Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2016, 139Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 1 april 2016 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 9 december 2015 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving) (Stb. 2015, 521)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 30 maart 2016, nr. IENM/BSK-2016/68268, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen IX en X, derde lid, van de wet van 9 december 2015 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving) (Stb. 2015, 521);

Hebben goedgevonden en verstaan:

Enig artikel

  • 1. De wet van 9 december 2015 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving) (Stb. 2015, 521) treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst.

  • 2. Artikel X van de wet, bedoeld in het eerste lid, vervalt met ingang van 1 januari 2018.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit dat met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 1 april 2016

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

Uitgegeven de dertiende april 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Met de inwerkingtreding van de wet van 9 december 2015 tot wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving) (hierna: wet VTH) met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin dit besluit wordt gepubliceerd, wordt afgeweken van de vaste verandermomenten en van de invoeringstermijn. Deze afwijkingen zijn gerechtvaardigd omdat dit, gelet op de doelgroep, aanmerkelijke ongewenste publieke nadelen voorkomt (aanwijzing 174, onder 4, onder a, van de aanwijzingen voor de regelgeving). Het is van belang dat de in de praktijk reeds sinds geruime tijd functionerende omgevingsdiensten zo spoedig mogelijk een wettelijke grondslag krijgen. Daarmee wordt de continuïteit van de omgevingsdiensten geborgd en wordt het risico weggenomen dat individuele gemeenten zich uit de omgevingsdiensten terugtrekken. Het belang van een spoedige inwerkingtreding is ook tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer benadrukt1.

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer2 is ook aangegeven dat de netwerkomgevingsdiensten zich zullen moeten herpositioneren als openbaar lichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel X, dat het overgangsrecht voor die omgevingsdiensten regelt, zal met ingang van 1 januari 2018 vervallen. De omgevingsdiensten krijgen hiermee voldoende tijd om zich om te vormen tot openbaar lichaam.

Met ingang van het tijdstip waarop de wet VTH in werking treedt, zal ook een wijziging van de Regeling omgevingsrecht in werking treden, waarin bestaande «kringen van gemeenten» worden aangewezen op grond van artikel 5.3, eerste lid, van die wet. Deze «kringen van gemeenten» hebben per kring een omgevingsdienst ingesteld waarmee wordt afgeweken van de gewenste situatie, namelijk dat de omgevingsdienst samen valt met een of meer veiligheidsregio’s.

De wijziging van het Besluit omgevingsrecht waarvoor een aantal artikelen van de wet VTH de grondslag vormt, zal op een later tijdstip in werking treden. Deze artikelen van de wet VTH bieden voldoende basis voor de huidige artikelen van hoofdstuk 7 van het Besluit omgevingsrecht die oorspronkelijk waren gebaseerd op artikel 5.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van de wet VTH.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Kamerstukken II 2014/15, 33 872, nr. 7, bladzijden 5 en 30.

X Noot
2

Kamerstukken II 2015/16, 33 872, nr. 18, bladzijden 14 en 15