Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2016, 445AMvB

Besluit van 15 november 2016, houdende wijziging van het Algemeen Rijksambtenarenreglement en het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 in verband met de uitbreiding van de topmanagementgroep en wijzigingen van de rechtspositie van de topmanagementgroep alsmede in verband met een wijziging van ondergeschikte aard

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 3 oktober 2016, nr. 2016-0000569041, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 19 oktober 2016, nr. W04.16.0311/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 28 oktober 2016, nr. 2016-0000670425, Directie Constitutionele Zaken en Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4, vijfde lid, onder a, komt als volgt te luiden:

  • a. de ambtenaar die is aangesteld als lid van de topmanagementgroep;

B

Artikel 7, vierde lid, komt als volgt te luiden:

  • 4. De ambtenaar die is aangesteld als lid van de topmanagementgroep wordt door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Minister voor een periode van maximaal zeven jaar benoemd in een bij ministeriële regeling aangewezen functie.

C

Artikel 68a, derde lid, onder a, komt als volgt te luiden:

  • a. voor een functie die is vastgesteld op grond van de regeling, bedoeld in artikel 7, vierde lid: € 541,36.

D

Artikel 108a vervalt.

E

Artikel 130d komt als volgt te luiden:

Artikel 130d

De ambtenaar die op 1 januari 2017 reeds werkzaam is in een functie genoemd in artikel 1, onder b, van de regeling, bedoeld in artikel 7, vierde lid, wordt met ingang van die datum geacht te zijn aangesteld overeenkomstig artikel 7, derde lid, en in die functie te zijn benoemd voor een periode van zeven jaar verminderd met de tijd dat hij de functie voor 1 januari 2017 heeft vervuld, doch voor een periode van ten minste drie jaar na die datum.

ARTIKEL II

Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, onder c, wordt als volgt gewijzigd:

c. salarisschaal:

een als zodanig in de bijlagen A of B van dit besluit vermelde reeks van genummerde salarissen;

B

Artikel 4, eerste lid, komt als volgt te luiden:

  • 1. Voor de ambtenaar, wiens ambt is vermeld in de bijlage A van dit besluit, geldt een salarisschaal die in de bijlage bij zijn ambt is aangegeven, of geldt het salaris dat in die bijlage bij zijn ambt is aangegeven.

C

Artikel 5, eerste lid, komt als volgt te luiden:

  • 1. Voor de ambtenaar, wiens ambt niet is vermeld in de bijlage A van dit besluit, geldt een salarisschaal als bedoeld in bijlage B van dit besluit.

D

Artikel 6, eerste lid, komt als volgt te luiden:

  • 1. Bij aanstelling wordt aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor zover voor hem een salarisschaal geldt, en de ambtenaar, bedoeld in artikel 5, het salaris toegekend, dat in de voor hem geldende salarisschaal is vermeld achter het salarisnummer 0.

E

In artikel 8, tweede lid, onderdeel b, wordt «€ 8.726,88» vervangen door «€ 9.379,12», «€ 8.912,07» vervangen door «€ 9.598,14» en «€ 9.098,26» vervangen door «€ 9.818,34».

F

Artikel 9 komt als volgt te luiden:

Artikel 9

In afwijking van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, wordt een salarisverhoging als bedoeld in dat artikel:

  • a. in de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 augustus 2015 vastgesteld op een bedrag van € 8.993,52, € 9.203,54 of € 9.414,69, en

  • b. in de periode van 1 september 2015 tot en met 31 december 2015 vastgesteld op een bedrag van € 9.105,94, € 9.318,58 of € 9.532,37.

G

Artikel 22b wordt als volgt gewijzigd:

De ambtenaar die is benoemd in een functie van secretaris-generaal, genoemd in de regeling, bedoeld in artikel 7, vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, heeft voor de duur van die benoeming aanspraak op een maandelijkse toeslag ter grootte van 5% van zijn salaris.

H

Bijlage A wordt vervangen door de bij dit besluit behorende gelijknamige bijlage.

ARTIKEL III

  • 1. Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

  • 2. Artikel II, onderdeel E, werkt terug tot en met 1 januari 2016.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij horende bijlage en nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 15 november 2016

Willem-Alexander

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

Uitgegeven de negenentwintigste november 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

BIJLAGE A

van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 bevattende een aantal ambten en de daaraan verbonden salarisschaal of het daaraan verbonden salaris (maandbedragen in euro)

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Lid van de topmanagementgroep, bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, die is benoemd in een functie als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Regeling aanwijzing TMG-functies

Schaal 19

nr.

0

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

salaris

7.479,61

7.705,27

7.936,89

8.169,15

8.400,80

8.653,50

8.906,19

9.159,50

9.379,12

9.598,14

9.818,34

Hoge Colleges van Staat

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Griffier

9.818,34

Raad van State

Secretaris

9.818,34

Ministerie van Algemene Zaken

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

Voorzitter

9.818,34

Ministerie van Buitenlandse Zaken

Secretaris-generaal

9.818,34

Directeur-generaal

9.818,34

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

De topmanagementgroep: uitbreiding en wijzigingen van de rechtspositie

In artikel 7, vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR), zoals deze luidde voor de inwerkingtreding van onderhavig besluit, waren de functiebenamingen opgenomen van de leden van de topmanagementgroep (TMG). Beoogd is deze functiebenamingen vast te stellen in een ministeriële regeling (Regeling aanwijzing TMG-functies) om de flexibiliteit in het aanwijzen van TMG-functies te vergroten. Om dit mogelijk te maken is het ARAR aangepast. Voorts is beoogd om in de nieuwe ministeriële regeling het aantal TMG-functies uit te breiden.

Om als rijksoverheid een wendbare en kwalitatief hoogwaardige organisatie te blijven, is een zekere mate van personeelsmobiliteit noodzakelijk (TK 2015/16, 31 490, nr. 193). Dit geldt zeker ook voor het topmanagement van de rijksoverheid. Voor leden van de TMG geldt sinds 2000 dat zij in principe voor een periode van maximaal zeven jaar worden benoemd (Stb. 2000, 554). Dit creëert de flexibiliteit die nodig is om de Rijksdienst toekomstbestendig te organiseren.

Eén van de randvoorwaarden voor flexibiliteit is volume. Enige massa in termen van aantal functies is nodig voor een goed werkende natuurlijke dynamiek van in-, door- en uitstroom. De Rijksdienst kent nu, vergeleken met de ruim 100.000 ambtenaren in Rijksdienst, een relatief kleine top van 67 TMG-leden. Het volume van de TMG wordt vergroot door binnen de totale groep van 541 topmanagers binnen het Rijk de scheidslijn tussen de TMG en de Algemene Bestuursdienst (ABD) te verschuiven.

De functies op salarisschaal 18-niveau worden aan de TMG toegevoegd, tenzij:

  • het een plaatsvervangend directeur-generaal of plaatsvervangend inspecteur-generaal betreft,

  • de functionaris een formatieve functie op salarisschaal 18 uitoefent maar geen lid is van de Bestuursraad of

  • de functionaris een formatieve functie op salarisschaal 18 uitoefent maar niet eindverantwoordelijk is voor een ambtelijke dienst.

De verhouding wordt daarmee 81 TMG-leden binnen de groep van 541 topmanagers.

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat alle TMG-leden topfunctionaris als bedoeld in artikel 1.1, onderdeel b, onder 1, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) zijn. De nieuwe TMG-functies vallen derhalve met ingang van 1 januari 2017 onder de reikwijdte van de WNT, waardoor de bezoldiging van betrokkenen overeenkomstig de bepalingen van die wet wordt genormeerd. Aangezien het overgangsrecht van de WNT in dit geval niet van toepassing is, mag de bezoldiging, bedoeld in artikel 1.1, onder e, van de WNT, met ingang van die datum niet meer bedragen dan het wettelijke bezoldigingsmaximum, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de WNT. Volgens de beschikbare gegevens over 2015 heeft echter geen van de zittende functionarissen in dat jaar een bezoldiging boven het wettelijk bezoldigingsmaximum. Om die reden wordt verwacht dat dit ook niet zo zal zijn na de inwerkingtreding van de Regeling aanwijzing TMG-functies. Mocht naderhand blijken dat een individuele functionaris voor de inwerkingtreding van die regeling bezoldigingsafspraken heeft en op basis van die afspraken na de inwerkingtreding van de regeling een bezoldiging zou genieten die hoger is dan het wettelijke bezoldigingsmaximum, dan kan in dat geval worden overwogen om in dat concrete geval met toepassing van artikel 2.4 van de WNT een uitzondering op de norm toe te staan, waarbij met overeenkomstige toepassing van artikel 7.3 van de WNT voor de desbetreffende functionaris een overgangsregeling wordt getroffen.

De wijziging van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984) betreft de introductie van salarisschaal 19 voor de functies die reeds voor inwerkingtreding van dit besluit zijn aangemerkt als TMG-functies en thans zijn opgesomd in artikel 1, onder a, van de nieuwe ministeriële regeling (Regeling aanwijzing TMG-functies). Daarnaast betreft de wijziging van het BBRA 1984 een gelijkschakeling van de salarissystematiek voor deze TMG-functionarissen met de systematiek die geldt voor de andere rijksambtenaren. Voor deze TMG-functies die worden bezoldigd met toepassing van bijlage A, wordt salarisschaal 19 uitgesplitst in tredes. Met de introductie van salarisschaal 19 in bijlage A wordt artikel 7 van het BBRA 1984 voor de desbetreffende TMG-leden zonder wijziging van toepassing. Artikel 7 van het BBRA 1984 bepaalt op welke wijze de medewerker in de salarisschaal de tredes doorloopt. Ook wordt door wijziging van artikel 6 van het BBRA 1984 de systematiek van het inschalen van toepassing op de TMG’er voor zover salarisschaal 19 geldt. Voor deze TMG-leden geldt artikel 8 van het BBRA 1984 echter niet. Artikel 8 regelt de verhoging van het salaris bij uitmuntend functioneren naar een naasthogere schaal of naar maximaal het niveau van schaal 19. Indien daar aanleiding voor is kan een periodieke toelage op grond van artikel 22a van het BBRA 1984 worden toegekend. Van belang is om bij het toekennen van toelagen de WNT in acht te nemen.

Voor de functies opgesomd in artikel 1, onder b, van de Regeling aanwijzing TMG-functies wijzigt de systematiek niet. Voor deze ambtenaren geldt salarisschaal 18 zoals die is opgenomen in bijlage B bij het BBRA 1984. Artikel 8 van het BBRA 1984 blijft van toepassing op de TMG-functionaris met een salarisschaal 18.

Met de centrales van overheidspersoneel is overeenstemming bereikt.

Verhoging van de bedragen bij uitstekend functioneren

Met toepassing van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van het BBRA 1984 kan het bevoegd gezag vanwege uitstekend functioneren één van de daarin genoemde bedragen toekennen aan een ambtenaar in schaal 18 die het maximumsalaris van de salarisschaal heeft bereikt. De genoemde bedragen zijn in dit besluit aangepast in verband met het Uitvoeringsakkoord Sectoroverleg Rijk van 24 april 2015 en de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2015–2016) van 2 oktober 2015 en de daarbij overeengekomen loonsverhogingen van de ambtenaren in dienst van het Rijk per 1 januari 2015, 1 september 2015 en 1 januari 2016. Vanaf 1 januari 2015 zijn de aangepaste salarisbedragen aan betrokkenen uitbetaald op basis van de circulaires «Toepassing Uitvoeringsakkoord sector Rijk» van 4 juni 2015 (Stcrt. 2015, 15672) en «Toepassing Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2015–2016)» van 16 oktober 2015 (Stcrt. 2015, 36581), waarin de juiste bedragen reeds waren vermeld.

De formalisering van het Uitvoeringsakkoord Sectoroverleg Rijk en de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2015–2016) is voor het overige reeds gerealiseerd in het Besluit van 14 december 2015 tot wijziging van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Ambtenaren 1984, het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken en het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst in verband met wijzigingen van de rechtspositie van het Rijkspersonen vanwege het Uitvoeringsakkoord Sectoroverleg Rijk van 24 april 2015 en de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2015–2016) van 2 oktober 2015 en in verband met de rechtspositie van het schoonmaakpersoneel dat in dienst van het Rijk wordt aangesteld alsmede in verband met enkele wijzigingen van technische aard (Stb. 2015, 531).

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Vanwege de uitbreiding van de TMG is dit artikel gewijzigd.

Onderdeel B

Sinds de instelling van het werkgeverschap voor de leden van de TMG in 2000 was in artikel 7, vierde lid, van het ARAR, limitatief opgesomd in welke functies de leden worden benoemd. De wijziging van artikel 7 van het ARAR betreft het schrappen van de TMG-functies uit het ARAR en het creëren van de bevoegdheid voor de Minister voor Wonen en Rijksdienst om functies bij ministeriële regeling aan te wijzen. Hierdoor is het mogelijk sneller in te spelen op de tendens van flexibilisering en mobiliteit binnen de Rijksdienst. De voorheen in dit artikellid genoemde functies zijn overgebracht naar de desbetreffende ministeriële regeling. In die regeling zijn ook nieuwe TMG-functies geïntroduceerd.

Onderdeel C

De wijziging van artikel 68a, derde lid, onder a, van het ARAR is nodig omdat de functiebenamingen uit het ARAR zijn geschrapt en zijn overgebracht naar een ministeriële regeling. Voor alle TMG-functies geldt dezelfde representatiekostenvergoeding.

Onderdeel D

Nu in de praktijk ook de salariswijzigingen uit bijlage A met vakbonden worden besproken en er overigens geen argumenten zijn om het onderscheid op het gebied van het voeren van overleg over de in artikel 105 bedoelde aangelegenheden te handhaven, is besloten dit artikel te schrappen. Dat betekent dat over wijzigingen van het BBRA 1984 betrekking hebbend op de ambten genoemd in bijlage A van het BBRA 1984 overleg dient te worden gevoerd met de vakbonden.

Onderdeel E

Dit artikel regelt het overgangsrecht voor degenen die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit al werkzaam zijn in een functie die nu wordt toegevoegd aan de TMG. Het betreft uitsluitend de functies genoemd in artikel 1, onder b, van de regeling, bedoeld in het nieuwe artikel 7, vierde lid, van het ARAR. De desbetreffende functionarissen worden van rechtswege aangesteld conform het nieuwe stelsel. Voorts regelt dit artikel de benoeming in de functie die de betrokken ambtenaar voor de inwerkingtreding van dit besluit reeds vervulde. Ten aanzien van de benoemingsperiode in deze functies regelt de bepaling dat deze wordt vastgesteld op het verschil tussen zeven jaar en de tijd die de functionaris tot aan de datum van inwerkingtreding van dit besluit de functie al vervulde, met dien verstande dat er rekening wordt gehouden met een overgangstermijn van ten minste drie jaar.

Voor functionarissen die vier jaar of korter hun huidige functie vervullen, betekent dit dat zij nog drie jaar of langer hun functie kunnen blijven vervullen. Voor functionarissen die langer dan vier jaar op hun functie zitten, zou een en ander betekenen dat de resterende benoemingsperiode korter is dan drie jaar. Omdat dit gelet op de rechtszekerheid onwenselijk wordt geacht, geldt in die gevallen in ieder geval nog een uiterste termijn van drie jaar na inwerkingtreding van dit besluit op 1 januari 2017. Voor de medewerker die op 1 januari 2015 is gestart in zijn functie, geldt derhalve als uiterste termijn van benoeming 1 januari 2022. De medewerker die op 1 januari 2010 is gestart, kan tot uiterlijk 1 januari 2020 de functie bekleden. Deze methodiek is dezelfde zoals toegepast bij de instelling van de TMG in 2000.

Artikel II

Onderdeel A

Artikel 2, onder c, is aangevuld met bijlage A. Met deze toevoeging is de gelijkschakeling bereikt van de salarissystematiek van de TMG-functionaris met de systematiek van de andere rijksambtenaren.

Onderdeel B

In artikel 4 is bepaald dat naast het vaste salarisbedrag ook een salarisschaal kan gelden. Dat betreft aldus de nieuwe salarisschaal 19 in bijlage A voor de desbetreffende TMG-leden.

Onderdeel C

Door de toevoeging in bijlage A van een salarisschaal is dit artikel geherformuleerd. Het artikel was niet van toepassing en is ook niet van toepassing geworden op de ambtenaar wiens ambt is vermeld in bijlage A. Voor de nieuwe TMG-leden die een salaris ontvangen volgens bijlage B verandert er niets. Voor hen blijft artikel 5 van toepassing.

Onderdeel D

Artikel 6 is ook van toepassing verklaard voor de TMG-leden voor wie salarisschaal 19 geldt. Daarmee is ook voor deze groep een salariëring naar het maximumniveau van de salarisschaal bij aanstelling geen gegeven meer. Er zal een keuze moeten worden gemaakt in welke trede deze nieuwe TMG’er wordt ingeschaald.

Onderdelen E en F

In artikel 8, tweede lid, onderdeel b, is voor de ambtenaar met salarisschaal 18 bepaald op welk bedrag het salaris kan worden vastgesteld in geval van een salarisverhoging bij uitstekend functioneren. De daarin genoemde bedragen moeten worden gewijzigd als gevolg van overeengekomen loonsverhogingen van de ambtenaren in dienst van het Rijk per 1 januari 2015, 1 september 2015 en 1 januari 2016. Artikel 8, tweede lid, onderdeel b, is gewijzigd zodat daarin wordt verwezen naar de bedragen zoals die luiden als gevolg van de meest recente loonsverhoging (met ingang van 1 januari 2016). De eerdere loonsverhogingen zijn thans uitsluitend relevant voor de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 augustus 2015 en de periode van 1 september 2015 tot en met 31 december 2015. Met het oog op de duidelijkheid zijn de betreffende bedragen die slechts in bedoelde periodes van toepassing zijn, daarom neergelegd in artikel 9.

Onderdeel G

Artikel 22b is gewijzigd omdat de functie van secretaris-generaal niet meer in het ARAR voorkomt maar in de op artikel 7, vierde lid, van het ARAR gebaseerde ministeriële regeling.

Onderdeel H

Bijlage A van het BBRA 1984 is gewijzigd. De wijziging betreft de introductie van tredes in salarisschaal 19 voor de TMG-leden op salarisschaal 19-niveau. Bijlage A verwijst naar de ministeriële regeling (groep a).

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.