Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2015, 96AMvB

Besluit van 11 februari 2015, houdende regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Infrastructuur en Milieu (Kaderbesluit subsidies I en M)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 8 juli 2014, nr. IenM/BSK-2014/135720, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 4, eerste en tweede lid, en 5 van de Kaderwet subsidies I en M;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 september 2014, no.W14.14.0233IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 9 februari 2015, nr. IenM/BSK-2015/22855, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

aanvrager:

natuurlijk persoon of rechtspersoon die een subsidie aanvraagt op grond van een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2;

algemene groepsvrijstellingsverordening:

Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard («de algemene groepsvrijstelling») (PbEU 26.6.2014, L187/1), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

de-minimis verordening:

Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L352/1), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de de-minimissteun in de visserij -en aquacultuursector (PbEU 28.6.2014, L190), Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 2017 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, (PbEU 1.7.2014, L193) dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;

Europees steunkader:

een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) heeft vastgesteld;

ondernemer:

een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die een onderneming in stand houdt;

onderneming:

iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;

penvoerder:

de door een samenwerkingsverband aangewezen natuurlijk persoon of rechtspersoon die als gemachtigde van het samenwerkingsverband optreedt;

samenwerkingsverband:

een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van uitvoering van activiteiten;

wet:

Kaderwet subsidies I en M.

HOOFDSTUK 2. VERSTREKKEN VAN SUBSIDIE

Artikel 2

  • 1. Onze Minister kan op aanvraag voor activiteiten op gebieden genoemd in artikel 3, eerste lid, van de wet, subsidie verstrekken volgens de regels van dit besluit en overeenkomstig de bij ministeriële regeling bepaalde regels.

  • 2. De hoofdstukken 3 tot en met 11 van dit besluit zijn niet van toepassing op:

    • a. per boekjaar verstrekte subsidies als bedoeld in artikel 4:58 van de Algemene wet bestuursrecht;

    • b. subsidies die worden verstrekt op basis van of in nauwe samenhang met een bindend besluit van de Raad van de Europese Unie, van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende ondersteuning van activiteiten op de gebieden genoemd in artikel 3, eerste lid, van de wet;

    • c. subsidies die worden verstrekt met het oog op cofinanciering van een door de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen goedgekeurd programma; en,

    • d. subsidies die zijn verstrekt op basis van subsidieregelingen als bedoeld in artikel 17 van de wet.

  • 3. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat artikelen van dit besluit van overeenkomstige toepassing zijn op verstrekkingen uitsluitend aan rechtspersonen die krachtens publiek recht zijn ingesteld.

Artikel 3

Een subsidie wordt verstrekt aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die voor eigen rekening en risico activiteiten uitvoert die ten goede komen aan de Nederlandse economie.

Artikel 4

  • 1. Bij ministeriële regeling kunnen in ieder geval nadere regels worden gesteld over:

    • a. het doel van de subsidie;

    • b. de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt;

    • c. de aanvragers;

    • d. een samenwerkingsverband en de penvoerder daarvan;

    • e. de vorm van subsidie;

    • f. de in aanmerking komende subsidiabele kosten;

    • g. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verstrekt;

    • h. verplichtingen van de subsidie-ontvanger in verband met de subsidie;

    • i. onderwerpen die, in afwijking van of in aanvulling op de regels van dit besluit nadere regeling behoeven op basis van een Europees steunkader;

    • k. de wijze van berekening van de subsidie of de hoogte van de subsidie.

  • 2. Bij ministeriele regeling kan een maximum subsidiebedrag per aanvrager worden bepaald.

Artikel 5

  • 1. Indien reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt het bedrag dat door deze bestuursorganen is verstrekt in mindering gebracht op de subsidie waarvoor de aanvrager krachtens dit besluit of ministeriële regeling in aanmerking komt.

  • 2. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat bepaalde subsidieregelingen of bijdragen van de Commissie van de Europese Unie bij de toepassing van het eerste lid buiten beschouwing blijven.

  • 3. Indien bij ministeriële regeling is bepaald dat toepassing is gegeven aan een de-minimis verordening of de algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt het bedrag van de subsidie verlaagd voor zover dit nodig is op basis van de desbetreffende verordening.

HOOFDSTUK 3. SUBSIDIABELE KOSTEN

Artikel 6

  • 1. Voor subsidie komen in aanmerking de gemaakte kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van activiteiten en die op grond van een ministeriële regeling voor subsidie in aanmerking komen.

  • 2. De vóór indiening van de aanvraag door de aanvrager gemaakte kosten komen niet voor subsidie in aanmerking, tenzij:

    • a. het een subsidie lager dan € 25.000,– betreft waarbij met toepassing van artikel 15, tweede lid, direct een beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven; of

    • b. bij ministeriele regeling anders is bepaald.

  • 3. Bij subsidie aan een aanvrager waar een Europees steunkader op van toepassing is, komen alleen die kosten voor subsidie in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.

  • 4. Verschuldigde btw komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking ingeval de aanvrager de btw niet kan verrekenen met de door hem af te dragen omzetbelasting.

  • 5. De kosten die voor subsidie in aanmerking komen worden door de aanvrager berekend op basis van een voor Onze Minister controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfeconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de kosten die voor subsidie in aanmerking komen.

Artikel 7

  • 1. Indien in het kader van de berekening van de hoogte van de te verstrekken subsidie uurtarieven worden gehanteerd, worden deze door de aanvrager berekend aan de hand van één of meer in het tweede lid genoemde standaardberekeningswijzen.

  • 2. Als standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven worden gehanteerd:

    • a. berekening op basis van integrale kostensystematiek;

    • b. berekening op basis van kosten per kostendrager vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten, of

    • c. een forfaitair vastgesteld uurtarief.

  • 3. Bij ministeriële regeling wordt bepaald welke van de in het tweede lid genoemde standaardberekeningswijzen van toepassing zijn en kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van de standaardberekeningswijzen, genoemd in het tweede lid.

HOOFDSTUK 4. SUBSIDIEPLAFOND EN WIJZE VAN VERDELEN

Artikel 8

  • 1. Een subsidieplafond kan bij ministeriële regeling worden vastgesteld voor het totale voor subsidieverstrekking beschikbare subsidiebedrag.

  • 2. Bij de vaststelling van een subsidieplafond als bedoeld in het eerste lid wordt gekozen voor verdeling van het beschikbare subsidiebedrag:

    • a. op volgorde van binnenkomst van de aanvragen;

    • b. op volgorde van rangschikking van de aanvragen; of

    • c. evenredig over de ingediende aanvragen.

  • 3. Indien is gekozen voor verdeling op volgorde van binnenkomst, verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat:

    • a. indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt;

    • b. indien Onze Minister op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, hij de onderlinge rangschikking van die aanvragen vaststelt door middel van loting;

    • c. bij ministeriële regeling kan worden bepaald op welke wijze wordt omgegaan met meerdere aanvragen van één aanvrager of aanvragers binnen één groep;

    • d. bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de aanvragen in ieder geval moeten voldoen aan in de ministeriële regeling opgenomen criteria;

    • e. Onze Minister het bereiken van het subsidieplafond in de Staatscourant bekend maakt indien dit geschiedt voordat de in de ministeriële regeling opgenomen termijn voor het indienen van aanvragen is gesloten.

Artikel 9

Indien bij de vaststelling van een subsidieplafond is gekozen de subsidie te verdelen op volgorde van rangschikking, worden bij ministeriële regeling rangschikkingcriteria vastgesteld en, indien meerdere rangschikkingcriteria worden vastgesteld, de onderlinge weging daarvan. Indien Onze Minister zich bij de rangschikking van aanvragen laat adviseren door een persoon of meerdere personen die of een college dat niet onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is, wordt bij ministeriële regeling bepaald door wie en op welke wijze het advies wordt uitgebracht.

HOOFDSTUK 5. INDIENEN VAN DE AANVRAAG TOT SUBSIDIEVERLENING

Artikel 10

  • 1. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de aanvraag om subsidie en over de periode waarbinnen de aanvraag wordt ingediend.

  • 3. De aanvraag gaat vergezeld van de in het middel aangegeven bescheiden.

  • 4. De aanvraag bevat, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:

    • a. een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • b. een toelichting op de wijze waarop en de mate waarin de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd een bijdrage leveren aan de doelstellingen van de desbetreffende ministeriële regeling;

    • c. een gespecificeerde begroting, die een goed inzicht geeft in de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • d. een tijdplanning van de activiteit;

    • e. indien voorschotten worden gewenst, een weergave van de liquiditeitsbehoefte gedurende het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, zo mogelijk per tijdvak van drie maanden;

    • f. het bankrekeningnummer waarop het subsidiebedrag dient te worden gestort, inclusief een bewijs dat de bankrekening op naam van de aanvrager staat;

    • g. indien van toepassing, het inschrijfnummer van de aanvrager bij de Kamer van Koophandel.

  • 5. Bij de aanvraag tot subsidieverlening voor een subsidie van € 25 000,– of meer kan een gespecificeerde begroting worden overlegd, waaruit ten minste blijkt hoe hoog de totale kosten van de te subsidiëren activiteit zijn.

HOOFDSTUK 6. AFWIJZINGSGRONDEN

Artikel 11

Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels.

Artikel 12

Onze Minister beslist voorts afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:

  • a. door de toepassing van een de-minimisverordening, een bedrag aan de-minimis steun zou worden verstrekt dat hoger is dan geoorloofd op grond van deze verordening;

  • b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkene de activiteiten kunnen financieren;

  • c. het onaannemelijk wordt geacht dat de activiteiten binnen een bij ministeriële regeling gestelde termijn kunnen worden voltooid;

  • d. het aannemelijk is dat de activiteiten ook zonder subsidie worden uitgevoerd;

  • e. onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van de activiteiten;

  • f. onvoldoende vertrouwen bestaat in de economische haalbaarheid van de activiteiten;

  • g. de activiteiten onvoldoende bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie;

  • h. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de capaciteiten hebben om de activiteiten naar behoren uit te voeren;

  • i. de kosten die in aanmerking komen voor subsidie niet aannemelijk of redelijk zijn;

  • j. het een aanvrager betreft, tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, zesde lid, onderdeel a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • k. er naar het oordeel van Onze Minister onaanvaardbaar risico bestaat dat de uitvoering van een voorgenomen activiteit een onevenredige inbreuk zal maken op de economische, ecologische of sociale dimensie van duurzaamheid.

Artikel 13

Bij ministeriële regeling kunnen andere afwijzingsgronden dan de afwijzingsgronden, bedoeld in artikel 11 en 12, worden vastgesteld.

HOOFDSTUK 7. SUBSIDIEVERSTREKKING

Artikel 14

  • 1. Een beschikking tot subsidieverstrekking wordt gegeven binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag of, indien sprake is van een subsidieplafond en de verdeling plaatsvindt in volgorde van rangschikking van of evenredige verdeling, binnen dertien weken na afloop van de periode waarbinnen de aanvragen kunnen worden ingediend.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van tweeëntwintig weken in geval van:

    • a. cofinanciering van een door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie gezamenlijk of de Europese Commissie goedgekeurd programma;

    • b. het inwinnen van advies; of

    • c. het instellen van een nader onderzoek.

  • 3. In afwijking van het eerste lid geldt een termijn van veertig weken, indien het oordeel van een internationale beoordelingscommissie wordt gevraagd of een andere vorm van internationale beoordeling plaats vindt.

  • 4. Indien een beschikking niet binnen de termijn, genoemd in het eerste tot en met het derde lid kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met de diezelfde termijn worden verlengd.

Artikel 15

  • 1. Een subsidie lager dan € 25.000,– wordt verstrekt in de vorm van een vast bedrag dat bij ministeriële regeling wordt vastgelegd of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

  • 2. Indien een subsidie lager dan € 25.000,– wordt verstrekt, wordt:

    • a. direct een beschikking tot subsidievaststelling gegeven, of

    • b. een beschikking tot subsidieverlening gegeven, met vermelding van de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht en van de datum waarop de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld.

  • 3. Een subsidie van € 25.000,– tot € 125.000,– wordt verstrekt in de vorm van een vast bedrag, of een maximum bedrag voor een nog te verrichten prestatie-eenheid, dat in een ministeriële regeling wordt vastgelegd of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

  • 4. Een subsidie van € 125.000,– of meer wordt verstrekt in de vorm van een maximumbedrag voor een nog te verrichten prestatie-eenheid, dat in de ministeriële regeling wordt vastgelegd of dat wordt bepaald op basis van gegevens die worden ingediend bij de aanvraag.

  • 5. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder een subsidie wordt verleend.

Artikel 16

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de regels inzake een subsidie lager dan € 25.000,– van toepassing zijn op een subsidie van € 25.000,– of meer of dat de regels inzake een subsidie van € 25.000,– tot € 125.000,– van toepassing zijn op subsidies van € 125.000,– of meer.

HOOFDSTUK 8. VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIE-ONTVANGER

Artikel 17

  • 1. De subsidie-ontvanger is verplicht:

    • a. de activiteiten uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van die activiteiten in de beschikking tot subsidieverlening of tot subsidievaststelling;

    • b. te voldoen aan de verplichtingen die door Onze Minister aan de subsidie zijn verbonden;

    • c. op een van tevoren, in de beschikking of in een ministeriële regeling aangegeven wijze, aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;.

    • d. onverwijld schriftelijk mededeling te doen aan Onze Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem;

    • e. op verzoek van Onze Minister alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door Onze Minister ter zake van de toepassing en de effecten van dit besluit of op grond van een ministeriële regeling ingesteld evaluatieonderzoek, die Onze Minister redelijkerwijs nodig heeft voor de uitvoering van dat evaluatieonderzoek;

    • f. medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van de activiteit, tenzij openbaarmaking daarvan redelijkerwijs niet kan worden gevergd;

    • g. op verzoek van Onze Minister nadere informatie aan te leveren ten behoeve van verantwoording aan de Europese Commissie, op basis van de artikelen 106, tweede en derde lid, 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie dan wel een van de Europese steunkaders.

  • 2. Onze Minister kan voor het vertragen, essentieel wijzigen of het stopzetten van activiteiten op voorafgaand verzoek van de subsidie-ontvanger ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 18

De subsidie-ontvanger doet onverwijld mededeling aan Onze Minister zodra aannemelijk is dat:

  • a. de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht; of,

  • b. niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

Artikel 19

  • 1. De subsidie-ontvanger voert een zodanige administratie dat daaruit op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden:

    • a. de aard, inhoud en voortgang van de verrichte activiteiten;

    • b. het aantal eenheden dat per kostendrager is besteed aan activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;

    • c. het aantal uren dat per persoon is besteed aan activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen;

    • d. indien een tarief als bedoeld in artikel 7 wordt gehanteerd, de berekening en samenstelling van het tarief;

    • e. de specifiek ten behoeve van de activiteiten gemaakte kosten.

  • 2. De administratie wordt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling bewaard of, indien er sprake is van staatssteun, gedurende een andere bij ministeriële regeling of bij beschikking aangegeven termijn.

  • 3. Indien de subsidie minder bedraagt dan € 125.000,– zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing. In dat geval beschikt de subsidie-ontvanger tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling over die gegevens die nodig zijn om desgevraagd aan te tonen dat de subsidiabele activiteiten zijn verricht.

Artikel 20

  • 1. Indien de periode van uitvoering van de activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen meer dan twaalf maanden in beslag neemt, wordt bij de beschikking tot subsidieverlening de verplichting opgelegd tot indiening van één of meer rapportages, maar ten hoogste één rapportage per jaar

  • 2. Indien de subsidie minder bedraagt dan € 25.000,– is het eerste lid niet van toepassing.

Artikel 21

Onze Minister kan bij de beschikking tot subsidieverstrekking nadere verplichtingen opleggen.

Artikel 22

  • 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een of meer van de in dit hoofdstuk opgenomen verplichtingen niet van toepassing zijn.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen andere verplichtingen dan de in dit hoofdstuk opgenomen verplichtingen worden opgelegd.

HOOFDSTUK 9. BETALING EN BEVOORSCHOTTING

Artikel 23

  • 1. Onze Minister verstrekt ambtshalve, gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening, voorschotten voor een subsidie die nog niet is vastgesteld.

  • 2. Indien na de aanvraag tot subsidie de beschikking tot subsidievaststelling wordt gegeven vindt de betaling van het subsidiebedrag in één keer plaats.

  • 3. Het voorschot wordt uitgekeerd in termijnen waarvan de hoogte en de tijdstippen bij ministeriële regeling of in de verleningbeschikking worden bepaald.

  • 4. De voorschotverlening wordt opgeschort zolang de rapportage, bedoeld in artikel 20, in strijd met dat artikel niet is ontvangen.

  • 5. Bij ministeriële regeling kan het percentage van het voorschot worden bepaald.

  • 6. Indien de subsidie lager is dan € 25.000,– wordt bij de beschikking tot subsidieverstrekking 100% voorschot verleend.

HOOFDSTUK 10. SUBSIDIEVASTSTELLING

Artikel 24

  • 1. Een aanvraag tot een beschikking tot subsidievaststelling vindt plaats binnen dertien weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt. Bij ministeriële regeling of bij de beschikking tot subsidieverstrekking kan een andere termijn worden bepaald. Als er sprake is van een subsidie waarbij verantwoord wordt volgens het principe van Single Information Single Audit als bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet vindt vaststelling plaats op basis van die verantwoording.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan bij ministeriele regeling worden bepaald dat de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld. De beschikking tot subsidieverstrekking vermeldt de datum waarop:

    • a. de activiteiten uiterlijk zijn verricht;

    • b. de subsidie uiterlijk ambtshalve wordt vastgesteld.

  • 3. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door Onze Minister beschikbaar gesteld middel, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald. De aanvraag gaat vergezeld van de in het middel aangegeven bescheiden, waaronder in elk geval een verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van de activiteit, waaruit blijkt dat de subsidie-ontvanger aan de verplichtingen heeft voldaan.

  • 4. De subsidie-ontvanger voegt bij de aanvraag tot subsidievaststelling voor een subsidie van € 125.000,– of meer:

    • a. een financiële verantwoording;

    • b. indien de gemaakte kosten 10 % of meer afwijken van de onderbouwde begrotingspost van de aanvraag: een toelichting daarop; en

    • c. een controleverklaring.

  • 5. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat, in afwijking van het vierde lid, onderdeel c, de aanvraag niet vergezeld hoeft te gaan van een controleverklaring.

Artikel 25

  • 1. Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.

  • 2. Indien een beschikking tot subsidievaststelling niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met dertien weken worden verlengd.

HOOFDSTUK 11 SAMENWERKINGSVERBANDEN

Artikel 26

  • 1. Indien bij ministeriële regeling is bepaald dat aanvragers van subsidie mogen samenwerken in een samenwerkingsverband:

    • a. dienen de penvoerder namens hen de aanvraag in, met daarbij gevoegd een overeenkomst betreffende hun samenwerking en een verklaring van de deelnemers van het samenwerkingsverband waarin een penvoerder is aangewezen:

    • b. kan bij ministeriële regeling of in de beschikking tot subsidieverstrekking als voorwaarde worden gesteld dat binnen een bepaalde termijn een overeenkomst wordt verstrekt waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld;

    • c. verzendt Onze Minister de beschikkingen tot subsidieverstrekking aan de penvoerder;

    • d. verstrekt Onze Minister de voorschotten via de penvoerder aan de subsidie-ontvangers;

    • e. dienen zij de rapportages als bedoeld in artikel 20 in via de penvoerder, en

    • f. betaalt Onze Minister het subsidiebedrag via de penvoerder aan de subsidie-ontvangers. Deze betaling geldt als betaling aan de subsidie-ontvangers;

    • g. dient de penvoerder namens hen de aanvraag tot subsidievaststelling in..

  • 2. De penvoerder van een samenwerkingsverband doet onverwijld mededeling aan Onze Minister nadat een verzoek tot verlening van surseance van betaling of faillietverklaring van hem, dan wel een aangifte of vordering daartoe bij de rechtbank is ingediend.

HOOFDSTUK 12 MISBRUIK EN ONEIGENLIJK GEBRUIK

Artikel 27

  • 1. Onze Minister houdt ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidie een registratie bij waarin wordt vastgelegd:

    • a. het opleggen van een boete aan een subsidieontvanger op grond van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door ministers verstrekte subsidies;

    • b. het lager vaststellen van de subsidie op grond van artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen van de subsidieverlening op grond van artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht en het intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen van de subsidievaststelling op grond van artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht, indien de subsidie-ontvanger een verwijt kan worden gemaakt van de lagere vaststelling, intrekking of wijziging als hiervoor bedoeld;

    • c. de aard van de gedragingen die tot maatregelen als bedoeld in onderdelen a en b hebben geleid en, in geval van maatregelen als bedoeld in onderdeel b, het subsidiebedrag dat daarmee is gemoeid;

    • d. de naam- en adresgegevens van de subsidie-ontvanger jegens wie de maatregelen als bedoeld in de onderdelen a en b getroffen.

  • 2. De registratie kan worden geraadpleegd door daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren die zich bezighouden met het verstrekken van subsidies op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

  • 3. De registratie van gegevens vindt plaats voor de duur van drie jaar na de datum van registratie, waarna de betreffende gegevens uit de registratie worden verwijderd.

  • 4. Indien blijkt dat een aanvrager in de in het eerste lid bedoelde registratie is opgenomen kan Onze Minister aan de geregistreerde gegevens gevolgtrekkingen verbinden bij de beoordeling van de aanvraag, de in het kader van de subsidieverstrekking op te leggen verplichtingen en de controle op de naleving van die verplichtingen.

HOOFDSTUK 12. SLOTBEPALINGEN EN OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 28

Afdeling 6.3 van het Besluit ruimtelijke ordening vervalt.

Artikel 29

Het Besluit milieusubsidies wordt ingetrokken.

Artikel 30

In afwijking van de artikelen 2 tot en met 26 gelden voor subsidies verstrekt op basis van algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen die voor 1 juli 2015 zijn vastgesteld op basis van de Wet Milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening of de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat, en vallend onder het toepassingsgebied van de wet, de in dat besluit of in die regeling opgenomen bepalingen.

Artikel 31

De artikelen 1 tot en met 8, 10 tot en met 12, artikel 17, met uitzondering van het onderdeel Wet bodembescherming, en de artikelen 19 tot en met 22 van de Kaderwet subsidies I en M en dit besluit treden in werking met ingang van 1 juli 2015.

Artikel 32

Dit besluit wordt aangehaald als: Kaderbesluit subsidies I en M.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 11 februari 2015

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus

Uitgegeven de vierde maart 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Aanleiding

In de memorie van toelichting1 bij het wetsvoorstel Kaderwet subsidies I en M (hierna: de wet) is aangekondigd dat op grond van de wet verdere uitwerking van de algemene regels over subsidies plaats zullen vinden bij algemene maatregel van bestuur. Het gaat dan om de procedures rond subsidieverstrekking en verantwoording, alsmede de implementatie van het uniform subsidiekader (USK), zoals dat is uitgewerkt in de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking (Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 15 december 2009, nr. 3086451, houdende vaststelling van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking; Stcrt. 2009, nr. 20306; hierna Aanwijzingen). Door dit Kaderbesluit subsidies I en M (hierna: Kaderbesluit) zullen voor subsidie-ontvangers definities en procedures gelijk zijn, ongeacht het beleidsterrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

2. Doel en reikwijdte van het kaderbesluit

Dit Kaderbesluit strekt tot procedurele invulling van de artikelen 4 en 5 van de wet. Beoogd wordt met het Kaderbesluit de volgende doelstellingen te verwezenlijken:

  • Harmonisatie van de procedureregels voor de door I en M verstrekte subsidies.

    Met het Besluit milieusubsidies is reeds in 1998 een begin gemaakt om de procedureregels voor subsidies op milieuterrein te harmoniseren. Voor subsidies voor andere beleidsterreinen van I en M werden de procedureregels in ministeriële regelingen opgenomen. Met de wet is één wettelijke grondslag gecreëerd op grond waarvan de Minister I en M bevoegd is subsidies te verstrekken op het gehele gebied dat binnen de grenzen van zijn taakveld valt. In het verlengde daarvan is met dit Kaderbesluit één procedureel kader gecreëerd. In paragraaf 4 wordt ingegaan op de inhoud van dit Kaderbesluit.

  • Eenduidige implementatie van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking.

    Op 1 januari 2010 is het USK, zoals dat is uitgewerkt in de Aanwijzingen, van kracht geworden. In deze Aanwijzingen vindt standaardisering en uniformering plaats van voorwaarden en procedures van de uitvoerings- en verantwoordingseisen. Belangrijk onderdeel van het rijksbrede subsidiekader is de invoering van drie zogenoemde arrangementen, afhankelijk van de omvang van de subsidie, die moeten leiden tot proportionaliteit tussen subsidiebedrag en administratieve lasten. Meest kenmerkend hierbij is het voorschrift dat bij subsidies tot € 125.000 geen sprake mag zijn van een financiële verantwoording en dat bij subsidies tot € 25.000 een aanvraag zonder verdere handeling van de aanvrager leidt tot vaststelling. Eveneens is in de Aanwijzingen opgenomen dat een subsidieregeling dient te zijn voorzien van een datum waarop de regeling eindigt. Dit is niet in dit Kaderbesluit opgenomen. Deze aanwijzing wordt opgenomen in het wetsvoorstel zesde wijziging van de Comptabiliteitswet (Tweede Kamerstukken II 2013/1014, 33 837).

3. Verhouding Kaderwet, Kaderbesluit en subsidieregelingen

De wet- en regelgeving inzake de verstrekking van subsidies op het terrein van I en M bestaat uit een drietal elementen, te weten:

Een Kaderwet subsidies I en M, waarin enkele algemene bepalingen zijn opgenomen, waaronder ook een bepaling inzake activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt;

Het onderhavige Kaderbesluit subsidies I en M, waarin in principe alle uitvoerende elementen van de subsidieverstrekking aan de orde zijn, inclusief bepalingen betreffende misbruik en oneigenlijk gebruik. Via dit besluit vindt de beoogde standaardisering van subsidieverstrekking plaats, en wordt de basis gelegd voor de benodigde efficiencyslag, zowel in de uitvoering als bij de beleidsbepaling.

Subsidieregelingen die zoveel mogelijk zijn ontdaan van uitvoeringsbepalingen, maar waarin wel het subsidieplafond is vastgelegd en eventuele aanvulling op of afwijkingen van het onderhavige besluit.

Zoals gezegd is een belangrijk doel van dit Kaderbesluit de harmonisatie van de procedureregels die bij het verstrekken en verkrijgen van subsidies op I en M terrein in acht moeten worden genomen. Dit wordt bereikt door in het Kaderbesluit bepalingen op te nemen die tot nu toe in subsidieregelingen voorkomen, vaak op eenzelfde of bijna eenzelfde wijze, en door de Aanwijzingen in het Kaderbesluit te implementeren.

Aanvragers van subsidie hebben baat bij eenduidige procedurebepalingen, die in zo veel mogelijk gevallen van toepassing zijn. Door dit Kaderbesluit zijn onnodige verschillen weggenomen en kent niet elke afzonderlijke subsidieregeling meer bepalingen over met name de procedurele stappen, over de wijze van aanvragen, verstrekken en vaststellen, over het verstrekken van voorschotten en de subsidievaststelling.

Het Kaderbesluit geeft niet aan wie waarvoor subsidie kan krijgen. Deze zaken in het Kaderbesluit regelen zou afbreuk doen aan het algemene karakter van het Kaderbesluit.

In de afzonderlijke ministeriële (subsidie-)regelingen wordt bepaald wie wanneer voor welke activiteiten subsidie zal kunnen aanvragen. Om de toepasselijkheid van het Kaderbesluit voorde subsidieregelingen op I en M-terrein gebaseerd op de wet te realiseren, dienen alle regelingen op deze terreinen eveneens op artikel 2, eerste lid, van het Kaderbesluit gebaseerd te worden.

4. Inhoud Kaderbesluit

Het Kaderbesluit is zo ingedeeld dat het de volgorde van het subsidieproces zoveel mogelijk volgt. Er zijn eerst enkele algemene bepalingen opgenomen inzake de wijze van verstrekking van subsidie, de voor subsidie in aanmerking komende kosten (de hoofdstukken 1 tot en met 3) Vervolgens komen (vanaf hoofdstuk 4) de verschillende stappen in het proces van subsidieverstrekking aan de orde, vanaf het vaststellen van het subsidieplafond en de wijze van verdeling daarvan tot en met de vaststelling van de subsidie.

Het in het besluit neergelegde regiem gaat, net als de eerdergenoemde Aanwijzingen uit van vertrouwen. Er wordt vanuit gegaan dat de subsidieaanvrager zijn aanvraag indient op basis van juiste en volledige informatie, de activiteiten uitvoert waarvoor de subsidie is verstrekt en dat deze zich houdt aan de overige aan de subsidie verbonden verplichtingen. Als het vertrouwen wordt beschaamd, kunnen sancties worden uitgevoerd. Indien wordt vastgesteld dat een aanvrager op grond van onjuiste informatie subsidie heeft aangevraagd of zich niet aan de afspraken en verplichtingen houdt, dan wordt de subsidie teruggevorderd en wordt de aanvrager met naam en toenaam opgenomen in een daartoe ingericht register. Een dergelijke vermelding wordt betrokken bij de beoordeling van eventuele nieuwe subsidieaanvragen van betreffende persoon of instantie. De bepalingen inzake het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies zijn in hoofdstuk 12 van dit besluit neergelegd.

Tot slot worden andere algemene maatregelen van bestuur in lijn gebracht met de Aanwijzingen en met dit besluit. Omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid tot doordelegeren van subsidieverstrekking aan het bevoegd gezag, zoals opgenomen in de huidige Wet bodembescherming (Wbb) is het Besluit financiële bepalingen bodemsanering niet opgenomen in dit besluit. Deze bijzondere positie van de decentrale overheden in het besluitvormingsproces voor het verstrekken van de subsidie is namelijk (nog) niet voldoende geborgd in de wet.

5. Administratieve lasten

De structuur van het Kaderbesluit is zodanig dat een verdere verbetering van samenhang en toegankelijkheid van de subsidieregelingen gebaseerd op het Kaderbesluit mogelijk is. Dit sluit aan op het voornemen als verwoord in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Het Kaderbesluit zorgt naast eenduidigheid van begrippen, verplichtingen, en procedures, ook inhoudelijk voor een verlichting van de administratieve lasten. Alleen al de harmonisatie zelf heeft dat effect.

Echter, het Kaderbesluit moet zelf ook tot een duidelijk reductie leiden. Aan de basis hiervan staan opvattingen over High Trust in combinatie met verantwoord financieel beheer. High Trust legt meer verantwoordelijkheid bij de subsidie-ontvanger en geeft onvermijdelijk meer risico van ongerechtigheden. Het gaat dan niet alleen om misbruik en oneigenlijk gebruik maar ook simpelweg om een groter risico van fouten. Er wordt gekozen voor een verantwoorde benadering. Dat betekent dat overlap uit het toezicht is gehaald, administratieve eisen worden toegesneden op de bedrijfsvoering van de aanvrager, de rapportagemomenten worden verminderd en eventuele rapportagemomenten meer to the point zijn door het centraal stellen van eindresultaat en mijlpalen.

De belangrijkste elementen daarbij zijn de volgende.

  • 1. Bij de subsidiabele kosten wordt uitgegaan van een systeem dat ruimte biedt aan toepassing van de meest toegepaste kostenmethodieken van bedrijven en onderzoeks- organisaties. Zowel voor begroten als administreren van de realisatie van kosten kan de subsidie-ontvanger uitgaan van zijn eigen bedrijfsvoering.

  • 2. De bevoorschotting verloopt grotendeels automatisch en is gebaseerd op een begrote liquiditeitsbehoefte. Het voorschot hoeft niet te worden aangevraagd.

  • 3. Een controleverklaring wordt alleen vereist indien het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld € 125.000 of meer bedraagt. Tot dit moment werd veelal een grens van € 50.000 gehanteerd. Dit zal een aanzienlijke verlichting van de administratieve lasten met zich mee brengen.

De verwachting is dat de administratieve lasten voor zowel de aanvragers van subsidies als voor het ministerie zullen afnemen.

6. Uitvoering en handhaving

Het besluit is door middel van een HUF-toets beoordeeld. Dit betekent dat het (concept) besluit is getoetst op Handhaafbaarheid, Uitvoerbaarheid en Fraudebestendigheid. Deze – interne – toets is gedaan door juridische en financiele experts vanuit het ministerie. De DG Uitvoering van het Ministerie van Economische Zaken die vaak subsidieregelingen voor het ministerie uitvoert heeft eveneens het besluit getoetst. De door DG Uitvoering gemaakte opmerkingen zijn verwerkt in het besluit.

7. Europeesrechtelijke aspecten

In dit besluit is – voor zover mogelijk op het niveau van dit besluit – rekening gehouden met de Europese regels inzake staatssteun. Goed voor ogen moet worden gehouden dat door dit Kaderbesluit geen wettelijke aanspraak ontstaat op een subsidie. De wettelijke aanspraak op een subsidie zal pas ontstaan op het moment dat de subsidie bij beschikking is verleend. Daarvoor zal eerst bij ministeriële regeling bepaald moeten worden welke aanvragers voor welke activiteiten een subsidie kunnen krijgen. Pas op het niveau van de ministeriële regeling wordt dan ook duidelijk of bepaalde subsidies zich kwalificeren als staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Staatssteun is op grond van het VWEU verboden. Het staatssteunverbod kent echter wel uitzonderingen. De uitzonderingen zijn uitgewerkt in het VWEU, in vrijstellingsverordeningen, kaderregelingen, richtsnoeren en mededelingen.

Zo kan voor steunverlening aan activiteiten ter stimulering van onderzoek, innovatie en milieubescherming gebruik worden gemaakt van de Communautaire kaderregeling betreffende staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (PbEU 2014/C 198/01) en de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014–2020 (Pb EU 2014/C200/01). Verder is onder meer van belang de algemene groepsvrijstellingsverordening (PbEU 26.6.2014, L187/1). Deze vrijstellingsverordening geeft de mogelijkheid om bepaalde steunmaatregelen niet vooraf te hoeven melden bij Europese Commissie mits aan de voorwaarden van deze vrijstellingsverordening voldaan wordt. Wel dient een kennisgeving aan de Europese Commissie plaats te vinden.

Op grond van de notificatieplicht dienen steunmaatregelen die niet te brengen zijn onder een gegeven goedkeuring of vrijstellingsverordening eerst bij de Europese Commissie aangemeld te worden om goedkeuring te verkrijgen. De steunmaatregel mag in dat geval niet worden uitgevoerd zolang er geen goedkeuring door de Europese Commissie is verkregen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor dit besluit, maar ook voor de hierop te baseren regelingen. Deze definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende regelingen opgenomen hoeven te worden. In dit artikel is geen definitie opgenomen van «project». In de regelingen die op basis van dit besluit worden vastgesteld, zal steeds moeten worden beschreven voor welke activiteiten of projecten subsidies wordt verstrekt.

Ook is geen definitie opgenomen van subsidie. Wat onder een subsidie moet worden verstaan, is omschreven in artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Kenmerken van een subsidie zijn dat er aanspraak is op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.

Artikel 2

Dit artikel geeft de basis voor het verstrekken van subsidies. In het eerste lid is bepaald dat de Minister van I en M voor activiteiten die passen in het beleid inzake de beleidsterreinen genoemd in artikel 3, eerste lid, van de wet, subsidie kan verstrekken. Het betreft activiteiten op de volgende gebieden: infrastructuur, milieubeheer, luchtvaart en luchtverkeer, ruimtelijke ordening, scheepvaart en maritieme zaken, verkeer en vervoer, en water.

In dit artikel worden niet de criteria voor het verstrekken van subsidie opgenomen, dat zal bij ministeriële regeling geschieden. In het tweede lid is een aantal subsidies genoemd waarop niet alle bepalingen van het besluit van toepassing zijn. Het betreft het per boekjaar te verstrekken subsidies; subsidies als bedoeld in artikel 4:58 en volgende van de Awb. Deze subsidies hebben zodanig afwijkende bepalingen in afdeling 4.2.8 van de Awb, dat deze niet goed onder dit besluit te vatten zijn. In de desbetreffende ministeriële regeling kan derhalve gebruik worden gemaakt van afdeling 4.2.8 en kunnen indien nodig andere regels worden opgenomen. Het gaat om maatwerk en betreft vaak specifieke verplichtingen. Daarnaast zijn het subsidies die zeer nauw samenhangen met bindende Europese besluiten. Onder bindende Europese besluiten wordt verstaan verordeningen, richtlijnen en beschikkingen. Voor verstrekking van subsidie uitsluitend aan rechtspersonen die krachtens publiek recht zijn ingesteld kan gebruik worden gemaakt van regels uit het besluit. Onderdeel d geeft aan dat de bepalingen van het besluit gelden voor nieuwe subsidieregelingen. Reeds verleende subsidies op basis van bestaande subsidieregelingen worden afgewikkeld volgens de bepalingen van de desbetreffende regelingen. In het derde lid is aangegeven dat artikelen van het besluit van overeenkomstige toepassing kunnen worden verklaard op verstrekkingen uitsluitend aan rechtspersonen die krachtens publiek recht zijn ingesteld. Hiervan zal gebruik kunnen worden gemaakt bij ministeriële regelingen betreffende bijdragen uitsluitend aan bijvoorbeeld waterschappen.

Artikel 3

Dit artikel regelt dat subsidie in beginsel moet worden verstrekt aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die voor eigen rekening en risico activiteiten uitvoert die ten goede komen aan de Nederlandse economie. Bij ondersteuning van niet in Nederland gevestigde bedrijven zal onder meer overwogen worden of de resultaten van de ondersteuning positief zijn voor het behalen van de doelstelling van de subsidieregeling.

Artikel 4

Dit artikel bevat de delegatiebepalingen op het gebied van verstrekken van subsidie. Op basis van het eerste lid zullen bij het opstellen van een ministeriële regeling de voor elke subsidie meest belangrijke vragen moeten worden beantwoord: wie krijgen subsidie waarvoor en in welke vorm. Op basis van deze delegatiebepaling zal dus de kern van de subsidie worden vastgelegd bij ministeriële regeling. Tevens worden de voorwaarden waaronder een subsidie wordt verstrekt opgenomen. Deze voorwaarden kunnen opschortend of ontbindend zijn.

Artikel 5

Vaak wordt subsidie door meerdere Nederlandse dan wel Europese overheidsinstanties gegeven. Bij deze vormen van cofinanciering is de desbetreffende ministeriële regeling maatgevend voor de hoogte van de totale subsidie die mag worden gegeven, tenzij daarover bij ministeriële regeling anders is bepaald. Bij de uiteindelijke verstrekking van de subsidie zal hiermede rekening moeten worden gehouden. Als het gaat om subsidie die valt onder de Europese staatssteunregels dienen daarbij ook de maximumpercentages en maximumbedragen aan steun te worden gerespecteerd. Specifiek wordt ingegaan op de maximale hoogte van het subsidiebedrag als gevolg van de de-minimisverordening en algemene groepsvrijstellingsverordening, zoals genoemd in de definitiebepaling (artikel 1).

Artikel 6

Uitgangspunt is dat voor subsidie in aanmerking komen de te maken kosten die direct verbonden zijn met de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie wordt verstrekt en redelijkerwijs moesten worden gemaakt. In het tweede tot en met het zesde lid wordt dit uitgangspunt verder uitgewerkt.

In het tweede lid wordt bepaald dat alleen ná de indiening van de aanvraag gemaakte kosten voor subsidie in aanmerking komen, tenzij het gaat om een subsidie lager dan € 25.000, die direct wordt vastgesteld (de Aanwijzingen gaan ervan uit dat in dat geval ook achteraf subsidie kan worden verstrekt) of bij ministeriële regeling anders is bepaald. Het is dus in beginsel niet mogelijk om achteraf subsidie te krijgen voor kosten die al gemaakt zijn met reeds verrichte activiteiten Als het gaat om subsidie die valt onder de Europese staatssteunregels is vanwege het vereiste stimulerend effect geen afwijking van dit beginsel toegestaan.

Kosten die in de periode tussen de aanvraag en de beschikking tot subsidieverlening worden gemaakt, komen wel voor vergoeding in aanmerking.

Verschuldigde BTW komt alleen voor subsidie in aanmerking ingeval de aanvrager de BTW niet kan verrekenen met de door hem af te dragen omzetbelasting, zodat op dit punt geen onduidelijkheid kan bestaan.

Uiteraard kunnen, als er bij ministeriële regeling voor gekozen is de subsidieverstrekking te laten vallen onder een Europees steunkader, kosten alleen voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen van het betreffende steunkader.

De kosten die voor subsidie in aanmerking komen zullen door de subsidieaanvrager moeten worden onderbouwd met een specificatie van de kosten die zijn toe te rekenen aan de gesubsidieerde activiteit en berekend op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de kosten die voor subsidie in aanmerking komen (zesde lid).

Artikel 7

Dit artikel bevat een regeling voor de berekening van uurtarieven voor het geval de hoogte van de te verstrekken subsidie aan de hand daarvan wordt berekend. In het artikel zijn drie standaardberekeningswijzen voor berekening van uurtarieven opgenomen. Deze sluiten aan bij Aanwijzing 19. Bij ministeriele regeling wordt bepaald welke van de standaardberekeningswijzen in dat geval van toepassing is en kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van de standaardberekeningen. Ook kan bij ministeriele regeling bepaald worden dat meerdere berekeningswijzen worden toegepast.

Artikel 8 en 9

In de wet is bepaald dat moet worden voorzien in de vaststelling van een subsidieplafond en de regeling van de wijze van verdeling daarvan, tenzij Onze Minister van Financiën heeft ingestemd met het achterwege laten daarvan. Bij het vaststellen van het subsidieplafond kunnen afzonderlijke subsidieplafonds worden vastgesteld voor bepaalde categorieën van aanvragers of activiteiten of voor bepaalde thema’s. Dit artikel heeft betrekking op de wijze van verdelen van het subsidieplafond. In het tweede lid worden de methoden van verdeling van het subsidieplafond vastgesteld. Er moet bij elk subsidie-plafond voor één van deze methoden worden gekozen. Combinaties van deze methoden zijn niet mogelijk. Dit zou immers leiden tot een verschillende behandeling van verschillende aanvragers.

Ten eerste kan het uitgangspunt dat «wie het eerst komt, het eerst maalt» worden toegepast. Ten tweede kan een inschrijvingsronde worden gehouden, een zogenaamde tender, waarbij de binnen een tijdvak ontvangen aanvragen op een aantal criteria worden vergeleken waarna bij een gebrek aan middelen alleen de aanvragen met de hoogste waardering worden gehonoreerd. Ten derde kan worden gekozen voor een evenredige verdeling van het subsidieplafond over alle aanvragers. Deze keuze kan worden gemaakt als het beleidsmatig wenselijk is als alle aanvragers een (wellicht geringer) bedrag aan subsidie ontvangen, dan dat bepaalde aanvragers meer en bepaalde aanvragers helemaal geen subsidie ontvangen.

Bij eerstgenoemde mogelijkheid is het van belang enkele nadere regels te stellen over de uitgangspunten bij het bepalen van de volgorde. In het derde lid is bepaald dat de datum van binnenkomst van de aanvraag die voldoet aan de wettelijke voorschriften geldt als de datum van binnenkomst en dus niet de datum dat een aanvraag wordt ingediend die nog aanvulling behoeft met toepassing van artikel 4:5 Awb. Daarmee wordt voorkomen dat een aanvrager die snel een (pro forma) aanvraag indient die niet aan alle wettelijke eisen voldoet voorgaat op iemand die weliswaar iets meer tijd nodig heeft, maar wel met een aanvraag komt die aan alle eisen voldoet. Tevens is bepaald dat de onderlinge rangschikking van aanvragen die binnenkomen op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt, wordt vastgesteld door loting. Voor deze oplossing is gekozen omdat het bij aanvragen die op dezelfde dag binnenkomen veelal lastig, zo niet onmogelijk zal zijn vast te stellen welke aanvraag feitelijk het eerst is binnengekomen, terwijl dat in deze situatie wel verstrekkende gevolgen kan hebben in verband met het bereiken van het subsidieplafond. In het tweede lid, onderdeel e, is geregeld dat indien het subsidieplafond is bereikt en het nog mogelijk is om aanvragen in te dienen mededeling wordt gedaan in de Staatscourant. Op deze manier is voor iedereen kenbaar dat het niet zinvol is nog een aanvraag in te dienen in het kader van de desbetreffende subsidieregeling.

Indien het wenselijk is een inhoudelijke beoordeling te maken van de subsidieaanvragen om vast te stellen welke aanvraag het meeste bijdraagt aan de met de subsidieregeling beoogde (beleid) doelstelling, dient te worden gekozen voor verdeling op volgorde van rangschikking van de aanvragen. Dit is namelijk de verdeelwijze die uitgaat van een dergelijke inhoudelijke beoordeling van aanvragen. Indien voor deze verdeelwijze wordt gekozen, dient uit een oogpunt van transparantie en het voorkomen van willekeur te worden vastgelegd aan welke criteria de aanvraag wordt getoetst en, bij meerdere criteria, wat de onderlinge weging is van die criteria.

Artikel 10

Omdat het formulier voor de aanvraag van een subsidie met dit voorstel niet integraal wordt vastgesteld is de mogelijkheid opgenomen om bij ministeriële regeling te bepalen aan welke eisen een aanvraag moet voldoen. Dit is nodig, omdat het erg afhankelijk is van de te subsidiëren activiteit welke informatie nodig is voor een adequate beoordeling van de subsidieaanvraag.

Hiertoe wordt in dit artikel bepaald dat voor het indienen van een aanvraag gebruik moet worden gemaakt van een daartoe vastgesteld middel. Dit middel kan een formulier zijn.

Deze procedure houdt in dat in ministeriële regeling die onder het bereik van het Kaderbesluit vallen niet altijd integrale formulieren hoeft te bevatten, maar eventueel uitsluitend de eisen waaraan een aanvraag van een subsidie moet voldoen. Om een aanvraag voor een subsidie zo efficiënt mogelijk te laten verlopen is het noodzakelijk te kunnen voorschrijven welk middel hiervoor wordt gebruikt. Het is voor de verwerking onwenselijk rekening te moeten houden met aanvragen die afwijken van de standaard. Dit kan immers leiden tot onoverzichtelijk te beoordelen informatie of de beoordeling van een aanvraag op een ongewenste informatiedrager. Gekozen is dan ook voor de regel dat de aanvraag van een subsidie moet worden ingediend met behulp van het middel dat hiervoor door Onze Minister beschikbaar is gesteld. Om kenbaar te maken welk middel beschikbaar is gesteld wordt in de subsidieregelingen die onder het bereik van het Kaderbesluit vallen een bepaling opgenomen waaruit blijkt waar het beschikbaar gestelde middel vindbaar is. Concreet zal dit type bepaling doorgaans een verwijzing bevatten naar de website van de desbetreffende subsidieregeling waar een aanvraag- of vaststellingsformulier kan worden ingevuld of is te downloaden.

Het middel dat beschikbaar is gesteld geeft op een overzichtelijke en gestructureerde wijze invulling aan de eisen die aan de aanvraag van een subsidie worden gesteld. Benadrukt wordt dat de inhoudelijke normen waaraan een aanvraag van een subsidie moet voldoen, uitsluitend kan volgen uit de regelgeving. Afgezien van het verplicht indienen van een aanvraag met behulp van het beschikbaar gestelde middel kan het beschikbare middel zelf geen zelfstandige normen bevatten.

Zonder wettelijke basis kan van een subsidieaanvrager niet worden geëist dat communicatie met bestuursorganen uitsluitend langs elektronische weg kan geschieden. De gekozen aanpak van middel verhindert niet dat een aanvraag van een subsidie via een andere weg dan de elektronische aan het bestuursorgaan kenbaar wordt gemaakt. Wel zal, onafhankelijk van de gekozen weg voor de indiening van een aanvraag, gebruik moeten worden gemaakt van het beschikbaar gestelde middel. Geborgd zal worden dat het middel dat beschikbaar wordt gesteld niet uitsluitend via de elektronisch weg kan worden verzonden.

Artikel 11 tot en met 13

In de artikelen 11 en 12 zijn afwijzingsgronden opgenomen die voor alle aangevraagde subsidies gelden. In de in deze artikelen genoemde gevallen beslist de Minister afwijzend op een aanvraag. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om bij ministeriële regeling nog andere afwijzingsgronden te stellen (artikel 13). De in artikel 12, onderdeel a, opgenomen afwijzingsgrond is relevant indien bij ministeriële regeling is bepaald dat de te verstrekken subsidie valt onder een de-minimis steunkader.

In onderdeel b is als afwijzingsgrond opgenomen dat onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de activiteiten kunnen financieren. Onder betrokkenen wordt in de eerste plaats de subsidie-ontvanger verstaan, maar er kunnen uiteraard ook andere betrokkenen zijn, bijvoorbeeld personen die kapitaal verschaffen, maar het project niet uitvoeren.

Onderdeel d heeft betrekking op het stimulerend karakter van de subsidie. Subsidie moet ertoe leiden dat de subsidie-ontvanger zijn gedrag wijzigt zodat er projecten of activiteiten plaatsvinden die zonder subsidie niet, niet tijdig of op beperktere schaal zouden plaatsvinden. Door de subsidie moet de omvang, reikwijdte of uitvoeringssnelheid toenemen. Onderdeel g van artikel 12, ziet op een beoordeling van de bijdrage die de activiteiten leveren aan de doelstellingen van de subsidie. Deze afwijzingsgrond maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat in geval van verdeling van het subsidieplafond op volgorde van rangschikking wordt geoordeeld dat geen van de aanvragen een voldoende bijdrage aan de doelstelling van subsidie levert om voor subsidie in aanmerking te komen.

Artikel 13 geeft de mogelijkheid om bij ministeriële regeling andere afwijzingsgronden vast te stellen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden dat bij de aanvragen in ieder geval aan een aantal minimumvoorwaarden of aan een aantal punten moet voldoen om in aanmerking te komen voor een subsidie.

Artikel 14

In dit artikel zijn de termijnen opgenomen waarbinnen een beslissing op de aanvraag om subsidie moet zijn genomen. Deze komen overeen met aanwijzing 17 van de Aanwijzingen.

Artikel 15

In dit artikel worden de aanwijzingen 7 en 12 van de Aanwijzingen uitgewerkt. Dit houdt in dat bij subsidie beneden de € 25.000,– direct een beschikking tot subsidievaststelling wordt afgegeven of duidelijk aangegeven wordt op welk moment de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld. Een subsidie beneden de € 25.000,– wordt verstrekt in de vorm van een vast bedrag. Ook subsidies tussen € 25.000,– en € 125.000,– kunnen worden verstrekt in de vorm van een vast bedrag.

De hoogte van het bedrag kan tot stand komen op basis van de gegevens die bij de aanvraag worden ingediend of nader vastgelegd in een ministeriële regeling. Voor subsidies boven de € 25.000,– zal in een ministeriële regeling worden opgenomen op welke wijze de subsidiebedragen tot stand komen.

Het is mogelijk een subsidie onder voorwaarden te verstrekken. Te denken valt aan de situatie beschreven in artikel 4:34 Awb, dat een subsidie wordt verstrekt ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd. Artikel 4:33 van de Awb geeft aan welke voorwaarden toelaatbaar zijn. Bij ministeriële regeling kan dit nader omschreven worden.

Artikel 16

Dit artikel geeft de mogelijkheid om hetgeen is geregeld voor subsidiebedragen lager dan € 25.000,– ook van toepassing te verklaren op hogere subsidiebedragen. In een subsidieregeling kan maatwerk worden opgenomen. De keuze moet uiteraard wel worden gemotiveerd.

Artikel 17

Dit artikel bevat de verplichtingen voor de subsidie-ontvanger. In de beschikking tot subsidieverlening wordt opgenomen voor welke activiteiten subsidie wordt verstrekt. De subsidie-ontvanger is verplicht de activiteiten uit te voeren. Dat is de kern van de verplichtingen. De activiteiten moeten ook daadwerkelijk worden uitgevoerd binnen de in de beschikking vermelde periode. Voor de subsidie-ontvanger wordt op het moment van de subsidiebeschikking duidelijk op welke wijze hij kan aantonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Tevens is de verplichting opgenomen voor de subsidie-ontvanger om mededeling te doen van een verzoek tot het op hem van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem. Een dergelijke mededeling kan uiteraard gevolgen hebben voor de subsidie.

De subsidie-ontvanger dient te werken aan het openbaar maken van gegevens en aan het evalueren van het Kaderbesluit of van een subsidieregeling.

Ingevolge het tweede lid kan Onze Minister ontheffing verlenen voor afwijkingen van het uitvoeren van de activiteiten zoals omschreven. In gevallen waarin verzocht wordt om ontheffing voor het vertragen of stopzetten van de activiteiten zal de doelstelling van de desbetreffende subsidieregeling daartegen worden afgewogen. Daarbij zal mede een rol spelen in hoeverre de feiten die de vertraging hebben veroorzaakt zijn ontstaan door toedoen van de betrokkenen zelf. Aan een eventuele ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 18

De in dit artikel opgenomen meldingsplicht zorgt ervoor dat de subsidie-ontvanger ervoor moet zorgen dat hij meldt indien aannemelijk is dat hij de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt niet, niet tijdig of niet geheel uitvoert. Tegelijk met de melding kan hij een verzoek tot ontheffing indienen. Deze verplichting vloeit voort uit het het high trust principe dat is uitgewerkt in de Aanwijzingen. Deze verplichting geldt voor elke subsidieverstrekking ongeacht de hoogte van de subsidie.

Artikel 19

Bij subsidies boven de € 125.000,– dient de administratie van de subsidie-ontvanger gegevens te bevatten waarop op eenvoudige, duidelijke en controleerbare wijze de aard, inhoud en voortgang van de werkzaamheden afgeleid kunnen worden. Tevens dienen de uren die worden besteed aan activiteiten te worden geregistreerd. De voor de activiteiten gemaakte uren moeten systematisch en controleerbaar worden vastgelegd. Uit de administratie moet de integrale kostensystematiek blijken.

In het tweede lid is een bewaartermijn van vijf jaar opgenomen voor de in het kader van de subsidieverstrekking gevoerde administratie. De aard en omvang van die administratie hangt af van de hoogte van de subsidieverstrekking en hetgeen daarvoor in de betreffende ministeriele regeling en de beschikking tot subsidieverlening is bepaald. Voor een termijn van vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling is aangesloten op de termijn waarbinnen de subsidievaststelling nog kan worden ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger kan worden gewijzigd (artikel 4:49 Awb) en de subsidie kan worden teruggevorderd (artikel 4:57 Awb). Indien er sprake is van staatssteun, geldt er echter een andere bewaartermijn. Indien de subsidie wordt verleend als de-minimissteun geldt een door de Europese steunkaders voorgeschreven bewaartermijn van tien jaar. De verplichting in het tweede lid is opgenomen in verband met de mogelijkheid dat door de Europese Commissie nadere informatie wordt opgevraagd bij de Minister. De subsidie-ontvanger is in die gevallen verplicht om te voldoen aan een informatieverzoek dat is gebaseerd op een nadere verantwoording die door de Europese Commissie wordt verlangd.

Artikel 20

De verantwoordelijkheid voor de voortgang van het project ligt bij de subsidie-ontvanger. Bij projecten die minder dan twaalf maanden in beslag nemen, zal in het algemeen worden volstaan met een eindrapportage. Bij projecten langer dan twaalf maanden wordt eenmaal of meerdere rapportages gevraagd, waarbij rekening zal worden gehouden met de voortgang of eventuele mijlpalen van activiteiten.

Artikel 21

Dit artikel biedt een grondslag voor het bij de subsidieverstrekking opleggen van verplichtingen. Het betreft hier verplichtingen die niet aan alle subsidieverstrekkingen verbonden te hoeven worden. De reden voor dergelijke verplichtingen zal gelegen zijn in de feiten en omstandigheden van een individuele subsidieverstrekking.

Artikel 22

Het is van belang niet meer verplichtingen op te leggen dan noodzakelijk is. In de artikelen 17 tot en met 20 zijn verplichtingen opgenomen die in bijna alle gevallen relevant zullen zijn. Echter, niet is uit te sluiten dat bepaalde verplichtingen bij bepaalde subsidies niet relevant zijn. Daarom is in het eerste lid opgenomen dat bij ministeriële regeling kan worden opgenomen dat bepaalde verplichtingen niet van toepassing zijn. Op deze wijze wordt voorkomen dat aan de subsidie-ontvanger wellicht onnodige verplichtingen worden opgelegd. Uiteraard kunnen de in dit besluit opgenomen verplichtingen ook worden aangevuld.

Artikel 23

In dit artikel worden bepalingen gegeven over voorschotten. Hierbij is aangesloten bij de Aanwijzingen. In de ministeriële regeling of in de subsidiebeschikking zullen het voorschotschema en de percentages van de bevoorschotting worden opgenomen.

Artikel 24 tot en met 26

In deze artikelen zijn de te volgen procedures bij de vaststelling van de subsidie opgenomen. Afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag dient de subsidie-ontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling gegevens mee te zenden. Dat is geregeld in artikel 24. Als er sprake is van een subsidie waarbij verantwoord wordt volgens het principe van Single Information Single Audit als bedoeld in artikel 17a van de Financiële-verhoudingswet vindt vaststelling plaats op basis van die verantwoording.

Voor de termijn van het geven van de beschikking tot subsidievaststelling (artikel 25) is aangesloten is bij de Aanwijzingen.

Artikel 26

In een ministeriële regeling kan ervoor worden gekozen subsidies ook aan samenwerkingsverbanden te verstrekken. Bij ministeriële regeling kan bijvoorbeeld worden bepaald welke partijen deel uit moeten maken van een samenwerkingsverband (bijvoorbeeld een onderzoeksinstelling, een klein bedrijf etc.). Deze deelnemers zijn dan afzonderlijke subsidie-aanvragers. Een samenwerkingsverband is volgens de in artikel 1 opgenomen definitie een verband zonder rechtspersoonlijkheid van ten minste twee partijen dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van bepaalde activiteiten.

In dit artikel is opgenomen wat naast de overige artikelen specifiek voor samenwerkingsverbanden nog geldt. Hierbij zij gedacht aan de wijze van indienen van de aanvraag, versturen van de beschikkingen en de betaling van de bijdragen. Opgemerkt zij dat het samenwerkingsverband niet de subsidie-ontvanger is. De deelnemers in het samenwerkingsverband zijn de subsidie-ontvangers. In sommige gevallen kan het wenselijk zijn om aan deze penvoerder nadere eisen te stellen. Een penvoerder neemt in de regel binnen het samenwerkingsverband ook voor andere aspecten de rol van voortrekker op zich.

Artikel 27

Ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies wordt in dit besluit ook voorzien in een departementale registratie. Daarin wordt in de eerste plaats geregistreerd het opleggen van een boete op grond van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door ministers verstrekte subsidies. Een dergelijke boete is aan de orde bij het niet voldoen aan een bijzondere meldingsplicht die aan de subsidie is verbonden als bedoeld in die wet. Daarnaast wordt in het register vastgelegd als sprake is geweest van een lager vaststelling van de subsidie (o.g.v. artikel 4:46 Awb), dat de subsidieverlening is ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger is gewijzigd (artikel 4:48) of dat de subsidievaststelling is ingetrokken of ten nadele van de subsidie-ontvanger is gewijzigd (artikel 4:49 Awb). In al deze gevallen vindt alleen registratie plaats als de subsidie-ontvanger een verwijt kan worden gemaakt van de lagere vaststelling, intrekking of wijziging. Het kan immers ook voorkomen dat een subsidie-ontvanger daarmee buiten zijn schuld wordt geconfronteerd. Het doel van de registratie is echter de toepassing van deze maatregelen vast te leggen om misbruik en oneigenlijk gebruik voor de toekomst te voorkomen. Voorts wordt ook een in het kader van de subsidieverstrekking gedane aangifte bij het openbaar ministerie op grond van artikel 162 van het Wetboek van strafvordering geregistreerd. Er worden in dat geval geen strafrechtelijke persoonsgegevens geregistreerd, doch alleen de melding dat er een aangifte is gedaan. De voorgestelde registratie voldoet aan de eisen in de Wet bescherming persoonsgegevens. Omdat er geen registratie plaatsvindt van gegevens van strafrechtelijke veroordelingen, overtredingen of veiligheidsmaatregelen valt de registratie niet onder de reikwijdte van artikel 8, vijfde lid. Richtlijn 95/46/Eg van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995, betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van gegevens.

Naast het treffen van de genoemde maatregelen wordt ook de aard van de gedragingen die daartoe hebben geleid geregistreerd (wat er niet juist was aan de handelwijze van de subsidie-ontvanger) evenals, in geval van lagere vaststelling van de subsidie of intrekking of wijziging van de subsidieverlening of subsidievaststelling, het subsidiebedrag dat daarmee gemoeid is. Verder worden in de registratie de naam- en adresgegevens van de subsidie-ontvanger opgenomen die het betreft. In het tweede lid is geregeld dat de Minister de ambtenaren zal aanwijzen die toegang hebben tot de registratie. De toegang is alleen nodig voor ambtenaren die zich direct bezig houden met subsidieverstrekking. De gegevens worden gedurende drie jaar in de registratie opgenomen (derde lid). De registratie zal plaatsvinden op het moment dat het desbetreffende besluit tot vaststelling, intrekking of wijziging is genomen of de boete op grond van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten is opgelegd. Ten behoeve van de juiste uitvoering van de bescherming van persoonsgegevens is een Privacy Impactassesment opgesteld voor deze registratie. Hieruit is gebleken dat er geen risico aanwezig is voor de privacy omdat de registratie met voldoende waarborgen is omkleed.

Uit het vierde lid volgt dat aan geregistreerde gegevens gevolgtrekkingen kunnen worden verbonden bij een nieuwe aanvraag van die eerdere subsidie-ontvanger. De gegevens worden ten eigen behoeve van het ministerie verwerkt ter beoordeling van eventuele nieuwe verzoeken om een subsidie. Dit past binnen de eisen van de Wet bescherming persoonsgegevens (artikel 22, tweede lid, onderdeel a). Als ten aanzien van de betreffende aanvrager gegevens zijn opgenomen in de registratie kunnen die gevolgen hebben voor de beoordeling van de aanvraag, de oplegging van verplichtingen en de controle op de naleving van die verplichtingen. In sommige gevallen zal de aanvraag preventief kunnen worden geweigerd op grond van artikel 4:35 Awb. Het opnemen van gegevens in de registratie kan een (beperkte) inbreuk op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betreffende subsidie-ontvanger met zich meebrengen. Deze is echter noodzakelijk in het belang van het economische welzijn van het land en ook proportioneel, omdat alleen ten aanzien van subsidie-ontvangers die verwijtbaar hebben gehandeld gegevens worden opgenomen in de registratie. Ten slotte betreft het een bescheiden registratie (er worden slechts enkele gegevens geregistreerd) en dient deze alleen voor departementaal gebruik. Er is dan ook geen lichter middel beschikbaar om hetzelfde doel te bereiken, namelijk het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidie.

Artikel 28 en 29

Omdat ingevolge de wet titel 15.3 van de Wet milieubeheer en Afdeling 6.3 van de Wet ruimtelijke ordening vervallen is er geen noodzaak meer de bepalingen van afdeling 6 van het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit milieusubsidies met betrekking tot de verstrekking van subsidies te laten staan.

Artikel 30

Een overgangsbepaling is opgenomen voor subsidies verstrekt op basis van algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen die voor 1 juli 2015 zijn vastgesteld op basis van de Wet Milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening of de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat De Kaderwet subsidies I en M. Op deze subsidies zijn de bepalingen opgenomen in de desbetreffende besluiten en regelingen van toepassing.

Artikel 31

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het besluit en de Kaderwet subsidies I en M met ingang van 1 juli 2015. zoals aangegeven in het algemene deel van de toelichting voorziet de wet niet in de mogelijkheid tot doordelegeren van subsidieverstrekking aan het bevoegd gezag, zoals opgenomen in de huidige Wet bodembescherming (Wbb). Deze bijzondere positie van de decentrale overheden in het besluitvormingsproces voor het verstrekken van de subsidie is namelijk (nog) niet voldoende geborgd in de wet. De bepalingen betreffende de Wet bodemsanering treden derhalve niet in werking.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus


X Noot
1

Tweede Kamerstukken II 2010/11, 32 537, nr. 3

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.