Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201132537 nr. 3

32 537 Regels inzake de verstrekking van subsidies door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer of de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie (Kaderwet VROM- en WWI-subsidies)

Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1. Aanleiding

De invoering van de subsidietitel in de Algemene wet bestuursrecht per 1 januari 1998 hebben de meeste ministeries aangegrepen om kaderregelgeving voor hun subsidies te formuleren. Zo voldeden die ministeries aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht aan subsidieverstrekking stelt. Bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) is er toen voor gekozen de wijzigingen vooral in de afzonderlijke regelingen te verwerken. Wel is het Besluit milieusubsidies totstandgekomen als algemeen kader op een beperkter gebied.

In 2007 zijn taken van Justitie op het gebied van inburgering en integratie overgeheveld naar het Ministerie van VROM. Omdat VROM niet beschikte over goede kaderwetgeving voor subsidies, konden subsidies voor met name inburgering en integratie alleen een goede juridische basis krijgen door ze te baseren op de Wet Justitie-subsidies.

Nu als gevolg van de implementatie van het subsidiekader, zoals dat is uitgewerkt in de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking (Stcrt. 2009, nr. 20306), subsidieregelgeving hierop moet worden aangepast, is dit een goede gelegenheid een Kaderwet VROM- en WWI-subsidies voor te stellen.

Dit voorstel van wet dient dus verschillende doelen:

a. Juridische grondslag voor subsidies

Het creëren van een goede juridische grondslag voor subsidies draagt bij aan de rechtmatigheid van subsidie-uitgaven en komt zo tegemoet aan bevindingen die eerder door de Audit Dienst en de Algemene Rekenkamer zijn aangegeven bij de begrotingshoofdstukken van VROM, c.q. WWI.

Een bijzonder aspect van deze goede juridische grondslag is het creëren van de mogelijkheid tot weigering, intrekking, wijziging en terugvordering van subsidies in het geval dat subsidieverstrekking in strijd is met op grond van een verdrag voor de staat geldende verplichtingen. Hierover zijn weliswaar algemene bepalingen opgenomen in het voorstel van wet tot wijziging van onder meer het Burgerlijk Wetboek in verband met de tenuitvoerlegging van bepaalde beschikkingen en rechterlijke uitspraken over staatssteun (31 418), hierna aan te duiden als wetsvoorstel terugvordering staatssteun, maar het onderhavige voorstel van wet bevat in overeenstemming met eerder vastgestelde kaderwetten voor subsidieverstrekking nog enkele extra bepalingen, die in de toelichting op artikel 8 verder aan de orde zullen komen.

b. Aanwijzingen voor subsidieverstrekking (Rijksbreed subsidiekader).

In de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking vindt standaardisering en uniformering plaats in het kader van een eenvoudiger uitvoering en financieel beheer van rijkssubsidies. Daarin spelen onder andere standaard uitvoerings- en verantwoordingsarrangementen over verstrekte subsidies een rol, waarvan de toepassing wordt bepaald door de hoogte van het subsidiebedrag. Aan de ene kant leidt dit tot efficiency, zowel bij de beleidsontwikkeling als bij de beleidsuitvoering. Aan de andere kant moet ook langs deze weg een reductie van administratieve lasten bij aanvragers mogelijk zijn. Departementen zullen bestaande en nieuwe subsidieregelgeving daarop moeten aanpassen.

De hier bedoelde aanwijzingen zijn als Aanwijzingen voor de rijksdienst per 1 januari 2010 van toepassing op nieuwe regelgeving op het terrein van subsidies. Per 1 januari 2012 moet bestaande regelgeving met betrekking tot subsidies in overeenstemming zijn met die Aanwijzingen.

Ieder ministerie is verantwoordelijk voor de implementatie van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking voor de eigen subsidieregelingen en heeft daarvoor een implementatieplan met planning opgesteld, zodat alle subsidieregelingen op 1 januari 2012 voldoen aan dat kader. Elk ministerie is gehouden om zijn wet- en regelgeving na te lopen en zo nodig aan te passen. Met betrekking tot de juridische grondslag is een inhaalslag wenselijk om, net zoals de meeste andere departementen eerder gedaan hebben, tot een kaderwet subsidies te komen.

2. De aanpak

Om de gesignaleerde tekortkomingen in de huidige situatie voor de toekomst op te lossen en gelijktijdig de «nieuwe» in de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking geformuleerde eisen te implementeren, worden de volgende drie stappen voorzien.

1e stap: vaststellen van de onderhavige Kaderwet subsidies VROM en WWI.

Het onderhavige voorstel voor een kaderwet geeft kaders voor subsidies van VROM/WWI. Deze kaders hebben betrekking op het veld waarop subsidies betrekking hebben, en op de te volgen procedures. Ook wordt aangegeven wat in lagere regelgeving verder wordt uitgewerkt. Vanuit de efficiency en noodzakelijke flexibiliteit met betrekking tot de subsidiewetgeving vindt waar verantwoord uitwerking in lagere regelgeving plaats. Dit is in overeenstemming met de lijn in subsidiekaderwetten op het terrein van andere ministeries.

2e stap: vaststellen van uitvoeringsbepalingen in een amvb subsidies VROM/WWI

Op grond van de kaderwet zal verdere uitwerking van de algemene regels over subsidies plaats vinden bij algemene maatregel van bestuur. Het gaat dan om de procedures rond subsidiebepaling en verantwoording, alsmede de verdere uitwerking van het met de subsidiëring samenhangende aangescherpte beleid ten aanzien van misbruik en oneigenlijk gebruik. Deze algemene maatregel van bestuur zal voor de subsidies op milieugebied in de plaats komen van het Besluit milieusubsidies, maar dat zal naar het zich laat aanzien niet meteen leiden tot het geheel intrekken van dat besluit, omdat specifieke uitkeringen op grond van de Wet milieubeheer nog mogelijk blijven.

3e stap: aanpassen van bestaande concrete subsidieregelingen van het ministerie

In de derde stap wordt voorzien in het -met ingang van de datum van inwerkingtreding van de voorgestelde kaderwet- aanpassen van in ministeriële regelingen vastgelegde bestaande subsidieregelgeving aan de dan als basis dienende kaderregelgeving. Dit komt neer op het verwijderen van bepalingen in de concrete subsidieregelgeving waarin hogere regelgeving vanaf dat moment voorziet en het waar nodig aanbrengen van verwijzingen naar de kaderregelgeving.

Met deze wetgevingsactie wordt een structurele efficiencyslag gemaakt. Standaardisering en uniformering zorgen ervoor dat het eenvoudiger wordt om subsidieregelgeving te ontwerpen. En als de kaderstelling wijzigt, dan zijn die wijzigingen ook eenvoudig en op een efficiënte wijze door te voeren. Daarnaast kan in de uitvoering verdere efficiency worden doorgevoerd (standaardbeschikkingen en standaardverantwoordingen). Tot slot leiden standaardisering en uniformering tot een betere kwaliteit van subsidieregelgeving.

Het subsidiekader gaat uit van de visie van het kabinet ten aanzien van het functioneren van de overheid. Hiervan is de kerngedachte dat een betere en kleinere overheid realiseerbaar is, mits voldaan wordt aan een aantal belangrijke voorwaarden, waaronder eenvoudiger uitvoeringsprocessen, minder controle en werken vanuit vertrouwen. Het subsidiekader sluit ook aan bij de ontwikkelingen die zijn ingezet met het interdepartementaal beleidsonderzoek Regeldruk en Controletoren («Verantwoordelijkheid en verantwoording», Interdepartementaal Beleidsonderzoek, Kamerstukken II, 2003/04, 29 228, nr. 1) en de hierop gevolgde kabinetsreactie (Kamerstukken II, 2004/05, 29 950, nr. 1). De essentie hiervan is dat sturing op hoofdlijnen in samenhang met risicomanagement voorkomt dat beheersingsmaatregel op beheersingsmaatregel wordt gestapeld en veelvuldig uitgebreide rapportages moeten worden gevraagd.

3. Hoofdlijnen van de inhoud

Voor een goed begrip begint deze beschrijving met de meest principiële grenzen die bij het voorbereiden van dit wetsvoorstel zijn verkend en aangehouden. Daarna volgt onder punt c. een globale beschrijving van de inhoud.

a. Specifieke uitkeringen

De voorgestelde wet heeft, anders dan een aantal subsidiekaderwetten uit de jaren »90, geen betrekking op specifieke uitkeringen, dat wil zeggen subsidies die uitsluitend aan andere overheden kunnen worden gegeven. Dat is in overeenstemming met het kabinetsbeleid om specifieke uitkeringen terug te dringen en om in de Financiële verhoudingswet speciale instrumenten te creëren voor gevallen waarin stortingen in de algemene uitkering aan het gemeentefonds en het provinciefonds (nog) niet in aanmerking komen. Deze instrumenten zijn de decentralisatie-uitkering en de verzameluitkering. Dit uitgangspunt leidde tot het in dit wetsvoorstel afsplitsen in diverse wetten op het terrein van VROM/WWI van specifieke uitkeringen, die zolang als de uitkeringen nodig blijven onder die afzonderlijke wetten blijven vallen. Daarnaast zijn er de overige subsidies, die in beginsel onder de kaderwet zullen gaan vallen. In wetten die qua grondslag in de wet of in de uitwerking uitsluitend voorzien in specifieke uitkeringen, zoals het geval is op het gebied van de Wet bodembescherming en de Wet geluidhinder, hoefde deze splitsing uiteraard niet te worden aangebracht.

b. Subsidies die op wetsniveau rechten toekennen en uitwerken.

Er zijn subsidies die op het niveau van de wet in formele zin al zover zijn uitgewerkt, dat deze zich niet goed lenen voor opname in een kaderwet. Het gaat hier met name om het Waddenfonds. Bij overheveling naar de voorgestelde kaderwet zou daarom voor de hand liggen de regeling die nu op wetsniveau gegeven is naar een lager niveau van regelgeving te verplaatsen. Het is echter niet gebruikelijk uitsluitend omwille van wetssystematiek het niveau van rechten voor derden, als dat eenmaal op het niveau van de wet is vastgelegd, naar een lager niveau van regelgeving over te brengen. Daarom wordt in het wetsvoorstel de Wet op het Waddenfonds ongewijzigd gelaten.

Een hiermee verwant geval is de situatie dat de subsidie weliswaar niet op het niveau van de wet ver is uitgewerkt, maar de basis voor de subsidie in de wet een van de dragende elementen is voor het bestaan van een andere voorziening die in de wet geregeld is. Hierbij kan men zowel denken aan de Wet overleg minderhedenbeleid als aan de regeling in de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening die de grondslag vormt voor het bestaan van de Stichting advisering bestuursrechtspraak milieu en ruimtelijke ordening (par. 20.3 van de Wet milieubeheer en afd. 8.2 van de Wet ruimtelijke ordening). Het weghalen van de subsidiemogelijkheid uit de desbetreffende wetgeving, door middel van overheveling naar de algemene subsidiemogelijkheden van een kaderwet, zou de wetgeving over de specifieke andere voorziening onevenwichtig maken. Die overheveling wordt dan ook niet voorgesteld.

Wellicht ten overvloede wordt nog opgemerkt dat er ook wetgeving is die wel financiële aanspraken toekent, maar waarbij de op grond daarvan gedane uitkering noch een specifieke uitkering is, noch een andere subsidie. Dat heeft in het bijzonder te maken met het feit dat artikel 4:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht het begrip subsidie definieert als aanspraken met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager. Dat oogmerk van het stimuleren tot bepaalde activiteiten ontbreekt in een aantal gevallen waarin de overheid financiële middelen verstrekt. Men kan hier met name denken aan de inkomensvoorzieningen op basis van de Remigratiewet en aan de financiële tegemoetkomingen in immateriële schade voor asbestslachtoffers op grond van artikel 15.50 van de Wet milieubeheer. Deze uitkeringen worden niet geraakt door de voorgestelde kaderwet.

Nog verder verwijderd van het terrein van dit voorstel van wet zijn wettelijke rechten op schadevergoedingen, nadeelcompensatie en financiële faciliteiten voor wettelijk verplicht te maken kosten.

c. Globale beschrijving van de inhoud

Het wetsvoorstel geeft in artikel 3 de verantwoordelijke bewindslieden op VROM/WWI-terrein de mogelijkheid subsidies te verlenen over de volle breedte van dat terrein. De concrete subsidieregelingen zullen veelal het niveau hebben van een ministeriële regeling, maar in veel gevallen zullen daarop algemene regels van toepassing zijn die bij algemene maatregel van bestuur gegeven zijn. Dat stelsel van regels is in overeenstemming met een aantal andere subsidiekaderwetten en vindt een basis in de voorgestelde artikelen 4 en 7. Overigens vinden ook incidentele subsidies, waarvoor geen kader is geschapen in algemeen verbindende voorschriften, een basis in de voorgestelde kaderwet, omdat de bevoegdheden van de ministers niet dwingend gekoppeld zijn aan het bestaan van een algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling. Dit is in lijn met de Algemene wet bestuursrecht, die er van uit gaat dat in sommige gevallen subsidies mogelijk zijn zonder een wettelijk kader. De voorgestelde wet bevat voor die gevallen in ieder geval nog een algemene basis. De artikelen 5 en 6 geven subsidieaanvragers, in overeenstemming met de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking, zekerheid over een aantal termijnen bij belangrijke besluiten over concrete subsidies. Dit is een nieuw element ten opzichte van de subsidiekaderwetten die uit de tweede helft van de jaren «90 van de vorige eeuw dateren. Verder zijn nog de gebruikelijke bepalingen opgenomen over staatssteun en toezicht op de naleving van de subsidieregelgeving ( de artikelen 8 en 9). In hoofdstuk 5 zijn de aanpassingen opgenomen van andere wetten aan de voorgestelde kaderwet en daarbij zijn de uitgangspunten in acht genomen die hiervóór onder a en b van dit hoofdstuk zijn beschreven.

4. Administratieve lasten

In hoofdstuk 1 van deze memorie van toelichting is het rijksbreed subsidiekader al genoemd als een van de redenen voor het onderhavige wetsvoorstel. Dat kader leidt tot substantiële vermindering van werkzaamheden bij de overheid en bij bedrijven, instellingen en burgers. De uniforme subsidiesystematiek zorgt er voor dat de aanvraag, uitvoering en verantwoording voor zowel de subsidieverstrekker als de subsidieontvanger efficiënter en dus minder belastend wordt. Uitgangspunten van het nieuwe kader zijn: sturen op hoofdlijnen, werken vanuit vertrouwen, proportionaliteit tussen het vragen van informatie en het subsidiebedrag, een lastenarme uitwerking en eenvoud en eenvormigheid in begrippen, bepalingen en subsidiesystematiek. Doel van dit kader is onder meer alle bestaande en toekomstige regelingen zo in te richten dat deze zo min mogelijk administratieve lasten met zich mee brengen. Het wetsvoorstel sluit geheel aan op het rijksbreed subsidiekader, zoals neergelegd in de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. Dit geldt als uitgangspunt ook voor de nog op te stellen kaderamvb. Na de aanpassing van de bestaande subsidieregelgeving aan de voorgestelde kaderwet en kaderamvb zijn de subsidieregelingen van VROM/WWI derhalve lastenarm. In de toelichtingen op de wijzigingen van de lagere regelgeving zal worden stilgestaan bij de effecten van de precieze veranderingen.

II. ARTIKELSGEWIJS

Artikel 1

Door de gekozen redactie zijn zowel de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie afzonderlijk bevoegd besluiten te nemen over subsidiëring.

Artikel 2

Deze bepaling zorgt er voor, door middel van aansluiting op het werkingsgebied van de subsidietitel in de Algemene wet bestuursrecht, dat niet onder de werking van de kaderwet zullen vallen de specifieke uitkeringen. Dat zijn subsidies die uitsluitend kunnen worden verstrekt aan andere overheden. De redenen voor die uitzondering zijn gegeven in het algemeen deel van deze memorie van toelichting. De uitzondering geldt ook als in de VROM/WWI-regelgeving is bepaald dat op een specifieke uitkering de subsidietitel van de Algemene wet bestuursrecht wel van toepassing is: daarmee verandert immers niet het principe dat het om een specifieke uitkering gaat. Om deze laatstbedoelde uitzondering te realiseren, is in de tekst van het artikel bepaald dat het van toepassing zijn van de subsidietitel op een (VROM- of WWI) subsidie moet voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht zelf.

Artikel 3

Eerste lid

Dit artikellid geeft de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie een algemene wettelijke bevoegdheid subsidies te verstrekken op het gehele gebied dat binnen de grenzen van hun taakveld valt.

Bij twee elementen uit de omschrijving van het gebied wordt hier nog even stilgestaan, vanwege het feit dat bij een formulering in algemene termen op een enkel detail een misverstand zou kunnen ontstaan over de exacte reikwijdte.

Omdat het hier gaat om een regulier onderdeel van het werkveld van VROM/WWI, moet onder bouwen geacht worden te zijn begrepen het bouwen, verbouwen en beheren van gebouwen door de Rijksgebouwendienst, inclusief de architectonische en duurzaamheidsaspecten daarvan.

Tot het beleid inzake integratie behoren standaard het voorkomen van schooluitval, werkloosheid en criminaliteit van etnische groepen.

Tweede lid

Deze bepaling voorkomt dat wijzigingen in de begrotingsstaat gevolgen hebben voor reeds verleende subsidies. Verwezen wordt naar de begrotingswet voor het jaar, waarin de subsidie wordt verstrekt dan wel voor een voorafgaand jaar, indien daarin een beschikking tot subsidieverlening is gegeven. Is de begrotingswet op 1 januari nog niet in werking getreden, dan is het aanhangige voorstel voor die wet bepalend. Nu het hierbij slechts gaat om een aanduiding van de onderwerpen, behoeft niet de eis te worden gesteld dat de begrotingswet in werking is getreden. Voor de rechtmatigheid van uitgaven in het licht van de Comptabiliteitswet 2001 blijft uiteraard wel de eis gelden, dat het aangaan van verplichtingen volgens die wet moet zijn toegestaan.

Artikel 4, eerste lid, en artikel 7

Artikel 4, eerste lid, geeft een grondslag voor een algemene maatregel van bestuur en al dan niet daarop gebaseerde ministeriële regelingen, waarin ter uitwerking van de algemene bevoegdheid tot subsidieverstrekking van artikel 3 belangrijke specifieke afgrenzingen van de subsidiemogelijkheden worden bepaald. Artikel 7 geeft daarop aansluitend een grondslag voor het regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur van de bijzonderheden van de subsidiëring, vanaf de aanvraag tot en met de definitieve afhandeling van de subsidieverstrekking. Al deze regels zullen uiteraard in overeenstemming moeten zijn met titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin algemene regels over subsidies gegeven zijn.

Artikel 4, tweede lid

Het betreft hier een gebruikelijke bepaling over de positie van de Minister van Financiën in gevallen waarin een subsidieplafond achterwege wordt gelaten, zoals die bepaling bijvoorbeeld voorkomt in artikel 3, derde lid, van de Kaderwet EZ-subsidies.

Artikel 4, derde lid

De voorgestelde tekst geeft geen rechten op subsidie in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, maar bepaalt wel dat als lagere regelgeving een dergelijk recht voor een concrete situatie toekent, de kaderwet daarop van toepassing zal zijn.

Artikelen 5 en 6

In deze artikelen worden een aantal termijnen vastgelegd die als algemene norm voor de subsidieverstrekking zijn vastgelegd in aanwijzing 17 van de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. Omdat termijnen een belangrijk element zijn in regelgeving en deze volgens de Aanwijzingen niet per te subsidiëren categorie activiteiten kunnen verschillen, is het voorstel deze in de voorgestelde kaderwet op te nemen en niet aan lagere regelgeving te delegeren. De concrete termijnen geven invulling aan de ruimte die de Algemene wet bestuursrecht aan de bijzondere wetgever laat om beslistermijnen vast te stellen.

Artikel 8

Dit artikel beoogt in algemene zin een weigeringsgrond op te nemen voor gevallen waarin een subsidieverstrekking in strijd is met een internationale verplichting. Te denken valt met name aan de verplichtingen die voortvloeien uit de steunbepalingen (artikelen 107 tot en met 109) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Volgens artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn in beginsel verboden steunmaatregelen van de Staten in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen voor zover deze steun het handelsverkeer tussen Lidstaten beïnvloedt.

Steunverlening is niet altijd verboden. Artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorziet onder meer in het tweede en derde lid in een aantal uitzonderingen op het verbod. Naast enkele uitzonderingen van rechtswege, die hier verder niet ter zake doen, wordt in dit artikel een vijftal uitzonderingen genoemd, waarin steunmaatregelen door de Europese Commissie toelaatbaar verklaard kunnen worden.

Voor zover een voornemen tot vaststelling bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling van activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt als een voorgenomen steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is aan te merken, dient dit voornemen ingevolge artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie tijdig bij de Europese Commissie te worden aangemeld.

Na aanmelding kan de Europese Commissie een beschikking afgeven dat de aangemelde maatregel:

  • 1. geen staatssteun is;

  • 2. verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt;

  • 3. twijfel doet rijzen over de verenigbaarheid ervan met de gemeenschappelijke markt en de formele onderzoeksprocedure wordt geopend.

Na het onderzoek in de formele onderzoeksprocedure kan de Europese Commissie een beschikking van geen staatssteun, een positieve beschikking of een negatieve beschikking nemen. In het geval van een negatieve beschikking houdt de beschikking in dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen moet nemen om de steun met rente terug te vorderen. Verder kan de Europese Commissie in alle verschillende fasen een beschikking afgeven tot opschorting van de steun of tot voorlopige terugvordering van de steun.

Het is van belang dat de grondslag in de wet wordt gelegd voor een daarop aansluitende bevoegdheid van de nationale subsidieverstrekker tot het nemen van maatregelen. Het in het algemeen deel van deze memorie van toelichting al genoemde wetsvoorstel terugvordering staatssteun bevat een dergelijke grondslag voor alle soorten van staatssteun, inclusief subsidie. Artikel 8 bevat in dit verband niet alleen een specifieke grondslag voor weigering van de subsidies die met een voorgestelde wijziging van artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht in het genoemde wetsvoorstel betrokken zijn, maar bovenop wat in dat wetsvoorstel is opgenomen een grondslag voor intrekking en wijziging van subsidies en tevens voor terugvordering onafhankelijk van een eventuele beschikking van de Europese Commissie. Een ander verschil tussen het voorgestelde artikel 8 en het wetsvoorstel terugvordering staatssteun is dat de bepaling in dit artikel niet alleen betrekking heeft op terugvordering van staatssteun, maar ook ziet op strijd met het secundaire gemeenschapsrecht ter zake van Europese subsidies.

Strijdigheid met een internationale verplichting dient uiteraard zoveel mogelijk voorkomen te worden. Met het oog daarop wordt zo goed mogelijk bewaakt, dat daarvoor in aanmerking komende voornemens tot subsidieverleningen en -regelingen aan de Europese Commissie worden voorgelegd.

Strijdigheid valt in de praktijk evenwel niet bij voorbaat uit te sluiten.

Hoewel de problematiek zich met name richt op het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is het ook mogelijk dat op grond van het WTO-subsidieverdrag subsidies niet mogen worden verleend c.q. niet in stand mogen blijven. Om die reden is de formulering in dit artikel niet beperkt tot alleen het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Het vierde lid zorgt er voor dat de minister niet gebonden is aan de normale wettelijke termijn van vijf jaar voor ingrijpen achteraf in de subsidievaststelling of bij terugvordering. Die termijn hanteren zou in strijd zijn met de internationale verplichtingen.

Artikel 9

Dit artikel bevat de voor dit type wetgeving gebruikelijke bepalingen over het toezicht. Daaronder ook de uitzondering op de normale mogelijkheden voor toezichthouders om voorwerpen en vervoermiddelen te onderzoeken en de daarmee direct verband houdende bevoegdheden. Zonder de in het tweede lid opgenomen uitzondering zouden deze mogelijkheden in relatie tot de VROM/WWI-subsidies aanwezig zijn op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 10

In hoofdstuk 4E van de Wet Justitie-subsidies zijn tot nu toe geregeld de rijkssubsidies op het gebied van integratie van etnische groepen in de Nederlandse samenleving. De bevoegdheid tot het verstrekken van deze subsidies berust inmiddels bij de Minister voor Wonen, Wijken en Integratie, zodat het voor de hand ligt bij het tot stand brengen van een Kaderwet VROM- en WWI-subsidies deze subsidiëring geheel onder de nieuwe wet te brengen. Het voorgestelde artikel regelt dan ook dat de Wet Justitie-subsidies over de hier bedoelde subsidies geen bepalingen meer zal bevatten.

Artikel 11

De werking van de titel over subsidies in de Wet milieubeheer wordt bij het van kracht worden van de kaderwet beperkt tot de specifieke uitkeringen. De andere subsidies kunnen verstrekt worden onder de kaderwet.

Artikel 12

De hier voorgestelde wijziging van artikel 6.10, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening bevat een expliciete beperking van de mogelijke begunstigden op basis van dit artikel tot provincies en gemeenten, zodat duidelijk wordt dat het hier gaat om een specifieke uitkering, waarop de voorgestelde kaderwet niet van toepassing zal zijn.

Artikel 13

Dit artikel verwijdert de grondslag voor subsidies die geen specifieke uitkering zijn uit de Woningwet, omdat deze subsidies op het gebied van bouwen, wonen en woonomgeving voortaan hun grondslag zullen vinden in de kaderwet. De basis voor specifieke uitkeringen in artikel 81 van de Woningwet wordt door het voorstel niet geraakt.

Artikel 14

De voorgestelde tekst van dit artikel bevat een zogenaamde omhangbepaling, die regelt dat bestaande subsidieregelingen niet opnieuw hoeven te worden vastgesteld door het enkele feit van het vervallen van de oude juridische basis op het tijdstip van inwerkingtreding van de kaderwet. Vanzelfsprekend wordt wel bezien welke technische aanpassingen wenselijk zijn door de kaderwet en door de voorgenomen nieuwe algemene maatregel van bestuur, waarin een aantal algemene regels voor de subsidiëring op het terrein van VROM/WWI te verwachten zijn.

Artikel 15

Dit artikel zorgt er voor dat op subsidies die al verleend of vastgesteld zijn op het moment dat de voorgestelde kaderwet in werking treedt, de vóór dat moment geldende regels van toepassing blijven op alle aspecten van de subsidieverstrekking, zodat de verkrijgers van deze subsidies niet tussentijds met andere regels te maken krijgen. Op lopende aanvragen in het eerste stadium van subsidieverstrekking zal de voorgestelde wet wel van toepassing zijn, omdat geen sprake is van nieuwe materiële criteria voor subsidieverstrekking, waarvan een aanvrager nadeel zou kunnen ondervinden.

Artikel 16

Het is passend, gegeven de opmerkingen die over de rechtmatigheid van sommige VROM/WWI subsidies in het verleden zijn gemaakt, om enkele jaren na de invoering expliciet stil te staan bij de vraag of de voorgestelde wet en de daarbij behorende uitvoeringsregelgeving de problemen hebben opgelost. Daarom is in dit artikel de verplichting opgenomen een afzonderlijk verslag uit te brengen over de werking van de voorgestelde wet.

Artikel 17

Het voornemen is bij het bepalen van de datum van inwerkingtreding uit te gaan van een van de vaste data uit het systeem van de vaste verandermomenten van regelgeving.

De minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J. C. Huizinga-Heringa