Besluit van 8 december 2016, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet van 17 november 2016 tot wijziging van de Participatiewet, de Wet tegemoetkomingen loondomein, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met stroomlijning van de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet en enkele andere wijzigingen (Stb. 2016, 444)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 6 december 2016, nr. 2016-0000254326,

Gelet op artikel VII van de Wet van 17 november 2016 tot wijziging van de Participatiewet, de Wet tegemoetkomingen loondomein, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met stroomlijning van de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet en enkele andere wijzigingen (Stb. 2016, 444);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

  • 1. Artikel I, onderdelen A, onder a, en B, met uitzondering van artikel 10d, elfde lid, van de Participatiewet, van de Wet van 17 november 2016, tot wijziging van de Participatiewet, de Wet tegemoetkomingen loondomein, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met stroomlijning van de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet en enkele andere wijzigingen (Stb. 2016, 444) treedt in werking met ingang van 1 februari 2017 en werkt terug tot en met 4 juli 2016.

  • 2. De artikelen I, onderdelen A, onder b, en D, III, onderdeel B, en IV van de Wet van 17 november 2016, tot wijziging van de Participatiewet, de Wet tegemoetkomingen loondomein, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met stroomlijning van de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet en enkele andere wijzigingen (Stb. 2016, 444) treden, onder toepassing van artikel 12, eerste lid, van de Wet raadgevend referendum, in werking met ingang van 1 januari 2017.

  • 3. De artikelen II, III, onderdeel A, IIIA, V en VI van de Wet van 17 november 2016, tot wijziging van de Participatiewet, de Wet tegemoetkomingen loondomein, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met stroomlijning van de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet en enkele andere wijzigingen (Stb. 2016, 444) treden in werking met ingang van 1 februari 2017.

  • 4. Artikel I, onderdeel C, van de Wet van 17 november 2016, tot wijziging van de Participatiewet, de Wet tegemoetkomingen loondomein, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met stroomlijning van de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet en enkele andere wijzigingen (Stb. 2016, 444) treedt in werking met ingang van 1 januari 2018.

Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 8 december 2016

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma

Uitgegeven de vijftiende december 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Ingevolge artikel VII van de Wet van 17 november 2016, tot wijziging van de Participatiewet, de Wet tegemoetkomingen loondomein, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met stroomlijning van de loonkostensubsidie op grond van de Participatiewet en enkele andere wijzigingen (Stb. 2016, 444) wordt in dit besluit voorzien in de inwerkingtreding van de artikelen van die wet.

In het eerste lid worden de artikelonderdelen genoemd waarvan inwerkingtreding met terugwerkende kracht tot en met 4 juli 2016 noodzakelijk is. Zoals beschreven in de artikelsgewijze memorie van toelichting bij artikel VII van de wet wordt aan het nieuwe artikel 10d van de Participatiewet terugwerkende kracht verleend tot en met de indieningsdatum van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer (4 juli 2016). Dit houdt verband met twee maatregelen uit het wetsvoorstel waarop vanaf 4 juli 2016 kon worden geanticipeerd, de mogelijkheid om een vaste loonkostensubsidie van 50 procent van het wettelijk minimumloon in het eerste halfjaar van een dienstbetrekking te verstrekken en de mogelijkheid loonkostensubsidie te verstrekken voor schoolverlaters uit het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs of het mbo-entreeonderwijs die al werken.

Inwerkingtreding met terugwerkende kracht geldt ook voor de wijziging van de in artikel 6 van Participatiewet opgenomen omschrijving van de doelgroep loonkostensubsidie die samenhangt met de wijziging van artikel 10d, tweede lid, van de Participatiewet. Omdat de Wet raadgevend referendum (Wrr) voorschrijft dat wetten niet eerder in werking kunnen treden dan 8 weken na de mededeling in de Staatscourant dat over die wet een referendum kan worden gehouden, is gekozen voor inwerkingtreding met ingang van 1 februari 2017 met terugwerkende kracht tot en met 4 juli 2016.

Artikel 10d, elfde lid, van de Participatiewet dat overeenkomt met het eveneens niet in werking getreden oude artikel 10d, negende lid, treedt vooralsnog niet in werking.

In het tweede lid worden de artikelen en onderdelen daarvan genoemd waarvan inwerkingtreding met ingang van 1 januari 2017 noodzakelijk is. Dit betreft in de eerste plaats de wijziging van artikel 6, eerste lid, onderdeel g, en het nieuwe artikel 78cc van de Participatiewet inzake het nieuwe loonwaardebegrip bij de verstrekking van loonkostensubsidie. Inwerkingtreding met ingang van die datum is noodzakelijk omdat in het overgangsartikel 78cc van de Participatiewet is bepaald dat het oude loonwaardebegrip van toepassing blijft op loonkostensubsidies met betrekking tot perioden die gelegen zijn voor 1 januari 2017. Voor de goede orde zij opgemerkt dat gemeenten bij lopende gevallen het loonwaardepercentage niet per 1 januari 2017 behoeven te herzien, zij kunnen bij de verstrekking van de loonkostensubsidie per 1 januari 2017 hiervan uitgaan, uiteraard met dien verstande dat de loonwaarde met betrekking tot loonkostensubsidies vanaf 2017 een percentage is van het wettelijk minimumloon. Ook de wijziging van artikel 50 van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot harmonisering van de premiekorting voor mensen met scholingsbelemmeringen kan slechts ingaan op 1 januari 2017. Voor een nadere uitleg zij verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel VII van de wet. Ten slotte is inwerkingtreding per 1 januari 2017 nodig voor artikel IV. Het betreft de reparatie van de voorgezette werkregeling in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Behoudens enkele uitzonderingen, komen de eerste jonggehandicapten die een inkomensvoorziening op grond van hoofdstuk 2 van die wet hebben, vanaf die datum in de voorgezette werkregeling terecht. In verband met de noodzakelijke inwerkingtreding met ingang van 1 januari 2017 is in dit lid gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 12 van de Wrr.

Het derde lid bevat de overige artikelen en onderdelen daarvan waarvan inwerkingtreding ook op een later moment mogelijk is dan 1 januari 2017, zodat geen gebruik hoeft te worden gemaakt van de uitzondering van artikel 12 van de Wrr. Daarbij is gekozen voor inwerkingtreding met ingang van 1 februari 2017. Dit betreft onder meer het structureel maken van de no-riskpolis via UWV voor de gemeentelijke doelgroep banenafspraak en mensen die aangewezen zijn op beschut werk op grond van artikel 10b van de Participatiewet.

In afwijking daarvan treedt het nieuwe artikel 72 van de Participatiewet (artikel I, onderdeel C), ingevolge het vierde lid in werking met ingang van 1 januari 2018, omdat de door het kabinet toegezegde middelen, waarvoor onderhavige aanpassing van de Participatiewet noodzakelijk is, vanaf 2018 beschikbaar komen.

Tot slot zij opgemerkt dat de inwerkingtreding van artikel III, onderdeel C, niet in dit besluit wordt geregeld.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Klijnsma

Naar boven