Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatsblad 2017, 132AMvB

Besluit van 17 maart 2017 tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten en het Besluit doorberekening kosten ACM in verband met de uitvoering en handhaving van verordening (EU) nr. 2015/751 (afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën van 12 januari 2017, 2017-0000002523 directie Financiële Markten, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;

Gelet op verordening (EU) nr. 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (PbEU 2015, L 123), de artikelen 1:3a, vierde lid, 1:24, derde lid, 1:25, derde lid, 1:25a, tweede lid, 1:25c, 1:79, eerste lid, onderdeel b, 1:80, eerste lid, onderdeel b, en 1:97, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op het financieel toezicht en artikel 6a, zesde lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 22 februari 2017, nr. W06.17.0012/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Financiën van 14 maart 2017, 2017-0000034602, directie Financiële Markten, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1 wordt, onder vervanging van de punt aan het slot door een puntkomma, een definitie toegevoegd, luidende:

verordening (EU) nr. 2015/751 (afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties):

verordening (EU) nr. 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (PbEU 2015, L 123).

B

Aan artikel 2, eerste lid, wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel p door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • q. voor verordening (EU) nr. 2015/751 (afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties):

    • 1°. ten aanzien van de artikelen 3 tot en met 6, 8, eerste lid en derde tot en met zesde lid, 10 en 11: de Autoriteit Consument en Markt;

    • 2°. ten aanzien van artikel 7: de Nederlandsche Bank;

    • 3°. ten aanzien van de artikelen 8, tweede lid, 9 en 12: de Autoriteit Financiële Markten.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. In het eerste lid wordt «en artikel 12 van de verordening (EU) nr. 260/2012 (betaaldiensten)» vervangen door:, artikel 12 van de verordening (EU) nr. 260/2012 (betaaldiensten) en artikel 15 van de verordening (EU) nr. 2015/751 (afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties).

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Op de behandeling van klachten en geschillen en op de Stichting Klachteninstituut Financiële Dienstverlening in haar hoedanigheid van orgaan als bedoeld in artikel 15 van verordening (EU) nr. 2015/751 (afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties) zijn, voor zover een begunstigde in de zin van die verordening niet tevens een consument is in de zin van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten, de artikelen 3, tweede tot en met vierde lid, en 4 tot en met 11 van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten en de artikelen 40 tot en met 44, 45, eerste en tweede lid, 46 tot en met 48a en 48d tot en met 48f van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft van overeenkomstige toepassing.

D

In artikel 6 wordt na «verordening (EU) nr. 236/2012 (short selling en kredietverzuimswaps)» ingevoegd: of de artikelen 8, tweede lid, 9 en 12 van de verordening (EU) nr. 2015/751 (afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties).

E

Na artikel 6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

  • 1. De gewogen gemiddelde maximale afwikkelingsvergoeding voor binnenlandse debetkaarttransacties, bedoeld in artikel 3, derde lid, tweede volzin, van verordening (EU) nr. 2015/751 (afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties), bedraagt tot en met 8 december 2020 € 0,02 per transactie en geldt per betalingsdienstaanbieder.

  • 2. De gewogen gemiddelde afwikkelingsvergoeding voor binnenlandse debetkaarttransacties wordt berekend volgens de formule:

    waarbij wordt verstaan onder:

    n: het aantal binnenlandse debetkaarttransacties van een betalingsdienstaanbieder binnen een betaalkaartschema;

    IVi: de afwikkelingsvergoeding die toegepast wordt op transactie i in euro;

    gi: de transactiewaarde van transactie i in euro.

F

Aan Bijlage 1 wordt toegevoegd:

Verordening (EU) nr. 2015/751 (afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties)

Artikel 3, eerst lid en derde tot en met vijfde lid

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 7, eerste tot en met vijfde lid

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 10, eerste, vierde en vijfde lid

Artikel 11, eerste en tweede lid

Artikel 12, eerste lid

G

Aan Bijlage 2 wordt toegevoegd:

Verordening (EU) nr. 2015/751 (afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties)

Artikel

Boetecategorie

3, eerste, derde en vierde lid

3

3, vijfde lid

2

4

3

5

3

6

3

7, eerste en tweede lid

2

7, derde lid

1

7, vierde lid

3

7, vijfde lid

2

8

3

9

2

10, eerste lid

3

10, vierde lid

1

10, vijfde lid

2

11, eerste en tweede lid

3

12, eerste lid

2

ARTIKEL II

Het Besluit doorberekening kosten ACM wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 8, tweede lid, onderdeel g, wordt na «Wet op het financieel toezicht» een zinsnede toegevoegd, luidende: , met uitzondering van het toezicht dat de ACM houdt op de naleving, door betaalkaartschema’s, uitgevers en accepteerders, van verordening (EU) nr. 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (PbEU 2015, L 123)

B

Aan artikel 10, tweede lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma, een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. voor de sector financieel: betalingsverkeer.

C

Aan artikel 12 wordt een nieuw zevende lid toegevoegd, luidende:

  • 7. In afwijking van het tweede lid worden de aan de in artikel 10, tweede lid, onderdeel f, bedoelde categorie toegerekende kosten aan marktorganisaties toegedeeld naar rato van het aantal betalingstransacties met consumentenkaarten dat heeft plaats gehad waarbij marktorganisaties als betaalkaartschema, uitgever dan wel accepteerder betrokken zijn in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarover de kosten worden doorberekend. Hierbij is het aantal transacties beperkt tot die transacties waarbij het verkooppunt, de uitgever en de accepteerder zich in Nederland bevinden. Bij ministeriële regeling wordt geregeld beneden welk aantal transacties aan een marktorganisatie geen bedrag in rekening wordt gebracht.

ARTIKEL III

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 17 maart 2017

Willem-Alexander

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

Uitgegeven de derde april 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen deel

§ 1. Inleiding

Dit besluit strekt tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten in verband met de implementatie van een aantal bepalingen van Verordening (EU) nr. 2015/751 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (PbEU 2015, L 123) (hierna: de verordening). De als bijlage bij deze toelichting gevoegde transponeringstabel bevat een weergave van de implementatie van de betreffende bepalingen uit de verordening. Aangezien dit besluit onder meer voorziet in aanwijzing van de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als toezichthoudende instantie, dient tevens de doorberekening van de kosten van de ACM te worden geregeld. Daarom strekt dit besluit tevens, in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken, tot wijziging van het Besluit doorberekening kosten ACM.

§ 2. Achtergrond en doelstelling verordening

Aanleiding voor de verordening is dat in sommige landen wetgeving is vastgesteld of in voorbereiding is om afwikkelingsvergoedingen direct of indirect te reguleren, waaronder de vaststelling van maxima voor afwikkelingsvergoedingen. Om versnippering van de interne markt en ernstige verstoringen van de concurrentie als gevolg van uiteenlopende wetten en bestuursrechtelijke besluiten te voorkomen, is deze verordening tot stand gebracht.

De verordening heeft tot doel het bevorderen van een betere werking van de interne markt voor het betalingsverkeer door regulering van de afwikkelingenvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties. Dit zijn vergoedingen die worden toegepast tussen kaartaccepterende en kaartuitgevende betalingsdienstaanbieders die bij een op kaarten gebaseerde betalingstransactie betrokken zijn. De verordening bevat uniforme regels voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties, waarbij zowel de betalingsdienstaanbieder van de betaler als de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde zich binnen de EU bevinden. De verordening valt inhoudelijk in twee delen uiteen. Het eerste deel bevat regels over afwikkelingsvergoedingen (hoofdstuk II van de verordening). Zo worden in de verordening maxima gesteld voor de afwikkelingsvergoedingen voor debetkaarttransacties van 0,2% van de transactiewaarde en voor kredietkaarttransacties van 0,3% van de transactiewaarde.

Het tweede deel bevat voorschriften die door bedrijven in acht moeten worden genomen (hoofdstuk III van de verordening).

§ 3. Hoofdlijnen van het besluit

Hoewel de verordening rechtstreekse werking heeft, behoeft een aantal bepalingen uit het eerste deel van de verordening uitvoering in nationale wetgeving. De bepalingen uit de verordening die in dit besluit worden geïmplementeerd betreffen de gebruikelijke aanwijzing van toezichthouders en de benodigde vaststelling van sancties voor inbreuken op de verordening. Ook wordt een orgaan aangewezen dat belast is met de beslechting van geschillen uit hoofde van deze verordening en wordt invulling gegeven aan de in de verordening geboden lidstaatoptie betreffende de maximale afwikkelingsvergoeding voor binnenlandse debetkaarttransacties. Verder regelt dit besluit de doorberekening aan de sector van de kosten van de ACM voor het houden van toezicht op de naleving en handhaving van de verordening.

Aanwijzing toezichthouders

Dit besluit voorziet erin dat in het kader van de handhaving van de verordening de ACM, de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de Nederlandsche Bank (DNB) worden aangewezen als bevoegde autoriteiten in de zin van artikel 13 van de verordening. Ten aanzien van de bevoegdheid van de aangewezen bevoegde autoriteiten in geval van grensoverschrijdende activiteiten van betalingsdienstaanbieders geldt dat de paragrafen 1.3.2.2 en 1.3.2.3 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) van toepassing zijn. Voor de ACM geldt dat nu zij op grond van artikel 1:25a, tweede lid, Wft wordt belast met de uitvoering en handhaving van een aantal bepalingen van de verordening, ingevolge artikel 1:25a, derde lid en vijfde lid, Wft de artikelen 1:55, eerste lid, 1:56, eerste, tweede en zesde lid, 1:58, eerste tot en met vierde lid, en 1:59 Wft van overeenkomstige toepassing zijn. Dit betekent derhalve dat bij grensoverschrijdende activiteiten van betalingsdienstaanbieders onder de verordening door de ACM volgens die bepalingen moet worden gehandeld voor de uitoefening van het toezicht en de handhaving.

Het toezicht van DNB op de uitvoering van artikel 7 van de verordening betreft betaalkaartschema’s en verwerkingsautoriteiten die een zetel hebben in Nederland. Voor de internationale schema’s en verwerkingsautoriteiten met een zetel in het buitenland, zijn de toezichthouders in dat betreffende land verantwoordelijk.

Handhaving

Dit besluit wijst de artikelen uit de verordening aan, bij overtreding waarvan een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Ten aanzien van een aantal van deze bepalingen kan het besluit waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd openbaar worden gemaakt.

Buitengerechtelijke geschillenbeslechting

Het besluit voorziet in aanwijzing van de Stichting Klachteninstituut Financiële Dienstverlening (Kifid) als orgaan dat belast is met de buitengerechtelijke beslechting van geschillen die uit hoofde van de verordening kunnen ontstaan tussen begunstigden en hun betalingsdienstaanbieders.

Invulling lidstaatopties

De verordening maximeert de afwikkelingsvergoeding per transactie voor debetkaarttransacties op 0,2% van de transactiewaarde (artikel 3, eerste lid, van de verordening). De verordening biedt lidstaten echter de mogelijkheid om voor binnenlandse debetkaarttransacties hieraan nadere invulling te geven (artikel 3, tweede en derde lid, van de verordening). Als geen gebruik wordt gemaakt van deze lidstaatoptie betekent dit dat voor binnenlandse debetkaarttransacties automatisch de algemene regel zal gelden, te weten een maximale afwikkelingsvergoeding per transactie van 0,2% van de transactiewaarde. In dit besluit wordt van de geboden mogelijkheid gebruik gemaakt om nadere invulling te geven aan de maximale afwikkelingsvergoeding voor binnenlandse debetkaarttransacties. De afwikkelingsvergoedingen voor binnenlandse debetkaarttransacties in Nederland kennen thans geen ad valorem karakter, liggen voor aankopen vanaf € 5,00 beneden het plafond van de verordening en worden veelal bilateraal vastgesteld. Uit onlangs verricht onderzoek van de ACM is gebleken dat de gemiddelde afwikkelingsvergoedingen voor binnenlandse debetkaarttransacties sinds 2013 zijn gedaald. De huidige efficiëntie van de Nederlandse betaalkaartenmarkt komt mede voort uit de samenwerking tussen banken en detailhandel, horeca en tankstations in het kader van het Convenant Betalingsverkeer uit 2005 en de nadere overeenkomsten daarbij uit 2009 en 2014. De hierin gemaakte afspraken hebben geleid tot lagere tarieven, een hogere acceptatie van debetkaarten en een stijging van het aantal debetkaarttransacties met de daarbij behorende daling van de maatschappelijke kosten. Het is van belang om die efficiëntie te behouden. Bij hantering van de algemene regel van artikel 3 van de verordening bestaat het risico dat marktpartijen hun huidige lage afwikkelingsvergoedingen zullen verhogen tot dit Europeesrechtelijk geregelde maximum. Dit zou een onwenselijke ontwikkeling zijn, gelet op het streven van zowel de EU als Nederland naar een zo laag mogelijke afwikkelingsvergoeding en het stimuleren van elektronisch betalen. Verder zijn de afwikkelingsvergoedingen in Nederland in de regel geen ad valorem vergoedingen, maar een vaste vergoeding per transactie. Voor banken zou het relatief kostbaar zijn als ICT-systemen aangepast zouden moeten worden om een ad valorem vergoeding te kunnen verrekenen.

Gelet hierop is ervoor gekozen gebruik te maken van één van de lidstaatopties van artikel 3 van de verordening, te weten de in het derde lid geboden optie. Deze optie biedt de mogelijkheid voor lidstaten om voor binnenlandse debetkaarttransacties nationaal een lagere maximale afwikkelingsvergoeding vast te stellen in de vorm van een gewogen gemiddelde maximale vergoeding per transactie, welke wordt berekend op basis van de jaarlijkse transactiewaarden. Deze optie sluit daardoor het beste aan bij de huidige situatie in de Nederlandse markt. Daarnaast worden hoge kosten voor aanpassing van ICT-systemen bij banken voorkomen. Aangezien artikel 3 van de verordening reeds met ingang van 9 december 2015 van toepassing is, is bij besluit van de Minister van Financiën van 1 december 2015 (Stcrt. 2015, 43448) reeds aangegeven dat Nederland aldus gebruik zal maken van de lidstaatoptie. Betaaldienstaanbieders en de aangewezen toezichthouders, tot wie dit besluit zich richt, zijn sindsdien op de hoogte van de aldus gekozen invulling van de lidstaatoptie en hebben zich op dit onderdeel al kunnen voorbereiden.

Van de lidstaatoptie om kleine hybride driepartijenstelsels uit te zonderen van de maxima voor afwikkelingsvergoedingen (artikel 1, vijfde lid, van de verordening) en van de lidstaatoptie betreffende binnenlandse kredietkaarttransacties (artikel 4 van de verordening) is geen gebruik gemaakt, omdat kredietkaartbetalingen slechts een klein deel van de Nederlandse markt bestrijken, er voor de huidige Nederlandse afwikkelingsvergoedingen voor kredietkaarten geen uitzonderlijke situatie geldt en er ook overigens geen dwingende redenen zijn om in Nederland van deze opties gebruik te maken.

Doorberekening kosten ACM

Tenslotte regelt dit besluit de doorberekening aan de sector van de kosten van de ACM voor het houden van toezicht op de naleving en handhaving van de verordening. De toedeling van de nieuwe toezichtstaak aan de ACM en daarmee samenhangend de aanpassing van het Besluit doorberekening kosten ACM zijn in overeenstemming met de Minister van Economische Zaken tot stand gekomen, Uit artikel 6a, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt (Iw ACM) volgt dat in beginsel alle kosten van de ACM worden doorberekend aan marktorganisaties. Hierop zijn echter uitzonderingen gemaakt en mogelijk. De kosten van het nalevingstoezicht worden niet doorberekend indien er geen sprake is van een afgebakende groep marktorganisaties die van de werkzaamheden van de ACM profijt hebben of de baten van de doorberekening van de kosten niet opwegen tegen de kosten om door te berekenen (artikel 6a, derde lid). Ook kunnen bij algemene maatregel van bestuur andere kosten van doorberekening worden uitgezonderd (artikel 6a, vierde lid). Zoals in de brief d.d. 13 oktober 2016 van de Minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer betreffende de beantwoording van schriftelijke vragen bij de begroting van het Ministerie van Economische Zaken, deel economie, energie en innovatie, alsmede in de brief d.d. 18 november 2016 van de Staatssecretaris van Economische Zaken aan de Tweede Kamer naar aanleiding van de voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal d.d. 5 september 2016 is aangegeven, blijft het huidige kabinetsbeleid vooralsnog de basis voor doorberekening van kosten door toezichthouders aan het bedrijfsleven. Voor de doorberekening van de kosten van de ACM voor het houden van toezicht op de naleving van de verordening is derhalve uitgegaan van dit kabinetsbeleid.

In het Besluit doorberekening kosten ACM zijn de kosten van het toezicht dat de ACM houdt op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wft van doorberekening uitgezonderd. Het ACM-toezicht op de Wft strekt zich uit tot artikel 5:88 Wft dat ziet op toegang tot betalingssystemen. Het doorberekenen van de kosten van het toezicht op artikel 5:88 is uitgezonderd omdat de baten van doorbelasting niet opwegen tegen de kosten van de ACM om de kosten ten laste te brengen van marktorganisaties. Dit ligt anders voor het toezicht dat de ACM gaat houden op grond van de verordening. Door de omvang van het toezicht wegen de baten van het doorberekenen van de daarmee samenhangende kosten wel op tegen de kosten om dit door te berekenen. Bovendien is wat betreft de betaalkaartschema’s, uitgevers en accepteerders voldaan aan de voorwaarde van een afgebakende groep marktorganisaties. De kosten die de ACM maakt ten behoeve van het toezicht op winkeliers en technische dienstverleners worden niet doorberekend, omdat zij niet behoren tot een afgebakende groep. Derhalve wordt aan artikel 8, tweede lid, aanhef en onder g, een zinsnede toegevoegd, waarin is bepaald dat de uitzondering niet geldt voor het toezicht dat de ACM houdt op de naleving, door betaalkaartschema’s, uitgevers en accepteerders, van de verordening. Met de nieuwe toezichtstaak verandert er voorts niets aan de omvang van het toezicht dat de ACM uitoefent op artikel 5:88 Wft en worden de kosten die voortvloeien uit het toezicht op artikel 5:88 niet aan marktorganisaties doorberekend. In artikel 10 van het besluit worden per sector de kosten toegerekend aan de in het besluit vastgestelde categorieën. De categorieën dienen als hulpmiddel voor het transparant en zuiver administreren van kosten die de ACM maakt en doorberekent. De huidige categorieën zijn vastgesteld op basis van het volgende uitgangspunt: de marktorganisaties ten aanzien waarvan de ACM-werkzaamheden van een categorie zich uitstrekken vormen een afgebakende groep en de ACM voert gelijksoortige werkzaamheden of diensten uit voor die categorie. Daarmee is gewaarborgd dat marktorganisaties alleen betalen voor de kosten die de ACM maakt die op hen betrekking hebben. In verband met het toezicht dat de ACM op de verordening gaat uitoefenen wordt bij dit besluit aan artikel 10, tweede lid, de sector financieel toegevoegd met daarin de categorie betalingsverkeer. Daarbij wordt benadrukt dat de categorieën marktorganisaties waarop de ACM toezicht gaat houden in dit toezichtgebied niet noodzakelijkerwijs overeenkomen met velden van toezicht omdat een aantal artikelen van de verordening ziet op meerdere typen marktorganisaties. Zo kan er bij de toerekening worden uitgegaan van deelmarkten waarop meerdere van deze marktorganisaties actief zijn, bijvoorbeeld «debetkaarttransacties» en «kredietkaarttransacties». In dit opzicht is dit toezichtterrein anders dan veel andere toezichtterreinen waarop de ACM al actief is.

Uitgangspunt in het Besluit doorberekening kosten ACM voor de toedeling van kosten aan marktorganisaties is bij alle categorieën dat marktorganisaties naar rato van hun omvang betalen voor de werkzaamheden van de ACM: kleine partijen betalen minder, grote partijen betalen meer. Om te voorkomen dat de doorberekening van ACM-kosten een potentiële toetredingsdrempel vormt voor kleine partijen wordt als hoofdregel een omzetdrempel bij de kostentoedeling gehanteerd. De hoogte van de omzetgrens bedraagt € 2.000.000 voor alle sectoren. Aan marktorganisaties met een lagere omzet dan de omzetgrens worden geen kosten doorberekend. Voor marktorganisaties vallende in de categorie betalingsverkeer (te weten, betaalkaartschema’s, uitgevers en accepteerders) is er voor gekozen om voor de doorberekening een alternatieve verdeelsleutel te hanteren. Deze verdeelsleutel hanteert het aantal betalingstransacties met consumentenkaarten waarbij marktorganisaties als betaalkaartschema, uitgever dan wel accepteerder betrokken zijn. De ACM verwacht dat deze gegevens voor marktorganisaties eenvoudiger te achterhalen zijn en tot minder administratieve lasten leiden. Derhalve is een verdeelsleutel op basis van het aantal transacties in de praktijk meer geschikt dan de verdeelsleutel op basis van omzet. Hierbij wordt opgemerkt dat het aantal voor de doorberekening gehanteerde transacties voor betaalkaartschema’s wordt gebaseerd op het aantal transacties met consumentenkaarten waarbij het schema de afwikkelvergoedingen vaststelt. Het aantal transacties met consumentenkaarten voor uitgevers is het aantal transacties waarbij een betalingsdienstverlener voor kaarthouders optreedt als uitgever, en voor het aantal transacties met consumentenkaarten voor accepteerders geldt het aantal transacties waarbij een betalingsdienstverlener voor winkeliers optreedt als accepteerder. Bovendien is het aantal transacties met consumentenkaarten beperkt tot die transacties waarbij het verkooppunt, de uitgever en de accepteerder zich in Nederland bevinden.

De bedragen die door middel van toerekening aan marktorganisaties worden doorberekend worden bij ministeriële regeling vastgesteld. De Regeling doorberekening kosten ACM van 16 december 2014 voorziet daarin. De bedragen worden jaarlijks voor 1 mei vastgesteld. Deze bedragen worden vastgesteld op basis van de kosten van de ACM in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor de bedragen gelden. Dat betekent dat de bedragen in het kader van deze nieuwe toezichtstaak van de ACM gebaseerd zullen worden op de toezichtskosten die de ACM maakt met ingang van de datum waarop de wijziging van dit besluit in werking treedt en zij als toezichthouder wordt aangewezen en deze voor 1 mei 2017 zullen worden vastgesteld in de Regeling doorberekening kosten ACM. Deze bedragen zullen gelden voor het jaar 2017.

§ 4. Gevolgen

In zijn algemeenheid beoogt de verordening een concurrentiebevorderend effect te hebben op het betalingsverkeer door een betere werking van de interne markt en een vermindering van de transactiekosten voor consumenten. Dit besluit draagt hieraan bij. Dit besluit heeft in de eerste plaats gevolgen voor betalingsdienstaanbieders in geval van binnenlandse debetkaarttransacties. Daarvan is sprake als bij een op kaarten gebaseerde betalingstransactie zowel de betalingsdienstaanbieder van de begunstigde, de betalingsdienstaanbieder van de betaler en de begunstigde zelf zich in dezelfde lidstaat, in dit geval Nederland, bevinden. In dit besluit wordt een maximale vaste afwikkelingsvergoeding per transactie vastgesteld voor binnenlandse debetkaarttransacties. Daaronder blijft concurrentie mogelijk tussen betalingsdienstaanbieders. Nu de afwikkelingskosten die betalingsdienstaanbieders van begunstigden betalen doorberekend worden aan de begunstigden en deze laatsten deze kosten vervolgens weer in rekening zullen brengen bij de consument (surcharging), zal een verlaging van de afwikkelingskosten voor binnenlandse debetkaarttransacties ook leiden tot vermindering van de transactiekosten voor de consument. In geval van overtreding van de bepalingen uit de verordening kunnen de in dit besluit aangewezen toezichthouders handhavend optreden, onder meer door de in dit besluit vastgestelde sancties op te leggen. In de praktijk zullen de gevolgen voor betalingsdienstaanbieders en consumenten naar verwachting zeer beperkt zijn, omdat de afwikkelingsvergoedingen voor binnenlandse debetkaarttransacties in Nederland al zeer laag zijn en met dit besluit wordt beoogd dit lage niveau te continueren. Verder heeft dit besluit tot gevolg dat begunstigden (vaak winkeliers en handelaren, die niet tevens als consument zijn aan te merken), de mogelijkheid krijgen geschillen die uit hoofde van de verordening tussen hen en een betalingsdienstaanbieder kunnen ontstaan, kunnen voorleggen aan het Kifid.

Financiële gevolgen

De wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten kan financiële gevolgen hebben voor betalingsdienstaanbieders en consumenten, voortvloeiend uit het in artikel I, onderdeel E, ingevoegde nieuwe artikel 6a in het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten. Zoals reeds hiervoor is opgemerkt zullen de gevolgen, en daarmee ook de financiële gevolgen, voor betalingsdienstaanbieders en consumenten in de praktijk naar verwachting zeer beperkt zijn, omdat de afwikkelingsvergoedingen voor binnenlandse debetkaarttransacties in Nederland al zeer laag zijn. Met de invulling van de gekozen lidstaatoptie, zoals geregeld in artikel I, onderdeel E, is beoogd om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande praktijk van lage afwikkelingsvergoedingen voor binnenlandse debetkaarttransacties en vaste vergoedingen per transactie om zo de financiële gevolgen voor betalingsdienstaanbieders zo beperkt mogelijk te houden. Hierdoor zullen ook de inhoudelijke nalevingskosten voor betalingsdienstaanbieders en betaalkaartschema’s beperkt zijn. Betalingsdienstaanbieders die vóór de inwerkingtreding van de verordening een hogere afwikkelingsvergoeding voor binnenlandse debetkaarttransacties toepasten dan de thans vastgestelde maximale vergoeding zal dit besluit merkbare financiële gevolgen hebben. Dit betreft echter betalingsdienstaanbieders die een zeer klein marktaandeel vertegenwoordigen in het Nederlandse betalingsverkeer (minder dan 0,1%). De wijziging van het Besluit doorberekening kosten ACM noopt tot het aanleveren van gegevens door de betrokken marktorganisaties aan de ACM. De hieruit voortvloeiende administratieve lasten zullen echter beperkt zijn, omdat marktorganisaties deze transactiegegevens al moeten bijhouden om te beoordelen of voldaan wordt aan de verordening.

§ 5. Uitvoering en handhaving

Voor de uitvoering van het toezicht op de naleving en de handhaving van de verordening is aangesloten bij het bestaande toezicht- en handhavingsstelsel, zoals neergelegd in de Wft. In dit besluit zijn de ACM, AFM en DNB aangewezen als bevoegde instanties belast met de uitvoering van het toezicht op de naleving en de handhaving van de verordening. De ACM is aangewezen als bevoegde instantie voor wat betreft de artikelen 3 tot en met 6, 8, eerste lid en derde tot en met zesde lid, 10 en 11 van de verordening, DNB voor wat betreft artikel 7 van de verordening en AFM voor wat betreft de artikelen 8, tweede lid, 9 en 12 van de verordening. Deze aangewezen instanties kunnen daarbij gebruik maken van de bestaande reeds aan hen verleende wettelijke bevoegdheden. Naar verwachting kan de uitvoering en handhaving van de verordening plaatsvinden met gebruikmaking van deze bestaande bevoegdheden en bestaat geen aanleiding voor toekenning van nieuwe bevoegdheden. Op de door de ACM en AFM voor de uitvoering en handhaving van de verordening benodigde financiële middelen wordt hieronder ingegaan, onder het kopje Financiële gevolgen.

Bij de uitvoering van het toezicht op de naleving van de verordening hanteert de ACM een licht regime, waarbij steekproefsgewijze controle van marktpartijen plaatsvindt en naar aanleiding van onder meer signalen uit de markt. Redengevend voor de keuze voor dit regiem is het feit dat de afwikkelingsvergoedingen in Nederland ook vóór de inwerkingtreding van de verordening al laag waren en de kosten, waaronder de administratieve lasten voor marktpartijen, op deze manier beperkt blijven. De AFM houdt bij het toezicht op de naleving van deze verordening risicogestuurd toezicht, eveneens naar aanleiding van onder meer signalen uit de markt. Dit betekent dat ook de AFM in dit geval een licht regime hanteert, aangezien er bij de AFM ten aanzien van de onderwerpen uit de verordening waarop zij toezicht houdt vóór de inwerkingtreding van de verordening geen signalen bekend zijn. DNB hanteert bij de uitvoering van het toezicht op de naleving van de verordening eveneens een licht regiem. Reden hiervoor is dat er op dit moment in Nederland geen instelling is gevestigd die zowel diensten als betaalkaartschema als diensten voor de verwerking van betalingstransacties aanbiedt.

Ten aanzien van het bepalen van de sancties is ervoor gekozen om aan te sluiten bij het reeds bestaande sanctiestelsel, zoals neergelegd in de Wft. Voor een motivering van de gekozen hoogte van de bestuurlijke boetes die opgelegd kunnen worden in geval van overtreding van de verordening wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij onderdelen F en G van artikel I.

Uitvoerings- en handhavingstoets

Op verzoek van de Minister van Financiën, mede namens de Minister van Economische Zaken, heeft de ACM een uitvoerings- en handhavingstoets uitgevoerd ten aanzien van het onderhavige besluit. De ACM concludeert naar aanleiding van deze toets – kort samengevat – dat het besluit uitvoerbaar en handhaafbaar is als voorzieningen worden getroffen om de door de ACM gesignaleerde (potentiële) uitvoeringsproblemen te voorkomen en voor de uitvoering van het besluit aan de ACM voldoende middelen beschikbaar worden gesteld. Zo stelt de ACM voor om als verdeelsleutel voor de doorberekening van de toezichtkosten van de ACM aan de sector het aantal transacties te hanteren waarbij marktorganisaties als uitgever, accepteerder en/of als betaalkaartschema betrokken zijn, als alternatief voor de thans in artikel 12, tweede lid, van het Besluit doorberekening kosten ACM gehanteerde relevante omzet. Reden hiervoor is dat in de context van de specifieke toezichttaken van de ACM het hanteren van het omzetbegrip in dit geval relatief gecompliceerd is. Verder adviseert de ACM om bij het bepalen van de verdeelsleutel alleen die transacties te betrekken waarbij het verkooppunt zich in Nederland bevindt en zowel de uitgever van de betaalkaart als de accepteerder van de betaalkaart zich in Nederland bevinden. Hierdoor worden volgens de ACM de administratieve lasten van het toezicht beperkt. Beide adviezen van de ACM zijn in het besluit overgenomen.

Financiële gevolgen

Dit besluit heeft ook financiële gevolgen voor de aangewezen toezichthouders. Voor de ACM zijn de kosten die gemoeid zijn met het uitvoeren van toezicht op de artikelen 3 tot en met 6, 8, eerste lid en derde tot en met zesde lid, 10 en 11 van de verordening begroot op € 250.000 per jaar. Dit betreft onder meer kosten voor het controleren van de hoogte van de afwikkelingsvergoedingen bij betalingsdienstaanbieders, kosten voor voorlichting, communicatie en kennisopbouw, het beantwoorden van (interpretatie)vraagstukken van marktpartijen, het behandelen van klachten en rechtshandhavingskosten. Een deel van deze kosten zal worden doorberekend aan de sector op grond van de met dit besluit gewijzigde artikelen van het Besluit doorberekening kosten ACM. De kosten van het toezicht door de AFM zijn begroot op € 75.000 per jaar. Het toezichtbudget van de AFM is – met instemming van de Minister van Financiën – verhoogd met dit bedrag. Het toezicht door DNB wordt bekostigd binnen het bestaande toezichtbudget van DNB. De kosten voor het toezicht door de AFM en DNB worden op grond van de Wet bekostiging financieel toezicht doorberekend aan de onder toezicht staande instellingen.

§ 6. Advies en consultatie

Het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten en het Besluit doorberekening kosten ACM in verband met de uitvoering en handhaving van verordening (EU) nr. 2015/751 is ter consultatie voorgelegd op de website: www.internetconsultatie.nl. Aangezien de implementatie van de verordening slechts tot een beperkt aantal aanpassingen van regelgeving aanleiding geeft en de invulling van de lidstaatoptie van artikel 3 van de verordening momenteel reeds is opgenomen in het Besluit maximale afwikkelingsvergoedingen binnenlandse debetkaarttransacties, betrof de looptijd van deze consultatie twee weken (van 4 mei 2016 tot en met 18 mei 2016). Gedurende de consultatie van het ontwerpbesluit zijn drie reacties binnengekomen, te weten één reactie uit de financiële sector en twee reacties van burgers. Op verzoek van de indieners van deze reacties zijn deze niet openbaar. De reacties hebben met name betrekking op de kosten van toezicht op de naleving van de verordening. Zo is in de consultatiereactie afkomstig uit de financiële sector voorgesteld om de categorie betalingstransacties in artikel 10, tweede lid, onderdeel f, van het Besluit doorberekening kosten ACM verder onder te verdelen in de subcategorieën (i) uitgevers, (ii) accepteerders en (iii) betaalkaartschema’s. Deze reactie heeft niet geleid tot aanpassing van het ontwerpbesluit, omdat dit zou betekenen dat ook de toezichtkosten zouden moeten worden uitgesplitst naar elk van deze subcategorieën. Dit leidt tot uitvoeringsproblemen voor de ACM, omdat de ACM bij de uitvoering van het toezicht kijkt naar transacties tussen partijen dan wel naar regels waarbij meerdere partijen betrokken zijn. In dat kader wordt zo nodig bij alle betrokken partijen informatie opgevraagd door de ACM. Hierdoor is uitsplitsing van kosten praktisch niet goed uitvoerbaar.

De overige reacties hebben geen direct verband met de inhoud van dit besluit. Daarvoor wordt verwezen naar het consultatieverslag dat te vinden is op www.internetconsultatie.nl.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

B

Dit onderdeel strekt ertoe toezichthouders aan te wijzen. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan artikel 13, eerste lid, van de verordening. Daarin wordt bepaald dat lidstaten bevoegde autoriteiten aanwijzen die gemachtigd zijn de handhaving van de verordening te garanderen en dat aan die autoriteiten onderzoeks- en handhavingsbevoegdheden worden verleend. Aangezien artikel 7 van de verordening regels bevat die betrekking hebben op de soliditeit van op de financiële markten werkzame ondernemingen of de stabiliteit van het financiële stelsel, is DNB op grond van artikel 1:24, derde lid, Wft belast met de handhaving van artikel 7 van de verordening. De artikelen 8, tweede lid, 9 en 12 van de verordening bevatten regels die betrekking hebben op ordelijke en transparante financiëlemarktprocessen, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen of zorgvuldige behandeling van cliënten. Gelet hierop is de AFM op grond van artikel 1:25, derde lid, Wft belast met de handhaving van die artikelen van de verordening. De artikelen 3 tot en met 6, 8, eerste lid en derde tot en met zesde lid, 10 en 11 van de verordening bevatten mededingingsrechtelijke bepalingen betreffende de financiële markten. Op grond van artikel 1:25a, tweede lid, Wft is de ACM belast met de handhaving van die artikelen van de verordening.

C

Dit onderdeel bewerkstelligt dat het Kifid is belast met de buitengerechtelijke beslechting van geschillen die uit hoofde van deze verordening tussen begunstigden en hun betaaldienstaanbieders ontstaan. Deze aanwijzing vindt plaats op grond van artikel 1:25c Wft. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan artikel 15, eerste lid, van de verordening. Begunstigden in de zin van de verordening zullen in de meeste gevallen geen consument zijn. Om te voorkomen dat verschillende regimes met betrekking tot de geschillenbeslechting van toepassing zijn, afhankelijk van de partij bij het geschil (wel of geen consument), wordt aan artikel 3 een lid toegevoegd waarin een aantal bepalingen van de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten en van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft van overeenkomstige toepassing worden verklaard op situaties waarin de begunstigde geen consument is.

D

In dit onderdeel wordt, samen met de onderdelen F en G, uitvoering gegeven aan artikel 14 van de verordening. Daartoe is op grond van artikel 1:97, eerste lid, onderdeel e, Wft bepaald dat als in geval van overtreding van de artikelen 8, tweede lid, 9 en 12, eerste lid, van de verordening een bestuurlijke boete wordt opgelegd, de bevoegde autoriteit, in dit geval de AFM, het betreffende boetebesluit openbaar maakt. Openbaarmaking van het boetebesluit kan in deze gevallen bijdragen aan een effectievere naleving van de betreffende bepalingen uit de verordening. Het niet naleven van de betreffende artikelen betekent dat de consument onvolledig of foutief wordt geïnformeerd. Zeker waar het gaat om informatieverplichtingen ten behoeve van de consument is het van belang om het publiek direct na het opleggen van de boete te waarschuwen en te informeren, en daarmee niet te wachten tot het besluit onherroepelijk is geworden.

E

In dit onderdeel wordt een nieuw artikel 6a ingevoegd in het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten, ter invulling van de lidstaatoptie van artikel 3, derde lid, van de verordening (zie hetgeen daarover al is toegelicht in het algemeen deel van de toelichting). De gewogen gemiddelde afwikkelingsvergoeding op grond van deze optie is vastgesteld op maximaal € 0,02 per transactie. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding is enerzijds rekening gehouden met de huidige lage tarieven op de Nederlandse markt, maar anderzijds ook met het belang van marktwerking ten aanzien van afwikkelingstarieven en met de mogelijkheid van toetreding van nieuwe marktpartijen op het gebied van betalingsdienstverlening. De vastgestelde maximale gewogen gemiddelde afwikkelingsvergoeding geldt per betalingsdienstaanbieder binnen elk betaalkaartschema, waarbij wordt uitgegaan van de in artikel 3, derde en vierde lid, van de verordening bedoelde jaarlijkse transactiewaarde per betaalkaartschema. Uit de keuze voor vaststelling van een gewogen gemiddelde maximale vaste afwikkelingsvergoeding per transactie in plaats van een percentage van de gemiddelde jaarlijkse transactiewaarde, vloeit voort dat moet worden bepaald hoe deze gewogen gemiddelde afwikkelingsvergoeding dient te worden berekend. In het tweede lid van het nieuwe artikel 6a is geregeld dat de gewogen gemiddelde afwikkelingsvergoeding wordt berekend door voor alle binnenlandse debetkaarttransacties van een betalingsdienstaanbieder binnen een betaalkaartschema in een jaar de transactiewaarde te vermenigvuldigen met de toegepaste afwikkelingsvergoeding, en de som hiervan te delen door de som van de transactiewaardes van alle binnenlandse debetkaarttransacties van een betalingsdienstaanbieder binnen een betaalkaartschema.

Van de lidstaatoptie in artikel 3, derde lid, van de verordening kan slechts tijdelijk gebruik worden gemaakt, te weten tot 9 december 2020. Na die datum zal in beginsel de standaard vergoeding van 0,2% van de transactiewaarde per transactie gelden, zoals bepaald in artikel 3, eerste lid, van de verordening, dan wel kan gebruik worden gemaakt van één van de andere opties.

F en G

Artikel 14, eerste lid, van de verordening bepaalt dat lidstaten voorschriften vaststellen inzake de sancties voor inbreuken op de verordening en de nodige maatregelen nemen voor de daadwerkelijke toepassing daarvan. In de onderdelen F en G wordt hieraan uitvoering gegeven. Met de aanwijzing van DNB, AFM en ACM als bevoegde autoriteiten die belast zijn met de uitvoering en handhaving van de verordening binnen de Nederlandse rechtsorde zijn op grond van artikel 1:3a, eerste lid, Wft de bij of krachtens de verordening gestelde regels voor de toepassing van de Wft gelijkgesteld met regels ingevolge deze wet. Dit betekent met name dat de algemene procedurele regels in deel 1 van de Wft ook op de uitvoering en handhaving van de verordening van toepassing zijn. Op grond van artikel 1:79, eerste lid, onderdeel b, respectievelijk artikel 1:80, eerste lid, onderdeel b, Wft wordt in de onderdelen F en G van artikel 1 van dit besluit voorzien in de mogelijkheid tot het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete in geval van overtreding van de in die onderdelen genoemde bepalingen van de verordening. Gelet op de aard en ernst van overtreding van de voorschriften in de artikelen 3, eerste, derde en vierde lid, 4 tot en met 6, 7, vierde lid, 8, 10, eerste lid, en 11 van de verordening en gelet op het feit dat dit de kernbepalingen zijn van de verordening, is voor overtreding van deze artikelen gekozen voor boetecategorie 3. Bij overtreding van de overige artikelen is, op een paar uitzonderingen na, gekozen voor boetecategorie 2.

Artikel II

Met dit artikel worden de artikelen 8, 10 en 12 van het Besluit doorberekening kosten ACM gewijzigd.

Artikel III

Dit artikel bevat de inwerkingtredingsbepaling. Het besluit zal in werking treden met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, gelet op het feit dat reeds op 9 juni 2016 aan de Europese Commissie had moeten worden meegedeeld welke instanties zijn aangewezen als bevoegde autoriteiten belast met de handhaving van de verordening (artikel 13, vierde lid, van de verordening).

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

Bijlage I: Transponeringstabel

MIF artikel(lid)

Implementatie

Toelichting

1(1-4)

Behoeft geen implementatie

Betreft het toepassingsbereik van de verordening

1(5)

Behoeft geen implementatie

Betreft niet-gebruikte lidstaatoptie

2

Behoeft geen implementatie

Bevat de definities van de verordening

3(1)

Behoeft geen implementatie

Heeft rechtstreekse werking als geen gebruik wordt gemaakt van de lidstaatopties van het tweede of derde lid.

3(2)

Behoeft geen implementatie

Betreft niet-gebruikte lidstaatoptie

3(3)

Artikel 6a Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten op grond van artikel 89, eerste lid, Grondwet

Bevat invulling van de gekozen lidstaatoptie. Zie de toelichting onder Hoofdlijnen van het besluit, Verhouding tot hoger recht en de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel E

3(4-5)

Behoeft geen implementatie

Heeft rechtstreekse werking

4

Behoeft geen implementatie

Heeft rechtstreekse werking. Voor wat betreft binnenlandse kredietkaarttransacties is geen gebruik gemaakt van de lidstaatoptie.

5, 6 en 7 (1-5)

Behoeft geen implementatie

Hebben rechtstreekse werking

7(6)

Behoeft geen implementatie

Betreft regels voor EBA

8, 9, 10, 11 en 12

Behoeft geen implementatie

Hebben rechtstreekse werking

13(1-3)

Artikel 2 Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten op grond van de artikelen 1:24, derde lid, 1:25, derde lid, en 1:25a, tweede lid, Wet op het financieel toezicht

Betreft aanwijzing van de bevoegde autoriteiten die zijn belast met de uitvoering en de handhaving van de verordening. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel B

13 (4-6)

Behoeft geen implementatie

Heeft rechtstreekse werking

14(1)

Bijlagen 1 en 2 bij de artikelen 4 en 5 van het Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten op grond van de artikelen 1:79, eerste lid, onderdeel b, en 1:80, eerste lid, onderdeel b, Wet op het financieel toezicht

Betreft bepaling van de artikelen van de verordening waarop bij overtreding een last onder dwangsom dan wel een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdelen F en G

14 (2)

Behoeft geen implementatie

Betreft kennisgeving aan Europese Commissie

15(1)

Artikel 3 Besluit uitvoering EU-verordeningen financiële markten op grond van artikel 1:25c Wet op het financieel toezicht.

Betreft de aanwijzing van een orgaan dat belast is met de buitengerechtelijke beslechting van geschillen. Zie de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel C

16 (1)

Behoeft geen implementatie

Heeft rechtstreekse werking

16(2)

Behoeft geen implementatie

Betreft niet-gebruikte lidstaatoptie

17

Behoeft geen implementatie

Betreft evaluatieclausule

18

Behoeft geen implementatie

Betreft inwerkingtredingsbepaling


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.