Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2014, 574AMvB

Besluit van 17 december 2014, houdende regels over zoönosen (Besluit zoönosen)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 15 september 2014, nr. WJZ / 14098214, gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Gelet op Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönosen en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (PbEU 2003, L 325), Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU 2003, L 325) en de artikelen 81c, 103 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 oktober 2014, nr. W15.14.0335/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 15 december 2014, nr. WJZ/14190617, uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

wet:

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

richtlijn 2003/99/EG:

Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönosen en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn nr. 92/117/EEG van de Raad (PbEU 2003, L 325);

verordening (EG) nr. 178/2002:

Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsvoorschriften (PbEG 2002, L 31).

Artikel 2

  • 1. Onze Minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van richtlijn 2003/99/EG.

  • 2. Onze Minister kan regels stellen over het doen van onderzoek naar, het bewaren van gegevens over, het verzamelen en ter beschikking stellen van onderzoeksresultaten met betrekking tot de aanwezigheid van zoönosen en zoönoseverwekkers, antimicrobiële resistentie bij zoönoseverwekkers en bij andere verwekkers, wanneer deze een gevaar opleveren voor de volksgezondheid.

  • 3. De regels, bedoeld in het tweede lid, worden vastgesteld in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 3

De exploitant van een levensmiddelenbedrijf, bedoeld in artikel 3, derde lid, van verordening (EG) nr. 178/2002 die onderzoek doet naar de aanwezigheid van zoönosen of zoönoseverwekkers, die overeenkomstig artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 2003/99/EG worden bewaakt:

  • a. houdt de resultaten van het onderzoek bij;

  • b. bewaart de onderzoeksgegevens en de relevante isolaten gedurende twee jaar, en

  • c. stelt de onderzoeksresultaten of relevante isolaten desgevraagd ter beschikking aan Onze Minister.

Artikel 4

De artikelen 15, vierde lid, 17, 19, 20, 21, eerste en tweede lid, 22, eerste lid, 24, 32, 83, aanhef en onderdeel a, 84 tot en met 91, 91a, 91h, 92, 100, 101 en 101a van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren zijn van overeenkomstige toepassing ter wering en bestrijding van:

  • a. Salmonella enteritidis;

  • b. Salmonella typhimurium, waaronder monofasische Salmonella typhimurium met de antigene formule 1,4,[5],12:i:-;

  • c. Salmonella hadar;

  • d. Salmonella infantis;

  • e. Salmonella virchow, en

  • f. Salmonella java.

Artikel 5

Archiefbescheiden van het Productschap Pluimvee en Eieren of het Productschap Diervoeder betreffende zaken die op grond van dit besluit worden behartigd door Onze Minister, worden overgedragen aan Onze Minister, voor zover zij niet overeenkomstig de Archiefwet 1995 zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

Artikel 6

Na artikel 16 van het Besluit heffing bestrijding dierziekten wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 16a

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten einde te borgen dat betalingen die worden verricht uit het Diergezondheidsfonds in overeenstemming zijn met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 7

Na artikel 12 van het Besluit heffing preventie dierziekten wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 5 Overige bepalingen

Artikel 12a

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten einde te borgen dat betalingen die worden verricht uit het Diergezondheidsfonds in overeenstemming zijn met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 8

Het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten wordt ingetrokken.

Artikel 9

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 10

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit zoönosen.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 17 december 2014

Willem-Alexander

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

Uitgegeven de vierentwintigste december 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Aanleiding en doel

In het Regeerakkoord «Bruggen slaan» is afgesproken dat de product- en bedrijfschappen worden opgeheven en dat de publieke taken van deze bedrijfslichamen worden overgenomen door de Minister van Economische Zaken en in een aantal gevallen door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of de Minister van Infrastructuur en Milieu.

In het rapport «De PBO in 2010» van onderzoeksbureau EIM (De PBO in 2010, Een inventarisatie van cijfers,feiten en visies, EIM/IOO 2010, als bijlage gevoegd bij Kamerstukken II 2011/12, 32 615, nr. 3) is in kaart gebracht welke taken door de product- en bedrijfschappen worden uitgevoerd. Op basis van deze inventarisatie heeft de Commissie Jorritsma in de publieke taken drie categorieën onderscheiden: medebewindstaken (alle taken en activiteiten van het schap die strekken tot uitvoering van een «hogere» regeling, niet zijnde de Wet op de bedrijfsorganisatie), autonome taken die betrekking hebben op de bevordering van plant- en diergezondheid en van dierenwelzijn en autonome taken die betrekking hebben op voedselveiligheid en gezondheid.

In samenwerking met de bedrijfslichamen is in detail geïnventariseerd welke taken en activiteiten als publiek zijn aan te merken. Daarbij is tevens bezien of bepaalde taken, hoewel deze niet onder de publieke taken vallen, toch door de centrale overheid moeten worden overgenomen, omdat ze onmisbaar zijn voor een goede uitoefening van een publieke taak. Bij de bepaling van de medebewindstaken is uitgegaan van een ruime uitleg van medebewind. Het gaat niet alleen om taken waarvoor een formele taakoverdracht of -opdracht is gegeven, maar ook om:

  • i) rechtstreekse implementatie van EU-verplichtingen door middel van productschapregelgeving;

  • ii) taken die de bedrijfslichamen op verzoek van de Rijksoverheid op zich hebben genomen, en

  • iii) autonome regelgeving van de bedrijfslichamen die door de Rijksoverheid is aangewend ter voldoening aan EU-verplichtingen.

Per taak is bezien op welke wijze deze kan worden ingevuld en uitgevoerd. Hoofdlijn bij de overname van taken is dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het stelsel van de wet die de grondslag biedt om de desbetreffende taak over te nemen. Dat betekent dat de handhavingsinstrumenten worden ingezet waarin de desbetreffende wet voorziet. Hierdoor zullen taken die worden overgenomen niet langer tuchtrechtelijk worden gehandhaafd.

Dit besluit biedt de grondslag voor overname van de productschapsregelgeving ten behoeve van de bewaking en bestrijding van zoönosen:

  • de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in pluimveebedrijven en kuikenbroederijen;

  • de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen in de kalkoensector,

  • de Verordening hygiënemaatregelen en bestrijding zoönosen pluimveeslachterijen en -uitsnijderijen;

  • de Verordening PDV Monitoring Zoönosen en Zoönoseverwekkers Diervoedersector 2005,

en de op die verordeningen gebaseerde besluiten. De overname van deze regelgeving van het Productschap Pluimvee en Eieren en het Productschap Diervoerder door de Minister van Economische Zaken is mede afhankelijk van het wetsvoorstel strekkende tot opheffing van het stelsel van bedrijfslichamen (Kamerstukken II 2013/14, 33 910, nr. 2) (hierna: het wetsvoorstel).

2. Inhoud

2.1 Achtergrond

Voorheen bevatte het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten de basis voor maatregelen ter wering en bestrijding van zoönosen: ziekten die door dieren op de mens kunnen worden overgebracht. In dat besluit werden Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönosen en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad (PbEU 2003, L 325) (hierna: richtlijn 2003/99/EG), en Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers (PbEU 2003, L 325) (hierna: verordening (EG) nr. 2160/2003) geïmplementeerd of uitgevoerd. Voor de uitvoering van verordening (EG) nr. 2160/2003 was overeenkomstig artikel 3a van het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten medewerking gevorderd van het Productschap Pluimvee en Eieren en het Productschap Diervoeder. Aan die medebewindsopdracht werd uitvoering gegeven met de hierboven genoemde verordeningen.

Behalve in regelgeving over zoönosen voorzag het Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bestrijding besmettelijke dierziekten ook in enkele maatregelen die veehouders moeten treffen na uitbraak van een besmettelijke dierziekte, of bij een vermoeden daarvan. Die maatregelen waren opgenomen in de artikelen 5 en 6 van dat besluit. Om de overzichtelijkheid van de bestrijdingsmaatregelen voor besmettelijke dierziekten te bevorderen, zijn die artikelen overgeheveld naar de Regeling preventie, bestrijding en monitoring besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s. Artikel 17 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) biedt daarvoor de basis. Omdat dan slechts bepalingen over zoönosen resteren, is voor die bepalingen een nieuwe algemene maatregel van bestuur vastgesteld: het Besluit zoönosen.

2.2 Richtlijn 2003/99/EG

Richtlijn 2003/99/EG heeft als doel dat zoönosen, zoönoseverwekkers en daarmee samenhangende antimicrobiële resistentie worden bewaakt en gedegen epidemiologisch onderzoek wordt gedaan naar uitbraken van door voedsel overgedragen zoönosen. Lidstaten moeten daartoe gegevens verzamelen inzake het voorkomen van zoönosen en zoönoseverwekkers bij dieren, in voeding, diervoeders en bij de mens. De grondslag voor implementatie van deze richtlijn is het nieuwe artikel 81c, tweede lid, in samenhang met het derde lid, van de Gwwd, op basis waarvan regels kunnen worden gesteld ter implementatie van richtlijnen over zoönosen. Ten opzichte van het voorheen geldende Besluit bescherming tegen bepaalde zoönosen en bescherming besmettelijke dierziekten hebben er geen inhoudelijke wijzigingen plaatsgevonden. Onderdeel II van deze nota van toelichting bevat een transponeringstabel, waarin inzichtelijk is gemaakt waar de onderdelen van deze richtlijn zijn geïmplementeerd.

2.3 Verordening (EG) nr. 2160/2003
2.3.1 Pluimvee en pluimveeproducten

Verordening (EG) nr. 2160/2003 heeft tot doel dat adequate en doeltreffende maatregelen worden getroffen voor de detectie en de bestrijding van salmonella en andere zoönoseverwekkers in alle stadia van productie, verwerking en distributie van pluimveevlees en varkensvlees, in het bijzonder op het niveau van de primaire productie met inbegrip van diervoeders, teneinde de prevalentie ervan en het risico voor de volksgezondheid te verminderen. De verordening stelt specifieke eisen aan de wering en bestrijding van de belangrijkste serotypen bij kippen en kalkoenen: Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium. Voor varkens gelden nog geen Europese monitorings- of bestrijdingsverplichtingen. Artikel 5 van verordening (EG) nr. 2160/2003 verplicht lidstaten om een nationaal bestrijdingsprogramma op te stellen, waarin rekening wordt gehouden met de specifieke situatie in de lidstaat. Daarnaast gelden ingevolge Verordening (EG) nr. 200/2010 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2160/2003 wat betreft een doelstelling van de Unie voor het verminderen van de prevalentie van serotypen Salmonella bij volwassen vermeerderingskoppels van Gallus gallus (PbEU 2010, L 61) monitoringsvoorschriften ten aanzien van andere serotypen: Salmonella hadar, infantis en virchow. Deze serotypen zijn, tezamen met Salmonella enteritidis en typhimurium, in verordening (EG) nr. 2160/2003 aangemerkt als het belangrijkst voor de volksgezondheid.

Behalve verordening (EG) nr. 2160/2003 bevat ook Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (PbEU 2005, L 338) (verordening (EG) nr. 2073/2005) voorschriften waarmee voedselinfecties als gevolg van salmonella moeten worden teruggedrongen. Die verordening regelt dat vers pluimveevlees vrij moet zijn van Salmonella enteritidis en typhimurium. Vleesbereidingen en vlees- en eiproducten moeten vrij zijn van alle serotypen salmonella. In Nederland bleek dat vers vlees, vleesproducten en ‑bereidingen toch vaak besmettingen met salmonella’s bevatten wanneer bij fok- en vermeerderingskoppels uitsluitend bestrijdingsmaatregelen worden getroffen na een geconstateerde besmetting met Salmonella enteritidis of typhimurium. Om salmonellabesmettingen in Nederland effectief te kunnen beheersen is het derhalve nodig om, in aanvulling op verordening (EG) nr. 2160/2003, extra maatregelen te treffen. Bij besmettingen met Salmonella hadar, infantis en virchow op vermeerderingsbedrijven met kippen – er zijn in Nederland momenteel geen vermeerderingsbedrijven met kalkoenen – is het daarom nodig om dezelfde bestrijdingsmaatregelen te treffen als bij besmettingen met Salmonella enteritidis of typhimurium.

Vlees afkomstig van koppels vleeskuikens die zijn besmet met Salmonella enteritidis of typhimurium kan op grond van verordening (EG) nr. 2073/2005 niet worden afgezet als vers vlees. Dit vlees moet verhit worden voordat het in aanmerking komt voor humane consumptie. Vlees afkomstig van koppels die met andere salmonella’s zijn besmet kan op grond van verordening (EG) nr. 2073/2005 nog wel worden afgezet als vers vlees en mag alleen tot vleesproducten of -bereidingen worden verwerkt indien alle salmonella’s zijn gedood, bijvoorbeeld door verhitting. Om te voorkomen dat na herbevolking van de stal opnieuw een besmetting optreedt met Salmonella hadar, infantis of virchow worden bij een besmetting met deze serotypen reinigings- en ontsmettingsmaatregelen voorgeschreven. Pas nadat reiniging en ontsmetting heeft plaatsgevonden mogen nieuwe dieren in de stal worden geplaatst.

Op eieren komen alleen Salmonella enteritidis en typhimurium voor. Om die reden worden voor leghennenbedrijven ten opzichte van verordening (EG) nr. 2160/2003 geen extra maatregelen getroffen.

Een aparte problematiek vormt Salmonella java. Verordening (EG) nr. 2160/2003 bevat geen voorschriften over dit serotype, maar in het kader van de in verordening (EG) nr. 2073/2005 opgenomen eis dat vleesproducten en -bereidingen vrij moeten zijn van alle salmonella’s is het noodzakelijk om in Nederland maatregelen te nemen ingeval Salmonella java wordt aangetroffen. Salmonella java komt in Nederland namelijk veelvuldig voor bij vleeskuikens en is weinig gevoelig voor gangbare bestrijdingsmaatregelen. Bij kippen die als vermeerderingsdier worden gehouden komt Salmonella java eveneens voor en ook daar kan dit serotype persistent aanwezig blijven. Omdat een besmetting op een vermeerderingsbedrijf makkelijk kan worden overgedragen op meerdere vleeskuikenbedrijven en ook daar zal leiden tot een persistente besmetting, is het van belang dat Salmonella java zowel op vleeskuikenbedrijven als op vermeerderingsbedrijven bestreden wordt.

De nationale bestrijdingsprogramma’s die conform verordening (EG) nr. 2160/2003 moeten worden opgesteld, moeten ook betrekking hebben op de productie van diervoeders. Aangezien diervoeders in grote hoeveelheden worden geproduceerd, kan een contaminatie met salmonella in de diervoederketen grote gevolgen hebben voor de verspreiding naar opvolgende ketenschakels. De monitorings- en bestrijdingsverplichtingen voor diervoeders hebben betrekking op de serotypen die ook voor pluimvee en pluimveeproducten relevant zijn: Salmonella enteritidis, typhimurium, hadar, infantis, virchow en java.

2.3.3 Uitvoering verordening (EG) nr. 2160/2003

Artikel 81c, eerste lid, in samenhang met het derde lid, van de Gwwd biedt een basis voor de Minister van Economische Zaken om uitvoering te kunnen geven aan verordening (EG) nr. 2160/2003 en de daarop gebaseerde uitvoeringsverordeningen. Zo is het nodig om bevoegde instanties aan te wijzen. Verder is het ingevolge artikel 81b verboden om te handelen in strijd met bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen. Voor zover ter uitvoering van verordening (EG) nr. 2160/2003 regels worden gesteld waaraan beleidskeuzes ten grondslag liggen, moeten deze regels op de hoofdstukken II, VII en IX van de Gwwd worden gebaseerd.

Besmettingen met Salmonella enteritidis, typhimurium, hadar, infantis, virchow of java leiden doorgaans niet tot ziekte bij dieren. Maatregelen gericht op preventieve of bestrijding van deze serotypen kunnen daarom niet worden gebaseerd op hoofdstuk II, afdeling 3, van de Gwwd. Die afdeling is alleen van toepassing op aangewezen besmettelijke dierziekten en in beginsel niet op ziekten die door dieren op de mens kunnen worden overgebracht en alleen de gezondheid van de mens aantasten. Voor deze zoönosen treft artikel 103 van de Gwwd een voorziening: ter wering en bestrijding van zoönosen kunnen bepalingen van de Gwwd geheel of gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

Diverse bepalingen van hoofdstuk II, afdeling 3, van de Gwwd zijn noodzakelijk voor de wering en bestrijding van de bovengenoemde serotypen salmonella. De artikelen 17, 21, eerste lid, en 22, eerste lid, vormen de basis voor regels ter voorkoming van overbrenging van een besmettelijke dierziekte en voor bestrijdingsmaatregelen. Monitorings- en bestrijdingsvoorschriften zijn opgenomen in de Regeling preventie, bestrijding en monitoring besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s; tot het opleggen van bestrijdingsmaatregelen is de Minister van Economische Zaken bevoegd.

Van belang voor de preventie en bestrijding van salmonella zijn daarnaast de artikelen 15, vierde lid, 19, 20, 21, tweede lid, 24 en 32. Ingevolge artikel 15, vierde lid, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald wanneer dieren als verdachte dieren moeten worden aangemerkt. Die bepaling is nodig in samenhang met artikel 24, op grond waarvan de Minister van Economische Zaken het tijdstip vaststelt waarop de verdenking is ontstaan dat een dier lijdt aan een besmettelijke dierziekte, het tijdstip waarop die verdenking eindigt en welke dieren op het tijdstip dat de verdenking is ontstaan ziek waren en welke verdacht waren. Verder is het wenselijk dat de Minister van Economische Zaken de burgemeester van een gemeente waar bestrijdingsmaatregelen worden getroffen daarover in kennis stelt. Dat is geregeld in artikel 21, tweede lid. Eveneens van belang zijn de meldplicht en de inlichtingen- en medewerkingsplicht voor dierhouders, waarin de artikelen 19 en 20 voorzien. De laatste bepaling van hoofdstuk II, afdeling 3, dat bij de wering en bestrijding van salmonella gehanteerd moet kunnen worden, is artikel 32, op grond waarvan de regels en maatregelen die krachtens hoofdstuk II zijn gesteld mogen afwijken van het bepaalde bij of krachtens de meststoffenwet en de Flora- en Faunawet. De bovengenoemde artikelen van hoofdstuk II, afdeling 3, worden daarom van overeenkomstige toepassing verklaard ter wering en bestrijding van Salmonella enteritidis, Salmonella typhimurium, Salmonella hadar, Salmonella infantis, Salmonella virchow en Salmonella java. De overige artikelen van die afdeling betreffen maatregelen die niet worden ingezet bij de bestrijding van deze serotypen salmonella. Die artikelen hoeven derhalve niet van overeenkomstige toepassing te worden verklaard.

Naast hoofdstuk II, afdeling 3, is ook de toepasselijkheid van diverse artikelen van de hoofdstukken VIII en IX van de Gwwd beperkt tot maatregelen die zijn getroffen ter bestrijding van besmettelijke dierziekten. Van belang voor de wering en bestrijding van de bovengenoemde serotypen salmonella bij kippen en kalkoenen zijn de artikelen 83 tot en met 91, 91h en 92, die het mogelijk maken om vergoedingen uit het Diergezondheidsfonds te kunnen uitkeren en daarvoor heffingen in rekening te brengen. De opzet van het Diergezondheidsfonds kan staatssteun veroorzaken. Om te verzekeren dat eventuele staatssteun conform de steunkaders wordt uitgekeerd is het wenselijk aanvullende voorschriften te kunnen stellen. Met de artikelen 6 en 7 van dit besluit wordt in die mogelijkheid voorzien.

De artikelen 100, 101 en 101a zijn eveneens benodigd. Artikel 100 bevat een meldplicht voor dierenartsen en onderzoeksinstellingen die de aanwezigheid van een besmettelijke dierziekte opmerken of vermoeden. Ingevolge artikel 101 is het verboden om dieren opzettelijk in een toestand te brengen waardoor zij als verdacht of ziek moeten worden aangemerkt. In aanvulling daarop richt artikel 101a zich tot de houder van dieren die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten een besmetting of de verspreiding van een besmetting van een aangewezen besmettelijke dierziekte kan worden veroorzaakt. Die houder dient dat handelen, voor zover redelijkerwijs kan worden gevergd, achterwege te laten, alle maatregelen te nemen die in redelijkheid kunnen worden gevergd om zodanige besmetting te voorkomen dan wel, indien de besmetting zich voordoet, de omvang en gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Deze bepalingen worden met artikel 4 van het Besluit zoönosen eveneens van overeenkomstige toepassing verklaard. Ten slotte is het de bedoeling dat op grond van verordening (EG) nr. 2160/2003 ook voorschriften voor varkens worden opgesteld. Om die reden is ook artikel 91a, dat een grondslag voor heffingen bij varkenshouders bevat, van overeenkomstige toepassing verklaard. Ten slotte zijn ook de artikelen 100, 101 en 101a van overeenkomstige toepassing verklaard.

2. Regeldruk

Dit besluit biedt een grondslag om een aantal zaken te regelen dat tot nu toe door de bedrijfslichamen werd geregeld. Voor de over te nemen taken in het kader van de opheffing van de bedrijfslichamen geldt het uitgangspunt dat de regelgeving gebaseerd wordt op de bestaande verordeningen. Derhalve is dit besluit gebaseerd op hetgeen voorheen was geregeld in de genoemde productschapsverordeningen en zijn geen minder belastende alternatieven overwogen. Dit besluit bevat geen nieuwe verplichtingen voor burgers en bedrijven. Er is dus geen sprake van nieuwe administratieve lasten of inhoudelijke nalevingskosten.

Voorheen verplichtte de Verordening PDV Monitoring zoönosen en zoönoseverwekkers diervoedersector 2005 dat, behalve op de in paragraaf 2.3.2 genoemde serotypen, ook moest worden gemonitord op Salmonella agona. Dit type werd tijdens de totstandkoming van de verordening regelmatig aangetroffen. Salmonella agona wordt momenteel echter niet tot nauwelijks aangetroffen in diervoeders. Om die reden bestaat er op dit moment geen aanleiding om de monitorings- en bestrijdingsvoorschriften voor dit serotype te continueren. Dit heeft echter geen gevolgen op de administratieve lasten of inhoudelijke nalevingskosten, omdat monstername onverminderd verplicht blijft voor de zes andere serotypen salmonella die zijn genoemd in paragraaf 2.3.2.

3. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit vast te stellen tijdstip. Dat tijdstip zal samenvallen met het moment waarop het wetsvoorstel in werking treedt.

II. Transponeringstabel

Richtlijn 2003/99/EG

Bepaling in Besluit zoönosen

Omschrijving beleidsruimte

Toelichting op de keuze(n) bij de invulling van beleidsruimte

Artikelen 1 en 2

Behoeven geen implementatie; betreft doel en toepassingsgebied.

   

Artikel 3, eerste lid, en derde en vierde lid

Behoeven geen implementatie, want betreft een verplichting tot feitelijk handelen.

   

Artikel 3, tweede lid

Artikel 2, eerste lid

Geen

 

Artikel 4

Behoeven geen implementatie, want betreft een verplichting tot feitelijk handelen.

   

Artikel 5

Artikel 2, tweede lid

Betreft een nog niet ingevulde grondslag voor de Europese Commissie om nadere regels te kunnen vaststellen, dus beleidsruimte is nog onbekend.

 

Artikel 6

Artikel 3

De bevoegde autoriteit dient een periode vast te stellen waarin onderzoeksresultaten moeten worden bewaard.

De vastgestelde periode bedraagt twee jaar; zodat er voldoende gelegenheid is om gegevens op te vragen, te beoordelen en de resultaten aan de Europese Commissie te zenden.

Artikel 7, eerste lid

Artikel 2

Lidstaten moeten erop toezien dat de bewaking van zoönosen vergelijkbare informatie oplevert.

Artikel 7, eerste lid, bevat een delegatiegrondslag die nog niet is uitgewerkt. De beleidsruimte is nog niet ingevuld.

Artikelen 7, tweede en derde lid, en 8 t/m 18

Behoeven geen implementatie, want betreft een verplichting tot feitelijk handelen.

   

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid jo vijfde lid van de Wet op de Raad van State, omdat het uitsluitend opmerkingen van redactionele aard bevat.