Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatsblad 2015, 186AMvB

Besluit van 20 mei 2015 tot wijziging van het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren in verband met de aanpassing van de verklaring van de accountant voor kleine curatoren en bewindvoerders

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 6 mei 2015, nr. 641920;

Gelet op de artikelen 383, achtste lid, 435, achtste lid, en 452, achtste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 mei 2015 nr. W03.15.0147/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 20 mei 2015, nr. 647860;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Artikel 11 van het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan het vierde lid wordt een zin toegevoegd, luidende:

Een curator die voldoet aan de eisen in artikel 3, onderdeel f, van de Regeling verslaggeving Wet Toelating Zorginstellingen kan volstaan met een samenstellingsverklaring van een accountant ten aanzien van de uitslag van het onderzoek, bedoeld in de eerste zin.

B

Het achtste lid komt als volgt te luiden:

  • 8. Het eerste tot en met zesde lid is van overeenkomstige toepassing op mentoren, met dien verstande dat de mentor in plaats van aan een accountant, opdracht kan verlenen aan een deskundige als bedoeld in artikel 12, om te onderzoeken of de mentor voldoet aan de in artikel 7 tot en met 10 gestelde eisen en dat het onderzoek geen betrekking heeft op de verplichting, bedoeld in artikel 386, derde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juni 2015.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 20 mei 2015

Willem-Alexander

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

Uitgegeven de negenentwintigste mei 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren is op 1 april 2014 in werking getreden. Doel van het besluit is om tegen redelijke kosten adequaat toezicht op de kwaliteit van curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren te bewerkstelligen. Het besluit stelt kwaliteitseisen aan curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren die drie of meer personen onder hun hoede hebben (zie de artikelen 383, 435 en 452, zevende lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek). De kwaliteitseisen zien op de bedrijfsvoering en scholing van de curator, bewindvoerder en mentor en, voor zover van toepassing, op de werving, scholing en begeleiding van en het toezicht op de personen door wie hij zijn taken uitoefent. Op grond van artikel 1:383, 435 en 452, achtste lid, BW dient de kandidaat-curator, -bewindvoerder of -mentor aan de rechter die hem benoemt, over te leggen: a) zijn eigen verklaring dat hij aan de in het zevende lid gestelde kwaliteitseisen voldoet, b) een verslag van een accountant, of, in geval van mentorschap, een door de kantonrechter benoemde deskundige, van diens bevindingen over de wijze waarop aan de eisen en verplichtingen wordt voldaan en c) een verklaring van een accountant omtrent de balans en staat van baten en lasten, dan wel de jaarrekening.

Het besluit voorziet in artikel 11 onder meer in een regeling voor de vorm en inhoud van de verklaring van de accountant over de jaarcijfers bedoeld in onderdeel c. Het vierde lid van artikel 11 bepaalt: «De accountant geeft de uitslag van het onderzoek omtrent de balans en staat van baten en lasten, bedoeld in artikel 10 van Boek 2, dan wel, voor zover van toepassing, omtrent de jaarrekening overeenkomstig titel 9 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek weer in een verklaring. Artikel 393, derde tot en met zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing op de verklaring omtrent de balans en de staat van baten en lasten.» Dit betekent onder meer dat de accountant een oordeel geeft over de getrouwheid van de jaarrekening. Het vierde lid geldt voor zowel curatoren, beschermingsbewindvoerders als mentoren, met dien verstande dat een mentor die voldoet aan de eisen in artikel 3, onderdeel f, van de Regeling verslaggeving Wet Toelating Zorginstellingen – d.w.z. met een omzet van minder dan één miljoen euro per jaar en minder dan tien fte personeel – kan volstaan met een samenstellingsverklaring van een accountant (artikel 11, achtste lid, van het besluit).

In de nota van toelichting bij het besluit tot inwerkingtreding van deze onderdelen van de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap (Stb. 2014, 85) is over de vereiste verklaring van de accountant het volgende opgemerkt: «Om curatoren, bewindvoerders en mentoren de gelegenheid te geven om hun boekhouding in te richten met het oog op accountantscontrole en hen enige tijd te geven om de balans en de staat van baten en lasten respectievelijk de jaarrekening op te maken, alsmede de accountant enige tijd te geven om de verklaring op te stellen, ligt het in de rede dat de verklaring van de accountant over de jaarstukken vanaf 1 juli 2015 wordt overgelegd.»

Bij brief van 19 september 2014 heeft staatssecretaris Teeven van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) voorstellen ontvangen voor wijziging van het besluit vanwege knelpunten met betrekking tot de verklaring van de accountant bij curatoren en beschermingsbewindvoerders. De voorstellen worden ondersteund door de Branchevereniging van professionele bewindvoerders en inkomensbeheerders (BPBI) en de Nederlandse Beroepsvereniging van Professionele Bewindvoerders (NBPB). De Raad voor de rechtspraak bevestigt dat de door de NBA gesignaleerde knelpunten worden herkend en stelt dat de voorstellen tot wijziging van het Besluit kwaliteitseisen op hoofdlijnen kunnen rekenen op draagvlak binnen de rechtspraak. Op 17 december 2014 heeft de NBA de door haar gesignaleerde knelpunten en oplossingen nader toegelicht. De NBA acht het voor een accountant van «kleine» curatoren en bewindvoerders niet mogelijk om een oordeel te geven over de getrouwheid van de jaarrekening. De taken zijn te zeer geconcentreerd bij een beperkt aantal personen (of bij één persoon, de directeur-eigenaar), zodat voor de accountant niet goed valt te toetsen of er voldoende «checks and balances» in de bedrijfsvoering aanwezig zijn om de volledigheid van de verantwoording te garanderen, zoals vereist op basis van verschillende NBA standaarden (met name NBA Standaard 500 – Controle-informatie). Daarmee is het vierde lid van artikel 11 van het besluit niet goed uitvoerbaar bij «kleine» curatoren en beschermingsbewindvoerders. Op deze wijze wordt het beoogde doel van de verklaring – het verschaffen van bruikbare informatie over de financiën van de curator en de bewindvoerder aan de kantonrechter – niet bereikt.

Om deze reden wordt voorgesteld om het besluit zo aan te passen dat ook «kleine» curatoren en bewindvoerders kunnen volstaan met een samenstellingsverklaring. Daarmee geeft de accountant geen oordeel over de getrouwheid van de jaarrekening, maar stelt hij de jaarrekening samen. Daarbij toetst hij indien nodig of de onderliggende informatie correct is door het opvragen van bescheiden zoals bankafschriften en facturen.

Het gesignaleerde probleem in de uitvoerbaarheid van de regeling kan niet op andere wijze worden opgelost. Aan de NBA is gevraagd of het mogelijk is om een goedkeurende verklaring af te geven uitsluitend op basis van de beperkte controle van brondocumentatie zoals deze plaatsvindt bij de samenstellingsopdracht. Dit acht de NBA in strijd met de NBA standaarden, omdat niet wordt voldaan aan het vereiste dat de accountant alleen een oordeel mag uitspreken indien hij over voldoende en geschikte controle-informatie over de verantwoording als geheel beschikt. De NBA standaarden voor de controle van de jaarrekening zijn afgeleid van de standaarden van de International Auditing and Assurance Standards Board (IAASB). Als lid van de IAASB acht de NBA het niet mogelijk om een beperking aan te brengen in de algemeen aanvaarde grondslagen voor controleopdrachten. In dat geval zou afgeweken worden van de internationaal geaccepteerde en verwachte wijze van totstandkoming van een controleverklaring van de jaarrekening. De achterliggende reden hiervoor is dat de gebruiker c.q. het maatschappelijk verkeer bij elke jaarrekening erop moet kunnen vertrouwen dat de accountant over een deugdelijke grondslag voor zijn oordeel beschikt en daarbij alle relevante controlestandaarden heeft nageleefd.

Derhalve wordt voorgesteld de uitzondering in de huidige regeling voor «kleine» mentoren in artikel 11, achtste lid, ook toe te passen op «kleine» curatoren en beschermingsbewindvoerders.

Consultatie en advies

Een concept van dit besluit is voor advies voorgelegd aan de Raad voor de rechtspraak. De voorgestelde wijziging kan rekenen op draagvlak binnen de rechtspraak. Ook beide brancheverenigingen en de NBA zijn uitgenodigd om te reageren. De NBA stemt graag in met de voorgestelde wijziging van artikel 11 van het besluit. De NBA verzoekt daarnaast om de in artikel 11, tweede lid, geregelde steekproef van maximaal 100 dossiers voor het onderzoek door de accountant naar het voldoen aan de gestelde eisen en verplichtingen door de curator, beschermingsbewindvoerder en mentor, te verminderen naar maximaal 25 dossiers. Dit draagt bij aan de uitvoerbaarheid van de regeling de vermindering van administratieve lasten en is in lijn met het aantal posten dat accountants normaliter onderzoeken bij een deelwaarneming in het kader van specifieke overeengekomen werkzaamheden en een rapport van feitelijke bevindingen, aldus de NBA. Ook de BPBI heeft met klem verzocht om de steekproef van maximaal 100 dossiers te verminderen naar maximaal 25 dossiers. Volgens de BPBI geeft een dergelijke omvang, naar algemeen aanvaarde controlemaatstaven, een voldoende mate van zekerheid op de vraag of de vertegenwoordiger voldoet aan de gestelde eisen. Daarnaast verzoekt de NBA om artikel 11 lid 5 in overeenstemming te brengen met de beroepsregelgeving voor accountants en om aan artikel 11 een nieuw lid toe te voegen met minimumeisen voor informatieverstrekking in de jaarrekening, dan wel de staat van baten en lasten.

Deze verzoeken zijn niet overgenomen. Het onderhavige besluit is noodzakelijk vanwege de gesignaleerde problemen in de uitvoerbaarheid van de regeling. Het is van groot belang om dit zo snel mogelijk te repareren. Daarbij wordt het niet passend geacht om nu al andere, inhoudelijke wijzigingen van op 1 april 2014 in werking getreden Besluit kwaliteitseisen, te overwegen. Dat gaat het doel van dit wijzigingsbesluit te buiten. Voor de steekproef bepaalt artikel 11 lid 2 dat deze ten minste 10 dossiers en, voor zover er meer dan 100 dossiers zijn, tien procent van de dossiers te omvatten, tot ten hoogste 100 dossiers. Dit betekent dat de representativiteit van de steekproef eerst vermindert bij vertegenwoordigers met meer dan 1.000 dossiers. Een verlaging van het maximale aantal dossiers tot 25 zou ertoe leiden dat de representativiteit van de steekproef vermindert bij vertegenwoordigers met meer dan 250 dossiers. Er is geen reden om deze vertegenwoordigers te bevoordelen ten opzichte van kleinere vertegenwoordigers.

De Raad voor de rechtspraak vraagt voorts om in deze wijziging mee te nemen een oplossing voor knelpunten die zich thans voordoen met betrekking tot de opleidingseisen in het besluit. In de eerste plaats meent de Raad voor de rechtspraak dat de gestelde eis van een passend MBO-4 diploma moet worden vervangen door een diploma dat toegang geeft tot een HBO-opleiding. Op deze wijze kan ook een HAVO- of VWO-diploma toegang geven tot het curator-, bewindvoerder- en mentorschap. In de tweede plaats adviseert de Raad voor de rechtspraak om het onderscheid in de opleidingseisen dat thans wordt gemaakt tussen bewindvoerders benoemd in «gewone» beschermingsbewinden en bewindvoerders benoemd in beschermingsbewinden wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden op te heffen en voor alle curatoren en bewindvoerders een passend HBO-diploma te vereisen of een diploma dat toegang geeft tot een passende HBO-opleiding plus ten minste twee jaar ervaring als curator of bewindvoerder onder verantwoordelijkheid van een benoembare curator of bewindvoerder. Ten slotte beveelt de Raad voor de rechtspraak aan om het mogelijk te maken om taken van de curator/bewindvoerder uit te laten voeren door ondersteunend personeel met ten minste MBO-4/HAVO/VWO diploma.

Deze verzoeken zijn evenmin overgenomen, gelet op de hierboven genoemde overwegingen. De kantonrechter blijft gehouden zijn eigen afweging te maken over de geschiktheid van de curator, bewindvoerder of mentor in een bepaald geval. De aan te leveren documenten vormen daarbij de minimale vereisten. Het wordt aan de kantonrechter gelaten om te beoordelen of een opleiding vergelijkbaar is met MBO-4, in welke aanvullende gevallen een HBO-diploma of MBO-4 diploma of vergelijkbaar diploma plus twee jaar werkervaring wordt vereist en wanneer een medewerker «de taken van de curator/bewindvoerder uitoefent». Het is kortom aan de praktijk om invulling te geven aan het Besluit kwaliteitseisen. Na enkele jaren kan worden bezien of de eisen verdere aanpassing behoeven.

Regeldrukeffecten voor burgers en bedrijven en financiële gevolgen

De wijziging heeft geen effecten voor de regeldruk voor kleine curatoren en beschermingsbewindvoerders. Aangezien de accountant op grond van de huidige regeling geen oordeel kan geven over de getrouwheid van de jaarrekening, ligt het in de rede dat hij de opdracht niet aanneemt. Bovendien beoogt dit besluit dat de accountant in staat wordt gesteld vanaf 1 juni 2015 een samenstellingsverklaring over boekjaar 2014 af te geven. Dit houdt in dat kleine curatoren en bewindvoerders niet eerst een controleopdracht aan hun accountant behoeven te verstrekken over boekjaar 2014, maar direct kunnen volstaan met een opdracht tot het samenstellen van de jaarrekening. Derhalve zijn er geen effecten voor de regeldruk. Er zijn evenmin financiële gevolgen voor de overheid. Volgens de Raad voor de rechtspraak heeft de voorgestelde wijziging geen gevolgen voor de werklast van de rechterlijke macht.

Artikel I

In artikel I wordt artikel 11 van het besluit op twee onderdelen gewijzigd. Onderdeel A regelt dat in het vierde lid een zin wordt toegevoegd voor kleine curatoren, inhoudende dat een curator die voldoet aan de eisen in artikel 3, onderdeel f, van de Regeling verslaggeving Wet Toelating Zorginstellingen – d.w.z. met een omzet van minder dan één miljoen euro per jaar en minder dan tien fte personeel – kan volstaan met een samenstellingsverklaring van een accountant. Het zevende lid verklaart het eerste tot en met zesde lid van overeenkomstige toepassing op bewindvoerders. Dit betekent dat ook kleine bewindvoerders kunnen volstaan met een samenstellingsverklaring. Nu de wijziging in het vierde lid staat, kan de uitzondering voor «kleine» mentoren genoemd in het achtste lid, in onderdeel B vervallen.

Artikel II

In artikel II wordt de datum van inwerkingtreding bepaald op 1 juni 2015. Op deze wijze wordt beoogd de accountant in staat te stellen vanaf dat moment een samenstellingsverklaring over boekjaar 2014 af te geven. In het voorontwerp was de datum van inwerkingtreding gesteld op 1 juli 2015. De NBA heeft verzocht om te vermelden dat de accountant ook al eerder dan 1 juli 2015 een samenstellingsverklaring kan afgeven, omdat 1 juli 2015 in de praktijk als uiterste termijn van aanlevering bij de kantonrechter geldt. Om deze reden wordt voorgesteld de datum van inwerkingtreding te vervroegen naar 1 juni 2015. Ter voorkoming van voor de doelgroep aanmerkelijke ongewenste private nadelen en omdat het reparatiewetgeving betreft, kan worden afgeweken van de vaste inwerkingtredingsdata.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.