Besluit van 16 april 2015 tot uitvoering van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 oktober 2014, nr. 2014-0000153118, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Financiën;

Gelet op de artikelen 8:3a, zevende lid, van de Arbeidstijdenwet, 16, vierde en zesde lid, en 34, vijfde en zevende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, 14b, vijfde lid, 19, tweede, derde, vierde en vijfde lid en 22, eerste en zevende lid, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 november 2014, No.WI 2.14.0377/111);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 april 2015; 2015-0000091270, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Financiën,

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK 1 BEGRIPPEN

Artikel 1:1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. bewerker:

de bewerker, bedoeld in artikel 14b, vierde lid, van de wet;

b. Inspectie SZW:

de toezichthoudende ambtenaren, bedoeld in artikel 14b, eerste lid, van de wet;

c. wet:

Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs.

HOOFDSTUK 2 GEGEVENSUITWISSELING

Verstrekken van gegevens door Inspectie SZW

Artikel 2:1
  • 1. Ten behoeve van de gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 14b, eerste lid, van de wet, levert de bewerker aan de Inspectie SZW ten minste eenmaal per kwartaal een overzicht aan van op dat moment gecertificeerde ondernemingen aan de hand waarvan de Inspectie SZW nagaat of deze ondernemingen of rechtspersonen een of meer wetten hebben overtreden als bedoeld in artikel 14b, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de wet.

  • 2. Het in het eerste lid genoemde overzicht wordt vastgesteld aan de hand van de door de certificerende instellingen aan de bewerker verstrekte gegevens van gecertificeerde ondernemingen.

  • 3. De Inspectie SZW verstrekt ten minste eenmaal per kwartaal aan de hand van het door de bewerker verstrekte overzicht, bedoeld in het eerste lid, door tussenkomst van de bewerker aan de certificerende instelling de volgende gegevens:

    • a. de naam-, adres- en vestigingsgegevens en het KvK-vestigingsnummer van een onderneming of rechtspersoon als bedoeld in artikel 7a van de wet die een of meer van de bepalingen, genoemd in artikel 14b, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de wet niet heeft nageleefd;

    • b. de aard van de overtreding, het aantal overtredingen, de datum waarop overtreding van een of meer van de bepalingen, genoemd in artikel 14b, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de wet is geconstateerd alsmede de datum waarop de boetebeschikking is gedagtekend.

  • 4. De door de Inspectie SZW verstrekte gegevens gaan niet verder terug dan twee jaar voorafgaand aan de datum waarop de Inspectie SZW het overzicht, bedoeld in het eerste lid, van de bewerker heeft ontvangen.

  • 5. In dit artikel wordt verstaan onder KvK-vestigingsnummer: een door een Kamer van Koophandel toegekend uniek nummer aan een vestiging van een onderneming in het handelsregister, bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007.

Verstrekken van gegevens door rijksbelastingdienst

Artikel 2:2
  • 1. Ten behoeve van de gegevensverstrekking, bedoeld in artikel 14b, tweede lid, van de wet, levert de bewerker aan de rijksbelastingdienst ten minste eenmaal per kwartaal een overzicht van gecertificeerde ondernemingen of rechtspersonen aan de hand waarvan de rijksbelastingdienst nagaat of zich ten aanzien van deze ondernemingen of rechtspersonen een omstandigheid heeft voorgedaan als bedoeld in artikel 14b, tweede lid, onderdelen a tot en met d, van de wet.

  • 2. Het in het eerste lid genoemde overzicht wordt vastgesteld aan de hand van de door de certificerende instellingen aan de bewerker verstrekte gegevens van gecertificeerde ondernemingen.

  • 3. De rijksbelastingdienst verstrekt ten minste eenmaal per kwartaal aan de hand van het door de bewerker verstrekte overzicht, bedoeld in het eerste lid, door tussenkomst van de bewerker aan de certificerende instelling de volgende gegevens:

    • a. de naam-, adres- en vestigingsgegevens van de onderneming of rechtspersoon;

    • b. de indicatie of de onderneming of rechtspersoon in haar, onderscheidenlijk zijn, hoedanigheid van belastingplichtige voor de omzetbelasting of als inhoudingsplichtige in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 dan wel als werkgever in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen optreedt;

    • c. de gegevens, bedoeld in artikel 14b, tweede lid, onderdelen a tot en met d, van de wet.

  • 4. De gegevens, bedoeld in het derde lid, zijn de actuele gegevens zoals die bij de rijksbelastingdienst bekend zijn op het moment waarop die gegevens in een overzicht aan de bewerker worden verstrekt, waarbij:

    • a. voor de gegevens, bedoeld in artikel 14b, tweede lid, onderdeel a, van de wet, bepalend is of de aldaar genoemde omstandigheid in de voorafgaande rapportageperiode is ontstaan;

    • b. voor de gegevens, bedoeld in artikel 14b, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet, bepalend is of de aldaar genoemde omstandigheden ten hoogste tien jaar voorafgaand aan het einde van de voorafgaande rapportageperiode zijn ontstaan en de betreffende betalingen aan het einde van die rapportageperiode nog steeds niet volledig zijn gedaan;

    • c. voor het gegeven dat een vergrijpboete is opgelegd vanwege een omstandigheid als bedoeld in artikel 14b, tweede lid, onderdeel d, van de wet, bepalend is of deze omstandigheid in de voorafgaande rapportageperiode is ontstaan;

    • d. voor het gegeven dat de ambtenaar, bedoeld in artikel 84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, contact heeft met het Openbaar ministerie in het kader van de vervolging en berechting van bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten vanwege een omstandigheid als bedoeld in artikel 14b, tweede lid, onderdeel d, van de wet, bepalend is de periode waarin deze omstandigheid bestaat.

Reikwijdte gegevensverwerking en vernietiging gegevens

Artikel 2:3

De gegevens, bedoeld in de artikelen 2:1 en 2:2, die door de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst via de bewerker worden verstrekt aan de certificerende instellingen, worden door de certificerende instellingen en de bewerker vernietigd na een periode van maximaal vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het gegeven met dien verstande dat bij verlies van het certificaat door een onderneming of rechtspersoon, de certificerende instellingen en de bewerker de gegevens vernietigen na een periode van een half jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de onderneming of rechtspersoon het certificaat heeft verloren.

Beveiliging tegen verlies of onrechtmatige verwerking

Artikel 2:4

De certificerende instelling en de bewerker dragen zorg voor de nodige voorzieningen van technische en organisatorische aard ter beveiliging van de verkregen gegevens tegen verlies of aantasting van deze gegevens als bedoeld in de artikelen 13 en 14, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, en tegen onbevoegde kennisneming, opneming, wijziging, verwijdering of verstrekking van deze gegevens. Deze voorzieningen omvatten ten minste de volgende onderwerpen:

  • a. maatregelen gericht op personen die werkzaam zijn voor de certificerende instelling;

  • b. maatregelen gericht op de toegang tot gebouwen en ruimten waarin de gegevens aanwezig zijn;

  • c. maatregelen gericht op het beheer van de gegevens, waaronder maatregelen gericht op de technische beveiliging tegen onbevoegde digitale toegang tot de opgeslagen gegevens;

  • d. maatregelen voor het geval de geheimhouding van de vermelde gegevens is geschaad; en

  • e. maatregelen ter voorkoming van calamiteiten en het afhandelen daarvan.

Waarborgen gegevensverwerking door certificerende instellingen

Artikel 2:5
  • 1. De certificerende instelling verstrekt aan de inspecterende functionarissen die namens de certificerende instellingen handelen een schriftelijke instructie en gedragsregels om te waarborgen dat de gegevens slechts worden verwerkt voor de beoordeling van de geldigheid van een afgegeven certificaat alsmede hoe daarop wordt toegezien.

  • 2. De certificerende instelling verstrekt een kopie van de instructie, bedoeld in het eerste lid, aan de bewerker en meldt aan de bewerker of inspecterende functionarissen voorvallen waarin in strijd met deze instructie is gehandeld.

  • 3. De bewerker verstrekt jaarlijks een verslag aan de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst over de maatregelen die zijn getroffen naar aanleiding van de gegevens die op basis van de wet door de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst zijn verstrekt.

HOOFDSTUK 3 PREVENTIEVE STILLEGGING VAN WERK IN VERBAND MET RECIDIVE

Overtredingen voor preventieve stillegging

Artikel 3:1
  • 1. Na een herhaling van een overtreding wordt een waarschuwing gegeven als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet en indien een herhaling van die overtreding is geconstateerd als bedoeld in dat artikel van de wet, wordt een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.

  • 2. Indien een ernstige overtreding is geconstateerd, wordt in afwijking van het eerste lid, een waarschuwing als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet gegeven bij de eerste overtreding en wordt, indien opnieuw een ernstige overtreding is geconstateerd, een bevel opgelegd door de daartoe aangewezen ambtenaar dat de door hem aangewezen werkzaamheden voor een daarbij aangegeven periode worden stilgelegd dan wel niet mogen aanvangen.

  • 3. Als ernstige overtreding als bedoeld in het tweede lid wordt aangemerkt de overtreding waarbij ten minste 20 ter beschikking gestelde arbeidskrachten zijn betrokken.

  • 4. Indien de aard van de overtreding of de met de overtreding samenhangende omstandigheden dan wel de gevolgen van een stillegging van de werkzaamheden daartoe aanleiding geven, kan worden afgezien van een waarschuwing als bedoeld in het eerste en tweede lid en kan worden afgezien van een bevel als bedoeld in het eerste en tweede lid.

Aanpassing aantal werknemers

Artikel 3:2

Bij ministeriële regeling kan het aantal werknemers, bedoeld in artikel 3:1, derde lid, worden aangepast.

Ernstige overtredingen

Artikel 3:3

Ernstige overtredingen in de zin van artikel 19, derde en vijfde lid, van de wet zijn de overtredingen, genoemd in artikel 3:1, derde lid.

HOOFDSTUK 4 WIJZIGINGEN IN ANDERE BESLUITEN

Arbeidstijdenbesluit

Artikel 4:1

Het Arbeidstijdenbesluit wordt gewijzigd als volgt:

A

Het opschrift bij artikel 1:1 komt te luiden: Begrippen.

B

In artikel 7:2, vijfde lid, wordt «artikel 10:7, zevende lid» vervangen door: artikel 10:7, zesde lid.

Arbeidsomstandighedenbesluit

Artikel 4:2

Het Arbeidsomstandighedenbesluit wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 1.17 wordt «de artikelen 10, 27, 28, 28a en 29 van de wet» vervangen door: de artikelen 10, 27, 28, 28a, 28b en 29 van de wet.

B

In artikel 1.18, eerste lid, wordt «de artikelen 27, 28, 28a en 29 van de wet» vervangen door: de artikelen 27, 28, 28a, 28b en 29 van de wet.

C

Artikel 1.22 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «De artikelen 10, 27, 28, 28a en 29 van de wet» vervangen door: de artikelen 10, 27 tot en met 29 van de wet.

2. Het tweede lid komt te luiden:

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op gedetineerden, verpleegden en jeugdigen.

D

Artikel 1.33 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het opschrift wordt «artikelen 27, 28 en 28a van de wet» vervangen door: artikelen 27 tot en met 28b van de wet.

1. In artikel 1.33, eerste tot en met derde lid, wordt «De artikelen 27, 28 en 28a van de wet» telkens vervangen door: De artikelen 27 tot en met 28b van de wet.

2. In het vierde lid wordt «de artikelen 27, 28 en 28a van de wet» vervangen door: artikelen 27 tot en met 28b van de wet.

E

In artikel 9.10a, derde lid, onderdeel b, wordt «4.60, eerste en tweede lid,» vervangen door «4.60, eerste en derde lid», wordt «4.61a, eerst en derde lid» vervangen door: 4.61a, eerste en derde lid, en wordt «4.61b» vervangen door: 4.61b, eerste lid.

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Intrekking Besluit

Artikel 5:1

Het Besluit arbeidsbemiddeling wordt ingetrokken.

Inwerkingtreding

Artikel 5:2

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2015.

Citeertitel

Artikel 5:3

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 16 april 2015

Willem-Alexander

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

De Staatssecretaris van Financiën, E.D. Wiebes

Uitgegeven de zevende mei 2015

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

In het onderhavige Besluit allocatie arbeidskrachten door intermediairs (hierna: Besluit) zijn de in hoofdstuk 2 opgenomen bepalingen met betrekking tot de gegevensverstrekking door de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst aan de certificerende instellingen nieuw. De bepalingen in hoofdstuk 3 die gaan over de preventieve stillegging van werk in verband met recidive, zijn overgenomen uit het Besluit arbeidsbemiddeling. Laatstgenoemd besluit wordt dan ook met dit Besluit ingetrokken. In hoofdstuk 4 van dit Besluit worden in het Arbeidstijdenbesluit en in het Arbeidsomstandighedenbesluit een aantal technische wijzigingen doorgevoerd.

§ 1. Gegevensuitwisseling

In het kader van de zelfregulering is binnen de uitzendbranche een certificaat tot ontwikkeling gekomen. De certificerende instellingen zijn belast met de certificering van ondernemingen binnen de uitzendbranche. In de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (hierna: Waadi) is geregeld dat ter versterking van de informatiepositie van de certificerende instellingen door de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst informatie wordt verstrekt die de certificerende instellingen beter in staat stelt deze certificering te verrichten. Voornoemde gegevensverstrekking vindt plaats krachtens artikel 14b van de Waadi.

De door de Inspectie SZW aan de certificerende instellingen verstrekte gegevens hebben betrekking op boetes die zijn opgelegd aan uitzendondernemingen wegens overtreding van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (hierna: Wml), de Waadi en de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: Wav). Met het verstrekken van gegevens over opgelegde boetes wacht de Inspectie SZW niet totdat de opgelegde boetes onherroepelijk zijn geworden. De achtergrond hiervan is dat er een zeer lange periode aan vooraf kan gaan voordat een opgelegde boete onherroepelijk is geworden. Het is juist van belang dat de certificerende instellingen op korte termijn nadat de boete is opgelegd hier melding van krijgen, zodat zij meteen kunnen starten de controles bij deze onderneming te intensiveren. De rijksbelastingdienst verstrekt informatie over het betalings- en aangiftegedrag van een gecertificeerde onderneming. Daarnaast verstrekt de rijksbelastingdienst informatie als er ten aanzien van een gecertificeerde onderneming een vergrijpboete is opgelegd of een strafrechtelijke vervolging is ingesteld. Ook wordt informatie verstrekt met betrekking tot de aantallen openstaande naheffingsaanslagen loonheffingen en omzetbelasting (hierna: naheffingsaanslagen). Het gaat hierbij niet om onherroepelijke naheffingsaanslagen. Voor de beoordeling van de geldigheid van een afgegeven certificaat is volgens de NEN-normering alleen van belang hoeveel naheffingsaanslagen een uitzendonderneming niet tijdig heeft betaald.

De Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst verstrekken aan de certificerende instellingen enkel gegevens van op dat moment gecertificeerde ondernemingen die een overtreding hebben begaan. Het doel van deze gegevensverstrekking is de bestrijding van fraude in de uitzendbranche.1

In een enkel geval kunnen de verstrekte gegevens persoonsgegevens bevatten. Zo kan bijvoorbeeld een naam van een natuurlijk persoon deel uitmaken van de bedrijfsnaam. Gelet hierop is bij de invoering van artikel 14b van de Waadi een afweging gemaakt tussen het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het verstrekken van gegevens van ondernemingen die de Wml, de Waadi, de Wav of de fiscale wetten hebben overtreden.2 Eveneens is dit Besluit ter advisering voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegevens (hierna: CBP). Het verstrekken van persoonsgegevens zal echter, zoals gezegd, een uitzondering zijn.

In de Waadi en in dit Besluit zijn waarborgen opgenomen ter bescherming van natuurlijke personen. In de periode 1 juli 2012 tot 1 juli 2015, het moment waarop dit Besluit in werking treedt, worden door de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst gegevens via de bewerker aan de certificerende instellingen verstrekt. Voornoemde waarborgen zijn gegarandeerd omdat er reeds een ruime ervaring was opgedaan met de verstrekking van de gegevens en de genoemde waarborgen. De rijksbelastingdienst verstrekt sinds de totstandkoming van het certificaat in 2007 reeds gegevens aan de bewerker over gecertificeerde uitzendbureaus, indien deze ondernemingen de rijksbelastingdienst daartoe hadden gemachtigd. Sinds 2007 hebben zowel de rijksbelastingdienst als de Stichting Normering Arbeid (hierna: SNA) op dit punt een zorgvuldige werkwijze ontwikkeld. Deze werkwijze heeft ten grondslag gelegen aan dit Besluit. De Inspectie SZW sluit hierbij aan. Wellicht ten overvloede wordt hier nog opgemerkt dat er periodiek overleg plaats vindt tussen de ministeries van SZW en Financiën enerzijds en de SNA en de certificerende instellingen anderzijds over het certificaat, waarbij ook de waarborgen voor een veilige verstrekking en gebruik van de verstrekte informatie aan de orde komen.

Aan de hand van het door de bewerker opgestuurde overzicht van gecertificeerde ondernemingen, gaat de Inspectie SZW na welke van deze ondernemingen de Wml, de Waadi, dan wel de Wav hebben overtreden en verstrekt deze gegevens aan de bewerker.

De Inspectie SZW gaat hierbij na of in de voorliggende periode van 2 jaar, gerekend vanaf het moment waarop de bewerker aan de Inspectie SZW het overzicht aanlevert, een bestuurlijke boete is opgelegd aan voornoemde ondernemingen. Voor de periode van twee jaar is gekozen om de certificerende instellingen optimaal van informatie te voorzien. De certificerende instellingen krijgen zo inzage in overtredingen die in het verleden zijn begaan. Dit is van belang omdat kennis over gedragingen in het verleden relevant is voor de informatiepositie van de certificerende instellingen en voor het besluit tot afgifte van het certificaat. De informatie moet voldoende actueel zijn om het onderzoek van de inspecteurs van de certificerende instellingen goed te kunnen faciliteren. Met de keuze van een periode van 2 jaar wordt zowel recht gedaan aan de actualiteit van de gegevens als aan de wens om gegevens te verstrekken waardoor certificerende instellingen optimaal van informatie voorzien kunnen worden.

De door de rijksbelastingdienst verstrekte informatie is actueel. Met actuele informatie wordt bedoeld dat het gaat om informatie zoals die op het moment van periodieke verstrekking over de onderneming of rechtspersoon in de systemen van de rijksbelastingdienst bekend is. Bij de gemaakte keuzes over actualiteit van de door rijksbelastingdienst te verstrekken gegevens is gezocht naar een balans tussen wenselijkheid en uitvoerbaarheid. De NEN 4400-norm strekt ertoe om toezicht te houden op de naleving van alle openstaande niet verjaarde betalingsverplichtingen die de onderneming heeft richting de rijksbelastingdienst voor de loonheffingen en de omzetbelasting. De ouderdom van de schuld maakt daarbij geen verschil. Dit betekent dat de NEN 4400-norm, rekening houdend met betalingstermijnen, uitstel van betaling en stuiting door de rijksbelastingdienst van verjaring, in beginsel onbeperkt terug kijkt in de tijd. Deze vergaande benadering vloeit voort uit een belangrijke doelstelling van de NEN 4400-norm, namelijk het beschermen van de opdrachtgever tegen de fiscale inleners- en ketenaansprakelijkheid. Volgens de NEN 4400-norm moet een inspectie door een certificerende instelling leiden tot het intrekken van het certificaat wanneer er sprake is van een structurele en of substantiële betalingsachterstand, dan wel van 3 of meer openstaande naheffingsaanslagen ongeacht de ouderdom van de schuld. In dit opzicht maakt de NEN 4400-norm een belangrijk onderscheid tussen het toezicht op de fiscale betalingsverplichtingen en het toezicht op het sociale domein waar alleen naar de periode tussen de inspecties wordt gekeken. Dit onderscheid werkt door in de gekozen periode waarover wordt teruggekeken om de inspecterende instellingen met gegevensverstrekking te ondersteunen om de inspecterende instellingen te ondersteunen met fiscale gegevensverstrekking bij de uitoefening van hun taak op grond van de NEN 4400-norm. De rijksbelastingdienst is de enige instantie die beschikt over het overzicht van de fiscale betalingsachterstaanden. Er is dus geen alternatief beschikbaar om de de inspecteurs van de certificerende instellingenhierover te informeren. De rijksbelastingdienst verstrekt geen betalingsgegevens die onbeperkt in de tijd teruggaan maar beperkt dit tot een periode van 10 jaar. Deze beperking heeft een uitvoeringstechnische achtergrond. Fiscale schulden die ouder dan 10 jaar zijn kunnen niet meer geautomatiseerd door de rijksbelastingdienst uit de bestanden worden gehaald. Het zou een disproportionele zoekactie van de rijksbelastingdienst vergen om de schulden ouder dan 10 jaar te traceren. Met deze begrenzing wordt enerzijds recht gedaan aan de taken van de inspecteurs van de certificerende instellingenen de daaruit voortvloeiende informatiebehoefte en wordt anderzijds rekening gehouden met de technische eisen en beperkingen die voortvloeien uit specifieke zoekacties in de databestanden van de Belastingdienst gericht op het terugkrijgen van gegevens. De overige fiscale gegevens zijn gegevens die duiden op een verhoogd risico bij een komende inspectie op basis van de NEN 4400-norm (het niet doen van aangifte en het opleggen van een vergrijpboete). Ook deze gevens zijn zo actueel mogelijk en hebben betrekking op het kwartaal dat voorafgaat aan de gevensverstrekking. De verstrekking van het gegeven dat aan een onderneming een naheffingsaanslag is opgelegd waarover de contactambtenaar van de rijksbelastingdienst contact heeft met het Openbaar Ministerie wegens een fiscaal strafbaar feit, heeft eveneens betrekking op de feitelijke, actuele situatie en bestaat uitsluitend uit de melding dat die omstandigheid zich voordoet.

Bij het bepalen van de informatie en gegevens die door de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst worden verstrekt is als onderscheidend criterium gehanteerd de mate waaraan dit bijdraagt aan de versterking van de informatiepositie van de certificerende instelling. Gelet op de omstandigheid dat in onderhavige maatregel van bestuur exact is aangegeven welke informatie aan de certificerende instellingen wordt verstrekt hebben noch deze certificerende instellingen noch de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst invloed op het type informatie dat wordt verstrekt. De rijksbelastingdienst levert per tijdvak, geautomatiseerd, de in artikel 14b, tweede lid, van de Waadi voorgeschreven gegevens over gecertificeerde uitzendondernemingen. Dit betreft een periodieke informatiestroom.

In dit Besluit wordt onder meer geconcretiseerd welke gegevens de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst verstrekken. Voorts wordt er in dit Besluit geregeld op welke wijze de gegevens via de bewerker aan de erkende certificerende instellingen worden verstrekt. Daarnaast bevat dit Besluit bepalingen die ertoe moeten leiden dat wordt gewaarborgd dat de gegevens alleen voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt worden gebruikt en dat deze gegevens enkel ter inzage komen van de daartoe bevoegde personen.

Advies CBP

Omdat het in incidentele gevallen kan gaan om gegevens van natuurlijke personen, is advies gevraagd aan het CBP. Het CBP verzoekt duidelijker aan te geven welke rollen (verantwoordelijkheden) de certificerende instellingen, de SNA, de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst vervullen bij de gegevensverwerking. Dit wordt hieronder nader aangegeven onder «Rol en verantwoordelijkheden» in deze paragraaf. Tevens wordt de daarmee samenhangende informatieplicht toegelicht. Voorts wordt uiteengezet dat het aan de certificerende instellingen is om te bepalen wat er met de verstrekte gegevens gebeurt. Tot slot zijn een aantal opmerkingen van technische aard verwerkt: zo is de bewerkersovereenkomst vervallen, is de bewaartermijn van vijf jaar nader onderbouwd (zie de toelichting bij artikel 2:3) en is de suggestie overgenomen in artikel 2:4 expliciet te verwijzen naar artikel 13 van de Wbp.

Rol en verantwoordelijkheden

Conform artikel 14b, vierde lid, van de Waadi worden deze gegevens aan een certificerende instelling verstrekt door tussenkomst van een bij regeling van onze Minister in overeenstemming met onze Minister van Financiën aan te wijzen stichting. Deze stichting is bewerker in de zin van artikel 14 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) voor het verwerken van die gegevens. In artikel 2 van de Regeling Waadi is de SNA als bewerker in de zin van artikel 14b, vierde lid, van de Waadi aangewezen.

In artikel 14b, vijfde lid, van de Waadi is een delegatiegrondslag opgenomen om de gegevensverstrekking nader uit te werken bij algemene maatregel van bestuur. Dit Besluit voorziet hierin.

Het verzoek om informatieverstrekking wordt gedaan door de certificerende instelling. Dit gebeurt als volgt. Een certificerende instelling geeft bij de SNA aan dat een certificaat aan een uitzendonderneming is verstrekt. Vervolgens wordt deze onderneming op een lijst van gecertificeerde ondernemingen gezet. Deze lijst wordt verzonden naar de rijksbelastingdienst en de Inspectie SZW. De rijksbelastingdienst geeft vervolgens per gecertificeerde uitzendonderneming aan of er zich omstandigheden hebben voorgedaan als bedoeld in artikel 14b, tweede lid, van de Waadi. De Inspectie SZW geeft per onderneming aan of er bij een controle overtredingen zijn geconstateerd. Deze informatie wordt vervolgens verstrekt aan de SNA. Deze laat aan de certificerende instellingen aan de hand van die informatie weten of en zo ja ten aanzien van welke ondernemingen die zij onlangs hebben gecertificeerd zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan als genoemd in artikel 14b, eerste en tweede lid, van de Waadi. De certificerende instelling gebruikt vervolgens de door de rijksbelastingdienst en Inspectie SZW verstrekte gegevens om na te gaan of de desbetreffende uitzendonderneming zich aan de regels houdt en of het certificaat terecht is afgegeven. De gegevens kunnen voor certificerende instellingen een signaal zijn om de frequentie van de controles bij de desbetreffende gecertificeerde ondernemingen te verhogen. Een controle kan leiden tot intrekking van het certificaat.

De rol van de SNA beperkt zich dus tot het verzamelen van de namen van uitzendondernemingen en dit overzicht te zenden aan de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst, het in ontvangst nemen van de signalen die zij terug krijgt van de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst en het doorgeven van deze signalen aan de certificerende instellingen. Gelet op het voorgaande is de SNA in de Regeling Waadi aangewezen als bewerker en worden de certificerende instellingen gekwalificeerd als verantwoordelijke.

Voor deze rolverdeling is om een aantal redenen gekozen:

  • Bij het bepalen wie de verantwoordelijke is, heeft de wetgever er bewust voor gekozen aan te sluiten bij een van rechtswege erkende instantie, namelijk de Raad voor Accreditatie. De certificerende instellingen moeten door deze Raad van Accreditatie zijn erkend. De SNA heeft geen wettelijke verankering en leent zich hier minder voor.

  • Een tweede beweegreden is van uitvoeringstechnische aard. De SNA houdt bij door welke certificerende instelling de uitzendonderneming is gecertificeerd. Dit is met name van belang omdat een uitzendonderneming, ter verkrijging van het certificaat, zelf een inspectie-instelling aanwijst die de inspectie mag uitvoeren. De SNA heeft een totaal overzicht welke ondernemingen zijn gecertificeerd en kan om die reden goed functioneren als bewerker.

Informatieplicht

Uit het voorgaande blijkt dat de certificerende instellingen als verantwoordelijke worden gezien bij deze gegevensuitwisseling. Artikel 34 van de Wet bescherming persoonsgegevens bepaalt dat in het geval persoonsgegevens op een andere wijze dan bij betrokkene worden verkregen, de verantwoordelijke de betrokkene op de hoogte stelt. Nu alleen in het geval dat gegevens van een natuurlijk persoon deel uitmaken van de gegevensverstrekking, sprake is van het verwerken van persoonsgegevens, geldt deze plicht enkel in die gevallen.

De verantwoordelijke deelt in elk geval zijn identiteit en de doeleinden van de verwerking aan betrokkene mee. In zowel het Reglement Registratie als in het Reglement Inspectie-instellingen zijn de werkwijze en verantwoordelijkheden van de certificerende instellingen en de SNA beschreven.

§ 2. Preventieve stillegging

In het Besluit arbeidsbemiddeling, dat met dit Besluit wordt ingetrokken, zijn de uitvoeringsregels in verband met de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Stb. 2012, 462) opgenomen. Deze uitvoeringsregels zijn nu opgenomen in hoofdstuk 3 van dit Besluit. De toelichting op deze uitvoeringsregels is reeds opgenomen in de toelichting op het Besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Stb. 2012, 484).

De preventieve stillegging van werkzaamheden duurt ten hoogste drie maanden. Daarbij zal voor de periode waarvoor de stillegging geldt worden aangesloten bij de ernst van de overtreding en de mate waarin sprake is van recidive. Dit wordt nader uitgewerkt in beleidsregels. Effectuering van de preventieve stillegging is mogelijk vanaf het moment dat een boeterapport is opgesteld. Van een preventieve stillegging kan worden afgezien als de aard van de overtreding of de met de overtreding samenhangende omstandigheden dan wel de gevolgen van de stillegging van werkzaamheden daartoe aanleiding geven. Dit wordt voor de Waadi nader uitgewerkt in beleidsregels. Wanneer geen preventieve stillegging wordt toegepast, is dit geen reden om een bestuurlijke boete achterwege te laten. De preventieve stillegging heeft betrekking op het staken of niet aanvangen van werkzaamheden. Daarbij kan het zowel gaan om alle werkzaamheden verricht door een bedrijf – waarin het bedrijf feitelijk geheel wordt stilgelegd – als om specifieke werkzaamheden of werkzaamheden in onderdelen van een bedrijf, waarbij andere onderdelen nog kunnen doorfunctioneren. Bij de keuze hiertussen wordt onder meer gekeken naar de mate waarin de overtredingen verspreid zijn binnen het bedrijf en de mogelijkheden om bedrijfsonderdelen daadwerkelijk stil te leggen. Het is niet in alle situaties mogelijk of wenselijk om (onderdelen van) bedrijven stil te leggen. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om situaties waarin stillegging van werkzaamheden onevenredig grote maatschappelijke gevolgen heeft of om bedrijven waarbij risico’s voor de veiligheid verbonden zijn aan het stilleggen of weer opstarten van werkzaamheden.

§ 3. Regeldruk

De gevolgen van dit Besluit voor de regeldruk voor bedrijven, burgers en professionals zijn nagenoeg nihil. In hoofdstuk 2 betreft het de informatie-uitwisseling tussen bestuursorganen enerzijds en de certificerende instellingen en de Stichting Normering Arbeid anderzijds. Bedrijven nemen kennis van het feit dat bij het proces van certificering informatie van bestuursorganen wordt ingewonnen. Over het feit dat dit gebeurt worden deze bedrijven geïnformeerd bij aanvang van de certificering. Ook zijn er minimale kennisnamekosten voor bedrijven in het geval de Inspectie SZW persoonsgegevens verstrekt aan de certificerende instelling. Voorts inspecteren de certificerende instellingen op eigen gelegenheid of gecertificeerde ondernemingen terecht beschikken over het door hen afgegeven certificaat. Met de in dit Besluit geregelde gegevensuitwisseling gaan de certificerende instellingen gerichter inspecteren. Immers, de bedrijven die de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst hebben doorgegeven aan de certificerende instellingen zullen vaker worden geïnspecteerd. Voor deze bedrijven heeft de hier geregelde gegevensuitwisseling wel effect voor de regeldruk. Hoofdstuk 3 betreft enkel een verplaatsing van bepalingen uit het Besluit arbeidsbemiddeling naar dit Besluit en levert derhalve geen extra regeldruk op. Ook de in hoofdstuk 4 opgenomen wijzigingen hebben geen effect op de regeldruk, nu hierin is bepaald dat de toezichthouder in bepaalde overheidssectoren de maatregel het werk (preventief) stil te leggen niet kan toepassen.

§ 4. Uitvoeringsaspecten en budgettaire aspecten

De effecten van de bepalingen in dit Besluit die over de gegevensuitwisseling gaan vloeien voort uit de invoering van artikel 14b van de Waadi. De bepalingen in dit Besluit die betrekking hebben op gegevensverstrekking door de rijksbelastingdienst sluiten aan op de praktijk van de rijksbelastingdienst en zijn uitvoerbaar. Aan dit Besluit zijn geen (nieuwe) additionele uitvoeringskosten verbonden. Ook voor de Inspectie SZW geldt dat er geen additionele kosten zijn verbonden aan de gegevensuitwisseling op grond van artikel 14b van de Waadi. Eenmalig ontwikkelt de Inspectie SZW een tool waarmee de gegevens van gecertificeerde uitzendbureaus over een bepaalde periode gelegd kunnen worden naast de gegevens van beboete uitzendbureaus over diezelfde periode.

De gegevensverstrekking ondersteunt de aanpak van de malafiditeit in de uitzendbranche. De bepalingen die deze gegevensverstrekking mogelijk maken hebben geen directe budgettaire gevolgen.

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1

Artikel 1:1

In dit artikel zijn begripsbepalingen opgenomen.

Als bewerker in de zin van artikel 14b, vierde lid, van de wet is in artikel 2 van de Regeling Waadi de SNA aangewezen.

Met de Inspectie SZW wordt bedoeld de door Onze Minister aangewezen (toezichthoudende) ambtenaren, bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de wet, artikel 14, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen en artikel 18a, eerste lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

Met de wet wordt bedoeld de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs.

Hoofdstuk 2

Artikel 2:1

In het eerste lid van artikel 2:1 van dit Besluit is bepaald dat de SNA ten minste eenmaal per kwartaal een overzicht van op dat moment gecertificeerde ondernemingen verstrekt aan de Inspectie SZW, die aan de hand van dit overzicht nagaat of deze ondernemingen een overtreding hebben begaan van een of meer van de in artikel 14b, eerste lid, onderdelen a tot en met d, van de Waadi genoemde wetten. In het tweede lid van artikel 2:1 van dit Besluit is bepaald dat de certificerende instellingen gegevens aan de SNA verstrekken over welke ondernemingen zijn gecertificeerd. Dit is in feite het startpunt van de op artikel 14b van de Waadi gebaseerde gegevensverstrekking.

In het derde lid van artikel 2:1 van dit Besluit worden de gegevens genoemd die de Inspectie SZW verstrekt aan de certificerende instellingen via de SNA. De gegevensverstrekking door de Inspectie SZW aan de SNA vindt in elk geval elk kwartaal plaats. De door de Inspectie SZW te strekken gegevens zijn te kwalificeren als een signaal op basis waarvan een certificerende instelling, die het certificaat heeft verstrekt, een onderzoek kan gaan instellen bij de desbetreffende onderneming. Het boeterapport, dat de Inspectie opmaakt bij een mogelijke overtreding en de beschikking, waarbij aan een onderneming een boete worden opgelegd, worden door de Inspectie SZW niet verstrekt aan de certificerende instelling. De controle of het certificaat terecht is afgegeven aan een onderneming is immers de verantwoordelijkheid van de certificerende instelling. Bovendien is een gecertificeerde onderneming op grond van het verstrekte certificaat verplicht zowel het boeterapport als de boetebeschikking te verstrekken aan de certificerende instelling. Het signaal dat de Inspectie SZW aan de certificerende instelling afgeeft is van meerwaarde, nu de Inspectie SZW over meer bevoegdheden beschikt bij het verrichten van onderzoek bij een onderneming dan een certificerende instelling.

In het vierde lid van artikel 2:1 van dit Besluit is de actualiteit van de gegevensuitwisseling aangegeven. De datum waarop de Inspectie SZW het overzicht van gecertificeerde ondernemingen van de SNA ontvangt is de peildatum. Vanaf dat moment gaat de Inspectie SZW twee jaar terug en bekijkt over die periode of een onderneming een overtreding heeft begaan van eerdergenoemde wetten.

Tot slot is in het vijfde lid van artikel 2: 1 van dit Besluit bepaald dat het KvK-vestigingsnummer een door een Kamer van Koophandel toegekend uniek nummer is aan een vestiging van een onderneming in het handelsregister, bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Handelsregisterwet 2007.

Artikel 2:2

In het eerste lid van artikel 2:2 van het Besluit wordt geregeld dat de SNA aan de rijksbelastingdienst ten minste eenmaal per kwartaal een overzicht van gecertificeerde ondernemingen levert. In het tweede lid van artikel 2:2 van dit Besluit is bepaald dat de certificerende instellingen gegevens aan de SNA verstrekken over welke ondernemingen zijn gecertificeerd. Deze lijst is in feite het startpunt van de op artikel 14b van de Waadi gebaseerde gegevensverstrekking.

In het derde lid van artikel 2:2 van dit Besluit wordt geregeld op welke wijze de gegevensverstrekking plaatsvindt en welke gegevens worden verstrekt. De rijksbelastingdienst verstrekt de gegevens aan de hand van het overzicht van gecertificeerde uitzendondernemingen van de SNA. Op grond van dit overzicht wordt, een geautomatiseerde zoekopdracht in de belastingsystemen uitgevoerd die resulteert in een overzicht waarop de te verstrekken gegevens staan vermeld. Naast de naam-, adres- en vestigingsgegevens vermeldt deze uitdraai het gegeven of de onderneming of rechtspersoon in haar, onderscheidenlijk zijn, hoedanigheid van belastingplichtige voor de omzetbelasting of als inhoudingsplichtige in de gegevensset betrokken is. Tot slot wordt in voorkomende gevallen melding gemaakt van gegevens met betrekking tot de omstandigheden, genoemd in artikel 14b, tweede lid, onderdelen a, b en d, van de Waadi en van het aantal opgelegde naheffingsaanslagen die niet binnen de gestelde termijn zijn betaald en waarvoor geen uitstel van betaling is verleend. Dit overzicht wordt op grond van het derde lid periodiek, ten minste eenmaal per kwartaal verstrekt. Op dit moment vindt die gegevensverstrekking per kwartaal plaats, maar als het (uitvoerings)technisch mogelijk is zal deze gegevensverstrekking maandelijks gaan plaatsvinden.

In het vierde lid van artikel 2:2 van dit Besluit wordt invulling gegeven aan de actualiteit van de gegevens die door de rijksbelastingdienst worden verstrekt. De gegevens op het overzicht betreffen de gegevens zoals die op het moment waarop het overzicht tot stand komt bij de rijksbelastingdienst bekend zijn. Het betreft onder meer niet-verjaarde, openstaande belastingschulden waarvoor geen betalingsregeling is getroffen waarbij tot maximaal tien jaar wordt teruggekeken. Ten aanzien van deze gegevens is geregeld dat bepalend is of de omstandigheden genoemd in artikel 14b, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet, ten hoogste tien jaar voorafgaand aan het einde van de voorafgaande rapportageperiode zijn ontstaan en de betreffende betalingen aan het einde van die rapportageperiode nog steeds niet volledig zijn gedaan.

De omstandigheid dat geen aangifte is ingediend, zoals is beschreven in artikel 14b, tweede lid, onderdeel a, van de wet, of dat bij een naheffingsaanslag een vergrijpboete is opgelegd, zoals is beschreven in artikel 14b, tweede lid, onderdeel d, van de wet, wordt als gegeven verstrekt indien die omstandigheid in de voorafgaande rapportageperiode is opgekomen, zoals is opgenomen in de onderdelen a en c van dit vierde lid van artikel 2:2 van dit Besluit. Bij kwartaalrapportages gaat het daarbij dus om gegevens over omstandigheden die zich in het voorgaande kwartaal hebben voorgedaan. De omstandigheid dat de contactambtenaar, bedoeld in artikel 84 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, over een naheffingsaanslag contact heeft met het Openbaar Ministerie in het kader van een strafrechtelijke vervolging en berechting van fiscaal strafbare feiten, zoals is bedoeld in artikel 14b, tweede lid, onderdeel d, van de wet, wordt als gegeven verstrekt gedurende de periode dat dit contact loopt.

Voor de beoordeling van de geldigheid van een afgegeven certificaat is het totale beeld van openstaande (belasting)schulden van belang. Zo leidt het signaal dat een uitzendonderneming drie naheffingsaanslagen niet heeft betaald en geen uitstel van betaling is verleend, volgens de NEN-norm zoals die door de certificerende inspectie-instellingen wordt toegepast, tot intrekking van het certificaat. Op het moment dat een schuld is voldaan, verdwijnt voor deze vordering ook het signaal dat er een openstaande schuld is. Pas als alle schulden zijn betaald vervalt het in artikel 14b, tweede lid, van de WAADI bedoelde signaal. Dit kan een openstaande naheffingsaanslag betreffen of een achterstand in betaling van af te dragen loon- of omzetbelasting. De actualiteit van de vermelde gegevens kan ook betekenen dat het overzicht een gegeven vermeldt dat is ontstaan in de periode voordat de onderneming gecertificeerd was. Bijvoorbeeld omdat er na certificering nog een naheffingsaanslag openstaat welke aanslag stamt uit de periode van voor de certificering. Dit gegeven is relevant voor een beoordeling van het fiscale gedrag van een onderneming en kan daardoor onderdeel uitmaken van de gegevensset.

Artikel 2:3

In artikel 2:3 van dit Besluit is bepaald dat de certificerende instellingen en de SNA de gegevens in beginsel na vijf jaar dienen te vernietigen. In het geval dat een onderneming het certificaat verliest, worden de gegevens door de certificerende instellingen en de SNA echter eerder vernietigd, namelijk een half jaar na intrekking van het certificaat.

Naar aanleiding van de ontvangen gegevens dat aan bepaalde uitzendondernemingen boetes zijn opgelegd, als bedoeld in artikel 2:1 van dit Besluit, of dat zich omstandigheden hebben voorgedaan als bedoeld in artikel 2:2, derde lid, onderdelen c en d van dit Besluit, intensiveren de certificerende instellingen de controles bij die bedrijven. Zo’n extra controle kan ertoe leiden dat een certificerende instelling het certificaat van die onderneming intrekt.

In de praktijk blijkt dat een aantal ondernemingen, korte tijd nadat het certificaat is ingetrokken, wederom een certificaat aanvraagt. Ook komt het voor dat uitzendondernemingen doelbewust failliet gaan en later door dezelfde eigenaren al dan niet onder dezelfde naam wederom een certificaat wordt aangevraagd. Ter bestrijding van fraude en illegaliteit in de uitzendbranche is het van belang dat de certificerende instelling en de SNA de gegevens van een onderneming na intrekking van het certificaat gedurende korte tijd kunnen behouden. De certificerende instelling en de SNA kunnen in dat geval direct zien dat het certificaat van de betreffende onderneming recent is ingetrokken en kunnen daaruit hun conclusies trekken.

Het is uiteraard ook mogelijk dat een certificerende instelling als gevolg van een extra controle naar aanleiding van de door de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst verstrekte gegevens, besluit het certificaat (nog) niet in te trekken. In dat geval is het van toegevoegde waarde dat een certificerende instelling en de SNA de gegevens van deze onderneming langer, dat wil zeggen vijf jaar nadat zij de gegevens heeft ontvangen, kunnen bewaren. Immers, deze periode is noodzakelijk voor een certificerende instelling om een adequate beoordeling te kunnen maken of aan een onderneming terecht het certificaat is toegekend. Indien een onderneming meerdere overtredingen begaat in een periode van vijf jaar, geeft dit extra aanleiding het certificaat alsnog in te trekken.

De beslissing om al dan niet een certificaat in te trekken hangt af van het gedrag van een onderneming over een langere periode. Wanneer een bedrijf de eerste keer in de fout is gegaan zal minder snel worden overgegaan tot het intrekken van een certificaat. In het geval echter dat gedurende de afgelopen jaren meermaals een overtreding is geconstateerd, zal een certificaat sneller worden ingetrokken. Om deze beoordeling niet te doorkruisen is een langere bewaartermijn gerechtvaardigd.

Door de gegevens te bewaren kan bij een hernieuwde overtreding een meer gerichte inspectie plaats vinden omdat men weet wanneer en waar in de boekhouding eerdere overtredingen kunnen worden getraceerd. Met het oog hierop acht ik een termijn van vijf jaar niet onnodig lang, in ogenschouw nemende dat de algemene bewaartermijn voor administraties zeven jaar betreft.

Gelet op artikel 15 van de Wbp draagt de verantwoordelijke er zorg voor dat de bepalingen over de vernietiging van de gegevens door de SNA worden nageleefd.

Artikel 2:4

In dit artikel zijn de technische en organisatorische beveiligingsmaatregelen die de certificerende instellingen en de SNA moeten nemen met betrekking tot de verrichte verwerkingen van de verstrekte gegevens neergelegd. In artikel 14, eerste lid, van de Wbp is bepaald dat de verantwoordelijke, in dit geval de certificerende instellingen, toeziet op de naleving van deze maatregelen door de SNA. Eén van de door de certificerende instellingen en de bewerker te treffen voorzieningen is, gelet op onderdeel c van dit artikel, het nemen van maatregelen die gericht zijn op het beheer van de gegevens. Hieronder vallen ook maatregelen om onbevoegde digitale toegang tot de opgeslagen gegevens tegen te gaan. Deze waarborgen zijn temeer van belang nu door de gegevensverstrekking van de rijksbelastingdienst en de Inspectie SZW aan de certificerende instellingen de gegevens van het publieke domein naar het private domein worden overgeheveld. Ook zijn dit gegevens die zonder toestemming van de uitzendbureaus op wie de gegevens zien worden verstrekt aan de certificerende instellingen.

Artikel 2:5

De SNA verstrekt jaarlijks een verslag aan de Inspectie SZW en de rijksbelastingdienst. In dit verslag wordt teruggekoppeld aan de Inspectie SZW, dan wel de rijksbelastingdienst wat met de door hen gegeven signalen is gedaan. Of en in hoeverre naar aanleiding van deze signalen het aantal controles is aangepast en wat de resultaten waren van deze controles. Ook is van belang of de desbetreffende bedrijven nog over het certificaat beschikken of dat het certificaat is ingetrokken. Het doel van deze terugkoppeling is het versterken van het certificaat. Het bevordert tevens de publieke en private samenwerking.

Hoofdstuk 3

Zie algemeen deel van de toelichting onder Preventieve stillegging.

Hoofdstuk 4

Artikel 4:1

De wijzigingen in artikel 4:1 zijn louter van technische aard.

Artikel 4:2

In de artikelen die in de onderdelen A tot en met D van artikel 4:2 worden gewijzigd is bepaald dat de in de Arbeidsomstandighedenwet gegeven mogelijkheid voor de toezichthouder om het werk stil te leggen als maatregel van orde niet kan worden toegepast in de burgerlijke openbare dienst (politie en brandweer; inlichtingendienst(en)) en justitiële inrichtingen. Met de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW (Stb. 2012, 462) is een vergelijkbare maatregel opgenomen, namelijk de mogelijkheid om de werkzaamheden preventief stil te leggen. Met de aangebrachte wijziging kan ook deze mogelijkheid van preventieve stillegging niet worden toegepast in de aangegeven overheidssectoren.

Hoofdstuk 5

Artikel 5:1

Het Besluit arbeidsbemiddeling wordt ingetrokken, nu de daarin opgenomen bepalingen naar dit Besluit worden verplaatst. Op het Besluit arbeidsbemiddeling is geen regelgeving gebaseerd.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


X Noot
1

Kamerstukken II 2010/11, 32 872, nr. 3, p. 10–11.

X Noot
2

Kamerstukken II 2010/11, 32 872, nr. 3, p. 13–16.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.

Naar boven