Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatsblad 2016, 227AMvB

Besluit van 8 juni 2016, houdende wijzigingen van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst, het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren 1984, het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, het Reisbesluit binnenland en het Verplaatsingskostenbesluit 1989 in verband met het aanpassen van de normen voor de wekelijkse onafgebroken rusttijd en de term «werktijdregeling» aan de Arbeidstijdenwet, het invoeren van een rijksbrede gesprekcyclus alsmede in verband met enkele wijzigingen van ondergeschikte en wettechnische aard

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 19 april 2016, nr. 2016-0000227003;

Gelet op artikel 125 van de Ambtenarenwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 mei 2016, nr. W04.16.0099/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst van 2 juni 2016, nr. 2016-0000302967;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I ALGEMEEN RIJKSAMBTENARENREGLEMENT

Het Algemeen Rijksambtenarenreglement wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 17, derde lid, wordt «werktijdregeling» telkens vervangen door: arbeidstijdpatroon.

B

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste volzin wordt «voor de ambtenaren werktijdregelingen» vervangen door: voor de ambtenaar een arbeidstijdpatroon.

b. In de tweede en derde volzin wordt «werktijdregeling» telkens vervangen door: arbeidstijdpatroon.

2. In het achtste lid, onder a, wordt «hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren welke rusttijd éénmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren» vervangen door: hetzij ten minste 72 uren in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren, welke rusttijd kan worden gesplitst in onafgebroken rustperioden van elk ten minste 32 uren.

3. In het negende lid wordt «Van de voor de ambtenaar vastgestelde werktijdregeling» vervangen door: Van het voor de ambtenaar vastgestelde arbeidstijdpatroon.

4. In het tiende en elfde lid wordt «een werktijdregeling» telkens vervangen door: een arbeidstijdpatroon.

C

Artikel 22, negende lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. «de voor hem geldende werktijdregeling» wordt telkens vervangen door: het voor hem geldende arbeidstijdpatroon.

2. «waarop hij volgens de werktijdregeling dienst verricht» wordt vervangen door: waarop hij volgens het arbeidstijdpatroon dienst verricht.

D

In artikel 48a, tweede lid, wordt «de voor hem geldende werktijdregeling» vervangen door: zijn arbeidstijdpatroon.

E

Artikel 71 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «een functionaris» vervangen door: een leidinggevende functionaris.

b. onderdeel a en b komen te luiden:

  • a. de resultaten die de ambtenaar heeft behaald en de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd;

  • b. de opvatting van zowel de functionaris als de ambtenaar over het onder a besprokene, op basis waarvan de functionaris tot een uiteindelijke samenvattende conclusie komt;

c. in onderdeel c wordt na «welke werkzaamheden de ambtenaar zullen worden opgedragen» ingevoegd: , de omstandigheden waaronder deze zullen worden uitgevoerd»;

d. onderdeel d vervalt;

e. onderdeel e wordt vernummerd tot onderdeel d.

2. In het tweede lid wordt «de continuering van de loopbaan» vervangen door: de wenselijkheid en mogelijkheid van de continuering van de loopbaan in een andere functie.

3. Het derde en vierde lid komen te luiden:

  • 3. Over de in het eerste lid, onder c en d, genoemde onderwerpen worden met de ambtenaar afspraken gemaakt.

  • 4. Van het met de ambtenaar besprokene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt een schriftelijk verslag gemaakt.

4. In het vijfde lid wordt «Onze Minister» vervangen door «Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst» en wordt «een verslag daarvan» vervangen door: het verslag, bedoeld in het vierde lid.

ARTIKEL II AMBTENARENREGLEMENT STATEN-GENERAAL

Het Ambtenarenreglement Staten-Generaal wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2 wordt na «68a,» ingevoegd: 71,.

B

Na artikel 7 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 7a

  • 1. Met de ambtenaar wordt minimaal een keer per jaar door een leidinggevende functionaris, aangewezen door het bevoegd gezag, gesproken over:

    • a. De wijze waarop de ambtenaar de opgedragen werkzaamheden heeft uitgevoerd en de resultaten die daarbij zijn behaald;

    • b. De omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd;

    • c. Welke werkzaamheden de ambtenaar zullen worden opgedragen en welke resultaten daarbij behaald moeten worden;

    • d. De omstandigheden waaronder die op te dragen werkzaamheden zullen worden uitgevoerd;

    • e. De wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de ambtenaar bevorderd kan worden.

  • 2. Indien de ambtenaar gedurende vijf aaneengesloten jaren dezelfde functie heeft vervuld, wordt in het gesprek, bedoeld in het eerste lid, specifieke aandacht besteed aan de wenselijkheid en mogelijkheid van de continuering van de loopbaan in een andere functie.

  • 3. Over de in het eerste lid, onder c, d en e, genoemde onderwerpen worden met de ambtenaar afspraken gemaakt.

  • 4. Van het met de ambtenaar besprokene wordt een schriftelijk verslag gemaakt.

  • 5. Het bevoegd gezag stelt vast aan welke eisen een gesprek, als bedoeld in het eerste lid, alsmede het verslag daarvan moet voldoen.

ARTIKEL III BESLUIT PERSONENCHAUFFEURS RIJKSDIENST

In artikel 5, tweede lid, van het Besluit Personenchauffeurs Rijksdienst wordt «in de werktijdregeling» vervangen door: in het arbeidstijdpatroon.

ARTIKEL IV

In artikel III, onder 2, van het Besluit van 14 december 2015, houdende wijzigingen van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, het Besluit Personenchauffeurs Rijksdienst en het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in verband met het aanpassen van de systematiek van de opbouw van vakantie tijdens ziekte en enkele daarmee verband houdende wijzigingen vervalt telkens «bedraagt».

ARTIKEL V BEZOLDIGINGSBESLUIT BURGERLIJKE RIJKSAMBTENAREN 1984

Het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 17, achtste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. «de voor de ambtenaar geldende werktijdregeling» wordt vervangen door: het voor de ambtenaar geldende arbeidstijdpatroon als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

2. «van die werktijdregeling» wordt vervangen door: van dat arbeidstijdpatroon.

B

Artikel 17a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «krachtens een werktijdregeling als bedoeld in artikel 21 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement» vervangen door «krachtens een arbeidstijdpatroon als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement» en wordt «het krachtens de werktijdregeling vastgestelde rooster» vervangen door: het krachtens het arbeidstijdpatroon vastgestelde rooster.

2. In het derde lid wordt «de werktijdregeling» vervangen door: het arbeidstijdpatroon.

3. In het vijfde lid wordt «de voor de ambtenaar geldende werktijdregeling» vervangen door «het voor de ambtenaar geldende arbeidstijdpatroon» en wordt «van die werktijdregeling» vervangen door: van dat arbeidstijdpatroon.

C

In artikel 18a, eerste lid, wordt «krachtens een werktijdregeling» vervangen door: krachtens een arbeidstijdpatroon.

D

In artikel 23, tweede lid, wordt «krachtens een werktijdregeling» vervangen door: krachtens een arbeidstijdpatroon.

E

Bijlage B. van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984, bevattende de indelingsstructuur (hoofd- en niveaugroepen) waarbinnen de zwaarte van de functies wordt bepaald, alsmede de daarbij behorende salarisschalen voor de ambtenaren, wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tabel behorende bij Hoofdgroep I, onder schaal 3, trede 11, in de tabel behorende bij Hoofdgroep II, onder schaal 3, trede 11, schaal 4, trede 8, schaal 5, trede 6, en schaal 6, trede 3 en in de tabel behorende bij Hoofdgroep III, onder schaal 5, trede 6, en schaal 6, trede 8, wordt «2.151,29» telkens vervangen door: 2.151,97.

2. In de tabellen behorende bij Hoofdgroep V, onder schaal 15, trede 9, in de tabel behorende bij Hoofdgroep VI, onder schaal 15, trede 9, schaal 16, trede 6, schaal 17, trede 3, en schaal 18, trede 0, wordt «6.864,05» telkens vervangen door: 6.864,06.

3. In de tabel behorende bij Hoofdgroep VI wordt onder schaal 16, trede 8, schaal 17, trede 5, en schaal 18, trede 2, «7.273,71» telkens vervangen door: 7.273,17.

ARTIKEL VI REGLEMENT DIENST BUITENLANDSE ZAKEN

Het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 37 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het opschrift komt te luiden:

Artikel 37. Arbeidstijdpatroon, arbeidsduur, nachtdienst voor 55-plussers, dienst op feestdagen en afwijking van het vastgestelde arbeidspatroon

2. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste volzin wordt «voor de ambtenaren werktijdregelingen» vervangen door: voor de ambtenaar een arbeidstijdpatroon.

b. In de tweede en derde volzin wordt «werktijdregeling» telkens vervangen door: arbeidstijdpatroon.

3. In het achtste lid, onder a, wordt «hetzij ten minste 60 uren in elke aaneengesloten tijdruimte van 9 maal 24 uren welke rusttijd eenmaal in elke periode van 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uren» vervangen door: hetzij ten minste 72 uren in elke aaneengesloten periode van 14 maal 24 uren, welke rusttijd kan worden gesplitst in onafgebroken rustperioden van elk ten minste 32 uren.

4. In het negende lid wordt «Van de voor de ambtenaar vastgestelde werktijdregeling» vervangen door: Van het voor de ambtenaar vastgestelde arbeidstijdpatroon.

5. In het tiende, elfde en dertiende lid wordt «een werktijdregeling» telkens vervangen door: een arbeidstijdpatroon.

B

Artikel 41, negende lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. «de voor hem geldende werktijdregeling» wordt telkens vervangen door: zijn arbeidstijdpatroon.

2. «volgens de werktijdregeling» wordt vervangen door: volgens zijn arbeidstijdpatroon.

C

In artikel 41c wordt «de voor hem geldende werktijdregeling» vervangen door: zijn arbeidstijdpatroon.

D

In artikel 57, tweede lid, wordt «de voor hem geldende werktijdregeling» vervangen door: zijn arbeidstijdpatroon.

E

Artikel 78 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt «een functionaris» vervangen door: een leidinggevende functionaris.

b. onderdeel a en b komen te luiden:

  • a. de resultaten die de ambtenaar heeft behaald en de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd;

  • b. de opvatting van zowel de functionaris als de ambtenaar over het onder a besprokene, op basis waarvan de functionaris tot een uiteindelijke samenvattende conclusie komt;

c. in onderdeel c wordt na «welke werkzaamheden de ambtenaar zullen worden opgedragen» ingevoegd: , de omstandigheden waaronder deze zullen worden uitgevoerd»;

d. onderdeel d vervalt;

e. onderdeel e wordt vernummerd tot onderdeel d.

2. In het tweede lid wordt «de continuering van de loopbaan» vervangen door: de wenselijkheid en mogelijkheid van de continuering van de loopbaan in een andere functie.

3. Het derde en vierde lid komen te luiden:

  • 3. Over de in het eerste lid, onder c en d, genoemde onderwerpen worden met de ambtenaar afspraken gemaakt.

  • 4. Van het met de ambtenaar besprokene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt een schriftelijk verslag gemaakt.

4. In het vijfde lid wordt «Onze Minister» vervangen door «Onze Minister voor Wonen en Rijksdienst» en wordt «een verslag daarvan» vervangen door: het verslag, bedoeld in het vierde lid.

ARTIKEL VII REISBESLUIT BINNENLAND

Artikel 6, derde lid, van het Reisbesluit binnenland vervalt.

ARTIKEL VIII VERPLAATSINGSKOSTENBESLUIT 1989

In artikel 12a, tweede lid, onder b, van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 wordt «de voor hem geldende werktijdregeling» vervangen door: zijn arbeidstijdpatroon, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement of artikel 37, eerste lid, van het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken.

ARTIKEL IX INWERKINGTREDING

  • 1. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2016.

  • 2. Artikel IV en artikel V, onderdeel E, werken terug tot en met 1 januari 2016.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 8 juni 2016

Willem-Alexander

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

Uitgegeven de zeventiende juni 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen deel

1. Aanpassen van de normen voor de wekelijkse onafgebroken rusttijd en de term «werktijdenregeling» aan de Arbeidstijdenwet

De Arbeidstijdenwet (ATW) regelt de arbeids- en rusttijden van werknemers en stelt daarvoor normen die vanuit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en welzijn van de werknemer noodzakelijk zijn. De ATW is sinds 1997 niet alleen van toepassing op werknemers met een arbeidsovereenkomst op grond van het Burgerlijk Wetboek maar ook van toepassing op ambtenaren met een publiekrechtelijke aanstelling op basis van de Ambtenarenwet. De ATW is met ingang van 1 april 2007 gewijzigd. Een belangrijke reden voor de wijziging betrof het vereenvoudigen en deels verruimen van de normering. Deze wijziging was nog niet verwerkt in het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) en het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) omdat daarover in het Sectoroverleg Rijk nog geen overeenstemming kon worden bereikt met de centrales van overheidspersoneel, waardoor het ARAR en het RDBZ op enkele punten afweken van de ATW.

In het Uitwerkingsakkoord sectoroverleg Rijk van 24 september 2015 (Stcrt 2015, 33593) zijn afspraken gemaakt om de normen in het ARAR weer overeen te laten komen met die in de ATW. Dit besluit voorziet daarin; het betreft de bepalingen over de wekelijkse rusttijd en het gaan hanteren van de ATW-term arbeidstijdpatroon in plaats van werktijdenregeling. Voor normen waar de ATW nog de mogelijkheid biedt om met een collectieve regeling van de standaardregeling af te wijken – zoals het aantal diensten op zondag – zijn de in het ARAR en RDBZ opgenomen normen gehandhaafd.

Wekelijkse rusttijd

De normen voor de wekelijkse rusttijd zijn in de ATW geregeld in artikel 5:5 en in het ARAR in artikel 21, achtste lid, onder a, en in het RDBZ in artikel 37, achtste lid, onder a. De basisregel in het ARAR en RDBZ en de ATW over wekelijkse rust is gelijk, namelijk 36 uur rust in 7 dagen. Wanneer deze norm niet wordt gehanteerd, zijn de bepalingen over de dan te hanteren alternatieve norm voor wekelijkse rust echter verschillend. Dit verschil is ontstaan omdat in het ARAR en het RDBZ nog de oude ATW-bepaling over de rusttijd stond (ten minste 60 uren rusttijd per 9 dagen, welke eens in de 5 achtereenvolgende weken mag worden bekort tot 32 uur) terwijl deze in 2007 in de ATW is gewijzigd in: ten minste 72 uren rusttijd per 14 dagen, waarvan de rusttijd ook nog te splitsen is in perioden van ten minste 32 uur. Omdat de ATW ook op rijksambtenaren van toepassing is moest als gevolg van deze verschillen worden voldaan aan zowel de ATW-verplichtingen als aan de ARAR en RDBZ verplichtingen wanneer de norm van een wekelijkse rust van 36 uur in 7 dagen niet gevolgd werd. Dit onbedoelde effect – dat belemmerend werkte bij het inroosteren van diensten – wordt nu ongedaan gemaakt door in artikel 21, achtste lid, onder a, van het ARAR en in artikel 37, achtste lid, onder a, van het RDBZ de ATW-normen op te nemen.

Arbeidstijdpatroon

De ATW verplicht de werkgever in artikel 4:1a om voor iedere werknemer een arbeidstijdpatroon vast te stellen. In het ARAR is deze plicht opgenomen in artikel 21, eerste lid, maar daarbij wordt een andere term gehanteerd, namelijk werktijdregeling. Deze woordkeuze blijkt in praktijk tot het misverstand te leiden dat het bevoegd gezag een collectieve werktijdregeling moet treffen, terwijl bedoeld is dat voor iedere werknemer een individueel arbeidspatroon vast te leggen In het Uitwerkingsakkoord is daarom overeengekomen de term werktijdregeling in het ARAR en RDBZ te vervangen door arbeidstijdpatroon. Dit leidt tot een wijziging van de artikelen 17, 21, 22 en 48a van het ARAR en de artikelen 37, 41, 41c en 57 van het RDBZ. De term werktijdregeling wordt ook gebruikt in artikel 5 van het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst, in de artikelen 17, 17a, 18a en 23 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA 1984) en in artikel 12a van het Verplaatsingskostenbesluit 1989. Vanwege de wenselijkheid van consistentie wordt in die regelingen de term «werktijdregeling» ook vervangen door «arbeidstijdpatroon».

2. Rijksbrede gesprekscyclus

Het streven van het kabinet is om te blijven investeren in de kwaliteit van de medewerkers om het werk goed te kunnen blijven doen. Een belangrijk middel om deze doelstelling te bereiken is de inrichting van de gesprekcyclus, die de minister voor Wonen en Rijksdienst heeft geformuleerd als onderdeel van de uitwerking van de «Hervormingsagenda Rijksdienst».

Op dit moment verschillen de diverse organisatieonderdelen binnen de Rijksdienst wat betreft de inrichting van de gesprekscyclus. Het streven is om rijksbreed één gesprekscyclus in te richten, teneinde de eenvormigheid te bewerkstelligen, zoals voorgesteld door de Interdepartementale Commissie Organisatie- en Personeelsbeleid in haar advies «Sturen op kwaliteit en resultaat via de gesprekscyclus».

De wijze waarop de gesprekscyclus wordt ingericht, kent een logische volgorde volgens het 5R analysemodel, te weten Relatie, Richting, Ruimte, Resultaat en Rekenschap. De kern van dit 5R analysemodel is een volwassen relatie tussen leidinggevende en medewerker waar de leidinggevende richting en ruimte geeft en de medewerker resultaten levert, waarover hij rekenschap aflegt.

De gesprekscyclus wordt gekarakteriseerd door wederkerigheid in het gesprek; zowel de leidinggevende als de ambtenaar zijn eigenaar van het gesprek. Het is de bedoeling dat tussen de ambtenaar en de leidinggevende een dialoog tot stand komt over de aspecten die volgens het 5R model aan de orde komen: plannen, reflecteren op het functioneren, evalueren en concluderen.

Uiteindelijk resulteert dit in een samenvattende conclusie van de leidinggevende over de wijze waarop de ambtenaar de opgedragen werkzaamheden heeft uitgevoerd, wat logisch volgt uit de evaluatie van de behaalde resultaten en de omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd.

Uit de historie en achtergrond van artikel 71 ARAR en artikel 78 van het RDBZ blijkt dat de uitkomst van het functioneringsgesprek kan worden gebruikt als grondslag voor een besluit met rechtspositionele gevolgen. In de toelichting op artikel 71 van het ARAR en artikel 78 van het RDBZ werd daarbij verwezen naar de relatie die er is tussen het functioneringsgesprek en de toepassing van de artikelen 7 en 8 van het BBRA 1984. Daarom is het van belang dat de betrokken ambtenaar in de gelegenheid wordt gesteld om een reactie te geven op wat door de leidinggevende in het gesprek naar voren wordt gebracht en zich in het kader van de omstandigheden, waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd, kan uitlaten over de ondersteuning die de ambtenaar vanuit de organisatie heeft ervaren of over het functioneren van zijn leidinggevende. Hierdoor wordt ook nader invulling gegeven aan de professionele ruimte van de medewerker.

De huidige inhoud van artikel 71 van het ARAR en artikel 78 van het RDBZ sluit – vanwege de decentrale uitvoering – niet goed aan op de rijksbrede gesprekscyclus. Het functioneringsgesprek, zoals neergelegd in artikel 71 van het ARAR en artikel 78 van het RDBZ, is in zijn huidige vorm tot stand gekomen in verband met de formalisering van de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk 2000–2001. De betrokken partijen bij die Arbeidsvoorwaardenovereenkomst zijn daarbij overeengekomen om beloningsbeslissingen op het functioneringsgesprek te baseren. De ambtenaar kreeg daarbij een afdwingbaar recht op een gesprek, waarin onder meer wordt teruggekeken op het functioneren.

Het ligt derhalve in de rede genoemde artikelen te wijzigen. In artikel 71 van het ARAR en artikel 78 van het RDBZ wordt vastgelegd welke onderwerpen in het functioneringsgesprek aan de orde dienen te komen, wat moet terugkomen in de verslaglegging, en dat de minister voor Wonen en Rijksdienst nadere regels stelt.

Voor de ambtenaren van de Staten-Generaal gaat de rijksbrede gesprekscyclus niet gelden. Reden hiervoor is dat het bevoegd gezag van de ambtenaren van de Staten-Generaal niet gebonden is aan de Hervormingsagenda Rijksdienst waaruit de rijksbrede gesprekcyclus voortkomt, en de eigen regeling omtrent het functioneringsgesprek wenst te behouden omdat die aansluit op de situatie bij de Staten-Generaal. Voor de ambtenaren van de Staten-Generaal blijft daarom de huidige regeling van artikel 71 van het ARAR en artikel 78 van het RDBZ gelden. Dit wordt neergelegd in een nieuw ingevoegd artikel 7a in het ARSG.

3. Vervallen van artikel 6, derde lid, van het Reisbesluit binnenland

Artikel 6, derde lid, van het Reisbesluit binnenland regelde dat een ambtenaar aanspraak heeft op een vergoeding indien hij een dienstreis maakt met een niet van rijkswege verstrekt abonnement (ofwel een voor eigen gebruik aangeschaft abonnement). Nu iedere ambtenaar de beschikking heeft over een mobiliteitskaart voor dienstreizen per openbaar vervoer is deze mogelijkheid achterhaald. In het Sectoroverleg Rijk is daarom afgesproken dat deze mogelijkheid vervalt. Daarbij is tevens afgesproken dat indien het bevoegd gezag in de toekomst afziet van het verstrekken van een mobiliteitskaart aan alle ambtenaren voor dienstreizen per openbaar vervoer, deze mogelijkheid weer wordt ingevoerd.

II. Artikelgewijs

Artikel I, onderdeel A tot en met onderdeel D, artikel II, artikel V, onderdeel A tot en met D, Artikel VI en artikel VIII

De wijzigingen in artikel I, onderdeel B, onder 2, en artikel IV, onderdeel A, onder 3, hebben betrekking op de wijzigingen in de wekelijkse rusttijd. Deze onderdelen passen artikel 21, achtste lid, onder a, van het ARAR respectievelijk artikel 37, achtste lid, onderdeel van het RDBZ zo aan dat in het ARAR en het RDBZ in dit opzicht voortaan dezelfde normen voor wekelijkse rusttijd worden gehanteerd als in de ATW.

De overige wijzigingen hebben betrekking op de wijziging van de terminologie betreffende de regeling van arbeids- en rusttijden. Waar in het ARAR, Besluit Personenchauffeurs Rijksdienst, BBRA 1984, RDBZ en het Verplaatsingskostenbesluit 1989 werd gesproken van «werktijdregeling» is dit gewijzigd in «arbeidstijdpatroon», de term die ook in artikel 4:1a van de ATW wordt gebruikt.

Artikel I, onderdeel E, artikel II en artikel VI, onderdeel E

Deze onderdelen regelen de invoering van de rijksbrede gesprekscyclus. Met de artikelen I, onderdeel E, en VI, onderdeel E, worden de benodigde wijzigingen in het ARAR en het RDBZ gedaan. Artikel II regelt dat de rijksbrede gesprekscyclus niet gaat gelden voor ambtenaren in dienst van de Staten-Generaal, doordat artikel 71 van het ARAR voor deze ambtenaren buiten toepassing wordt verklaard. In plaats daarvan wordt de huidige regeling van artikel 71 van het ARAR en artikel 78 RDBZ neergelegd in het ARSG in het nieuw ingevoegde artikel 7a.

Hieronder worden de wijzigingen in artikel 71 van het ARAR en artikel 78 van het RDBZ besproken.

Eerste lid

Het eerste lid, onderdeel a, is een samenvoeging van de voormalige onderdelen a en b. Hiermee wordt duidelijker dat de uitvoering van de werkzaamheden, de behaalde resultaten en de omstandigheden waaronder dit is gedaan een samenhangend geheel vormen.

In het nieuwe onderdeel b, is aangegeven dat de leidinggevende functionaris die het gesprek met de ambtenaar voert (verder: de leidinggevende) en de ambtenaar reflecteren op de uitvoering van werkzaamheden, behaalde resultaten en de omstandigheden waaronder dit is gedaan. Het delen van opvattingen hierover benadrukt het tweezijdige karakter van het functioneringsgesprek. De leidinggevende geeft op basis van het gesprek hierover een uiteindelijke samenvattende conclusie. De toevoeging van het woord «uiteindelijk» maakt duidelijk dat de leidinggevende een eventueel reeds eerder gegeven conclusie of toelichting daarop kan bijstellen naar aanleiding van het gesprek.

Het nieuwe onderdeel b sluit aan op de historie en achtergrond van artikel 71 van het ARAR en artikel 78 van het RDBZ, waarbij werd afgesproken dat functioneringsgesprekken de basis kunnen zijn voor beloningsbeslissingen. Tevens sluit de toevoeging aan op de huidige departementale gesprekcyclussen, waarin ook is voorzien in een samenvattende conclusie van de leidinggevende die rechtspositionele consequenties kan hebben. De conclusie is niet gericht op rechtsgevolg, maar op basis van de conclusie van de leidinggevende kunnen door het bevoegd gezag wel (rechtspositionele) besluiten worden genomen. Dit kunnen bijvoorbeeld een bevordering naar een hogere salarisschaal of het al dan niet toekennen van een periodiek zijn. Tegen deze besluiten kan de ambtenaar uiteraard bezwaar maken. Als de ambtenaar het oneens is met de conclusie van de leidinggevende kan deze desgewenst vragen om een formele beoordeling conform de regels en afspraken die daarover bestaan (artikel 71a van het ARAR en artikel 79 van het RDBZ) en desgewenst bezwaar maken tegen de alsdan vast te stellen formele beoordeling. Op deze mogelijkheid zal de ambtenaar expliciet worden gewezen.

Derde en vierde lid

Het derde en vierde lid zijn omgedraaid, om zo de logische volgorde in de procedure van de gesprekscyclus aan te geven. De rapportageverplichting, die voorheen was voorgeschreven in het derde lid, is verplaatst naar het vierde lid. In dat nieuwe vierde lid is duidelijker tot uitdrukking gebracht dat alle in het eerste lid vermelde onderwerpen van gesprek, alsmede de afspraken, worden neergelegd in een gespreksverslag. Hiermee wordt beoogd dat eenvormigheid wordt gestimuleerd wat betreft de te bespreken onderwerpen. Daarnaast wordt voorkomen dat afspraken niet in het gespreksverslag worden opgenomen.

Vijfde lid

In het vijfde lid van artikel 71 van het ARAR wordt geregeld dat het de minister voor Wonen en Rijksdienst is die nadere regels stelt, in plaats van iedere minister afzonderlijk. Vanwege het vijfde lid vervallen de eerder op grond van dit artikel opgestelde departementale regelingen. Deze wijziging maakt duidelijk dat het een rijksbrede gespreksregeling betreft, waarvoor de minister voor Wonen en Rijksdienst rijksbreed nadere regels stelt om de eenvormigheid over alle departementen, heen te bewerkstelligen. Dit betreft onder meer nadere regels over de eisen die aan het gesprek en het verslag worden gesteld, transparantie over de informanten die de leidinggevende heeft geraadpleegd om tot zijn conclusie te komen en de formulering van de conclusie van de leidinggevende. In het vijfde lid is tevens verduidelijkt dat het verslag is het verslag waar het vierde lid betrekking op heeft.

Artikel IV

Dit onderdeel herstelt een technische omissie in artikel III, onder 2, van het Besluit van 14 december 2015, houdende wijzigingen van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, het Besluit Personenchauffeurs Rijksdienst en het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in verband met het aanpassen van de systematiek van de opbouw van vakantie tijdens ziekte en enkele daarmee verband houdende wijzigingen. De wijziging kon in de elektronische voorziening waarmee toegang wordt geboden tot geconsolideerde nationale wet- en regelgeving, worden doorgevoerd, maar dit vormt geen officiële publicatie in de zin van de Bekendmakingswet. Daarom is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de omissie in de wijzigingsopdracht te herstellen. Omdat het gaat om herstel van een technische omissie wordt de wijziging met terugwerkende kracht gedaan.

Artikel V, onderdeel E

Met het Besluit van 14 december 2015 tot wijziging van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Ambtenaren 1984, het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Ambtenarenreglement Staten-Generaal, het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken en het Besluit personenchauffeurs Rijksdienst in verband met wijzigingen van de rechtspositie van het Rijkspersonen vanwege het Uitvoeringsakkoord Sectoroverleg Rijk van 24 april 2015 en de Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2015–2016) van 2 oktober 2015 en in verband met de rechtspositie van het schoonmaakpersoneel dat in dienst van het Rijk wordt aangesteld alsmede in verband met enkele wijzigingen van technische aard (Stb. 2015, 531) is uitvoering gegeven aan de loonsverhoging per 1 januari 2016 van de ambtenaren in dienst van het Rijk. Hiertoe is Bijlage B. van het BBRA 1984 bevattende de indelingsstructuur (hoofd- en niveaugroepen) waarbinnen de zwaarte van de functies wordt bepaald, alsmede de daarbij behorende salarisschalen voor de ambtenaren opnieuw vastgesteld. Een aantal loonbedragen is daarbij niet helemaal juist vastgesteld. Dit onderdeel herstelt die omissie.

Artikel IX

Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2016. Aan artikel IV en artikel V, onderdeel E, wordt terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2016 verleend. Bij artikel IV gaat het om herstel van een wetstechnische omissie. Met artikel V, onderdeel E, worden met terugwerkende kracht een aantal onjuist vastgestelde salarisbedragen gecorrigeerd. In twee van de drie gevallen leidt dit tot een (marginaal) hoger salarisbedrag. Het salarisbedrag van artikel V, onderdeel E, onder c, wordt weliswaar net iets lager maar het verschil is zodanig klein dat dit niet tot benadeling van individuele ambtenaren leidt. Vanaf 1 januari 2016 zijn de juiste salarisbedragen aan betrokkenen uitbetaald op basis van de circulaire «Toepassing Arbeidsvoorwaardenovereenkomst sector Rijk (2015–2016)» van 16 oktober 2015 (Stcrt. 2015, 36581), waarin de juiste bedragen staan vermeld.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.