eerste lid, en 44, tweede lid),

  • de administratie van metingen van effectieve of equivalente doses (artikel 50, derde lid),

  • de aanvraag van een vergunning voor een werkzaamheid met een natuurlijke bron (artikel 109),

  • de uitvoering van meldingsplichtige werkzaamheden (artikel 110, eerste lid)

  • het product- of materiaalhergebruik en opslag van afval van bepaalde natuurlijke bronnen (artikel 110, tweede lid),

  • de inhoud en de bewaartermijnen van de administratie van handelingen met radioactieve stoffen of toestellen (artikelen 120, derde lid, en 121, vierde lid).

Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen
  • de beveiliging van het vervoer, de opslag in verband met het vervoer en het binnen of buiten Nederlands grondgebied brengen of doen brengen van splijtstoffen en ertsen en radioactieve stoffen (artikel 1d).

4. Uitvoering en handhaving

Dit besluit brengt geen wijzigingen in normen voor het bedrijfsleven of burger. Er verandert daardoor niets aan de uitvoerbaarheid of handhaafbaarheid van de door dit besluit gewijzigde regelgeving.

5. Regeldruk

Dit besluit heeft geen effecten op de regeldruk voor bedrijven en burgers.

De gevolgen voor de regeldruk doordat de Autoriteit de bevoegdheid krijgt om regels te stellen over organisatorische of technische onderwerpen op het gebied van nucleaire veiligheid, stralingsbescherming en beveiliging komen aan de orde wanneer de Autoriteit van deze bevoegdheid gebruik maakt.

6. Financiële gevolgen rijksoverheid

Dit besluit heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting.

7. Consultatie, voorpublicatie en voorhang

Greenpeace, de Nederlandse Vereniging voor Stralingshygiëne en de Vereniging Nucleair Nederland zijn als stakeholders over het ontwerpbesluit geconsulteerd. Zij hebben geen aanleiding gezien voor het maken van opmerkingen over het ontwerpbesluit.

Het ontwerpbesluit is op 14 juni 2016 voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2015/16, 25 422, nr. 148). De Tweede Kamer heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu op 5 juli 2016 enige vragen over het ontwerpbesluit gesteld. Deze zijn bij brief van 17 augustus 2016 beantwoord (Kamerstukken II 2015/16, 25 422, nr. 154).

Het ontwerpbesluit is op 22 juni 2016 voorgepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt.nr. 31427). Er zijn geen zienswijzen op het ontwerpbesluit ingediend.

8. Inwerkingtreding

Het voornemen is om dit besluit op hetzelfde tijdstip in werking te laten treden als de wet van 26 april 2016 tot wijziging van de Kernenergiewet in verband met de instelling van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (Stb. 2016, 180).

II. Artikelsgewijs

De wijzigingen die betrekking hebben op de overdracht van bevoegdheden aan de Autoriteit en de wijzigingen in verband met de regelgevende bevoegdheid voor de Autoriteit zijn toegelicht in de paragrafen 2 en 3 van het algemene deel van deze toelichting, waarnaar kortheidshalve wordt verwezen.

Artikel I

Artikel I wijzigt het Besluit detectie radioactief besmet schroot.

Artikel II

Artikel II wijzigt het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen.

Onderdeel F

Artikel 54 van het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen bevatte overgangsrecht voor verschillende situaties van voor 25 december 2008 waarvoor de voorganger van het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen van toepassing bleef. Deze situaties bestaan echter niet meer, omdat de vergunningen waarop artikel 54 betrekking heeft voor maximaal drie jaar kunnen worden verleend (artikel 10, eerste lid, Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen). Artikel 54 is daarmee uitgewerkt en is daarom geschrapt.

Artikel III

Artikel III wijzigt het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen.

Onderdelen A, tweede onderdeel, en E

De bevoegdheid van de Minister van Infrastructuur en Milieu om referentiedreigingen vast te stellen is verplaatst van artikel 2 van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen naar artikel 22, eerste lid, van het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen. Referentiedreigingen zijn lange termijnanalyses van dreigingen van diefstal van bepaalde splijtstoffen dan wel van sabotage van die splijtstoffen of van nucleaire inrichtingen. Referentiedreigingen zijn de basis waarop de beveiligingsmaatregelen van nucleaire inrichtingen worden genomen. Door deze verplaatsing blijven voor de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen alleen nog regels over technische en organisatorische maatregelen over waarvan de vaststelling aan de Autoriteit wordt opgedragen.

Onderdeel C

Artikel 15, onderdelen a en b, zijn aangepast aan de dualisering van het provinciebestuur en het gemeentebestuur. Hiermee wordt een omissie van het Besluit dualisering gemeentelijke en provinciale medebewindsbevoegdheden hersteld.

Onderdelen H en I

Het wijzigen van de verwijzing naar de Kernenergiewet in artikel 36, eerste lid, en het vervallen van paragraaf 4 van hoofdstuk IV zijn het gevolg van het vervallen van «de energievoorziening» als delegatiegrondslag voor algemene maatregelen van bestuur in de Kernenergiewet (artikelen 15, eerste lid, onderdeel d (oud), en 21, eerste lid, Kew en artikel I, onderdeel G, Instellingswet).

Artikel IV

Artikel IV wijzigt het Besluit OM-afdoening. Met deze wijziging wordt de bevoegdheid van de algemeen directeur van de directie Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming om strafbeschikkingen te kunnen opleggen overgedragen aan de voorzitter van de Autoriteit.

Artikel V

Artikel V wijzigt het Besluit registratie, splijtstoffen en ertsen.

Onderdelen A en D

In het nieuwe artikel 13, derde lid, van de Kernenergiewet is de verantwoordelijkheid voor het beheer van het register voor splijtstoffen en ertsen overgedragen van de minister van Infrastructuur en Milieu (voor 1 mei 2015: de minister van Economische Zaken) aan de Autoriteit. De minister liet dat beheer uitvoeren door de Belastingdienst/Centrale Dienst voor in- en uitvoer. De Autoriteit gaat dat beheer zelf uitvoeren. Het Besluit registratie, splijtstoffen en ertsen wordt daaraan aangepast. In de artikelen 5 tot en met 8 wordt het «hoofd» (van de Belastingdienst/Centrale dienst in- en uitvoer) vervangen door de Autoriteit (onderdeel D). Deze bepalingen hebben betrekking op het doen van aangiften van splijtstoffen of ertsen bij het register. Het begrip «hoofd» komt daardoor niet langer in het Besluit registratie splijtstoffen en ertsen voor. Hierdoor kan de begripsomschrijving van «hoofd» in artikel 1 worden geschrapt (onderdeel A).

Artikel VI

Artikel VI wijzigt het Besluit stralingsbescherming.

Onderdeel A, tweede onderdeel

Met het tweede lid van dit onderdeel komt de begripsomschrijving van «inspecteur» te vervallen. Deze omschrijving was afhankelijk van een aanwijzing van ambtenaren door de Minister van Economische Zaken waar geen gebruik van werd gemaakt. Verder kwam het begrip «inspecteur» alleen voor in artikel 122, derde lid. De in die bepaling aan de inspecteur toegekende bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen wordt door dit besluit aan de Autoriteit toegekend.

Onderdeel C

De bevoegdheid om in een individueel geval een handeling met een radioactieve stof of een toestel te rechtvaardigen wordt in artikel 4, eerste lid, aan de Autoriteit toegekend. De rechtvaardiging van een handeling is namelijk een belangrijk onderdeel van de vergunningen waarvoor de Autoriteit bevoegd is geworden om die te verlenen. De Minister van Infrastructuur en Milieu blijft bevoegd om, bij ministeriële regeling, categorieën van handelingen te rechtvaardigen.

Onderdeel E

Artikel 7b, eerste lid, is aangepast aan het gewijzigde artikel 69, tweede lid, van de Kernenergiewet, waar het naar verwijst. Het register waar artikel 69, tweede lid, van de Kernenergiewet op doelt, wordt niet langer door verschillende Ministers aangewezen. Het nieuwe artikel 69, tweede lid, bepaalt dat de Autoriteit het register voor deskundigen beheert.

Onderdeel G

Het eerste lid van artikel 7e is overbodig geworden nu artikel 69, tweede lid, van de wet al bepaalt dat de Autoriteit het register voor deskundigen beheert.

Onderdeel e van artikel 7e, tweede lid, (nieuw) bood de mogelijkheid om regels te stellen over de wijze waarop de Ministers van Infrastructuur en Milieu, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Sport en Welzijn zich konden laten adviseren over het verlenen van een erkenning van opleidingen van stralingsbescherming. Deze bepaling is komen te vervallen nu de bevoegdheid tot de verlening van deze erkenningen aan de Autoriteit is toegekend.

Onderdeel H

De delegatiegrondslag in artikel 10, vijfde lid, om nadere regels voor de vorm en de inhoud van een risicoanalyse te kunnen stellen is aangepast. Deze bevoegdheid kwam aanvankelijk toe aan de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Infrastructuur en Milieu gezamenlijk. De risicoanalyse waar het hier om gaat heeft op grond van de definitie van «risicoanalyse» in artikel 1, eerste lid, echter alleen betrekking op arbeidsomstandigheden. Het betreft hier de risico-inventarisatie en evaluatie, bedoeld in artikel 3 van de Arbowet. Het ligt daarom meer in de rede om de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid daarvoor als enige bevoegd te laten zijn.

Onderdeel I

In artikel 11a is de verwijzing naar artikel 12 aangepast aan de wijzigingen in dat laatste artikel.

Onderdeel J

Het oude eerste lid van artikel 12 bevatte twee delegatiegrondslagen voor regelingen van de Minister.

De eerste, voor de aanwijzing van ondernemers, soorten ondernemingen of locaties, waarin een stralingsbeschermingseenheid aanwezig moet zijn, is vervangen door een aanwijzing van die ondernemers, soorten ondernemingen of locaties in de eerste drie (nieuwe) leden van artikel 12. De tekst hiervoor is ontleend aan artikel 2.2 van de Uitvoeringsregeling stralingsbescherming EZ.

De tweede, voor het stellen van regels voor de taken, bevoegdheden en werkwijze van een stralingsbeschermingseenheid, is vervangen door een delegatie in het vierde lid aan de Autoriteit om bij verordening over hetzelfde onderwerp regels te stellen.

Het oude tweede en derde lid zijn het vijfde en zesde lid geworden. De verwijzingen in die leden naar het oude eerste lid zijn aangepast.

Onderdelen L en M

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de formulering van de delegatiebepalingen in de artikelen 18, eerste lid, en 19, eerste lid, te vereenvoudigen door de overbodige woorden te schrappen dat de ondernemer ervoor moet zorgen dat aan de op basis van deze delegatiebepalingen gestelde regels wordt voldaan.

Onderdeel O

In artikel 20d, tweede lid, onderdeel d, wordt een fout verbeterd door het meervoud van «Onze Ministers» te veranderen in enkelvoud. Door de definitie van «Onze Ministers» in het Besluit stralingsbescherming werd de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onbedoeld medebevoegd en medeverantwoordelijk voor de beoordeling van andere voorzieningen als mogelijkheid van financiële zekerheid die de vergunninghouders voor hoogactieve bronnen moeten stellen voor kosten van het afvoeren van die bron wanneer deze is afgedankt.

Onderdeel P

De meldingsplichten voor handelingen met toestellen en radioactieve stoffen, of de beëindiging van die handelingen, in de artikelen 21, eerste lid, en 22 gaven niet aan aan wie die meldingen moesten geschieden. Onderdeel N maakt duidelijk dat deze meldingen in het vervolg aan de Autoriteit moeten worden gedaan.

Onderdelen V, W en X

De wijzigingen in de artikelen 81, eerste en tweede lid, 88, eerste lid, en 93, tweede lid, zijn een gevolg van het in de inleiding van deze toelichting genoemde overdrachtsbesluit. Naar aanleiding van de overdracht van de verantwoordelijkheid voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming van de Minister van Economische Zaken aan de Minister van Infrastructuur en Milieu is de begripsomschrijving van «Onze Minister» in artikel 1, eerste lid, aangepast. Door hier «Onze Minister» te vervangen door «Onze Minister van Economische Zaken» wordt ervoor gezorgd dat deze minister betrokken blijft, indien het mijnbouw betreft.

Onderdeel Z

De wijziging van artikel 113, eerste lid, onderdeel d, is een gevolg van het in de inleiding van deze toelichting genoemde overdrachtsbesluit. Naar aanleiding van de overdracht van de verantwoordelijkheid voor nucleaire veiligheid en stralingsbescherming van de Minister van Economische Zaken aan de Minister van Infrastructuur en Milieu is de begripsomschrijving van «Onze Minister» in artikel 1, eerste lid, aangepast. Daardoor is het niet meer nodig het aandeel dat de Minister van Infrastructuur en Milieu had bij de toerusting van interventieteams apart te vermelden nu deze minister hier ook een algemene verantwoordelijkheid voor heeft.

Omgekeerd is het juist wel nodig om het aandeel van de Minister van Economische Zaken apart te vermelden nu deze minister niet langer de algemene verantwoordelijkheid heeft voor de toerusting van de interventieteams. Daarbij zijn «een lozing in oppervlaktewater of in lucht» als aangrijpingspunt genoemd vanwege de gevolgen die dit voor de landbouw kan hebben. De Minister van Economische Zaken, en voorheen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedsel, is om deze reden altijd betrokken bij interventies indien deze betrekking hebben op een lozing in oppervlaktewater of in de lucht.

Onderdeel AA

Het nieuwe onderdeel b in het tweede lid van artikel 122 voorziet in het manco dat de Autoriteit geen nadere eisen kon stellen die uitsluitend betrekking hebben op de bescherming van werknemers tegen ioniserende straling ten gevolge van handelingen in nucleaire inrichtingen. De Autoriteit was hiervoor wel de bevoegde toezichthouder (artikel 1, tweede lid, Besluit aanwijzing en taakvervulling toezichthouders Kernenergiewet 2013).

Onderdeel AB

Artikel 123, eerste lid, is aangepast aan het overdrachtsbesluit en aan de instelling van de Autoriteit. Verder is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de omissie dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hier ontbrak te herstellen.

Door het overdrachtsbesluit was de bevoegdheid van de Minister van Economische Zaken overgegaan naar de Minister van Infrastructuur en Milieu. De Minister van Economische Zaken is weer toegevoegd vanwege zijn verantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van de kernenergiewetgeving in de mijnbouw en bij product- en voedselveiligheid.

De bevoegdheid van de Minister van Infrastructuur en Milieu is, net zo als alle andere bevoegdheden van deze minister om beschikkingen te geven op grond van de kernenergiewetgeving, overgedragen aan de Autoriteit.

Artikelen VI, onderdeel A, eerste onderdeel, en VII

Hiermee vervallen de begripsomschrijving van «beveiligingsdeskundige» in artikel 1, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming en de nog niet in werking getreden bepalingen over het register van beveiligingsdeskundigen in artikel 20ca, tweede tot en met zesde lid, van het Besluit stralingsbescherming. Het instellen van een register voor beveiligingsdeskundigen wordt niet langer noodzakelijk gevonden, aangezien de daarmee te verkrijgen gegevens ook langs andere weg worden verkregen. Zo worden de gegevens van de door de nucleaire inrichtingen aangewezen beveiligingskundige en diens plaatsvervanger reeds verkregen met het goed te keuren beveiligingspakket van de inrichting (artikel 4, tweede lid, Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen). De opleidingseisen waaraan beveiligingdeskundigen moeten voldoen, zijn vastgelegd in bijlage III van die regeling. De begripsomschrijving van «beveiligingsdeskundige» was relevant voor het register van beveiligingsdeskundigen. De omschrijving kan worden gemist nu het register van beveiligingsdeskundigen niet wordt ingevoerd.

Artikel VIII

Artikel VIII wijzigt het Besluit vergoedingen Kernenergiewet.

Onderdelen B, C2 en E

In een drietal artikelen in het besluit is om wetgevingstechnische redenen een begripsomschrijving (evaluatieverslag) waarin werd verwezen naar een met name genoemde ministeriële regeling vervangen door een materiële omschrijving van dat begrip.

Onderdeel E

Artikel 14, tweede lid, bepaalt dat het oude Bijdragenbesluit Kernenergiewet 1981 voor bepaalde situaties blijft gelden. In onderdeel b van dat artikel gaat het daarbij om een verslag dat is ontvangen door de Minister van Economische Zaken. Nu de definitie van «Onze Minister» is komen te vervallen (onderdeel A) is het nodig om te expliciteren dat het de Minister van Economische Zaken de minister is geweest die het heeft ontvangen.

Artikel IX

Artikel IX wijzigt het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.

Onderdelen B en E, eerste onderdeel

In de artikelen 1a, 1b, 2, eerste lid, 3, eerste lid, onderdelen i en k, 4c, vierde en vijfde lid, 23, eerste lid, 27, tweede en derde lid, en 32, derde en vierde lid, worden verouderde verwijzingen naar de Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen verbeterd.

Onderdeel E, tweede onderdeel

De verouderde verwijzing in artikel 3, tweede lid, naar onderdelen van het eerste lid is verbeterd.

Artikel X

Artikel X wijzigt het Geheimhoudingsbesluit Kernenergiewet.

Artikel XI

Artikel XI wijzigt het Vrijstellingsbesluit defensie Kernenergiewet.

Artikel XII

Dit artikel bevat overgangsrecht voor onder meer besluiten, aanvragen en bezwaren die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn genomen, ingediend of gemaakt.

Bij de inwerkingtreding van dit besluit gaan er bevoegdheden van de Minister van Infrastructuur en Milieu over op de Autoriteit. Een door de Minister van Infrastructuur en Milieu genomen besluit tot bijvoorbeeld vergunningverlening op basis van het Besluit stralingsbescherming wordt vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit aangemerkt als besluit van de Autoriteit. Hiermee regelt het eerste lid dat ook ná inwerkingtreding van dit besluit besluiten die bevoegd zijn genomen vóór inwerkingtreding van dit besluit hun rechtskracht behouden.

Onder «besluiten» zijn in het eerste lid onder andere te begrijpen: beschikkingen, erkenningen, goedkeuringen, aanwijzingen en nadere eisen. Hieronder zijn eveneens te begrijpen de algemeen verbindende voorschriften waarvoor de Autoriteit door dit besluit de bevoegdheid heeft gekregen deze bij verordening te stellen en waarvoor voorheen een minister bevoegd was om ze te stellen.

Het tweede lid regelt dat aanhangige aanvragen tot het nemen van besluiten op grond van bevoegdheden die door dit besluit aan de Autoriteit zijn overgedragen door de Autoriteit worden afgehandeld.

Het derde lid regelt dat de Autoriteit in de plaats treedt van de Minister van Infrastructuur en Milieu in bestuursrechtelijke rechtsgedingen over besluiten die zijn genomen op grond van bevoegdheden die door dit besluit aan de Autoriteit zijn overgedragen.

Het vierde lid regelt dat, voor zover in vergunningvoorschriften staat dat de vergunninghouder een melding moet doen of informatie moet aanleveren aan het bevoegd gezag zoals bijvoorbeeld de Kernfysische dienst of de Minister van Infrastructuur en Milieu, dit voorschrift na inwerkingtreding van dit besluit wordt aangemerkt als een verplichting tot het doen van een melding of het aanleveren van informatie bij de Autoriteit.

Het vijfde lid regelt dat aan verplichtingen, zoals een meldingsplicht, waaraan voor de inwerkingtreding van dit besluit reeds volledig is voldaan, na de inwerkingtreding van dit besluit niet opnieuw hoeft te worden voldaan. Dit is van belang bij verplichtingen die eerst jegens de Minister van Infrastructuur en Milieu moesten worden voldaan, maar na de inwerkingtreding van dit besluit jegens de Autoriteit moeten worden verricht.

De bevoegdheid voor de Minister van Infrastructuur en Milieu om referentiedreigingen vast te stellen is van de Regeling beveiliging nucleaire inrichtingen en splijtstoffen naar het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen verhuisd. Het zesde lid regelt dat eerder vastgestelde referentiedreigingen na de inwerkingtreding van dit besluit gelden als vastgestelde referentiedreigingen op grond van het Besluit kerninstallatie, splijtstoffen en ertsen.

Het zevende lid regelt dat reeds gedane inschrijvingen in het register voor stralingsartsen of voor algemeen coördinerend deskundigen of coördinerend deskundigen (artikelen 7, eerste lid, en 7b, eerste lid, van het Besluit stralingsbescherming) geldig blijven na de inwerkingtreding van dit besluit en niet opnieuw hoeven te worden gedaan.

Het achtste lid regelt dat op grond van het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen afgegeven certificaten van goedkeuring of erkenningen van het model van de te vervoeren colli hun geldigheid behouden na de inwerkingtreding van dit besluit.

Opgemerkt wordt dat artikel XII ook van toepassing is op onder andere beschikkingen, certificaten of erkenningen en dergelijke die voor de inwerkingtreding van het overdrachtsbesluit op 1 mei 2015 nog door de Minister van Economische Zaken zijn afgegeven. Deze moeten na die datum op grond van het overdrachtsbesluit worden aangemerkt als te zijn afgegeven door de Minister van Infrastructuur en Milieu en zijn na de inwerkingtreding van dit besluit aan te merken als beschikkingen, certificaten of erkenningen en dergelijke van de Autoriteit.

Deze nota van toelichting is door de Minister van Infrastructuur en Milieu getekend mede namens de Ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Kamerstukken II 2014/15, 34 219, nr. 3, p. 15–16.

X Noot
2

Kamerstukken II 2014/15, 34 219, nr. 3, p. 1.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.