Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2016, 252AMvB

Besluit van 22 juni 2016 tot wijziging van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, houdende een aanvulling en verduidelijking van de ten hoogste toegestane tijdsduur van de krachtens artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet bij wege van experiment toegestane afwijkingen (dertiende tranche)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 3 mei 2016, nr. IenM/BSK-2016/93244, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, in overeenstemming met Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst;

Gelet op artikel 2.4, eerste en derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet; De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 9 juni 2016, nr. W14.16.0120/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 16 juni 2016, nr. IenM/BSK-2016/123147, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, in overeenstemming met Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De aanwijzing van de bedrijventerreinen vindt plaats uiterlijk op 25 oktober 2012.

2. In het derde en vierde lid wordt «voor de duur van tien jaar» vervangen door: tot 25 oktober 2022.

B

In de artikelen 4 en 5 wordt «voor de duur van tien jaar» vervangen door: tot 17 juli 2020.

C

In artikel 4a wordt «voor de duur van tien jaar» vervangen door: tot 18 maart 2025.

D

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Dit artikel is van toepassing op aanvragen die vóór 17 juli 2025 zijn ingediend.

E

In artikel 6a wordt na «kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van gebiedsgericht bodembeheer of grondwaterbeheer» ingevoegd: vóór 6 maart 2018.

F

In artikel 6b wordt na «Voor woningen die» ingevoegd: vóór 1 januari 2021.

G

In artikel 6c wordt «voor de duur van ten hoogste vijftien jaar vanaf het tijdstip van zijn inwerkingtreding» vervangen door: tot 25 juli 2027.

H

In artikel 6d wordt «voor de duur van tien jaar» vervangen door: tot 18 maart 2025.

I

In artikel 6f wordt «voor de duur van tien jaar» vervangen door: tot 15 oktober 2022.

J

In artikel 6h wordt na «kunnen binnen de provincie Flevoland» ingevoegd: vóór 15 mei 2019.

K

In artikel 6i, tweede lid, wordt na «Dit artikel is» ingevoegd: tot 20 september 2019.

L

In artikel 7b wordt na «geldt voor de volgende bestemmingsplannen» ingevoegd: , voor zover deze worden vastgesteld vóór 20 september 2019,.

M

In artikel 7c wordt na het dertiende lid een lid toegevoegd, luidende:

  • 14. Van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte kan gebruik worden gemaakt:

    • a. voor de in de onderdelen a tot en met h van het dertiende lid genoemde plangebieden: tot 15 mei 2019;

    • b. voor het in onderdeel i van het dertiende lid genoemde plangebied: tot 20 september 2019;

    • c. voor het in onderdeel j van het dertiende lid genoemde plangebied: tot 18 maart 2020;

    • d. voor de in de onderdelen k tot en met s van het dertiende lid genoemde plangebieden: tot 9 september 2020.

N

Aan artikel 7d wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Van de in dit artikel bedoelde afwijkingsbevoegdheid kan gebruik worden gemaakt:

    • a. voor de in het tweede lid, onderdelen a en b, genoemde plangebieden: tot 15 mei 2019;

    • b. voor het in het tweede lid, onderdeel c, genoemde plangebied: tot 9 september 2020.

O

Artikel 7e wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt na «in de zin van artikel 6.3, aanhef en onder a,» ingevoegd: van de Wet ruimtelijke ordening.

2. In onderdeel a wordt na «voor de vaststelling van het bestemmingsplan» ingevoegd: , doch uiterlijk vóór 15 mei 2019,.

P

Artikel 7f wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Dit artikel is van toepassing op het in het eerste lid bedoelde bestemmingsplan, voor zover dit bestemmingsplan wordt vastgesteld vóór 1 juli 2018.

Q

Artikel 7g wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt na «Artikel 7c is op» ingevoegd: een gehele of gedeeltelijke herziening van.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Dit artikel is van toepassing op de gemeenten:

    • a. Breda;

    • b. Bussum;

    • c. Deventer;

    • d. Oldenzaal;

    • e. Soest;

    • f. Venlo;

    • g. Meerssen.

3. Na het vierde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Van de in dit artikel bedoelde bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt:

    • a. voor de in het vierde lid, onderdelen a tot en met f, genoemde gemeenten: tot 20 september 2019;

    • b. voor het in het vierde lid, onderdeel g, genoemde plangebied: tot 18 maart 2020.

R

In artikel 7h, eerste lid, wordt na «kan de gemeenteraad van de gemeente Meerssen» ingevoegd: uiterlijk op 20 september 2019.

S

In artikel 7i, derde lid, wordt na «in bijlage 48» ingevoegd: , voor zover het bestemmingsplan voor dit gebied wordt vastgesteld vóór 20 september 2019.

T

Artikel 7j wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «door de raad» ingevoegd: vóór 18 maart 2018.

2. In het tweede lid wordt «binnen de aangewezen gebieden» vervangen door: binnen de aangewezen locaties voor de duur van ten hoogste vijftien jaar na de inwerkingtreding van het voor die locaties vastgestelde bestemmingsplan».

3. In het vierde lid wordt na «de bestemming van gronden» ingevoegd: voor de aan te wijzen locaties.

4. In het vijfde lid wordt na «een voorlopige bestemming» ingevoegd: voor de aan te wijzen locaties.

5. Na het vijfde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Van de in het derde tot en met vijfde lid bedoelde afwijkingsbevoegdheid kan gebruik worden gemaakt tot 18 maart 2020.

U

In artikel 7k, eerste lid, wordt na «kunnen provinciale staten van Noord-Brabant» ingevoegd: uiterlijk op 18 maart 2020.

V

Artikel 7l wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na «kunnen provinciale staten van Noord-Brabant» ingevoegd: uiterlijk op 18 maart 2018.

2. In het derde lid wordt «kan het college van burgemeester en wethouders» vervangen door «kunnen burgemeester en wethouders» en wordt «vanuit dierenverblijven» vervangen door: vanuit binnen het aangewezen urgentiegebied gelegen dierenverblijven.

3. In het vierde lid wordt na «door burgemeester en wethouders» ingevoegd «vóór 18 maart 2020» en wordt «waarvoor door de raad» vervangen door: waarvoor door de raad vóór 18 maart 2022.

W

In artikel 7m wordt na «het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening» ingevoegd: tot uiterlijk 9 september 2025.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst en werkt terug:

  • a. voor de onderdelen A en D tot 17 juli 2010;

  • b. voor de onderdelen E en F tot 13 april 2011;

  • c. voor onderdeel L tot 6 juli 2013;

  • d. voor de onderdelen J, M, N en O tot 15 mei 2014;

  • e. voor de onderdelen K, Q, R en S tot 20 september 2014;

  • f. voor de onderdelen T, U en V tot 18 maart 2015, en

  • g. voor onderdeel W tot 9 september 2015.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 22 juni 2016

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Uitgegeven de vierde juli 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

Dit besluit bevat de zogenaamde dertiende tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Dit betreft een «tussentijdse» reparatietranche en bevat dus – anders dan de reguliere halfjaarlijkse tranches van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet – geen nieuwe experimenten of nieuwe deelnemers aan bestaande experimenten.

In artikel I wordt het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet gewijzigd. Aanleiding is de uitspraak van 3 februari 2016 die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deed in een zaak over het bestemmingplan «Spoorzone» van de gemeente Culemborg.1 Dit is een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte, dat is aangewezen als experiment in de zevende tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (2014). In deze uitspraak heeft de Afdeling aan enkele onderdelen van artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet verbindende kracht ontzegd, omdat in dit artikel in strijd met artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet niet de ten hoogste toegestane tijdsduur van de van belang zijnde afwijkingen is bepaald. Het gebruik kunnen maken van deze afwijkingen is aldus, anders dan voorgeschreven, niet in tijd beperkt.

In aansluiting op deze uitspraak deed de Afdeling bestuursrechtspraak op 17 februari 2016 uitspraak in een zaak over het inpassings- en exploitatieplan «Logistiek Park Moerdijk» van de provincie Noord-Brabant.2 Dit is een inpassingsplan dat is aangewezen als experiment in de negende tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. In deze uitspraak heeft de Afdeling aan het tweede lid van artikel 7k van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet verbindende kracht ontzegd, omdat in dit artikel in strijd met artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet niet de ten hoogste toegestane tijdsduur van de van belang zijnde afwijkingen is bepaald. Het gebruik kunnen maken van deze afwijking is aldus, anders dan voorgeschreven, niet in tijd beperkt.

Met deze dertiende tranche worden de geconstateerde gebreken in het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet gerepareerd. Dit betreft allereerst de artikelen 7c en 7k, waarop de bovengemelde uitspraken van de bestuursrechter betrekking hebben. Overigens behoeven de onderdelen van die artikelen, waaraan de verbindende kracht is ontzegd, niet opnieuw te worden vastgesteld. Herstel van dit gebrek vindt plaats door de terugwerkende kracht, die verbonden is aan de aanvulling van deze artikelen.

Deze reparatie is verder niet beperkt tot de artikel(onderdel)en waaraan door de Afdeling bestuursrechtspraak verbindende kracht is ontzegd. Er zijn meer artikelen in het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, die hun grondslag vinden in artikel 2.4 Crisis- en herstelwet. Voor al deze artikelen is nagegaan of deze voldoen aan de voorwaarde dat in het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet de ten hoogste toegestane tijdsduur van de afwijking of afwijkingen wordt bepaald. Alle artikelen waarbij dat niet het geval is, worden in deze dertiende tranche gerepareerd.

Daarbij zijn in het algemeen de volgende termijnen aangehouden, dit in aansluiting bij andere, vergelijkbare Chw-experimenten:

  • voor het vaststellen van een experimenteel bestemmingsplan, inpassingplan, visie of verordening: vijf jaar;

  • voor innovatieve (bouw)technieken: tien jaar;

  • voor experimenten met vergunningverlening: vijftien jaar, en

  • voor experimenten die zien op de realisatie van woningbouw: vijftien jaar.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de termijnen, genoemd in de overige artikelen van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet die zijn gebaseerd op artikel 2.4 Chw, te verduidelijken. In een aantal artikelen is reeds eerder een bepaalde termijn vervangen door een concrete einddatum (zie de artikelen 6d, onderdeel a, 6e, 6g en 7a). Die systematiek wordt nu doorgetrokken tot alle artikelen, die op deze zelfde grondslag zijn gebaseerd. Zo is voor al die experimenten bij eerste oogopslag meteen de ten hoogste toegestane tijdsduur van de in die artikelen toegestane afwijkingen duidelijk. Deze systematiek zal ook bij de nog in procedure zijnde elfde en twaalfde tranche en bij toekomstige tranches worden gevolgd. Uiteraard kan deze vervanging van termijnen door concrete data steeds pas plaatsvinden, nadat een tranche in werking is getreden. Dus telkens zal een volgende tranche een concretisering van de in de voorgaande tranche opgenomen termijnbepalingen bevatten. Voor de elfde en twaalfde tranche die tegelijkertijd of vlak na deze reparatietranche in werking zullen treden, vindt deze concretisering plaats in de eerstvolgende reguliere – dus veertiende – tranche waarvan de deadline voor aanmelding van nieuwe experimenten of nieuwe deelnemers aan bestaande experimenten op 1 maart 2016 is verstreken.

In artikel II wordt de inwerkingtreding van deze tranche geregeld. Gelet op de aard van de in deze tranche opgenomen wijzigingen, wordt met het oog op de geldigheid en rechtszekerheid van alle reeds op basis van de achtereenvolgende tranches op grondslag van artikel 2.4 Chw door bestuursorganen genomen of in voorbereiding zijnde besluiten gekozen voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht. De terugwerkende kracht wordt verleend tot de datum van inwerkingtreding van de eerste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, waarin het desbetreffende experiment was opgenomen.

Op grond van artikel 5.2a van de Chw is het ontwerpbesluit door de Minister van Infrastructuur en Milieu bij brieven van 4 april 2016 (IenM/BSK-2016/53973 respectievelijk IenM/BSK-2016/53989) voorgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal (Kamerstuk 32 127, nr. 215). De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu van de Tweede Kamer heeft op 19 april 2016 een aantal schriftelijke vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur en Milieu, die bij brief van 3 mei 2016 zijn beantwoord (Kamerstuk 32 127, nr. 216). De vaste commissie voor Infrastructuur en Milieu heeft deze antwoorden voor kennisgeving aangenomen.

Tegelijkertijd met de voorhang is het ontwerpbesluit voorgepubliceerd in de Staatscourant (29 maart 2016, nr. 14147). Naar aanleiding van de voorpublicatie zijn geen zienswijzen ontvangen.3

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A (artikel 3)

Vanuit het streven om de termijnstelling in de artikelen van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet te verduidelijken, zijn de in artikel 3 genoemde termijnen geharmoniseerd en vervangen door een concrete (eind)datum. Het artikel was oorspronkelijk opgenomen voor de gemeenten Amersfoort, Houten, Nieuwegein, Utrecht en Woerden in de eerste tranche. Later zijn de gemeenten Leusden (tweede tranche) en Nijmegen (derde tranche) toegevoegd. Voor harmonisering is gekozen voor de data die aansluiten bij de inwerkingtreding van de derde tranche (25 juli 2012), zodat de wijzigingen niet nadelig uitpakken voor de laatst toegetreden gemeente.

De in het tweede lid genoemde termijn van drie maanden is voor alle gemeenten waarbinnen dit artikel van toepassing is, inmiddels verstreken. Volledigheidshalve wordt ook deze datum geharmoniseerd en geconcretiseerd. Bij de in het derde en vierde lid genoemde termijn van tien jaar is onduidelijk of die termijn gaat lopen vanaf de datum van inwerkingtreding van de tranche, waarin de betrokken gemeente is opgenomen, of vanaf de datum waarop het college van burgemeester en wethouders van die gemeente de bedrijventerreinen heeft aangewezen. Met het vervangen van deze tienjaarstermijn door een vaste einddatum wordt aan deze onduidelijkheid een einde gemaakt. Deze einddatum (25 oktober 2022) is berekend aan de hand van de datum van inwerkingtreding van de derde tranche en rekeninghoudend met de aanwijzingstermijn van drie maanden, genoemd in het tweede lid.

Na deze harmonisering is bij eerste oogopslag meteen duidelijk tot welke datum dit experiment met miniwindturbines voor alle deelnemende gemeenten loopt.

Onderdeel B (artikelen 4 en 5)

Vanuit het streven om de termijnstelling in de artikelen van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet te verduidelijken, is in de artikelen 4 en 5 de geldende termijn van tien jaar na inwerkingtreding van de eerste tranche waarin deze artikelen waren opgenomen, vervangen door de daarmee overeenkomende einddatum (17 juli 2020). Zo is bij eerste oogopslag meteen duidelijk tot welke datum de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze experimenten loopt.

Onderdeel C (artikel 4a)

Vanuit het streven om de termijnstelling in de artikelen van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet te verduidelijken, is in artikel 4a de geldende termijn van tien jaar na inwerkingtreding van de negende tranche waarin dit artikel was opgenomen, vervangen door de daarmee overeenkomende einddatum (18 maart 2025). Zo is bij eerste oogopslag meteen duidelijk tot welke datum de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijking van het Bouwbesluit 2012 en van de vergunningplicht voor miniwindturbines loopt.

Onderdeel D (artikel 6)

Op grond van artikel 6 van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet is in het plangebied Spoorzone (gemeente Eindhoven) en in het projectgebied Dijckerwaal (gemeente Westland) de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op omgevingsvergunningen waarbij tijdelijk wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Deze experimenteerbepaling is in de derde tranche in artikel 6 opgenomen, zij het oorspronkelijk beperkt tot het gebied Strijp-S (gemeente Eindhoven). De uitbreiding tot de hele Eindhovense spoorzone dateert van de vijfde tranche; het projectgebied Dijckerwaal is toegevoegd in de zevende tranche.

In aansluiting bij de meest oorspronkelijke tekst van artikel 6 (eerste tranche) is gekozen voor een ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijking van de Wabo van vijftien jaar, gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van die tranche (17 juli 2010).

Onderdeel E (artikel 6a)

In artikel 6a is de mogelijkheid geopend om voor vier projecten voor de duur van ten hoogste vijftien jaar te experimenteren met besluitvorming in het kader van gebiedsgericht bodembeheer. Oorspronkelijk was dit artikel opgenomen in de tweede tranche. Bij latere tranches zijn nieuwe projectgebieden toegevoegd.

Met de genoemde termijn was beoogd de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijking te bepalen (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). Evenwel ontbreekt een begrenzing in de tijd waarbinnen deze afwijkingsbesluiten zelf genomen mogen worden. Die termijn wordt nu ingevoegd in dit artikel. De gekozen datum van 6 maart 2018 betekent een termijn van vijf jaar, gerekend vanaf de laatste uitbreiding van dit artikel in de vijfde tranche.

Onderdeel F (artikel 6b)

Voor het project De Mars in Zutphen met een collectieve warmtelevering ontbreekt een bepaling omtrent de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijking (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). In aansluiting op het vergelijkbare experiment in artikel 6c zou gekozen kunnen worden voor een afwijkingstermijn van ten hoogste vijftien jaar. Artikel 6b dateert van de tweede tranche, die op 13 april 2011 in werking is getreden. De einddatum zou dan uitkomen op 13 april 2026. Conform de Europese EPBD-richtlijn dienen vanaf eind 2020 alle nieuwe gebouwen bijna-energieneutraal te zijn. Het stellen van strengere eisen is dan ook niet wenselijk. Daarom is in afwijking van de einddatum 13 april 2026 gekozen voor de einddatum van 1 januari 2021. Zo is bij eerste oogopslag meteen duidelijk tot welke datum de ten hoogste toegestane tijdsduur van dit experiment loopt.

Onderdeel G (artikel 6c)

Vanuit het streven om de termijnstelling in de artikelen van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet te verduidelijken, is in artikel 6c de geldende termijn van ten hoogste vijftien jaar na inwerkingtreding van de derde tranche waarin dit artikel was opgenomen, vervangen door de daarmee overeenkomende einddatum (25 juli 2027). Zo is bij eerste oogopslag meteen duidelijk tot welke datum de ten hoogste toegestane tijdsduur van dit experiment loopt.

Onderdeel H (artikel 6d)

Vanuit het streven om de termijnstelling in de artikelen van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet te verduidelijken, is in onderdeel b van artikel 6d de geldende termijn van tien jaar na inwerkingtreding van de negende tranche waarin dit artikelonderdeel was opgenomen, vervangen door de daarmee overeenkomende einddatum (18 maart 2025). Zo is – net als bij het experiment in onderdeel a van dit artikel – bij eerste oogopslag meteen duidelijk tot welke datum de ten hoogste toegestane tijdsduur van dit experiment loopt.

Onderdeel I (artikel 6f)

Vanuit het streven om de termijnstelling in de artikelen van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet te verduidelijken, is in artikel 6f de geldende termijn van tien jaar na inwerkingtreding van de vierde tranche waarin dit artikel was opgenomen, vervangen door de daarmee overeenkomende einddatum (15 oktober 2022). Zo is bij eerste oogopslag meteen duidelijk tot welke datum de ten hoogste toegestane tijdsduur van dit experiment loopt.

Onderdeel J (artikel 6h)

In artikel 6h ontbreekt een bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijkingsmogelijkheid (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). Die termijn wordt nu ingevoegd in dit artikel. De gekozen datum van 15 mei 2019 betekent een termijn van vijf jaar, gerekend vanaf de inwerkingtreding van dit artikel (de zevende tranche). Een termijn van vijf jaar wordt geacht toereikend te zijn om in overleg tussen provinciebestuur en de gemeenten tot de met dit experiment beoogde aanwijzing van bestemmingsplannen te komen.

Onderdeel K (artikel 6i)

In artikel 6i ontbreekt een bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijkingsmogelijkheid (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). Die termijn wordt nu ingevoegd in dit artikel. De gekozen datum van 20 september 2019 betekent een termijn van vijf jaar, gerekend vanaf de inwerkingtreding van dit artikel (de achtste tranche).

Onderdeel L (artikel 7b)

In artikel 7b is de mogelijkheid geopend om bestemmingsplannen vast te stellen, waarvoor de in artikel 3.1 Wro opgenomen tienjaarlijkse actualiseringsplicht is verruimd tot twintig jaar. Oorspronkelijk was dit artikel opgenomen in de zesde tranche. In de achtste tranche is een nieuw bestemmingsplangebied toegevoegd.

Met de genoemde termijn van twintig jaar was beoogd de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijking te bepalen (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). Evenwel ontbreekt een begrenzing in de tijd waarbinnen de bedoelde bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld. Die termijn wordt nu ingevoegd in dit artikel. De gekozen datum van 20 september 2019 betekent een termijn van vijf jaar, gerekend vanaf de laatste uitbreiding van dit artikel. Deze termijn is toereikend om de in dit artikel genoemde bestemmingsplannen vast te kunnen stellen.

Onderdeel M (artikel 7c)

In artikel 7c is een begrenzing in de tijd opgenomen waarbinnen de in dit artikel bedoelde bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld en daarmee een bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijking, zoals bedoeld in artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet, die naar het oordeel van de Afdeling eerder ten onrechte ontbrak.

Deze aanvullende termijnbepaling is opgenomen in het veertiende lid. Voor de afzonderlijke tranches waarin plangebieden voor dit experiment met een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte zijn aangewezen, is een termijn van vijf jaar gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van die tranche. Een termijn van vijf jaar is toereikend om de in dit artikel genoemde bestemmingsplannen vast te kunnen stellen. In de elfde en twaalfde tranche is voorzien in een aanvulling van artikel 7c met nog weer nieuwe bestemmingsplangebieden. Ook voor die bestemmingsplannen zal deze vijfjaarstermijn gehanteerd worden.

Onderdeel N (artikel 7d)

Artikel 7d bevat alleen bestemmingsplannen die ook al zijn genoemd in artikel 7c. Voor de in artikel 7d toegekende bevoegdheden wordt daarom aangesloten bij de in artikel 7c toegevoegde bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van de afwijkingen, zoals bedoeld in artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet.

Onderdeel O (artikel 7e)

In artikel 7e ontbreekt een bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijkingsmogelijkheid (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). Die termijn wordt nu ingevoegd in dit artikel. De gekozen datum van 15 mei 2019 betekent een termijn van vijf jaar, gerekend vanaf de inwerkingtreding van dit artikel. Die termijn wordt bij dit specifieke experiment niet verbonden aan de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan, maar aan de in dit artikel voorgeschreven aankondigingstermijn voor een herziening van een bestemmingsplan. Als die termijn onbenut is verstreken, kan dus van deze experimenteerbepaling geen gebruik meer worden gemaakt.

Onderdeel P (artikel 7f)

Artikel 7f heeft betrekking op één bestemmingsplangebied dat ook al is genoemd in artikel 7a. Voor de in artikel 7f toegekende afwijkingsbevoegdheden wordt daarom aangesloten bij de in artikel 7a opgenomen bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van de afwijkingen, zoals bedoeld in artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet. In de zesde tranche was die termijn bepaald op de einddatum van 1 juli 2016. In de elfde tranche zal deze termijn worden verlengd tot 1 juli 2018. In aansluiting bij die voorgenomen verlenging, die reeds is voorgepubliceerd en voorgehangen, wordt in dit onderdeel P geanticipeerd op die latere datum. Naar verwachting zal de elfde tranche op dezelfde datum – anders niet veel eerder of later – in werking treden als deze dertiende tranche.

Onderdeel Q (artikel 7g)

Het tweede lid van artikel 7g faciliteert de mogelijkheid om de van rechtswege tot één bestemmingsplan aaneengesmede oorspronkelijke, afzonderlijke bestemmingsplannen als geheel of gefaseerd (dus partieel) te herzien in de met dit experiment beoogde richting van een gebiedsdekkend bestemmingsplan met verbrede reikwijdte.

In artikel 7g ontbreekt voorts een bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van de in het tweede lid bepaalde afwijkingsmogelijkheid (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). Gelet op de voornoemde uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak wordt ook voor dit experiment in het nieuwe vijfde lid een termijn bepaald, waarbinnen de besluitvorming omtrent de herziening(en) van deze bestemmingsplannen plaats moet vinden. De gekozen einddatum komt overeen met een termijn van vijf jaar, gerekend vanaf de datum van inwerkingtreding van de tranches, waarin de aan dit experiment deelnemende gemeenten zijn opgenomen. Om deze differentiatie in termijnen te kunnen aanbrengen in dit vijfde lid, is de redactie van het vierde lid gewijzigd. Die differentiatie is ook nodig, omdat bij de elfde en twaalfde tranche nieuwe deelnemers aan dit experiment worden toegevoegd.

Onderdelen R en S (artikelen 7h en 7i)

In de artikelen 7h en 7i ontbreekt een bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijkingsmogelijkheid (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). Die termijn wordt nu ingevoegd in deze artikelen. De gekozen datum van 20 september 2019 betekent een termijn van vijf jaar, gerekend vanaf de inwerkingtreding van dit artikel (de achtste tranche). Een termijn van vijf jaar lijkt toereikend om de in artikel 7h bedoelde omgevingsvisie en het in artikel 7i bedoelde bestemmingsplan vast te kunnen stellen.

Onderdeel T (artikel 7j)

In artikel 7j, eerste lid, ontbreekt een bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van de met dit experiment geboden afwijkingsmogelijkheid (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). Die termijn wordt nu ingevoegd in dit artikellid. De gekozen datum van 18 maart 2018 betekent een termijn van drie jaar, gerekend vanaf de inwerkingtreding van dit artikel (de negende tranche). Een termijn van drie jaar lijkt toereikend om de voor dit experiment geschikte locaties aan te laten wijzen door de gemeenteraad.

Ook in het tweede lid van artikel 7j ontbreekt een bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van de in dit lid geboden afwijkingsmogelijkheid (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). Die termijn wordt nu ingevoegd in dit artikellid. De gekozen datum van 18 maart 2030 betekent een termijn van vijftien jaar, gerekend vanaf de in het eerste lid genoemde einddatum. Die termijn van vijftien jaar sluit aan op de in het vierde en vijfde lid genoemde termijnen.

Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de redactie van artikel 7j op een enkel punt te verbeteren.

Onderdeel U (artikel 7k)

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak in haar uitspraak van 17 februari 2016 (no. 201503808/1/R6) heeft vastgesteld ontbreekt ook in artikel 7k een bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijkingsmogelijkheid (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). Die termijn wordt nu ingevoegd in het eerste lid. De gekozen datum van 18 maart 2020 sluit aan op de bij de diverse experimentele bestemmingsplannen gehanteerde termijn van vijf jaar na inwerkingtreding van de tranche waarin het betrokken experiment is opgenomen.

Onderdeel V (artikel 7l)

In artikel 7l, eerste lid, ontbreekt een bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijkingsmogelijkheid (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). Die termijn wordt nu ingevoegd in het eerste lid. De gekozen datum van 18 maart 2020 sluit aan op de bij de diverse andere experimenten gehanteerde termijn van vijf jaar na inwerkingtreding van de tranche waarin het betrokken experiment is opgenomen.

In het vierde lid worden termijnbepalingen opgenomen voor de bevoegdheden van burgemeester en wethouders en van de raad met betrekking tot het gebruik van een afwijkingsbevoegdheid binnen urgentiegebieden.

Deze termijnbepalingen sluiten op elkaar aan. Eerst stellen gedeputeerde staten van Noord-Brabant een experimentele verordening vast. Binnen dat vastgestelde kader wijzen burgemeester en wethouders vervolgens zogenaamde urgentiegebieden aan.

Voor die urgentiegebieden stelt de raad een verbeterplan vast en ter uitvoering van dat verbeterplan kunnen burgemeester en wethouders voor binnen die gebieden gelegen landbouwhuisdierverblijven de best beschikbare technieken aanscherpen.

Van de gelegenheid is voorts gebruik gemaakt de redactie van het derde lid te verduidelijken.

Onderdeel W (artikel 7m)

In artikel 7m ontbreekt een bepaling van de ten hoogste toegestane tijdsduur van deze afwijkingsmogelijkheid (artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder b, van de Crisis- en herstelwet). Die termijn wordt nu ingevoegd in dit artikel. De gekozen datum van 9 september 2025 sluit aan op de bij de diverse andere experimenten met bouwregelgeving gehanteerde termijnen, die variëren tussen vijf en vijftien jaar na inwerkingtreding van de tranche waarin het betrokken experiment is opgenomen.

Artikel II

Gelet op het primaire karakter van de in deze tranche opgenomen wijzigingen – een reparatie naar aanleiding van een onverbindendverklaring van enkele onderdelen van (artikel 7c en 7k van) het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet – is een uitzondering gemaakt op de vaste verandermomenten en de minimuminvoeringstermijnen voor een algemene maatregel van bestuur: het betreft reparatiewetgeving.

De artikelen in het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet dienden vanaf hun inwerkingtreding te voldoen aan de voorwaarden uit artikel 2.4 Crisis- en herstelwet. Op basis van deze artikelen zijn meer experimentele besluiten genomen dan de besluiten die tot de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak hebben geleid. Om ook aan deze reeds vóór de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak genomen besluiten volledige rechtszekerheid te bieden, is gekozen voor inwerkingtreding met terugwerkende kracht.

In dit specifieke geval pleit voor een reparatie met terugwerkende kracht dat het geconstateerde gebrek niet de inhoud van de experimenten raakt, maar de termijn waarbinnen deze kunnen worden uitgevoerd. Bijgevolg heeft de reparatie vooral een technisch karakter en is deze in zekere zin beperkt van aard, namelijk beperkt tot het alsnog opnemen van een termijn en het opnieuw vaststellen van de onverbindend verklaarde onderdelen. Deze reparatie lijkt inhoudelijk voor niemand nadelig te zijn. Van de in het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet gegeven bevoegdheid is reeds gebruik gemaakt of zal gebruik worden gemaakt binnen de (alsnog) gestelde termijn. Ten aanzien van reeds vastgestelde bestemmingsplannen of andere besluiten op basis van deze artikelen, heeft tegen de inhoud daarvan al rechtsbescherming open gestaan.

Al met al stuit terugwerkende kracht in deze specifieke situatie dus niet op bezwaren.

De terugwerkende kracht wordt verleend tot de datum waarop de eerste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, waarin het desbetreffende experiment – waarvoor een termijnbepaling ontbrak – was opgenomen, in werking trad:

  • voor de onderdelen A (artikel 3) en D (artikel 6) betreft dit de eerste tranche;

  • voor de onderdelen E (artikel 6a) en F (artikel 6b) de tweede tranche;

  • voor onderdeel K (artikel 6i) de achtste tranche;

  • voor de onderdeel L (artikel 7b) de zesde tranche;

  • voor de onderdelen M (artikel 7c), N (artikel 7d) en O (artikel 7e) de zevende tranche;

  • voor de onderdelen Q (artikel 7g), R (artikel 7h) en S (artikel 7i) de achtste tranche;

  • voor de onderdelen T (artikel 7j), U (artikel 7k) en V (artikel 7l) de negende tranche, en

  • voor onderdeel W (artikel 7m) de tiende tranche.

Aan de onderdelen van artikel I, die alleen een verduidelijking van een bestaande termijn bevatten, behoeft geen terugwerkende kracht te worden verleend. Dit betreft de onderdelen B (de artikelen 4 en 5), C (artikel 4a), G (artikel 6c), H (artikel 6d), I (artikel 6f), J (artikel 6h) en P (artikel 7f).

Het besluit bevat geen regels waaraan administratieve lasten verbonden zijn voor burgers en bedrijven.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

ECLI:NL:RVS:2016:201

X Noot
2

ECLI:NL:RVS:2016:399

X Noot
3

Er is weliswaar op 25 april 2016 een zienswijze ontvangen, maar die is vervolgens op 8 juni 2016 weer ingetrokken. Om die reden wordt deze zienswijze als niet ingediend beschouwd. In het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 9 juni 2016 (W14.16.0120/IV) wordt wel aan die reactie gerefereerd, omdat de Afdeling er niet van op de hoogte was dat die reactie net een dag eerder was ingetrokken.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.